Skip to main content

Full text of "JEOL 5 (1937-1938)"

See other formats


1937—1938 


JAARBERICHT N° 5 

VAN HET VOOR AZIATISCH-EGYPTISCH GEZELSCHAP 

EX ORIENTE LUX 




Het Vooraziatisch-Egyptisch Gezelschap „Ex Oriente Lux” gevestigd te Leiden, 
opgericht 22 Mei 1933, stelt zich ten doel een band te vormen tusschen hen, die den 
kring van hun belangstelling en studie tot de beschavingen van Voor Azië en Egypte 
uitstrekken. Het tracht dit doel te bereiken door het uitgeven van publicaties en het 
organiseeren van lezingen in plaatsen, waar studiekringen gevestigd zijn. Tot deze 
lezingen hebben alle contribuanten toegang, terwijl zij districtsgewijs de Inleidingen 
tot of de Verslagen van deze lezingen ontvangen. 

Het „Jaarbericht” bevat een overzicht van den stand der wetenschap omtrent de 
landen in het oude Voor Azië en Egypte, zoowel in archseologisch-historisch als in 
philologisch opzicht. Het onderscheidt zich van een tijdschrift, doordat het karakter 
in de eerste plaats informeerend is; het beoogt een recapitulatie te geven van de 
vele tijdschriftartikelen en opgravingsberichten, die over het Nabije Oosten verschijnen. 
Polemiek wordt zooveel mogelijk vermeden; behandeling van details is beperkt. In 
het Oosten gaat het terrein tot den Indus, in het Westen via Klein Azië en de 
Aegeische beschaving tot de klassieke archseologie Ieder jaar worden ook capita 
selecta opgenomen uit de geschiedenis der beschaving der oostersche volken. Zoo zijn 
er artikelen in voorbereiding over Oostersche rechtsgeschiedenis, De Etruriërs en 
Klein Azië, De oudste beschaving van Malta enz. 

Leden (ƒ7.50) leden-begunstigers (id.) en donateurs (ƒ 10.— p. j. min.) ontvangen 
het Jaarbericht, de Mededeelingen en Verhandelingen en de Overzichten der geschiedenis 
en archseologie gratis, en zoo mogelijk, de Publicaties. Begunstigers (min. ƒ 3.— p.j.; 
buitenland ƒ3.50) krijgen het Jaarbericht en de Overzichten gratis en de andere uit¬ 
gaven tegen gereduceerden prijs. Het vereenigingsjaar loopt van 1 September tot 
I September. Opzegging als contribuant moet uiterlijk vóór 1 Augustus geschieden. 

Voor een uitnoodiging tot het lidmaatschap en opgave als donateur of begunstiger 
wende men zich tot den secretaris, den heer A. A. KAMPMAN, Roodenburgerstraat 41, 
Leiden, postgironummer 229501, of tot de studiekringleiders en correspondenten (zie 
pag. 476). Alle bestellingen van publicaties moeten per giro 229501 aan het secre¬ 
tariaat worden gedaan. 

Uitgaven : \ 

A. Jaarbericht n°i, 1933, 4 0 , 16 pgg., 2e druk, voor nieuwe contribuanten ƒ 1.50. 

Jaarbericht n° 2, 1934, 4°> 40 pgg-, plaat I—VIII, voor nieuwe contribuanten ƒ 1.75. 

Jaarbericht n° 3, 1935, 4 0 , 104 pgg., plaat IX—XVI, voor nieuwe contribuanten ƒ 2.—. 

Jaarbericht n°4, 1936, 4 0 , 120 pgg., plaat XVII—XXVIII, voor nieuwe contribuanten 
ƒ 2.25; Jaarbericht n° 1—4, tesamen voor ƒ 6.75. 

Ter perse: n os 1— 5 : Dr A. Roes, De gevleugelde zonneschijf (Voor werk van de Jaar- 
berichten); J. P. LETTINGA, Indices en Chronologische tabellen met verwijzing naar 
de blzz. der Jaarberichten, benevens band. Prijs voor begunstigers circa ƒ 2.50. 

B. Mededeelingen en Verhandelingen n°i: Voordrachten gehouden op het 7* congres 

van het Oostersch Genootschap , 13—15 September 1933 te Leiden. 1934, 4 0 , 
66 pgg. (gestencilde tekst) ƒ 1.50, voor begunstigers ƒ 1.—. 

Mededeelingen en Verhandelingen n° 2: Drie Honderd Jaren Egyptologie in 
Nederland. Van Heurnius tot Boeser (1620—1935) door Dr W. D. van Wijn¬ 
gaarden, 1935, 4°, 26 pgg., 4 photo’s en i plaat, met uitvoerige bibliographie, 
ƒ 1.50, voor begunstigers ƒ 1.—. 

Mededeelingen en Verhandelingen n° 3 en Supplement: Egyptische oudheden , ver¬ 
zameld en beschreven door W. A. VAN Leer, met een voorwoord van Dr W. 
D. VAN Wijngaarden, Conservator aan het Rijksmuseum van Oudheden te 
Leiden, 4 0 , 24 pp., XVII platen, 10 fig., registers ƒ 2.—, voor begunstigers ƒ 1.50. 

C. Overzichten van de geschiedenis en opgravingen in het Nabije Oosten: 

I. Ras Samra en Minet el-Beida , uitverkocht, nieuwe druk in voorbereiding. 

II. Ur en Teil el z Obeid , 10 pgg., 1 kaart, ƒ 0.50. 

III. Medinet Habu , ± 10 pgg,, 2 kaarten, f 0.50 (ter perse). 


zie verder pg . ^ van den omslag 


jaarbericht n° 5 

VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GEZELSCHAP 

EX ORIENTE LUX 











1937—1938 


7954 


JAARBERICHT N° 5 

VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GEZELSCHAP 

EX ORIENTE LUX 

GEVESTIGD TE LEIDEN OPGERICHT 22 MEI 1933 

AANGESLOTEN BIJ HET „OOSTERSCH GENOOTSCHAP IN NEDERLAND” 
ANNUAIRE DE LA SOCIÉTÉ ORIËNTALE EX ORIENTE LUX FONDÉE A LEYDE, N° 5 

Commissie van advies: Redactie-adres: Roodborststraat 16, Leiden 

Prof. D r F. M. Th. Böhl, D r A. de Buck Administratie: Roodenburgerstraat 41, Leiden 


INHOUD 

Ter inleiding. — Belangstelling voor het Nabije Oosten in Nederland 1898— 
1938 (281), Lijst van Geschriften van Prof. D r W. B. Kristensen (284). 

AEgypte: Letterkunde: Papyrus Leopold II (287), Egyptische Litteraire Papyri (290); 

Philologie (296); Achnaton (301), Egyptische voorstelling van zonsop- en 
ondergang (305); Archceologie (309). 

Algemeen: Een mechanische bewerking en een onsystematisch Handbuch (315). 

Voor Azië: Philologie: Oude Testament (318), Ras Shamra (340), Religieuze teksten uit 

Assur (349), De dochter van Koning Nabonidus (357), La correspondance 
de Zimrilim (360), Sumerische en Akkadische Woordenlijsten (363), Assyrio- 
logie (366); Archceologie: Palestina (368), De beteekenis der Oud-Kretenzische 
Kunst (373), Hethieten (384), Het Westen van Klein Azië (403), Tempelbouw 
in Oud-Mesopotamië (409), Mesopotamië (420), Elam (422), Over bevloeiing 
in de Oudheid (431). 

Verzamelingen: Rijksmuseum van Oudheden : Aanwinsten over 1936, Egyptisch vrouwenbeeldje, 
Sumerisch en Babylonisch-Assyrische Oudheden (461), Assyriologische Werk¬ 
kamer, Bijbelsch Museum, Privé Collectie van P. Brandt (465), Verzameling 
W. A. van Leer (466). 

Congressen: Brussel, Parijs, Oxford (470), Istanbul (472), Doorn (473). 

G ezel scha psmededeelingen (474), Staat van Leden enz. (476). 

Platen: XXIX—XL. 


TER INLEIDING 

Zoo zijn het de landen van Vóór-Azië en de kuststreken van de Aegeische 
zee , die in het midden van de belangstelling van den oud-historicus van heden zijn 
komen te staan; en zijn eerste plicht is het , om toegercist met de kennis van de talen 
van het Nijldal en van Mesopotamië , van het Baby Ionisch-Assyrisch, het Latijn 
dier eeuwen , bovenal , en zich vertrouwd makend met het overtalrijk archaeologisch 
materiaal , zich in te leven in cultuur en geschiedenis dier voor ons zoo ongedacht 
herrezen volkeren , en mede te werken aan de oplossing van de tallooze problemen , 
die zoals altijd verruimd inzicht en vermeerderde kennis aan de orde stellen. 

U. Ph. BOISSEVAIN 

Dr. U. Ph. Boissevain, Afscheidscollege Univ. Amsterdam, 28 Mei 1926, blz. 8. 





BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 

1898—1938 

Aan het initiatief van de heeren C. G. Vattier Krane en W. A. van Leer is het 
te danken, dat in September a.s. ter gelegenheid van het regeerings-jubileum van 
H. M. de Koningin in het Stedelijk Museum te Amsterdam als onderdeel van het 
programma der feestelijkheden een tentoonstelling gehouden zal worden, die een over¬ 
zicht geven zal van de belangrijkste archseologische aanwinsten in openbare en parti¬ 
culiere verzamelingen, benevens van de in Nederland van Nederlandsche hand verschenen 
archeologische publicaties. Dat de archaeologie gekozen wordt als vertegenwoordigster 
van de Oude geschiedenis, zoowel van ons land als van de landen der Oudheid, vindt 
geredelijk daarin zijn verklaring, dat het de monumenten zijn, die het gemakkelijkst en 
dikwijls on-middellijk tot den mensch spreken en zijn belangstelling voor het verleden 
wekken. De pyramiden intrigueerden eeuwen lang de menschheid en hielden de be¬ 
langstelling voor Egypte wakker; niet uitsluitend hieraan is het ontraadselen van de 
schrijfwijze van de taal harer documenten te danken, maar wel dat van zooveel kanten 
daarnaar gezocht werd en in zoovele kringen gevolgd werd. Zoo houdt het kiezen der 
archaeologie als representant geen waardebepaling in tegenover de andere hulpweten¬ 
schappen der geschiedenis, maar dient deze tentoonstelling gezien te worden als een 
uiting van een geestesgesteldheid, die zich vooral de laatste jaren steeds sterker open¬ 
baart, nl. dat de geschiedenis niet dient gezien te worden in het raam van eigen land 
of werelddeel, maar dat geschiedenis, wil zij werkelijk algemeen zijn, geen periode of 
gebied van menschelijk optreden buiten haar gezichtskring laat en slechts in zoovere 
door tijd en ruimte beperkt is als menschelijk handelen ontbreekt. Monumenten en 
documenten zijn voor het opbouwen van de geschiedenis van een belang, dat alleen 
verschillend van aard, niet van waarde is. 

Als wij ons nu afvragen, hoe de ontwikkeling van de belangstelling voor het 
Nabije Oosten in die afgeloopen jaren ten onzent is geweest, dan valt het op dat, 
wanneer opnieuw een reeks gepubliceerd moest worden, als waartoe Allard Pierson 
in den loop der negentiger jaren toe overging nl. Geestelijke Voorouders , in een 
dusdanige reeks niet volstaan zou kunnen worden met Israël en Hellas , maar dat 
daarin onder andere ook een plaats zou moeten worden ingeruimd voor het verdere 
Azië en Egypte; die lagen voor Pierson grootendeels buiten zijn belangstelling *). Hij 
had het tweeslachtige onzer beschaving reeds onderscheiden, maar zag het dubbele 
van het karakter in een tegenstelling van religie en aesthetiek. Dat standpunt in een 
figuur als het zijne en in zijn tijd begrijpbaar, is niet meer dat van dezen tijd; het 
zuiverst vinden wij het geformuleerd in de pericoop van de rede van Professor Vollgraff 
[Ter Inleiding, Jbr. n° 2, blz. 17), waarin hij er op wijst, hoe niettegenstaande tweeërlei 
oorsprong onze beschaving is uitgegroeid tot een synthese van elementen, die aan 
Oost en West hun oorsprong danken, dat zij evenwel daarom niet minderwaardig 
behoeft te zijn. 

Langs welken w r eg is deze ommekeer tusschen het standpunt van voor veertig 
jaar en het hedendaagsche gekomen? De officieele mijlpalen zich uitend in het instellen 
van leerstoelen aan onze Universiteiten en het in het leven roepen van Instituten 
mochten wij in Jrb. n° 4 (blz. 162—163) geven, tevens er op wijzen, dat in deze 
nog niet alles gedaan is om den nationalen achterstand in te halen, maar daarmede 
is nog niet de vraag opgelost, hoe de innerlijke ontwikkeling in het denken der 
maatschappij heeft plaats gghad, die autoriteiten en partikulieren tot het nemen van 
deze maatregelen noopten; want hoewel in politicis regeeren uit vooruitzien bestaat, 
sluit in zaken van wetenschap een overheid zich slechts gewoonlijk aan bij een 
ontstanen toestand. 


*) Zie echter, A. Pierson, De Hethie ten (Onuitgegeven Geschriften, Amsterdam 1919, blz. 133— 149 )- 



282 BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND, 1898—1938 


Terwijl het begin der Egyptologie hier en elders in het begin der vorige eeuw 
in, laten wij het noemen, profane handen lag, kwam een vijftigtal jaren later de 
belangstelling voor de oude beschavingen van Azië bijna geheel van de zijde der 
theologen of ontleende haar oorsprong aan theologisch geïnteresseerden. Dat is ook 
licht te begrijpen, als men bedenkt dat de taal verwant was aan die van den Bijbel 
en velen er op uit waren de Assyriologie niet als een zelfstandige wetenschap te 
beschouwen, maar als een hulpwetenschap van de studie van het Oude Testament. 
Veel zijn wij aan de theologen in deze verschuldigd; eerst slechts in het laatstse 
decennium bestaat er van de zijde der historici een grootere^ belangstelling voor het 
Nabije Oosten. 

Nog begrijpelijker wordt die belangstelling van theologische zijde, wanneer men 
bedenkt welk een vooraanstaande plaats de godsdienst in de beschavingen van het 
Nabije Oosten innam, waarbij schier alle uitingen ven geestelijk, maatschappelijk en 
politiek leven zich om dit punt kristalliseerden. Vooral is hier groote dank verschuldigd 
aan de godsdiensthistorici , die onder leiding van C. P. Tiele van af het begin het 
belang der jonge wetenschappen ook voor hun terrein onderscheidden. Hem en 
zijn opvolgers, den heeren Kristensen en Obbink is daarvoor hulde te brengen dat zij 
door het stellen van den eisch, dat hun studenten in de eerste plaats de taal moesten 
kennen van het volk, welks godsdienst zij wilden bestudeeren, het verwijt van opper¬ 
vlakkigheid, zoo dikwijls aan iedere vergelijkende wetenschap gesteld, wisten te onder¬ 
vangen. Zoo kon D r Thierry op een Egyptologisch proefschrift met een cultuurhis¬ 
torisch onderwerp promoveeren, maar als hoogleeraar eerst in het Assyrisch (1913), 
daarna in het Hebreeuwsch (1927) het ontzag zijner leerlingen voor zijn taalkundige 
exactheid wekken. D r van Wijngaarden werd conservator/archaeoloog van de Egyp¬ 
tische afdeeling van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. D r de Buck werd 
lector bij een faculteit der letteren en door het aftreden van zijn leermeester tevens 
aan de theologische als dusdanig verbonden, terwijl in Professor van der Leeuw’s 
werk en in dat van zijn leerling Cazemier ook de philologie een rol speelt. ! ) De 
dissertaties van Utrecht van de heeren Edelkoort, van Selms, die tot Senior Lector 
van de Universiteit te Pretoria benoemd werd, het onder (blz. 331, 338, 366) besproken 
proefschrift van D r Vriezen, die als candidaat in de Semietische Letteren tevens een 
Leidsch figuur is, leggen van dezelfde philologische geschooldheid getuige af. D r Obbink Jr 
verdedigde een proefschrift met een onderwerp op Egyptisch terrein gelegen en ook 
onlangs was op een doctoraal examen in Utrecht nog Egyptologie een bijvak. 

Naast de belangstelling der godsdiensthistorici stond en staat die der exegeten. 
Professor Eerdmans, die als privaatdocent in de Assyriologie zijn welhaast afgeloopen 
academischen loopbaan begon, wees in tegenstelling met zijn voorgangers, die op 
Arabische verwantschappen wezen, bij zijn exegetischen arbeid mede in de richting 
van Babylonië, terwijl zijn leerling D r Beek zich een onderwerp koos waar Israël en 
Babel elkaar troffen. — In Groningen was het Professor de Groot, die in zijn 
commentaren op Jozua en Richteren het materiaal der Ras es-Samra teksten verwerkte. 
Te betreuren blijft het, dat door zijn benoeming in Utrecht, waar hij een professoraat 
bekleedt, dat vroeger door twee hoogleeraren waargenomen werd, zijn werken in die 
richting zoo bemoeilijkt is (zie Jbr. n° 4 blz. 163). 

Als eerste Nederlander promoveerde D r C. van Gelderen in de letteren op een 
Assyriologisch proefschrift en wel te Berlijn, zijn leerling D r van Leeuwen gaf ons 
de bewerking der Assyrische teksten op den zondvloed betrekking hebbend. Een 
andere leerling van hem, tevens een der Groningsche Universiteit, verrichtte pioniers¬ 
arbeid, door als eerste hier te lande de bewerking van een Ras es-êamra tekst als 
aanhangsel bij zijn proefschrift te geven (J. H. Kroese, Genesis Veertien ). 

Noemen wij tot slot van de exegetische school het samenvattend werk van de 
hand van Professor Noordtzij, den tweeden druk van Gods Woord en der Eeuwen 
Getuigenis . 

! ) Aan zijn invloed zal mede te danken dat door de Groninger Universiteit afgeloopen jaar als onderwerp 
voor een prijsvraag opgegeven werd, de phce?iomenologie van de Wijsheidsliteratuur, inzonderheid die van ^Egypte, 
Babylonië en Israël. 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND, 1898—-1938 283 


Evenals Professor Kristensen wist Professor Böhl deze vaderlandsche traditie in 
stand te houden, toen hij in 1913 als doctor philologiale en doctor s. theologiae zijn 
hoogleerschap in Groningen aanvaardde. Van zijn hand verscheen afgeloopen jaar de 
beneden (blz. 369) besproken 'Vorstenspiegel’. De dubbele belangstelling hem eigen 
heeft ook zijn leerling D r Gemser die in Pretoria het hoogleeraarschap in de Semietische 
talen bekleedt. 

Tegen deze activiteit der theologen stond schijnbaar een onverschilligheid der 
beoefenaars der Oude Geschiedenis. Zoo liet, om een enkel voorbeeld te noemen, 
Professor U. Ph. Boissevain in zijn onderwijs nooit doorschemeren, hoe hij èn in 
detail èn in groote lijnen ook de oudste Geschiedenis overzag. Zijn afscheidscollege 
moest dit zijn leerlingen openbaren. Deze bescheidenheid, ook bij de anderen, is 
wellicht daardoor te verklaren dat zij zich niet wilden begeven op een terrein, waarop 
zij niet de bronnen in het oorspronkelijk konden lezen. De verandering sinds een 
aantal jaren is wellicht aan de papyrologen en archeologen te danken; hier mogen 
de namen Bolkestein, Cohen, Engers en van Groningen genoemd worden. Door de 
Grieksche papyri was ook bij hen de belangstelling voor het Egyptisch Egypte opgewekt. 
Van de hand van Professor Cohen verscheen in De pelgrimstocht der menschheid een 
overzicht der Oude Geschiedenis, en Professor Bolkestein legde in de volgende 
bewoordingen van zijn methodiek getuige af: 'Het is juist gezien voor een vergelijking 
een blik te richten naar het Oosten, maar dan naar het Oude Oosten’ (EENDN, Med. 
Kon. Ak., Deel 84, Serie B, n°, blz. 193). De archaeoloog Lunsingh Scheurleer legde 
den nadruk ook op de Oostersche invloeden op de jonge Grieksche Kunst (Inaugureele 
Rede, Leiden 1937). 

Maar èn theologen èn historici kwamen van een andere wetenschap tot dit onder¬ 
werp; het is aan een jongere generatie beschoren geweest vanaf het begin hunner 
studie, deze om haar zelfswille te doen. Professor Frankfort kreeg zijn scholing in 
Londen en zijn field experience in Egypte en Mesopotamië, de heer Stricker was de 
eerste die een doctoraal examen Egyptologie aflegde, zonder een nevenstudie te 
hebben. Mejuffrouw Roes kon aan haar archseologische studies een eigen richting geven, 
waarvan zij ons een beeld geeft in haar openbare les te Utrecht gehouden [Aziatische 
invloeden op het oude Europa , Haarlem, 1937). Zoekt deze geleerde het door analyse 
tot een synthese te brengen, principieel verzet zich tegen synthese Dr David, die door 
de Stichting tot het in stand houden van een bijzondere leerstoel in de Babylonisch - 
Assyrische , Israelietische en Hellenistische rechtsgeschiedenis (Staatsblad 1360, 30 Maart 
1 937 ) a ^ s eerste bijzondere hoogleeraar in die vakken aangewezen werd (Inaugureele 
rede: De rechtshistoricus en zijn taak, Leiden 1937), Mede door hun kerkelijke ordening 
wisten de Paters Simons en van der Meer aan hun Palestijnsch/Egyptologische (zie 
blz. 299) en Assyriologische studies een internationaal karakter te 'geven. 

Aan al deze geleerden en anderen wier namen wij hier niet noemden, behoort 
een woord van dank van ons allen, die nu sedert vijf jaar tot het gezelschap „Ex 
Oriente Lux” toegetreden zijn en het Nabije Oosten in den kring hunner belang¬ 
stelling trekken. Door hun medewerking aan het Jaarbericht, door het vrijwillig houden 
der lezingen, stellen zij ons in staat een wetenschap, die nog steeds in volle ont¬ 
wikkeling is, van nabij te volgen. Moge het hun tot een voldoening zijn, dat zij weten, 
dat de wetenschap die zij beoefenen, er een is, die in het geestelijk leven der Nederlandsche 
Natie een levend element is. 





LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. D R W. B. KRISTENSEN 

Publicaties in Noorsche tijdschriften zijn in het volgende niet opgenomen 


1 — Aegypternes forestillinger om livet efter dóden i forhindeIse med guderne 

Ra og Osiris. 

Kristiania, 1896, 172 blz. 

2 — Het verband tusscken godsdienst en de zucht tot zelfbehoud. 

Rede bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt. Leiden 1901. 

3 — Dualistische en monistische denkbeelden in den Egyptischen godsdienst. 

Theologisch Tijdschrift XXXVIII, 1904, blz. 233—255. 

De schrijfwijze van de namen van den koning, de benamingen van de doodkist, de 
beschouwingen over 'de twee landen’ van Egypte, de mythen van de tweeling- 
goden onderstellen, dat het principieele verschil tusschen leven en dood ontkend is. 

4 — Een of twee boomen in het paradijsver haal? 

Theol. Tijdschr. XLII, 1908, blz. 215—233. 

Egyptische en Babylonische gegevens wettigen de opvatting, dat de Israëlieten 
beide voorstellingen kenden en dat het Paradijsverhaal daarvan getuigt. De 
boom van kennis is de boom der menschen. 

5 — De ruach elohim vóór de schepping. 

Theol. Tijdschr. XLIII, 1909, blz. 398 vgg. 

Toegelicht door de Egyptische 'ziel (ba) der góden’. 

6 — Over de godsdienstige beteekenis van enkele oude wedstrijden en spelen. 

Theol, Tijdschr. XLIV, 1910, blz. 1 —16. 

De dans der Saliërs, de wedloop op het Karneia-feest, de ludus Troiae\ beteekenis 
van het labyrinth en het labyrinthspel. 

7 — De term „Zoon des Menschen? toegelicht uit de anthropologie der ouden. 

Theol. Tijdschr. XLV, 1911, blz. 1—38. 

De term beteekent de typische mensch, de vertegenwoordiger van wat volgens 
de antieke anthropologie het wezen van den mensch uitmaakt. Hij is sterfelijk, 
maar bezit het mystieke inzicht in, en de magische macht over het levensgeheim, 
hem door den heer der onderwereld, zijn bijzonderen beschermgod (Ea, de slang), 
verleend. De zoon des menschen moet sterven maar zal den dood overwinnen. 

8 — De heilige horens in den oud-Kretensischen godsdienst. 

Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akad. van Wetenschappen, 4e reeks, 
deel XII, Amsterdam 1913, blz. 74—99. 

De horens stellen de horens van den aardstier voor en zijn symbolen van planten¬ 
groei, met „den horen des overvloeds” verwant. De dubbele bijl, het symbool 
van den bliksem en den regen werd daarom met de horens verbonden. Ook 
het Grieksche horensymbool, door] den offeraar gedragen, en de horens van het 
altaar zijn zoo Te verklaren. 

9 — Over zvaardeering van historische gegevens. 

Onze Eeuw 15, 1915, blz. 415—440. 

Vergelijkend historisch onderzoek, dat tegelijkertijd vergelijkende waardeering is, 
belet de juiste beschrijving der verschijnselen. Wie historisch inzicht nastreeft, 
moet van normatieve zienswijzen, die altijd egocentrisch zijn, afzien. Wij kennen 
en begrijpen de logica der geschiedenis niet, want zij is de goddelijke realiteit zelve. 

10 — De plaats van het zondvloedverhaal in het Gilgames-epos. 

Verslagen enz. 5 e Reeks, Deel II, 1915, p. 54 —63. 

Het tweede deel van het epos bevat een aantal parallelle beschrijvingen van de 
reis van den zonnegod door het doodenrijk. Het [zondvloedverhaal is de laatste 
en uitvoerigste beschrijving daarvan. 




LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. D R W. B. KRISTENSEN 


285 


11 — Over de viering der Osiris-mysterien. 

Verslagen enz. 5e Reeks, Deel II, 1916, p. 68—91. 

Het Osiris-beeld, dat vervaardigd werd, is „het mysterie”; „het goudhuis”, waar 
het gemaakt werd, stelt het doodenrijk voor, en „het huis van Sentet”, waar 
de mysteriën gevierd werden, is het hemelgraf van den god; zijn doodkist wordt 
met hemel en aarde gelijkgesteld. De beteekenis van den ritueelen wedstrijd, 
van den titel „de gemaal zijner moeder” en van de cenotaphiën. 

12 —- De „Primitieven ’ of wij voorop? 

Feestschrift aangeboden aan prof. dr. Chantepie de la Saussaye, 1916, p. 100—104. 
Tegen de opvatting dat het godsdiensthistorische onderzoek met de primitieven 
moet beginnen. 

13 — Idealen van inzicht bij de volken der oudheid. 

Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden, 1916. 

14 — Over de Egyptische Sphinx. 

Verslagen enz. 5e Reeks, Deel III, 1917, p. 94—146. 

De leeuw (dubbele leeuw) bewerkt de overwinning der zon in de onderwereld; 
het menschenhoofd van de sphinx is de drager van hare levensenergie (magische 
spreuk), en de vleugels illustreeren haar wezen als ziel. De zonnegod en de 
koning zijn met de sphinx vereenzelvigd. Het raadsel van de Grieksche sphinx 
vindt in de Egyptische voorstellingen zijn oplossing. 

15 — „Diepte-psychologie' ? 

De Gids 82, 1918, n° 6. 

16 — De inaugureele rede van Prof\ Van der Leeuw. 

Theol. Tijdschr. LUI, 1919, blz. 260 vgg. 

i 7 — De symboliek van de boot in den Egyptischen godsdienst. 

Verslagen enz. 5e Reeks, Deel IV, 1919, blz. 254—288. 

De boot is de redder over het zondvloedwater (het doodenrijk) en 'de omhoog- 
heffer der schoonheid’; zij doet den Egyptischen God verrijzen. De boot der 
aarde vertegenwoordigt het leven der aarde. Zoo ook de boot van Sokaris en 
de carriis navalis van Dionysos. 

18 — Over den wetenschappelijken arbeid van Herman Bavinck. 

Jaarboek der Kon. Akad. van Wetenschappen, 1922. 

19 — De loofhut en het loofhuttenfeest in den Egyptischen ctiltus. 

Mededeelingen der Kon. Akad. van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, 
Deel 56, Serie B, n° 6, 1923, 20 blz. 

De loofhut in den doodencultus en den godencultus vertegenwoordigt den 
plantengroei. De kapel van Zuid-Egypte is een loofhut. De beteekenis der 
loofhutten in den cultus. 

20 — De Delphische drievoet. 

Mededeelingen enz. Deel 60, Serie B, n° 2, 1925, 22 blz. 

De ketel van den drievoet stelt de diepte der onderwereld voor en is daarom de zetel 
van den waarzegger (Apollon of „Pythia”). Het „ketelfeest” bij de Atheensche 
Anthesteriën. Het eedoffer in den ketel. De drievoet het symbool van verrijzenis. 

21 —Het leven uit den dood. Studiën over Egyptischen en Oud-Griekschen 

godsdienst. 

Haarlem 1926, 254 blz. 

22 — De goddelijke bedrieger. 

Mededeelingen enz. Deel 66, Serie B, n° 3, 1928. 

De beschaving en het inzicht zijn geschenken van den god der onderwereld 
(Ea en de paradijsslang), maar een vloek voor de menschen. Hermes, „de gever 
van zegen”, en Pandora zijn „bedriegers”, omdat zij de geschenken der aarde 
brengen, waarmee de dood, d.i. het absolute leven, gepaard gaat. De schoon¬ 
heid van het leven der aarde wordt een goddelijk „bedrog” genoemd. 





286 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. D R W. B. KRISTENSEN 


23 — De absoluutheid van het Christendom. 

Eltheto, Maandschr. der N.C.S.V. 82, n° 5, 1928, blz. 129—140. 

De absoluutheid van het Christendom is een feit, maar ook die van andere 
godsdiensten. Absolute waarden kunnen niet met elkaar vergeleken worden. 

24 — De goddelijke heraut en het woord van God. 

Mededeelingen enz. Deel 70, Serie B, n° 2, 1930, 26 blz. 

Gegevens uit het Ayesta over welsprekendheid als goddelijke kracht. De godde¬ 
lijke heraut (of bode) beschikt over de kracht van het goddelijk woord. De 
stier Apis brengt als heraut van Ptah het leven van den aardgod onder de 
menschen; zijn woord is de aardzegen, dien hij brengt. Dat geldt ook voor 
Mnevis, de heraut van Re. Ook Hermes brengt als heraut en bode der góden 
het leven der aarde; zijn schepter is het teeken van dat leven. 

25 — Symbool en zverkelijkheid. 

De Gids 95, 1931, blz. 76—85. 

Wat wij in de antieke godsdiensten symbool en beeldspraak noemen, waren 
voor de geloovigen adaequate formuleeringen van wat zij als werkelijkheid 
opvatten. Alleen bij benadering kunnen wij ons die werkelijkheid voorstellen. 

26 — De Romeinsche fasces. 

Mededeelingen enz. Deel 74, Serie B, n° 2, 1932, 18 blz. 

De staven van de fasces hebben den plantengroei vertegenwoordigd; de bijl 
was het teeken van den regen, die de aarde doet leven. De fasces waren de 
dragers van de levensorde der aarde en der menschen, en met de Eleusinische 
fakkels nauw verwant. 

27 — De ark van Jahwe. 

Mededeelingen enz. Deel 76, Serie B, n° 5, 1933, 37 blz. 

De kist-troon van Apollon in Amyklai en de Egyptische troon van góden en 
koningen toonen overeenkomst met de ark van Jahwe; allen stellen de plaats 
voor, waar het leven der aarde verrijst. De ark van de wet en van het verbond 
laat zich zoo verklaren; Egyptische parallellen zijn de ark van Min en de troon 
van den koning. De ark van Noach getuigt van overeenkomstige voorstellingen. 

28 — Schleiermachers opvatting van godsdienstgeschiedenis. 

Vox Theologica 5, 1934, blz. 97 vgg. 

29 — De antieke opvatting van dienstbaarheid. 

Mededeelingen enz. Deel 78, Serie B, n° 3, 1934, 32 blz. 

De Romeinsche slaaf en slavin waren heilig, omdat zij de dienaren van de góden 
der onderwereld (Saturnus, Juno) waren, of van de Lares, de góden van den aard¬ 
zegen. De sacrale positie der slaven kwam in sommige opzichten met die van 
den koning overeen; de positie van de slavinnen was met die van de Vestaalsche 
maagden verwant. Herakles was de goddelijke slaaf en daarom de heiland. De 
Egyptische semsu Hor en de Israëlietische Ebed Jahwe vertoonen hetzelfde type. 

30 — Kringloop en totaliteit. 

Mededeelingen enz. 1938. 

Door den ritueelen kringloop werd de virtus van den ring, namelijk blijvend en 
zich vernieuwend bestaan, aan menschen en plaatsen meegedeeld. De Egyptische 
ring, §n, en de koningscartouche illustreeren deze zelfvernieuwing. De periode, 
b.v. het lustrum en het saeculum, werd als temporaire kringloop gevierd. De 
kringloop van Sokaris rond de muren van Memphis (de muren van het dooden¬ 
rijk) had de verwerkelijking van zijn overwinning op den dood ten doel. De 
ring was daarom ook het teeken van totaliteit, die als samenvatting van onder¬ 
gang en opgang, d. i. als absoluut leven, opgevat werd. De góden van totaliteit 
zijn de góden van het daemonische noodlot, waarin dood en leven begrepen 
zijn. De totaliteit werd ook door getallen, vooral 7,3 en 2 uitgedrukt; zij 
waren inderdaad „heilige getallen”. Illustraties daarvan uit den Babylonischen, 
Israelietischen (Jericho), Griekschen en Egyptischen godsdienst. 


PAPYRUS LEOPOLD II 


Eenigen tijd geleden werd de Egyptologische wereld verrast met de mededeeling , dat 
een nieuwe tekst behoorende tot de groep der Tomb-Robberies *) in het Brusselsche 
Museum voor den dag was gekomen. 

In deze documenten zijn ons de acten bewaard van een proces tegen een bende graf - 
roovers , die onder Ramses IX de Thebaansche necropolis geplunderd hebben 2 ). Deze 
papyri geven ons een duidelijk beeld van den toenmaligen Egyptischen staat; we zien 
hoe de staatsmacht sinds Ramses III steeds geringer is geworden , en zoodoende het 
politie-toezicht verslapte . Zoo staat ook de Thebaansche necropolis , die door haar fabel¬ 
achtige rijkdommen natuurlijk een groote aantrekkingskracht uitoefende op de avonturiers 
van die dagen , voortdurend aan plunderingen bloot , totdat de priesters ten einde raad de 
Koningsgraven maar aan hun lot overlieten en de enkele mummies in veiligheid brachten . 

Een episode uit deze ontwikkeling is ons bewaard in de Tomb-Robberies papyri, 
waarbij zich op opzienbarende wijze de nieuwe Brusselsche papyrus , die den naam 
Papyrus Leopold II heeft gekregen , is komen voegen 3 ). 

Deze papyrus , door Capart gevonden in een gr af beeldje, dat de Belgische Koning 
aan het museum te Brussel had geschonken , biedt geen nieuwen , zelfstandigen tekst , 
maar vormt het bovenste deel van een papyrusrol , waarvan het onderste stuk als Papyrus 
Amherst reeds lang bekend was 4 ). De beide deelen sluiten precies aaneen , zooals Gardiner 
heeft kunnen constateeren gedurende den korten tijd , dat zij in zijn bezit zijn geweest. 
Thans rusten beiden weer respectievelijk in Brussel en New York. 

De onder staande vertaling , die op de in noot j genoemde uitgave teruggaat , biedt den 
nu doorloopenden tekst van Papyrus Leopold II + Amherst. 

JAAR 16, derde OVERSTROOMINGSMAAND, 22ste dag 5 ) onder de Majesteit van l 
den Koning van Boven- en Beneden-Egypte, den Heer der beide landen Nefer-ka-ra, 
dien Ra heeft uitverkoren (hij leve, zij welvarend en gezond) G ), den 'zoon van Ra’, 
den Heer der Kronen evenals Amon, Ramses (IX) Cha-m-wast Merer-amon (hij leve, , 
zij welvarend en gezond), dien Amon-ra, de Koning der Goden en Hor-achte beminnen, 
die begiftigd is met leven in alle eeuwigheid. 

Het ONDERZOEK van de mannen, van wie bevonden is dat zij graven geschonden (?) 
hebben in het Westen der Stad 7 ) en tegen wie beschuldigingen hebben ingebracht: 
Pa-wêr-a, gouverneur van het Westen der Stad en leider van de politietroepen 
van de groote, verheven necropolis, van millioenen jaren van den Pharao; — Wenen- 
n efer, districtsschrijver; — Amon-nacht, districtschef van het Westen der Stad; — 5 
en wier ondervraging gehouden werd in het schathuis van Month 8 ) den Heer van Thebe 
door Cha-m-wast, Hoofd der Stad en Vizier, — Nesy-amon, Koninklijken drost 9 ), 
schrijver van den Pharao en leider van het huishouden van het Huis der Aanbidster 10 ) 
van Amon-ra den Koning der Goden, — Nefer-ka - ra-m-per-amon, Koninklijken 
drost en rapporteur van den Pharao, en Pa-ser, gouverneur der stad. 

Voorgeleid WERD Amon-pnefer, zoon van In-her-nacht, een necropolis-arbeider 
van het Huis van Amon-ra, den Koning der Goden, een ondergeschikte van Amen- 


*) Uitgegeven door Peet: The great Tomb-Robberies of the Twentieth Egyptian Dynasty , Oxford 1930. 

2 ) Een handig overzicht van dit proces zal de lezer kunnen vinden in Erman-Ranke : JEgypten iind agyp - 
tisches Leben im Altertum 2 Tübingen 1923, pg. 146, e.v. 

3 ) Uitgegeven door J. Capart, A. H. Gardiner and B. van de Walle: New Light on the Ramesside 
Tomb-Robberies (Journal of Egyptian Archaeology 22, 1936, pg. 169 e.v.). 

4 ) O.m. uitgegeven in het genoemde werk van Peet en thans opnieuw behandeld in het genoemde 
artikel van Gardiner. 

5 ) Het kleinkapitaal gezette is in den papyrus met rooden inkt geschreven. Het met kleine letter ge¬ 
drukte zijn inlasschingen van den vertaler. 

6 ) Deze telkens achter Koningsnamen en -titels terugkeerende zegewensch zal na den ceremonieelen 
aanhef van den papyrus achterwege gelaten worden. 

7 ) Het Westen der Stad (= Thebe) is de vaste aanduiding van de necropolis. 

8 ) Een oude Thebaansche krijgsgod. 

9 ) In dezen tijd tot hoog aanzien gekomen hoffunctionarissen (verg. de Frankische hofmeiers). 

10 ) Een van de aanzienlijkste figuren van den Amon-cultus. 



288 


EGYPTISCHE LETTERKUNDE 


hotep, hoogepriester van Amon-ra, den Koning der Goden . (lacune van circa 4 regels) 

10 .*).” (noem de) dieven, die met U waren” .y 3 regel verloren 

.Amon-ra de Koning der Goden.Hij 2 ) zegt: a Ik was aan het werk 

I5 gesteld als ondergeschikte van Ramses-nacht, die hoogepriester was van Amon-ra, 
den Koning der Goden, gezamenlijk met mijn medenecropolis-werklieden, die met mij 
waren. Ik begon regelmatig uit de graven te stelen tezamen met den necropolis¬ 
werkman Hapi-wêr, zoon van Mer-ne-ptah, die behoort tot den tempel van Weser- 
maat-ra Meri-amon in het huis van Amon 3 ) en die een ondergeschikte is van Nesy- 
amon, ^;^-priester van dien tempel. Toen nu het 13de jaar begonnen was van den 

11 Pharao, onzen Heer, dus 4 jaar geleden 4 ) kwam ik samen met den handwerksman 
Seth-nacht, zoon van Pen-anoeqaet, behoorende tot den tempel van Weser-maat-ra 
Meri-amon, in het huis van Amon, en ondergeschikte van Nesy-amon, den tweeden 
priester van Amon-ra, den Koning der Goden en sem-priester van Amon van den 
tempel van Weser-maat-ra Meri-amon in het huis van Amon, — den decorateur (?) 
Hapi-a van het huis van Amon, — den boer Amen-m-heb van het huis van 
Amen-ope, ondergeschikte van genoemden Hoogepriester van Amon-ra, den Koning der 
Goden, — den handwerksman Ir-n-amon van den jagermeester van Amon, — den 
waterplenger Ka-m-wast van den schrijn van Koning Thoetmosis IV in Thebe en 
met Ah ai, zoon van Tari, veerman van den gouverneur der stad. TOTAAL 8 mannen. 

Wij gingen erop uit om naar ons gewone doen in de graven te plunderen en 
5 wij vonden de pyramide van den Koning Sechem-ra Sjed-tawy, den ‘zoon van Ra’ 
Sebk-m-saf welke niet geleek op de pyramiden en graven, waarin wij gewoonlijk plachten 
te plunderen. Wij namen onze metalen gereedschappen en boorden een tunnel in de 
pyramide van dien Koning door den achterkant 5 ) en vonden haar onderaardsche 
vertrekken 6 ). Wij namen toortsen (?) in de hand en daalden af. Wij haalden het 

10 puin weg, dat wij vonden aan den ingang van zijn rustplaats en vonden den God 

liggen achter in zijn graf. En eveneens vonden we het graf van de Koninklijke gade 
Noeb-cha’as, zijn gemalin, naast hem. Het was beschermd en beveiligd met gips 7 ) 
en overdekt met puin. Ook hier braken wij doorheen en wij vonden haar rustend op 
dezelfde wijze. Wij verbraken hun (steenen) sarkophagen en (houten, mummievormige) binnen¬ 
kisten, waarin zij lagen en wij vonden de verheven mummie van dien Koning, die 
voorzien was van een sikkelzwaard, met een groot aantal amuletten en gouden sieraden 
om zijn hals en met zijn gouden hoofdsieraad op het hoofd. De verheven mummie 
15 van dezen Koning was geheel bekleed met goud en de binnenkisten waren Versierd (?) 
met goud en zilver en ingelegd met allerlei kostbare steenen. Wij verzamelden het 
goud, dat wij gevonden hadden op de verheven mummie van dien God en (dat van) 

zijn amuletten en sieraden, die hij om zijn hals had en (dat van) de kisten, waarin hij 

lag. Wij vonden de Koningin precies zoo en wij verzamelden eveneens al wat wij bij 
haar vonden. Wij verbrandden hun kisten en roofden hun uitrusting, die wij bij hen 
vonden, bestaande uit voorwerpen van goud, zilver en brons. Wij verdeelden het goud, 
dat wij gevonden hadden bij deze twee góden op hun mummies, hun amuletten, ver¬ 
in sierselen en kisten, in acht deelen. Twintig deben aan goud kwam op het aandeel van 
ieder van ons achten, 160 deben 8 ) in totaal vormend, waarbij de resten (? splinters) 
van het huisraad niet zijn inbegrepen. Vervolgens staken wij over naar de stad. Na 
verloop van eenige dagen hoorden de districtschefs van de Stad, dat wij in het Westen 
gestolen hadden. Zij arresteerden mij en zetten mij gevangen in het bureau van den 


! ) In. deze lacune eindigt de eerste pagina van Pap . Leopold II en begint die van Amherst. 

2 ) N.l. Amon-Pnefer. 

3 ) De doodentempel van Ramses III in Medinet Haboe. 

4 ) Blijkbaar rekenen de Egyptenaren zoowel het eerste als het laatste getal (i.c. het 13de en ió de jaar) mee. 

5 ) Volgens Gardiner de kamer die — boven den grond — het verst van den ingang verwijderd is. 

6 ) Letterlijk: haar onderwereld. 

7 ) Gardiner wijst op de parallel met het graf van Toet-Anch-Amen, waar de grafkamer afgesloten was 
door een muur ‘of dry masonry , bonded with heavy logs of wood and covered on both sides with a coat of hara 
piaster ’. (Uit: Carter-Mace : Tomb of Tutankhamen II, London, 1923, 41). 

8 ) 160 deben goud komen ongeveer overeen met 14.5 kg., hetgeen dus wel een aanzienlijke buit te 
noemen is. Mogelijk hebben we hier te doen met een overdrijven van den beklaagde, die zich ook verder in 
zijn bekentenis geen berouwvol zondaar betoont ! 


PAPYRUS LEOPOLD II 


289 


gouverneur van de stad. Ik had evenwel de 20 deben goud, die mij als aandeel waren 
te beurt gevallen, genomen en aan den districtsschrijver Cha-m-ope van den landings¬ 
steiger van de stad gegeven. Hij liet mij toen weer gaan en ik zocht mijn mede¬ 
plichtigen weer op. Deze stelden mij schadeloos met een nieuw aandeel. Ik ging weer 5 
op mijn gewone wijze, gezamelijk met de andere dieven, die met mij waren, tot op 
dezen dag de graven plunderen van de aanzienlijken en de menschen van het land, die 
rusten in het Westen der stad. En een groot aantal menschen van het land rooven 
er eveneens in, zij zijn met ons op één lijn te stellen (?)”. 

Lijst van de namen van de 8 dieven, die in de pyramide waren: Amon- 

pnefer, zoon van In-her-nacht, necropolis-arbeider van het huis van Amon-ra, den 
Koning der Goden, en ondergeschikte van Amen-hotep, hoogepriester van Amon-ra, 
den Koning der Goden; — Hapi-wêr, zoon van Mer-ne-ptah, necropolis-arbeider 
van den tempel van Weser-maat-ra Meri-amon in het huis van Amon, en onderge¬ 
schikte van Nesy-amon, tweeden priester van Amon-ra, den Koning der Goden en 
sem -priester van dien tempel;—Seth-nacht, zoon van Pen-anoeqet, handwerksman 10 
van den tempel van Weser-maat-ra Meri-amon in het huis van Amon en onderge¬ 
schikte van Nesy-amon, tweeden priester van Amon-ra, den Koning der Goden en 
sem -priester van dien tempel in het huis van Amon; — de decorateur (?) Hapi-a, 


zoon van. l ) van het huis van Amon-ra, den Koning der Goden en onder¬ 

geschikte van den reeds genoemden hoogepriester van Amon; — de handwerksman 
Ir-n-amon van den jagermeester Nesy-amon van het huis van Amon-ra, den 
Koning der Goden; — Amen-m-heb, boer van het huis van Amen-ope, die te werk 
is gesteld op het eiland van Amen-ope 2 ) en ondergeschikte van den genoemden 
hoogepriester van Amon; —• de waterplenger Ka-m-wast van den schrijn van 1 S 


Thoetmosis IV en ondergeschikte van. ! ); — Aha-nefer, zoon van Nech-m- 

moet van Tener-(of Tel-)amon, een Nubischen slaaf van den genoemden hooge¬ 
priester van Amon; — Totaal van de mannen, die in de pyramide van dezen God 
zijn geweest: 8 mannen. Het onderzoek tegen hen geschiedde door het slaan met 
stokken en door het geeselen van hun handen en voeten. Zij legden een eensluidende 
bekentenis af. — Cha-m-wast, hoofd der stad en vizier en Nesy-amon, 
Koninklijke drost en schrijver van den Pharao lieten de dieven voor zich uit leiden 
naar het Westen der Stad in het ió d e jaar, 3 de overstroomingsmaand, 23ste dag en 
de dieven toonden de pyramide van dezen god, die zij geschonden hadden. Hun 
verhoor en schuldig bevinding werd op schrift gesteld en er werd melding van ge¬ 
maakt in tegenwoordigheid van den Pharao door den vizier, den drost, den rapporteur 
en den gouverneur der stad 3 ). 

Jaar 16, 3 DE overstroomingsmaand, dag 23, de dag van het overbrengen ÏV 
van de dieven, die geweest waren in de pyramide van den Koning naar Amen-hotep, 
hoogepriester van Amon-ra, den Koning der Goden. (Dit geschiedde) in het groote 
gerechtshof door Cha-m-wast, hoofd der stad en vizier; — Nesy-amon, 
Koninklijken drost, schrijver van den Pharao en leider van het huishouden van de 
Aanbidster van Amon-ra, den Koning der Goden; — Nefer-ka-ra-m-per-amon, 
Koninklijken drost en rapporteur van den Pharao; — Pa-se r, gouverneur der stad; — 
en door de hooge ambtenaren van het groote gerechtshof. Het werd tegen hen 
(?, i. e. de dieven ?) op een papyrusrol geschreven en gedeponeerd in het archief op dezen dag. 

Menschen, naar hem (n. 1. Amen-hotep) op dezen dag overgebracht door de hooge 
magistraten: de necropolis-arbeider Amon-pnefer, zoon van In-her-nacht, van het 
huis van Amon-ra, den Koning der Goden, en ondergeschikte van den reeds genoemden 
Hoogepriester van Amon; Hapi-wêr, zoon van Mer-ne-ptah, necropolis-arbeider 5 
van den tempel van Koning Weser-maat-ra Meri-amon in den tempel van Amon, 
en ondergeschikte van Nesy-amon, tweeden priester van Amon-ra, den Koning der 
Goden en sem-pnestQV van den tempel van Weser-maat-ra Mer-amon in het huis 


1 ) Door den schrijver opzettelijk opengelaten en later vergeten. 

2 ) Denkelijk in de omgeving van Loeksor. 

3 ) Slechts de Koning heeft het recht vonnissen te vellen 5 daarom wordt de zaak na het vóóronderzoek 
der ambtenaren naar hem verwezen. 

Jaarbericht N° 5 


19 











29O EGYPTISCHE LETTERKUNDE 

van Amon; — Amen-m-heb, ambtenaar van het huis van Amen-ope, die te werk 
was gesteld op het Eiland van Amen-ope en ondergeschikte van den reeds genoemden 
Hoogepriester van Amon-ra, den Koning der Goden; — Sjedsoe-ani, zoon van 
Ani-nacht, tuinman van het huis van Amen-hotep, gunsteling van Amon-ra, den 
Koning der Goden, en ondergeschikte van genoemden Hoogepriester van Amon-ra, 
den Koning der Goden. Deze was weliswaar niet de pyramide van den Koning binnen¬ 
gedrongen, maar hij behoorde tot de 17 dieven *), van wie bevonden is dat zij 
plegen te plunderen in de graven van het Westen der Stad. Totaal van de dieven 
die in de pyramide van dien god geweest waren en die op dezen dag werden over¬ 
gebracht naar den Hoogepriester van Amon: 3 man. Dief van de graven: 1 man, 
totaal 4 mannen. 

Dieven van de pyramide van dien god die ontbreken en van wie aan den Hooge¬ 
priester van Amon-ra, den Koning der Goden was opgedragen, hen te arresteeren en 
te brengen naar de gevangenis in het huis van Amon-ra, den Koning der Goden, 
tezamen met hun mede-dieven, totdat de Pharao, onze Heer hun straf zou hebben 
vastgesteld: de handwerksman Seth-nacht, zoon van Pen-anoeqet van den tempel 
van Weser-maat-ra Meri-amon in het huis van Amon, en ondergeschikte van Nesy- 
amon, tweeden priester van Amon-ra, den Koning der Goden, en jm-priester van 
den tempel van Weser-maat-ra Meri-amon in het huis van Amon. 

Midden in deze lijst eindigt de tekst. 

Amsterdam M. Odewald Jr 


EGYPTISCHE LITTERAIRE PAPYRI 

Alan H. Gardiner, Late-Egyptian Miscellanies 
(Bibliotheca Aegyptiaca VII) Brussel 1937. 

De in dezen bundel verzamelde papyri behooren bijna alle tot het oudste bezit der 
Egyptologie. Reeds de eerste generaties van Egyptologen hebben er zich mee bezig gehouden 
en daarbij vaardigheid in het lezen van hiëratisch verworven. Later kwam de bestudeering 
met voornamelijk grammaticale belangstelling; een blik in Er mans Neuagyptische Gram- 
matik ( z88o) is voldoende om te zien , welk een belangrijke bron deze papyri daarvoor 
geweest zijn. Even groot is echter de rol, die zij in Ermans Agypten {1885) spelen bij de 
schildering van zeden en gewoonten der Egyptenaren . 

Toch bestond er merkwaardig genoeg van deze zoo veel geciteerde papyri tot voor 
kort geen volledige en gémakkelijk toegankelijke uitgave. Die van het Brits ch Museum, 
verreweg de meeste, en ook het Leidsche specimen van een papyrus van dit genre waren 
wel uitgegeven, doch in groote en langzamerhand moeilijk verkrijgbare facsimile-uitgaven 
van ouden datum. De Select Papyri van het Brits ch Museum dateer en bijv. van 1842. 
Andere papyri, bijv. die van Bologna, waren nog onbereikbaarder. Thans liggen zij in 
transcriptie met noten en varianten en daarbij in handigen en vooral ook goedkoopen 
vorm onder ieders bereik. Een heuglijke gebeurtenis , die in ons Jaarbericht niet onop¬ 
gemerkt mocht voorbijgaan en die hier m.i . het best met enkele stukjes vertaling kan 
worden gevierd . 

Eerst een enkel woord over aard en inhoud dezer papyri in het algemeen. Gardiner 
noemt ze in den titel van dezen bundel Miscellanies, een naam aan hun gemengden inhoud 
ontleend . Erman en velen met hem plegen van Schüler-handschriften te spreken, daar 
zij int het onderwijs schijnen te stammen. Erman wijst echter zelf op het minder juiste 
dezer benaming; leerlingen in den zin van absolute beginnelingen waren de schrijvers 
dezer papyri zeker niet, daarvoor is hun hand veel te vaardig en geoefend. Het is ook 
twijfelachtig of de herhalingen van sommige teekens aan den rand, die men in sommige 
dezer handschriften aantreft, werkelijk verbeteringen van de hand van den leeraar zijn, 
zooals men gewoonlijk aanneemt . Naar onzen smaak zijn ze lang niet altijd mooier dan 


9 Deze 17 dieven, die hier plotseling vermeld worden, vinden we misschien ook in Pap. B.M. 10054,. 
vs. 5, 1—6, 3. 


EGYPTISCHE LITTERAIRE PAPYRI 29I 

de teekens in den tekst. Ook zijn de schrijvers zeker geen jongens meer ; dikwijls dragen 
zij reeds een of anderen ambtenaarstitel. En toch is de inhoud blijkbaar als didactisch 
bedoeld. De titel van een verzameling luidt bijv.: Begin van de onderwijzing van het 
brief-schrijven, die de schrijver Pentawer gemaakt heeft in het io de jaar enz. l ). De 
inhoud is daarmee in overeenstemming: modelbrieven, vermaningen tot vlijt, waar¬ 
schuwingen tegen verleidingen, enz. Uit vele daarvan krijgen wij zelfs den indrukdat 
zij eigenlijk voor speelsche, lichtzinnige schooljongens zijn bestemd, meer dan voor de 
dertig- of veertigjarige schrijvers, wier afschriften ons deze philippica's tegen wijn en 
bier, muziek en dans, deze bedreigingen met stokslagen en handboeien, deze afschrik¬ 
wekkende , realistische, maar natuurlijk humoristisch overdrijvende schilderingen van 
andere beroepen en bedrijven hebben beivaard . Behooren de stukken zelf, ook de model- 
bmefjes bijv., die blijkbaar den leerling moeten leer en, hoe een brief te beginnen, voort 
te zetten en te eindigen — sommige bestaan slechts uit beleefde formules — toch thuis 
bij het eerste onderwijs ? Wie reeds op een bureau werkzaam was kon natuurlijk al lang 
een behoorlijken brief schrijven. Zoo blijft er bij de vraag naar het eigenlijke doel dezer 
Miscellanies nog veel raadselachtigs. Erman dacht ze zich ten slotte als werkstukken, 
waarmee de gevorderde en reeds practisch werkzame leerling zich den rang van 
meester verwierf. Als hooggewaardeerd pronkstuk zijner kunde zouden ze hem dan in 
het graf meegegeven zijn . 

En thans de vertalingen! Zij willen van den gevarieerden inhoud een indruk 
trachten te geven. De briefvorm is daarbij zoo gewoon, dat ook anderssoortige stukken, 
bijv . de gebeden, dikwijls door de toevoeging van een inleidende formule als brief worden in¬ 
gekleed. Dergelijke stereotype wendingen heb ik soms weggelaten. Verder heb ik niet 
bij ieder onzeker woord een vraagteeken gezet. Het zou het geheel een onpleizierigen schijn van 
twijfelachtigheid gegeven hebben, die bovendien een onjuisten indruk zou achterlaten; aan de 
zekerheid van het geheel doet het immers niets af, of allerlei technische woorden — 
muziekinstrumenten, landbouwgereedschappen enz. — precies juist zijn vertaald of niet . 

I Thoth is een toevlucht in leven en sterven 2 ) 

O Thoth! plaats mij in Hermopolis 3 ), uw stad, waar het zoet is te leven en ver¬ 
schaf mij wat ik noodig heb aan brood en bier en bewaar mijn mond bij het spreken. 
Ach had ik morgen 4 ) Thoth achter mij (alshelper) — dan zegt men, wanneer ik binnentreed 
bij de heeren <^der waarheidj>: Kom en ga uit als een yrijgesprokene. 

O groote doem- palm 5 ) van zestig el, waaraan vruchten zijn. Er is vruchtvleesch 
in de vruchten en er is sap in het vruchtvleesch. 

O gij die water brengt naar een verre plaats. Kom en red mij, stille in den lande. 

O Thoth, zoete bron, wanneer iemand dorstig is in de woestijn; zij is gesloten 
voor hem die niet op den mond gevallen is, doch zij is open voor den stille in den 
lande. Komt de stille in den lande, dan vindt hij de bron; komt de brutale, dan zijt 
gij onvindbaar (?), 

II Thoth en zijn ambt zijn groot 6 ) 

Kom tot mij, Thoth, heilige ibis, god die Sjmoen 3 ) liefheeft, briefschrijver van 
de Enneade 7 ), grootste in Hermopolis. Kom tot mij en zorg voor mij en geef, dat 
ik ervaren zij in uw beroep, want uw beroep is beter dan alle andere beroepen : het 
maakt (zijn beoefenaar) groot. Degene, die er doorkneed in is, is geschikt om ambtenaar 
te zijn. Ik heb velen gezien, aan wie gij weldaden bewezen hebt en die nu zitten in 
het gerechtshof der Dertig; zij zijn sterk en invloedrijk door wat gij gedaan hebt. 
Gij zijt het die gezorgd hebt voor dengene die geen moeder heeft. Lotsbeschikking en 
voorspoed zijn in uw hand. Kom tot mij en zorg voor mij; ik ben een slaaf van uw 


9 Sallier I, 3, 4. 2 ) Sallier I, 8, 3. 

3 ) Hermopolis (Egyptische naam : Sjmoen ), de stad, waar Thoth, de god van wijsheid en schrijfkunst, 
voornamelijk vereerd werd. De ibis was zijn heilig dier. 

4 ) Na den dood bij het doodengericht. 

5 ) Hyphaena thebaica , waarvan het zoete vruchtvleesch in Egypte gaarne gegeten werd en wordt. 

6 ) Anastasi V, 9, 2. 

9 In deze functie schrijft hij een brief voor de góden in het lange verhaal van Horus en Seth, Jaar¬ 
bericht 3, 1935, p. 62. 




292 


EGYPTISCHE LETTERKUNDE 


huis. Zoo zult gij maken, dat ik vertel van uw groote daden in welk land ik ook 
zijn moge. Dan zal de groote menigte zeggen: Groot is dat wat Thoth gedaan heeft . 
Dan zullen zij komen met hun kinderen om hen te stempelen ] ) voor uw beroep, het 
goede beroepJ]van den sterken heer; wie het beoefent smaakt vreugde. 

III Amon een redder in nood 2 ) 

Kom tot mij, Amon, red mij in dit noodjaar. De zon is begonnen niet te schijnen, 
de winter is gekomen als (ware hij) de zomer, de maanden zijn omgekeerd, de uren in 
de war. De grooten roepen tot U, o Amon en de kleinen zoeken U. Die in den 
schoot hunner minnen zijn zeggen: Geef lucht , o Amon . 

Ervaart men, dat Amon in genade terugkomt, dan maakt de aangename wind 
(die) voor hem uit(gaat), dat ik een gierevleugel word en als een wel uitgeruste boot — 
zoo zeggen de herders in het veld, de wasschers op de kade, de politietroepen, die uit 
het district komen, de gazellen in de woestijn. 

IV Amon , de onomkoopbare rechter 3 ) 

O Amon-Re, gij die het eerst koning waart, o god van het eerste begin, o vezier 
van den arme — hij neemt niet bedriegelijk belooning aan, hij bepraat niet dengene 
die getuigenis brengt, hij kijkt niet naar beloften. Amon richt het land met zijn 
yingers, hij spreekt tot het hart. Hij veroordeelt den onrechtvaardige en zendt hem 
naar de hel, doch den rechtvaardige (zendt hij) naar het Westen 4 ). 

V Een briefje over weggeloopen boeren 5 ) 

De schrijver Pewehem doet een mededeeling aan zijn heer, den schrijver Anhor- 
rech. In leven, welzijn en gezondheid. Dit is een schrijven om mijn heer (het volgende) 
mede te deelen. 

Een andere mededeeling voor mijn heer: ik heb gehoord, wat mijn heer geschreven 
heeft over het voer van de paarden van den grooten hofstal van Ramses 6 ), geliefd 
door Amon en van de paarden van den grooten hofstal van Mernephtah 7 ) geliefd 
door Amon. 

Een andere mededeeling voor mijn heer: de boeren van het landgoed van Pharao, 
dat door mijn heer beheerd wordt, daarvan zijn twee man weggeloopen voor den 
stalmeester Neferhotep, nadat hij hen afgeranseld had. Zie nu liggen de akkers van 
het landgoed van Pharao, dat door mijn heer beheerd wordt, verlaten. Er is niemand 
om ze te bebouwen. 

Dit is een schrijven om het mijn heer mede te deelen. 

VI Een felicitatie-briefje 8 ) 

De overste en chef van de vreemde landen Penamon aan den overste Peheripite. 

In leven, welzijn en gezondheid. In de gunst van Amon-Re, den koning der 
góden en van den schutsgeest van koning Seti II. Ik zeg dagelijks tot Re-Horachte: 
Bewaar Pharao, onzen goeden heer, in gezondheid; geef, dat hij tallooze jubilea viere, 
terwijl gij 9 ) in zijn gunst staat. 

Voorts: Ik heb gehoord wat gij geschreven hebt, n. 1 .: Pharao, mijn goede heer, 
heeft het goed met mij gemaakt; Pharao heeft mij aangesteld tot overste van de 
Bron 10 ). Zoo hebt gij geschreven. 

Een gunstbewijs van Re is dat. Gij bekleedt nu de plaats van uw vader. Bravo, bravo! 

Voorts: Toen uw brief mij bereikte, heb ik mij zeer verheugd. Moge Re-Horachte 
geven, dat gij een hoogen leeftijd bereikt, terwijl gij de plaats van uw vader bekleedt. 
Moge Pharao ook in u niet teleurgesteld worden. Doe (nog) meer uw best en schrijf 


*) Met een gloeiend stempel van den eigenaar werden dieren en slaven gemerkt. 

2 ) Anastasi IV, 10, 1. 3 ) Bologna 1094, II, 3. 4 ) Het normale doodenrijk. 

5 ) Bologna 1094, II, 7. Een modelbriefje of een echt briefje? De grens tusschen deze twee soorten is 
dikwijls onzeker. 6 ) De bekende Ramses II. 7 ) Opvolger van den vorige. 

8 ) Anastasi V, II, 7. 9 ) D.i. Peheripite. 10 ) Waarschijnlijk een militaire post in de woestijn. 


EGYPTISCHE LITTERAIRE PAPYRI 


293 


mij, hoe het u gaat, hoe het uw vader gaat, door middel van de postbodes ! ), die 
van u hierheen komen zullen. 

Verder: Ik maak het goed, het land van Pharao maakt het goed. Maak u niet 
bezorgd over mij. Het is goed, wanneer gij gezond zijt. 

VII De schrijver wenscht zijn leer aar voorspoed toe 2 ) 

Verheug Amon in uw hart — dan geeft hij u een schoonen ouderdom, dan 
brengt gij uw leven door in vreugde, tot gij de eerwaardheid bereikt. Uw lippen zijn 
zonder gebrek, uw ledematen krachtig, uw oogen zien scherp. Gij kleedt u in fijn 
linnen. Gij bestijgt den wagen - een gouden zweep in uw hand, in bezit van een 
nieuwen dissel, ingespannen met Syrische riemen, terwijl Nubiërs voor u uit ijlen — 
(dit alles) door de fortuin, die gij gemaakt hebt. 

Gij stapt in uw boot van cederhout, goed uitgerust van voor- tot achtersteven 
en gij bereikt uw schoone slot, dat gij zelf u gebouwd hebt. 

Uw mond is gevuld met wijn en bier, met brood, vleesch en koeken; ossen zijn 
geslacht, wijnkruiken geopend. Aangenaam gezang klinkt er vóór u. Uw overste der 
zalvers zalft (a) met olie, uw vijvermeester komt met kransen, uw oppervogelaar brengt 
vogels, uw visscher brengt visschen. Uw koopvaardijschip komt thuis uit Syrië, ge¬ 
laden met alle (mogelijke) goede dingen. Uw stal is vol kalveren, uw familie gedijt. 

Gij staat sterk, maar uw vijand is gevallen; wie kwaad van u sprak is niet meer. 
Gij treedt binnen bij de Enneade 3 ) en gaat vrijgesproken weer uit. 

VIII Lied op een troonbestijging 4 ) 

Verheugt u, o gansche land: de goede tijd is aangebroken. De heer is verschenen 
in de beide landen. Lofzangers komen tot den zetel van hem, den koning, den heer 
van millioenen jaren, groot van koningschap als Horus, Mernephtah, geliefd door 
Amon, hem die Egypte met feesten 5 ) onderwerpt, den zoon van Re, heerlijker dan 
eenig ander koning, Mernephtah, die met het recht tevreden is. 

Alle rechtvaardigen zeggen)»: Komt, laat ons zien: het recht heeft het onrecht 
verdreven, de zondaren zijn op hun aangezicht gevallen, alle begeerigen worden met 
den nek aangezien. 

Het water blijft staan, het droogt niet op. De Nijl stijgt hoog. De dagen zijn 
lang, de nachten hebben uren, de manen komen te rechter tijd. De góden zijn ge¬ 
nadig en tevreden. Men leeft in lachen en verwondering. 

IX De koning ziet en hoort alles 6 ) 

In leven, welzijn en gezondheid. Dit is een schrijven, opdat Men het wete in het 
paleis, geliefd door de waarheid, den horizon, waarin Re zich bevindt. 

(Keer) uw gezicht naar mij, o zon, die opgaat, die de beide landen met haar 
schoonheid verlicht, o zon der menschen, die de duisternis uit Egypte verdrijft. Gij 

zijt als uw vader Re, die opgaat in den hemel. Uw stralen dringen binnen (zelfs) in 

een grot; geen plaats is zonder uw schoonheid. U wordt de toestand van ieder land 
gemeld, terwijl gij u in uw paleis bevindt. Gij hoort de woorden van alle landen, 
gij hebt millioenen ooren. Uw oogen schitteren meer dan de sterren des hemels, gij 
kunt beter zien dan de zon. (Zelfs) indien men spreekt, terwijl de mond in een grot 
is, komt het u ter oore. (Zelfs) indien men iets doet, terwijl het verborgen is, zal uw 
oog het zien, Mernephtah, geliefd door Amon, heer van genade, die den adem schept. 

X Verteerend heimwee 1 ) 

Zie mijn hart is heimelijk uitgegaan; het is geijld naar de plaats, die het kent; 
het is naar het Zuiden gereisd om Memphis terug te zien. Was ik het maar! 

Nu zit ik op mijn hart te wachten, opdat het mij melde, hoe het met Memphis 

gaat. Niets wordt door mij uitgevoerd, (want) mijn hart heeft zijn plaats verlaten. 

*) Letterlijk: briefdragers; blijkbaar bestond er een soort officieel, geregeld postverkeer. 

2 ) Anastasi IV, 3, 2. 3 ) Bij het doodengericht. 

4 ) Sallier I, 8, 7. Oude gedachten over het begin van eén nieuwe regeering als het aanbreken van een 
heilstijd, waarin ook de natuur overvloediger is dan anders. 5 ) I.p.v. met strengheid. 

6 ) Anastasi II, 5, 6. 7 ) Anastasi IV, 4, 11. 



7 


294 EGYPTISCHE LETTERKUNDE 

Kom tot mij, Ptah *); neem mij mee naar Memphis en geef, dat ik u onbelemmerd zie. 

Den ganschen dag slaapt mijn hart; mijn hart is niet in mijn lichaam. Al mijn 
ledematen zijn lam geworden; mijn oogen zijn moe van het zien; mijn oor is niet 
vol; mijn stem is heesch; mijn woorden zijn verkeerd. 

Wees mij genadig en geef, dat ik deze dingen te boven kom. 

XI Waarschuwing tegen dronkenschap 2 ) 

Men heeft mij gezegd, dat gij het schrijven in den steek hebt gelaten en dat gij 
zwelgt in genoegens. Gij gaat straat in straat uit. Stank van bier is overal, waar het 
bier u doet dolen; die houdt de menschen van u verwijderd en maakt, dat uw ziel 
wegvlucht. Gij zijt als een scheef roer in een schip, dat naar geen enkele zijde luistert. 
Gij zijt als een kapel zonder haar god, als een huis zonder brood. Gij wordt betrapt, 
terwijl gij over een muur klimt, nadat gij de handboei verbroken hebt 3 ). De 
menschen vluchten voor u uit, nadat gij hun bloedende wonden geslagen hebt. 

Ach wist gij maar, dat de wijn een gruwel is, dan zoudt gij den bedwelmenden 
drank afzweren en uw zinnen niet op de kruiken zetten en het benevelende vocht vergeten. 

(Maar nu) heeft men u geleerd te zingen bij de fluit, te kweelen bij de rietfluit, te 
kwinkeleeren bij de lier, te zingen bij de luit, terwijl gij op straat zit en de deernen 
om u heen staan en gij staat wartaal uit te slaan. 

Gij zit voor de lichtekooi, terwijl gij met olie gedrenkt zijt, terwijl uw krans van 
lotusranken om uw hals is 4 ) en gij op uw buik trommelt. Springt gij op, dan valt 
gij op uw buik; dan zijt gij gezalfd met vuil. 

XII Neem tucht aan 5 ) 

O schrijver, wees niet lui, (of) men zal u flink straffen. Zet uw zinnen niet op 
verstrooiingen, of het zal slecht met u afloopen. Schrijf met uw hand; lees met uw 
mond; ga te rade met hen, die meer weten dan gij. Kies u dit beroep van ambtenaar 
en het zal u niet teleurstellen, wanneer gij oud zijt. Hooggeschat is een schrijver, die 
doorkneed is in zijn vak. Doe dagelijks uw best bij het werk, dan zult gij succes 
hebben. Breng geen dag ledig door of men zal u slaan. Het oor van een jongen zit 
immers op zijn rug; hij luistert naar het pak slaag, dat hij krijgt. 

Let op, luister naar wat ik gezegd heb: dat is nuttig voor u. Men leert (immers) 
een kaëridier 6 ) (wel) dansen, men richt paarden af, men zet een gier op het nest, 
men bindt een valk de vleugels. 

Doe uw best in het leeren, wees niet lui. Schrijf, wees er niet afkeerig van. Let 
op, luister naar mijn woorden. Gij zult ze nuttig bevinden. 

XIII Ook de le er aar is een bekeerd zondaar 7 ) 

Gij zwelgt in verstrooiingen, gij slaat geen acht op hetgeen ik gezegd heb, gij 
let op geen enkel woord. Verstrooiingen verdooven uw oor, uw aandacht wordt 
(slechts) geboeid door de lichtekooien, waarmee gij omgaat. 

Ik zal maken, dat uw voeten terugdeinzen van het gaan in de straten, doordat 
gij geslagen zijt met een zweep van nijlpaardenhuid. 

Waarlijk, ik heb velen gezien die als gij waren, toen zij in het schrijflokaal zaten, 
die god niet met rust lieten met zweren: het schrijven is in het geheel niets! Zij 
zijn (nutoch) schrijvers; hun namen zijn betrouwbaar bevonden om hen met opdrachten 
uit te zenden. 

Kijk naar mijzelf — toen ik zoo oud was als gij nu, heb ik mijn tijd in de 
handboei gesleten; zij temde mijn lichaam; zij heeft drie maanden lang aan mij 
gezeten, terwijl ik opgesloten was in den tempel 8 ), terwijl mijn vader en moeder op 
het (vrije) veld waren, evenals mijn broers en zusters. Toen zij van mij verwijderd 


*) De god van Memphis. 2 ) Anastasi IV, n, 8. 

3 ) Hij heeft voor straf gevangen gezeten, zie XIII. 

4 ) Zooals men bij festijnen getooid was. 5 ) Anastasi III, 3, 9. 

6 ) Een onbekend dier, een der stereotype voorbeelden van een wild dier, dat zich toch temmen laat. 

7 ) Anastasi V, 17,3. 

8 ) De school was dikwijls aan een tempel verbonden; een deel daarvan was blijkbaar straflokaal. 


EGYPTISCHE LITTERAIRE PAPYRI 295 

werden mijn hand vrij was — streefde ik dengene, die mij voor was geweest, voorbij; 
ik was de eerste van al mijn kameraden; ik overtrof hen in het schrijven. 

Handel naar hetgeen ik gezegd heb en uw lichaam zal zonder gebrek zijn en 
men zal morgen ontdekken, dat gij geen superieuren hebt. 

XIV Satyre op andere bedrijven l ) 

Zie slechts met eigen oogen — de beroepen liggen voor u. 

De wasscher gaat eiken dag voortdurend op en neer, al zijn ledematen zijn 
doodop, terwijl hij de kleeren van zijn buurman wit maakt en hun linnen wascht. 

De pottenbakker is besmeerd met slijk als één wiens gezin gestorven is 2 ). 
Zijn handen en voeten zijn vol klei. Hij is als één die in de modder vast zit. 

De schoenmaker mengt looi. Hij verspreidt een scherpe geur. Zijn handen 
zijn rood door verf als van één die met zijn bloed besmeurd is, terwijl hij omkijkt 
naar den gier, als naar iemand, die zijn vleesch gevonden heeft 3 ). 

De bloemist maakt bouquetten en versiert de stellen met wijnkruiken. Hij 
zwoegt den heelen nacht als één op wiens lichaam de zon schijnt. 

De kooplui reizen op en neer, terwijl zij het razend druk hebben en waren 
van de eene stad naar de andere vervoeren. Zij bedienen (ook) dengene die niets heeft. 
Maar de belastinggaarders halen goud weg 4 ), het kostbaarste van alle steenen. 

De koopvaardij bemanningen van welke firma ook, zij hebben hun lading 
gekregen, zij zijn van Egypte naar Syrië gereisd. Ieder hunner heeft zijn god bij 
zich, (want) geen hunner gelooft meer, dat hij Egypte terug zal zien. 

De handwerksman, die op de scheepstimmerwerf werkt, tilt hout op en legt 
het neer. Levert hij (eerst) heden zijn werk van gisteren af, dan: wee zijn gebeente! 
De ploegbaas staat achter hem en zegt tot hem: slecht! 

De rondtrekkende timmerman, die den boer opgaat, dat is erger dan 
eenig ander beroep. Hij is den heelen dag beladen met zijn gereedschappen, hij zit 
vastgebonden aan zijn kist. Gaat hij ’s avonds naar huis, dan is hij beladen met zijn 
kist vol gereedschappen, zijn kruik om te drinken en zijn slijpsteenen. 

Maar de schrijver, hij berekent de belasting voor al dezen. Weet dat wel. 

Voorts: Kom, opdat ik u uitlegge, hoe het gesteld is met den boer, dat andere 
harde beroep. Het water staat op het land, hij is doorweekt. Hij staat toebereidselen 
te treffen. Hij snijdt den heelen dag landbouwgereedschappen, hij draait den heelen 
nacht touw. (Zelfs) zijn middaguur brengt hij door met het werk van een boer. Heeft 
hij zijn toebereidselen getroffen om naar het land te gaan, als welke man ook, dan 

ligt de akker opgedroogd voor hem. Hij gaat uit om zich paarden te verschaffen. 

Vele dagen gaan voorbij, terwijl hij den herder 5 ) zoekt. Heeft hij zich paarden ver¬ 
schaft, dan komt hij daarmee terug. Nadat hij voor hen een plaats op het veld heeft 
gemaakt, gaat hij ’s morgens uit om ze in te spannen. Hij vindt ze niet op hun 
plaats. Nadat hij ze drie dagen lang gezocht heeft, vindt hij ze in de modder, (maar) 
hij vindt (zelfs) de huiden niet (meer) aan hen; de wolven hebben ze afgeknaagd. (Dan) 
gaat hij uit met zijn schort in de hand om zich paarden te bedelen °). Bereikt hij 

zijn land, dan vindt hij het. Hij brengt zijn tijd door met te staan ploegen, 

terwijl de worm achter hem aan komt. Het zaaikoren gaat voor hem totaal verloren, 
terwijl het op den grond geworpen ligt. Hij ziet geen groen sprietje. Hij heeft het 
gedaan met drie zaaiingen van geleend koren. Zijn vrouw is in de handen der 

kooplui gevallen, (want) zij heeft niets om te betalen. Dan landt de schrijver op de 

kade en schrijft den oogst op. Deurwachters vergezellen hem met stokken en Nubiërs 
met roeden. Men zegt: Geef koren! Er is niet. Hij wordt geslagen, terwijl hij uit¬ 
gestrekt is; hij wordt gebonden en wel in de sloot geworpen; hij zinkt en verdrinkt. 
Zijn vrouw is in zijn tegenwoordigheid gebonden; zijn kinderen zijn in boeien geslagen; 

! ) Lansing 4, 2. 2 ) Ten teeken van rouw besmeerde men zich het gelaat met slijk. 

3 ) Hij ziet er zoo bloederig uit, dat de gier reeds meent zijn prooi gevonden te hebben. De vertaling is 
echter niet geheel zeker. 

4 ) De kooplui moeten vaak zonder betaling leveren, doch zelf hun belasting onmiddellijk betalen. 

5 ) Van wien hij paarden huren moet. 

6 ) Wat den zin betreft zou men gaarne vermoeden, dat hij nu met de schort in de hand, zoodat deze bij 
het werk niet hindert, zelf als paard voor de ploeg moet gaan loopen. In het vervolg maakt hij ook inderdaad 
den indruk zonder paarden te werken. Doch het schijnt moeielijk den tekst anders te vertalen, als hier is geschied. 




296 EGYPTISCHE LETTERKUNDE 

zijn buren laten hen aan hun lot over; zij vluchten. Afgeloopen! Er is geen koren. 

Indien gij verstandig zijt, word dan schrijyer en wees gewaarschuwd tegen het 
boer-zijn: gij zoudt het niet kunnen zijn. Weet dat wel! 

XV Het ellendige bestaan van den soldaat *) 

Kom toch en zie de ellende van den soldaat, want zijn superieuren zijn vele — 
de generaal, de kolonel, de kapitein, die aan hun hoofd staat, de vaandeldrager, de 
luitenant, de schrijver, de overste van vijftig, de sergeant. Zij gaan uit en in in de 
hallen van het paleis; zij zeggen: laat hem weten wat werken is! Men wekt hem 
wanneer het één uur is 2 ); men zit achter hem aan als achter een ezel; hij werkt tot de 
zon ondergaat en de duisternis van den nacht valt. Hij heeft honger; zijn buik doet 
pijn — hij is (reeds) dood, hoewel hij nog leeft. Nadat hij zijn rantsoen koren gekregen 
heeft, is hij vrij van dienst, maar het is niet aangenaam, want hij is gemalen 3 ). Hij 
wordt naar Syrië gedreven, zonderdat hem rust gegund wordt. Er zijn geen kleeren, 
geen schoenen; (toch) wordt de legeruitrusting geïnspecteerd bij de vesting Taroe 4 ). Zijn 
marschen zijn lang in het gebergte; (slechts) om de drie dagen drinkt hij water, dat 
stinkt als de smaak van zout. Zijn buik is gebroken door ondervoeding. Dan komt 
de vijand en omringt hem met pijlen. Het leven is ver van hem. Men zegt: vlug , 
vooruit! dappere soldaat , haal u een roemrijken naam /, ofschoon hij half bewusteloos 
is, zijn lichaam zwak en zijn knieën krachteloos. Is de overwinning behaald en heeft 
Zijne Majesteit de gevangenen aangewezen voor transport naar Egypte, dan wordt 
de barbarenvrouw, indien zij er bij neervalt van het marcheeren, op den schouder 
van den soldaat gelegd. Zijn ransel wordt achtergelaten en anderen pikken hem in — 
hij is met de Syrische beladen. Zijn vrouw en kinderen zijn in hun dorp, maar hij 
is dood en bereikt het niet. Indien hij er levend afkomt, is hij zwak van het mar¬ 
cheeren. Is dan de soldaat balsturig en vlucht hij en gaat hij over de grens, 

dan wordt zijn heele gezin gevangen gezet. Hij ligt dood in de wildernis, terwijl er 
niemand is om zijn naam te doen voortleven. Dood en leven zijn (even) erg voor hem. 

Leiden A. DE Buck 

EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

Zoowel van Engelsche als Duitsche zijde verscheen een brochure over de Egyp- 
tologie: A. M. Blackman gaf zijn inaugurale rede uit over The value of Egyptology 
in the Modern World , London, 1936 {CdE XII, 1937, 60—61) en W. Wolf zijn voordracht 
over Wesen und Wert der Agyptologie , Glückstadt, 1937 5 ) (CdE XII, 193—194). 
Haar waarde bestaat voor laatstgenoemde [o, c, 42) niet hierin: dat ze ons meedeelt 
wat de Egyptische cultuur heeft gepresteerd, en nog veel minder, dat uit haar even¬ 
tueel normen voor ons zouden moeten worden afgeleid, maar daarin, dat wij onszelf 
terugkennen in een levensverloop, dat hemelsbreed verschilt van het onze. Zooals 
men ziet, bekijkt Wolf de Egyptologie vooral als historische wetenschap, terwijl 
Blackman een overzicht geeft van de huidige kennis der Egyptische beschaving. Om 
op dit gebied den vooruitgang der laatste vijf en twintig jaar eens duidelijk voor 
oogen te hebben, vergelijke men slechts Boeser’s De Egyptologie en haar samenhang 
met andere wetenschappen , Leiden, 1910 (van Wijngaarden N°. 54), dat evenals enkele 
andere kleinere verhandelingen (als van Blok, Breasted, Foucart, Reinach) beiden 
schrijvers onbekend schijnt. 

H. Grapow gaf een studie over d ^ Sprachliche und schriftliche Formung dgyptischer 
Texte , Glückstadt 1936, (CdE XII, 198—200), die aan duidelijkheid noch voorbeelden 
te wenschen overlaat. Bevreemdend is het daarom te meer, wat hij op blz. 53 schrijft 
over het teeken ^— q. Dit neemt echter niets weg van het belang van zijn onderzoek, 

*) Lansing 9, 5. 2 ) D. i. wanneer hij één uur geslapen heeft. 

3 ) Hij is kapot. Het woord gemalen schertsend gebruikt met het oog op het koren, dat hij gekregen heeft. 

4 ) Op de landengte van Suez, aan den weg naar Palestina. 

5 ) In afwijking van het vorige overzicht worden de verwijzingen naar de Chronique d'Egypte niet met 
z. g. arabische cijfers naar de afzonderlijke nummers maar met een romeinsch cijfer naar de jaargangen gegeven; 
zulks in verband met het gebruik in het op blz. 297 besproken register. 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


297 


dat zich voor de eerste maal bezig hield met de vraag, in hoever de Egyptenaar den 
wil had en in staat was, kunstig gevormde taal ook zoo kunstig te schrijven, dat men 
daaraan reeds alleen den kunstvorm van b.v. een gedicht ook uiterlijk in strofen kan 
herkennen. 

Van Duitsche zijde verschenen twee studies over zeer bekende papyri : H. D. Schaedel 
heeft in Die Listen des grossen Papyrus Harris , Glückstadt 1936, aannemelijk gemaakt, 
dat alle hier vermelde tempelgoed schenkingen zijn van Ramses III. Wanneer men 
daar dan nog bij moet tellen, wat de tempels reeds bezaten, heeft men weinig moeite 
zich hun alles overheerschende macht voor te stellen, die dan ook met de XXIste dynastie 
een feit werd. Om dit in het juiste licht te zien, herleze men eens CdE VII, 1932, 
97 — 99 - Door A. Scharff werd in de Beiersche Akademie Der historische Abschnitt 
der Lehre für Kbnig Merikarê. (Ph.-h. Klasse 1936, 8) behandeld. Schrijver geeft niet alleen 
een nieuwe vertaling en verklaring van deze bijna unieke zelfbekentenis van een 
Pharao, maar komt ook tot geschiedkundige gevolgtrekkingen {CdE XII, 203). 

Toen in 1925 W. Spiegelbergs Demotische Grammatik verscheen, was haar voor¬ 
gangster bijna 70 jaar oud. In 1936 verscheen er weer een : G. Ort-Geuthner: Grammaire 
dêmotique (Parijs) 1 ), die zich baseert op den magischen papyrus van Londen en Leiden, 
zooals Spiegelberg op den tekst van den Setne-roman 2 ). Deze is grootendeels opgenomen 
in Erichsen’s Demotische Lesestücke, Leipzig 1937 ( OLZ 40, 1937, 478), waarin men 
ook iets van den magischen papyrus vindt, natuurlijk naast verschillende andere. De 
woordenlijst bevat ook tal van grammaticale opmerkingen en gegevens, terwijl de 
Schrifttafel het groote voordeel biedt, dat zij naar den uiterlijken vorm der teekens 
is opgesteld. Het aanhangsel stelt dit nog eens duidelijk voor oogen. Hoewel juist 
dit deeltje zich bescheiden aandient (voorwoord) als een zuiver practisch hulpmiddel 
voor den beginner , zal het ook anderen welkom zijn. 

Van het 3de deel van G. Möller’s Hieratische Palaographie, Leipzig 1936, verscheen 
een nieuwe druk, die zich aandient als een verbeterde. In elk geval geldt dit dan 
toch niet voor de platen, die op sommige plaatsen onleesbaar zijn geworden. De 
verbeteringen zijn zeer schaarsch, al is het een voordeel, dat het boek nu tweezijdig 
bedrukt is. Het valt te betreuren dat Grapow bij de heruitgave er niet toe is kunnen 
besluiten vooraf eenige nieuwe litteratuur aan te geven. Wat Dévaud, Gardiner 
{JEA 15, 1929, 48), Bagnani {JEA 19, 1933, 162), Shorter {JEA 20, 1934, 33) 

schreven, heeft toch wel eenige waarde. Dit bezwaar geldt ook voor het Erganzungs - 
heft zu Band I und II. Als men zich in 1927 de moeite had getroost, deel I en II 
werkelijk verbeterd uit te geven, dan was deze uitgave nu vrijwel overbodig geweest. 

Bibliographisch was het weer een goed jaar, daar deel 5 der Topographical 
Bibliography van Porter & Moss verscheen (zie Jbr. 4, 1936, 174). Het omvat Boven- 
Egypte van Assioet tot Philae met uitsluiting van Thebe en de zes groote tempels 
langs den Nijl. Aan den lof, die dit werk overal ten deel valt, zullen wij het niet 
wagen iets toe te voegen. Zijn onmisbaarheid zegt meer dan genoeg. De CdE gaf 
een index uit op de eerste tien jaargangen, die samen meer dan 3300 bladzijden 
tellen. Ook al ontbreekt hier helaas een afzonderlijk zakenregister, dit boekje van 
80 blz. verhoogt de gebruikswaarde der CdE ten zeerste en is veel beter en uitge- 
breider dan b.v. het laatste register op AZ (40—71, 1904—1935). J- Vandier verzamelde 
in zijn La Famine dans VEgypte ancienne , Cairo 1936 {CdE XII, 207—208) alle 
teksten, die hierop betrekking hebben, zoowel in hieroglyphen als vertaling. Hij 
besprak den ceconomischen kant der kwestie en voegde een studie over de Egyp¬ 
tische uitdrukkingen van dit begrip er aan toe. Natuurlijk komt ook de beroemde 
Sehel inscriptie ter sprake, maar schrijver is ook in staat ( ox . 8, 105) enkele regels 
van een nog niet gepubliceerden tekst mede te deelen. Wel kan hij ook gebruik 
maken van de Hekanacht-papyri , maar helaas kon B. Gunn nog maar niet tot defini¬ 
tieve publicatie besluiten. 

In de Bibliotheca Aegyptiaca verscheen een deel van A. H. Gardiner, Late- 
Egyptian Miscellanies , dat wegens zijn belang afzonderlijk (blz. 290) besproken is. 

! ) Bij het schrijven van dit overzicht nog niet in Nederland in een openbare bibliotheek aanwezig, zooals 
trouwens wel meer der hier genoemde boeken. 2 ) Zie nu ook B. H.Stricker, Notices sur le papyrus démotique 
30646 du Musée des Aniiquités au Caire. Acta Orientalia 16, 1937, 85—104. 




298 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


2 99 


Twee studies, die ook een aantal hieroglyphische teksten betreffende de behandelde 
stof geven, zijn P. Montet, Les reliques de Vart syrien dans VÉgypte du Nouvel Empire , 
Straatsburg 1936, en R. O. Steuer: Über das wohlriechende Natron bei den alten Agyptern , 
Leiden 1937. Juist aan dit deel van beide boeken had echter meer zorg besteed kunnen zijn. 

De uitgave van K. Sethe’s: Übersetzung und Kommentar (,Jbr . 4, 1936, 170—173 
en CdE XI, 1936, 65—67) werd voortgezet. Thans is ook het derde deel geheel verschenen. 

Leiden j. Janssen 


Van het Wörterbuch der ZEgyptischen Sprache verscheen een tweede aflevering 
der BelegstelleUy die op een geheel nieuw systeem blijken te zijn opgebouwd: in tegen¬ 
stelling met het eerste fascikel zijn niet slechts de vermelding der plaatsen, maar nu 
ook korte citaten gegeven. Niet alleen is de eerste aflevering, die dus slechts de 
plaatsen opgaf, thans onbruikbaar geworden, maar ook zijn de citaten zoo kort 
genomen, dat zij vrijwel niets omtrent het woordgebruik leeren en de gebruiker toch 
meestal verplicht is, de groote uitgaven te raadplegen. 

In de tij dsch r ifte n werden in het afgeloopen jaar verschillende teksten en verta¬ 
lingen gepubliceerd : In de AZ 72, 1936, 44 gaf Kees een Kopenhaagsche stèlè uit den tijd 
van Apriës uit; in de JEA 22, 1936, 121 —140 vinden we een vertaling van R. O. Faulkner 
van den Bremner-Rhind-papyrus /, (Bibliotheca Aegyptiaca III, Brussel 1933), die van gods¬ 
diensthistorisch oogpunt interessant is, daar hij een cantate bevat, door twee priesteressen, 
die Isis en Nephthys voorstellen, bij de Osiris-mysteriën te zingen. In datzelfde tijdschrift 
vinden we een uiterst belangrijk artikel van J. Capart, A. H. Gardiner en B. van de Walle, 
dat de uitgave bevat van den boven (pg. 287) besproken papyrus Leopold II. Verder 
publiceert A. W. Shorter daar een hieratisch magisch ostrakon. Tenslotte bevat Kêmi 
4, 1936, i—43 de publicatie door G. Goyon van Les travaux de Chou et les tribula- 
tions de Geb. Het is een vrij lange tekst met mythologischen inhoud, goed bewaard 
op de wanden van een kapelletje, dat zich thans in het Museum van Ismailia bevindt. 

A. Jirku heeft in de Klio 38^ Beiheft (N. F. 25, 1937) een handig boekje gegeven : 
Die dgyptischen Listen paldstinensischer und syrischer Ortsnamen. Hij biedt daarin 
een transcriptie der lijsten, zoodat zij ook voor niet-Egyptologen toegankelijk zijn. 
Ja zelfs schijnt de uitgave speciaal voor die groep lezers bedoeld te zijn, daar b.v. in 
register 3 Jirku de volgorde van het Hebreeuwsche en niet van het Egyptische alfabet 
heeft genomen, hoewel het over Egyptische namen gaat. 

Zie in dit verband de bespreking in J. Simons Handbook blz. 190—191. 

Over den vorm en beteekenis van verschillende hieroglyphen schreven Stracmans 
(.Annuaire de VInstitut de Philologie et d’Histoire orientales et slaves de V Université 
libre de Bruxelles (= Mélanges Fr. Cumont ) 4, 1936, pg. 963 e. vv.): Origine et séman- 
tique de quelques hièroglyphes ègyptiens en P. Montet in zijn Vare nubien et ses emplois 
dans Vécriture Kêmi 4, 1936, waarin hij wil aantoonen dat het teeken Gardiner, 
Sign-list Aa 32 een nubischen boog voorstelt, zooals reeds vaak een onderwerp van 
debat heeft uitgemaakt. 

Kommentaar op reeds uitgegeven teksten leverden A. M. Blackman {JEA 22, 
1936) Some notes on the Story of Sinuhe and other Egyptian texts , waarin hij belang¬ 
wekkende mededeelingen doet over passages uit Sinoehe, Welsprekende Boer, Westcar, 
Schipbreukeling, Levensmoede en d’Orbiney, terwijl Wainwright aldaar schrijft over 
Orion and the Great Star in Pyr. 882, waartusschen hij gelijkheid wil aantoonen. 

In de reeds genoemde Mélanges Fr. Cumont pg. 903 schrijft J. Pirenne over den 
Egyptischen doödencultus, waarin we z. i. niets vinden dat ons zou kunnen wijzen 
op vereering der voorouders of andere uitingen van stam- of clan-leven. 

In de AZ 71, 1935, 44 geeft Grapow een samenvatting der dgyptischen Per - 
sonenbezeichnungen zur Angabe der Herkunft aits einem Ort en tenslotte schreef over 
het linguistisch verband van het Egyptisch met andere taalgroepen: S. Yeivin Studies 
in comparative Egypto-Semitics in Kêmi IV, 1936, p. 63. 

Amsterdam M. Odewald Jr 


Dr. J. Simons S. J. Handbook for the stiidy of Egyptian Topo- 
graphical Lists relating to Western Asia. Leiden, E. J. Brill. 1937, 
large 4to. XVI, 224 pp. with frontispiece, 6 figures, 23 plans, 
36 diagrams, 36 lists and index of names. 

' 

Het is sinds lang bekend, dat de befaamde afgeslotenheid van Egypte slechts 
zeer betrekkelijk is geweest. Van de oudste tijden af vinden wij Egypte in veelvuldige, 
deels vriendschappelijke, deels vijandige aanraking met naburen. Zeer oud — het is 
ons nu alleen om het Noorden te doen — zijn de handelsrelaties met de Phoenicische 
kust, de exploitatie van de mijnen op het Sinaï-schiereiland, de strafexpedities en 
strooptochten tegen vijandige stammen daar en in Palestina, om nu van de prehistorische 
aanraking met Mesopotamië maar niet eens te spreken. Bij deze gelegenheden vallen 
dan zoo nu en dan, eerst schaars, later soms in grooten getale, de namen van volken 
en plaatsen in Syrië en Palestina, die begrijpelijkerwijs van oudsher ook buiten den 
engen kring der Egyptologen de aandacht hebben getrokken als oudste bron voor de 
topographie van een gebied, waar de inheemsche bronnen eerst veel later gaan vloeien 
en ook dan nog veel minder rijk. 

Een volledige verzameling dezer namen uit de veelsoortige teksten, waarin zij 
voorkomen, is het uiteindelijk doel van den schrijver van het hier besproken boek, 
dat zelf slechts een gedeelte, zij het ook kwantitatief waarschijnlijk het grootste, van 
dit materiaal bevat, nl. de lange lijsten met soms honderden namen van door den 
v Pharao veroverde steden, die voornamelijk op de muren van verschillende tempels uit 

het Nieuwe Rijk en van later tijd staan gebeiteld. 

De inrichting van het boek is overzichtelijk. In een inleiding (p. 1—24) bespreekt 
de schr. den aard dezer lijsten, waarbij hij vijf typen onderscheidt, de eigenaardige 
spelling der namen — de schr. geeft hier een goed resumé van het probleem der 
syllabische orthographie en een m.i. juiste kritiek op Albright — en de waarde der lijsten. 
Onder dit laatste hoofd leest men een indrukwekkend requisitoir tegen Egyptische 
teksten als bronnen van exacte gegevens: de met de naamringen verbonden koppen 
vertoonen dikwijls raskenmerken — doch zij zijn willekeurig aangebracht (p. 6), de 
volgorde der namen is waardeloos, zoodat wie daarmee een marschroute wil opbouwen 
in Labyrinthwanderungen vervalt (Müller geciteerd, p. 37), de beschrijvende opschriften 
zijn stereotyped , thoughtless and consequently worthless (p. 11); en nu moge dit alles 
meer afbreuk doen aan de historische waarde der lijsten dan aan de topographische, 
daar immers het bestaan van een bepaalde plaats in some period or another (p. 15) 
** er toch wel door bewezen wordt, ook in dit opzicht vermindert de waarde er wel 

door evenals die van een antiquiteit, waarvan men de herkomst niet kent. Men ziet, 
de schr. staat kritisch genoeg tegenover zijn stof, waarom wij te gereeder naar zijn 
betoog luisteren, wanneer hij het een enkele maal (de lijst van Sjosjenk), m.i. terecht, 
tegen al te groote scepsis in bescherming neemt. 

Het eigenlijke boek bestaat uit twee deelen. Deel I (p. 25 —103) geeft een beschrijving 
van de lijsten, 36 in getal, in chronologische volgorde gerangschikt, van Thotmes III 
tot Taharka. Bij iedere lijst vindt men een inleidende historische notitie, waaruit blijkt 
in hoeverre veldtochten van den koning een reëelen achtergrond der lijst kunnen 
vormen en uitvoerige vermelding van de gebruikte bronnen, waarvan de volledigheid 
gewaarborgd wordt door de voortreffelijke bibliotheek in Oxford, die de schr. gebruiken 
kon. Op een plattegrond wordt de plaats aangegeven, waar het origineel (indien in situ) 
zich bevindt. Een appendix (p. 189) geeft zelfs een plan van den heelen tempel van 
Karnak, den tempel, waar zich de meeste lijsten bevinden. Voor de zorgvuldigheid, 
waarmee de schr. dit gedeelte bewerkt heeft, kan men hem niet dankbaar genoeg zijn; 
het napluizen der talrijke oude edities, die altijd fragmentarisch, verward en onnauwkeurig 
zijn, moet een uiterst tijdroovend werk zijn geweest. Door zijn practische plattegronden 
heeft hij het bovendien dengene, die zijn teksten met de origineelen wil confronteeren, 
zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt. 

Deze teksten geeft dan dl. II (p. 105—187). Zeer nuttig zijn hier weer de dia¬ 
grammen, die de rangschikking der namen met één oogopslag duidelijk maken. Dan 
volgen genummerd de namen en in de noten vindt men onder hetzelfde nummer 




300 


EGYPTISCHE PHIL 0 L 0 GIE 


opmerkingen over de lezing, varianten van andere copieën, mogelijkheden door andere 
lijsten gesuggereerd, identificaties ! ) enz. Ook hier weer is voor dengene, die zich 
met het boek voor de monumenten wil begeven, in velerlei opzicht het pad geëffend. 
Jammer echter, dat de schr. dit niet zelve heeft gedaan! Ziedaar metéén mijn 
hoofdbezwaar tegen dit boek: een uitgave van dezen omvang en deze uitvoering 
(dus ook: prijs) had toch eigenlijk definitief moeten zijn. Hoe had het bovendien de 
lengte der noten kunnen bekorten, indien de schr. hier i. p. v. vele overwegingen op 
grond van eigen onderzoek van het origineel 2 ) naar Ewalds recept gleich das Richtige 
gesagt had! Dan zou zich waarschijnlijk ook den schr. zelf spoedig het ernstigste gebrek 
van dit deel geopenbaard hebben, nl. de omzetting van de verticale rangschikking 
in een horizontale, in mindere mate ook de omkeering der richting. Ik geef toe, dat 
dit niet altijd hinderlijk is. Bij gave namen zal het er in het algemeen niet veel toe 
doen, hoe de teekens precies gerangschikt zijn. Anders is het echter bij lacunes en 
beschadigingen. Daarbij is voor fijner werk een reproductie als de hier gegevene 
onvoldoende; men krijgt op de mogelijkheden van aanvulling slechts kijk, indien het 
origineel zoo nauwkeurig mogelijk wordt weergegeven. Ik heb mij met het oog op 
het belang van dit werk verplicht gevoeld althans één lijst nauwkeurig met de bron 
te vergelijken. Mijn eigen boekenbezit bepaalde de keus toevallig op de lijst van 
Sjosjenk (p. 178 v.). Telkens weer bleek mij bij de collatie de waarheid van het zooeven 
opgemerkte. Nergens krijgt men een indruk van de rangschikking van het origineel; 
bepaald misleidend is bijv. de groepeering in n° 16, 24, 36, 39, 45, 84, 90, 92, 110, 53; 
vgl. bijv. voor de willekeurige hergroepeering n° 86 met 88 of ook de streep naast of 
onder r. Dit alles is niet al te belangrijk; maar nu ingeval van lacunes — in n° 39, 
45, 94, 116 kan niemand uit dézen tekst den juisten vorm van de lacunes en dus de 

mogelijke aanvullingen vermoeden. Dat in n<> 39 een in n° 94 r^r 1 mogelijk is, 

in no 45 een heele groep ontbreekt vertellen ons de noten, doch niet de copie. 
Daardoor is men toch weer genoodzaakt telkens naar de oudere edities te grijpen. 
Eerst dan ziet men, dat bijv. wat in no 116 voor de twee streepjes ontbreekt slechts een 
klein teeken kan zijn, dat naast deze onder de staat. Bij een copie, die de rang¬ 

schikking van het origineel in acht nam, zou verder de volgorde der teekens in 
no 130 niet omgekeerd zijn en de weglating van een teeken (w) in no 26 waarschijnlijk 
niet zijn voorgekomen. Over de hiëroglyphische hand van den schr. te spreken wekt 
misschien den indruk van vitzucht. Ik zou het dan ook liever nalaten, ware het niet, 
dat de vorm van één zijner hiëroglyphen betreurenswaardige gevolgen heeft gehad. 

De ^ 3 ) van den schr. lijkt nl. meer op ^ en is dan ook in de noten als ^ gedrukt 

(p. 100, 134, 164, 181, 186 en passini) en blijkbaar later door den schr. zelf daarvoor 
aangezien, althans bij de correctie overal aan de aandacht ontsnapt. 

De lezer trekke uit deze opmerkingen vooral niet de conclusie, dat er veel op dit 
werk zou zijn aan te merken. Integendeel — zij betreffen minder het voortreffelijke, 
dat de schr. geeft, dan het wenschelijke, dat hij niet geeft. Voor het meerendeel zijn 


9 Ofschoon de schrijver zich in dit opzicht opzettelijk zeer beperkt heeft, waardoor het onlangs verschenen 
boekje van Jirku Die Agyptischen Listen Palas tin ensisc her und Syrischer Ortsnamen , dat juist deze uitvoerig 
behandelt, een soort aanvulling vormt, zooals schr. zelf zegt in een Addendum (p. 190 vv.), waarin hij op het 
laatste oogenblik ook dit boekje nog verwerken kon. Toch hopen wij, dat de schr. met zijn kennis der Palestijnsche 
opgravingen in een volgend deel ook deze vraagstukken zal bespreken. 

2 ) Het nalaten hiervan verwondert te meer, daar de schr. zelf de overtuiging is toegedaan, dat a collation 
of Muller's copies (en dat zijn nog de beste) witk the original inscriptions woitld undoubtedly inake possible the 
correction and improvement of many more names (p. 23). 

Naar ik verneem is een ziekte, waarvan de schr. thans gelukkig hersteld is, de oorzaak geweest, waardoor 
een collatie met de origineelen is uitgebleven. Toch had m. i. het belang van zulk een collatie tegen een uitstel 
van zelfs enkele jaren ruimschoots opgewogen. 

3 ) Dit in de namen oneindig vaak voorkomende teeken moet de schr. toch wel bedoeld hebben. Ook de 

tusschenvorm (voorarm als bij achterarm als bij die blijkens Müller nog al eens voorkomt, is ver¬ 

waarloosd. Misschien is het hier de plaats een wensch uit te spreken — bij dit Hollandsch-Engelsche boek 
schijnt het tijdstip, waarop ik dit schrijf, tusschen Sinterklaas en Kerstmis daarvoor uitermate geschikt — deze 
nl. dat de schrijver ook de basis van dit teeken moge verbeteren en ook dat de schr. in zijn 2de boek lacunes 

in regelmatige richting moge arceeren. Zooals het hier gebeurd is, is het heel leelijk. Bovendien lijken de 

horizontale streepjes soms bedenkelijk op getallen. 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


301 


deze onvolkomenheden slechts min of meer noodzakelijke consequenties van het op¬ 
geven der teeken-volgorde in de origineelen. Indien de schr. zich daartoe wilde be- 
keeren — bij geautographeerde teksten maakt het geen verschil in kosten — zou het 
mij zeer verheugen. Zijn volgend boek zou er ongetwijfeld als betrouwbaar en onmisbaar 
instrument nog door winnen. 

Vermeld zij tenslotte nog, dat een zeer uitvoerige index, die het ook mogelijk 
maakt de namen in de boeken van Borée, Burchardt, Gauthier, Albright (en Jirku) 
zonder moeite te vinden, het werk besluit en de waarde er van ten minste verdubbelt. 

Leiden A. DE BüCK 

EENIGE OPMERKINGEN BETREFFENDE DEN HUIDIGEN STAND 
VAN ONZE KENNIS EN ONS INZICHT AANGAANDE ACHNATON 

Sedert ik mijn boekje over den vermaarden aegyptischen koning schreef 1 ), is 
zoowel het materiaal betreffende Achnaton en zijn tijd uitgebreid als ook het inzicht 
in zijn werk en persoon verdiept. In de eerste plaats moet hier genoemd worden de 
magistrale samenvatting, welke Heinrich Schaefer, de man, die ook tevoren reeds 
het meeste tot ons begrip van ’s konings kunst en religie had bijgebracht, thans van 
zijn inzichten gaf: Amarna in Religion und Kunst , ( 7. Sendschrift der Deutschen 
Orientgesellschaft), 1931. In belangrijkheid slechts weinig daarbij achter staat het over¬ 
zicht, dat Ed. Meyer gaf in den nieuwen druk van Geschichte des Altertums (II 2 , 1, 
1928). Daarbij sluiten zich een reeks kleinere geschriften aan, waaronder die van onzen 
landgenoot Frankfort een eerste plaats innemen 2 ). Het doel van deze bladzijden is 
te wijzen op enkele der in bovengenoemde geschriften genoemde gegevens en daar 
onzerzijds iets aan toe te voegen. 

I. BiOGRAPHiE VAN Achnaton. Wat den levensgang van den koning betreft, 
Ed. Meyer heeft nog sterkeren nadruk dan reeds was geschied, doen vallen op de 
benarde politieke omstandigheden van het Egyptische wereldrijk, reeds bij de troons¬ 
bestijging van Amenophis IV. De hetietische moeilijkheden, de steeds herhaalde in¬ 
vallen der Semitische nomadenstammen (Chabiri!) vormen het begin van den ondergang 
van het Egyptisch imperium. Wordt hiermede de politieke signatuur van Achnaton’s 
regeering duidelijk aangewezen, het religieus karakter daarvan komt sterk uit in de 
breuk met het verleden, die den vorm aannam van verandering van residentie. Meyer 
schrijft de onmiddellijke oorzaak toe aan de poging tot revolutie, die in het vierde 
jaar van den koning moet hebben plaats gehad. Belangrijker echter is, uit godsdienst¬ 
historisch oogpunt, de eed, dien de koning zwoer om het gebied van Achet-aton niet 
te overschrijden. Meyer merkt terecht op, dat door deze gelofte het contact tusschen 
den koning en zijn onderdanen beperkt werd tot de met hartstochtelijken ijver van 
Napata tot in Syrië bedreven propaganda voor de nieuwe leer. Van zijn volk is hij 
sedert vervreemd. Het sectarisch karakter van Achnaton’s werk komt hierdoor nog in 
sterker licht te staan. 

II. Karakter van ’s konings werk. Aan de karakteristiek, die ik in mijn 
boekje gaf, valt op grond van het nieuwe materiaal niet veel toe te voegen. Slechts 
mag ik aanstippen, wat betreft de zoogenaamde ‘dogmatische’ godsnamen, dat Ed. Meyer 
de vroegste vorm van het tweede deel daarvan vertaalt: in zijn naam als Sjoe y die 
in den Aton is y terwijl Sethe de identiteit der beide góden had aangenomen. Meyer 
ziet in Sjoe den glans of gloed, die in de zonnenschijf is 3 ). Van de eigenaardige uit¬ 
drukking in den derden godsnaam: in zijn naam als vader van Re y die is teruggekomen 
als Aton , geeft Kees een parallel uit de wereld van Osiris: Siehe y er kommt als Orion y 
als Osiris , der als Orion wiedergekehrt ist 4 ). In beide gevallen dekt de uitdrukking: 

! ) G. van der Leeuw, Achnaton. Een religieuze en aesthetische revolutie in de veertiende eeuw voor Christus , 1927. 

2 ) H. Frankfort, Egyptische beeldhouivwerken uit de verzameling A. Stoclet te Brussel ', Maandblad voor 
beeldende kunsten, 7., 1930, 67 vv.; — Nieuwe monumenten der Amarnah-kunst , Elsevier’s geïllustreerd maand¬ 
schrift, 1929; — Preliminary report on the excavations at El-Amarnah , The Journal of Egyptian Archaeology 15^ 
1929; — The affinities of the mural paintmg of El-Amarneh , in: The murai painting of El-Amarneh y 1929. 

3 ) II 2 , 1, 382, A. 1. 4 ) Totenglaube , 207. 




302 ACHNATON 

‘teruggekomen is’, wat ik een godsdiensthistorische ‘verschuiving’ heb genoemd *). Het 
nieuwe wordt aangeduid als terugkeer van het oude. 

De hoogst gewichtige plaats in de Zonnehymne: 

wanneer gij voor het aangezicht der menschen zijt , zijn toch uw schreden onnaspeurlijk , 

(aldus mijn vertaling, naar Sethe), is ook enkele malen onder oogen gezien. Spiegelberg 
vertaalt: 

du bist in den Gesichten (der Menschen), (aber) man kennt dein Gehen nicht 2 ). 

Dat komt dus op hetzelfde neer. Belangrijker is de parallel uit den berlijnschen 
Ptah-hymnus , waar W. Wolf op wees: 

der fern ist und doch nah , dessen . niemand kennt 3 ). 

De theologisch hoogst merkwaardige gedachte van Gods verre zijn in zijn nabijheid, 
zijn nabij zijn in zijn verwijderd zijn, schijnt dus ook onafhankelijk van het ver¬ 
schijnsel van de zon in Egypte te zijn opgekomen. 

Hoe sterk overigens de door Achnaton in het leven geroepen eeredienst werd 
beheerscht door de zichtbaarheid van de stralende zonneschijf, wordt duidelijk, wanneer 
wij den Aton-cultus vergelijken met dien van Amon; tot nu toe stelden wij vaak de 

tegenstelling alleen als: Amon—theriomorph <-► Aton—de reëele zonneschijf. Maar 

niet minder belangrijk is het contrast: Aton—de openbaar zichtbare «-► Amon—de 

verborgene, of ook: Aton—de lichte *-> Amon—die in het duister woont. 

III Karakter van ’s KONINGS KUNST. Het nieuwe in de kunst van el-Amarna 
wordt ook door de jongste onderzoekers sterk geaccentueerd. Ed. Meyer spreekt zelfs 
van een breuk in de segyptische kunstgeschiedenis, te vergelijken met de Renaissance 
en vooral met het Impressionisme van het laatste kwart der 19de eeuw 4 ). Het dog¬ 
matisch karakter ook van de kunst wordt nog eens onderstreept door de opnieuw 
gebleken overbrenging van het koningstype op de afbeeldingen van particuliere 
personen 3 ) en beambten 6 ). Zoowel Frankfort als Schafer leggen den nadruk op den 
persoonlijken invloed van den Koning op de kunstenaars der el-Amarna-periode en 
hun werk, een invloed, waarvan het bestaan reeds lang vaststond, maar waarvan elke 
hernieuwde bestudeering opnieuw onder den indruk brengt 7 ). 

De vroolijke noot wordt in de geschiedenis der kunst van el-Amarna gebracht 
door den medicus Felix Proskauer, die de erfelijke misvorming der koninklijke familie, 
welke het el-Amarna-type in de kunst deed ontstaan, uit rachitis verklaart 8 ). Dit kan 
juist zijn, maar vermakelijk wordt het betoog van den dokter, wanneer hij de gansche 
zonneprediking van Achnaton als een anti-rachitiscampagne opvat! Godsdiensthistorie 
modern-hygienisch gemotiveerd! En zoo iets nog wel in het deftige Z eitschrift für 
PPgyptologie ! 

IV. ’S KONINGS WERK IN HET GEHEEL DER ZONNETHEOLOGIE. Dat Achnaton’s 
hervorming, hoezeer ook het werk van een geniaal mensch, niettemin niet uit de lucht 
is komen vallen, maar gezien moet worden als de hevigste, zij het kortste manifestatie van 
de zonnetheologie van Heliopolis, is ook reeds lang bekend. Het behoeft ons dus niet te 
verbazen, wanneer steeds weer gedachten en zelfs woorden van Achnaton opduiken in 
de vroege literatuur. Wij wezen reeds op het voorbeeld van den derden godsnaam. 
In Wolfs artikel: Vorldiifer der Reformation Echnatons 9 ), vinden wij nog andere 
voorbeelden, terwijl de Berlijnsche Ptah-hymnus ook den naam Aton gebruikt 10 ). 

Dat ondanks den plotselingen en radicalen ondergang van ’s Konings werk veel 
van zijn gedachten is blijven leven werd door de Buck n ) en Boeser 12 ) duidelijk gemaakt. 
De laatste geeft uit een demotischen papyrus letterlijke parabelen van den zonne- 
hymnus. Zoowel deze papyrus, als de door de Buck aangehaalde Chester-Beatty-papyrus 

!) In mijn Phdnomenologie der Religion , 1933, blz. 578 vv. 

2 ) AeZ 65, 1930, 105. 3 ) AeZ 64, 1929, 18. 

4 ) II 2 , 1, 386, A. 1. 5 ) Frankfort, Prei. Report , pleite XX, blz. 149. 6 ) Schafer, 37. 

7 ) Frankfort, Affinities , 27 vv.; Schafer, 45. 8 ) AZ 68, 1932, I14 vv. 9 ) AZ 59 i ï 9 2 4 i I0 9 vv - 

10 ) Wolf, AZ, 64, 1929, 21. n ) Jaarbericht Ex Oriente Lux 3, 1935, 7 °- 

I2 ) Egyptian Religion 2, 1933, 1 vv.; 3, 1935, 59. 


ACHNATON 303 

( CB IV) behooren in het genre der chokma-littratuuv thuis. Achnaton’s gedachten 
hebben dus in de schrijverscholen, die in .Egypte gelijk in Israël zulk een wonder¬ 
baarlijk rijke en diepzinnige literatuur voortbrachten, wortel geschoten. De vraag rijst 
of ook omgekeerd deze chokma -scholen invloed hebben geoefend op het denken van 
den Koning. Wij kunnen de vraag voorloopig niet bevestigend beantwoorden; maar 
onwaarschijnlijk is het niet, dat de zonnehymnus gedachten aan de wijsheidsscholen 
ontleende. Ook in Israël moeten wij den oorsprong van sommige psalmen in die 
scholen zoeken *). 

Aan de oorspronkelijkheid van Achnaton doet dit alles niets af. Integendeel, wij 
moeten Schafer toestemmen, dat al deze overeenkomsten ook het gebruik van den 
naam Aton vóór de hervorming, ons slechts opvallen, c weil wir durch die Tat (A’s) 
hellkörig geworden sind D2 ). 

V. Het z. g. monotheïsme des KONINGS. Al te vaak wordt in de literatuur 
aan het woord ‘monotheïsme’ een soort tooverkracht toegeschreven, alsof wij bij het 
ware zijn aangeland, zoodra wij dit kunnen constateeren. Theoretisch monotheisme 
echter, waarbij er dus maar één bovenmenschelijke kracht is, komt nergens voor, ook 
niet in het Christendom en den Islam, die beide het bestaan van min of meer zelf¬ 
standige ‘machten’, dsemonen enz. erkennen. Maar zelfs het monotheisme, dat geen 
góden erkent nevens God, moeten wij bij Achnaton niet zoeken. Het is bij hem 
veeleer, als in het grootste gedeelte van het Oude Testament: andere ‘góden’ bestaan 
natuurlijk, maar zij zijn niets vergeleken bij ‘God’ (‘drekgoden’ zegt de Statenvertaling 
drastisch!) en zij behooren verdelgd te worden. ‘Monotheïsme’ is geen theorie, maar 
de neerslag van een zeer sterke openbaring van een bepaalden god. 

Een voortreflijke parallel van Achnaton’s monotheisme is nu eerst onlangs ge¬ 
boden door de onderzoekingen van E. Herzfeld over de religie der Achaemeniden 3 ). 
De religie van Zarathustra heeft, dank zij den koningen Darius, Xerxes en Artaxerxes, de 
polytheistische religie der ‘magiërs’ overwonnen. De naam Ahuramazda was vóór- 
zarathustrisch, maar verdrong bij Zarathustra den oorspronkelijken naam van den 
hemelgod Varuna (O vpavog) geheel. Darius en Xerxes roepen uitsluitend Ahuramazda 
aan en vermijden zelfs de belangrijkste góden b. v. Mithras. De andere góden ver¬ 
nederden zij tot den rang van daiva's , dsemonen. Zoo strijden mazdayasna en 
daivayasna tegen elkaar als monotheisme en polytheïsme. De perzische termen 
hebben echter een diepere gevoelswaarde dan de moderne begrippen ; zij staan voor 
een strijd tusschen den Heer en de anderen. In de vóór-zarathustrische religie 
kan men mazda - en daivayasna tegelijkertijd zijn. In de profetische religie zijn beide 
eikaars vijanden geworden. Met Artaxerxes II komen dan de magiërs weer aan het roer 
en met hen de daiva: formeel blijven Ahuramazda en Zarathustra erkend, de geest 
van den laatste wordt echter verloochend. De poging tot vestiging van een exclusieven 
dienst van den Alheer door de Achaemeniden is dan mislukt. 

Hoogst karakteristiek voor deze poging is de proclamatie van Xerxes in een onlangs 
( 1 935 ) te Persepolis ontdekte inscriptie: 

„Als ich König wurde, da gab es unter diesen Landern die oben nieder- 
geschrieben sind solche, die Unruhen machten. Da brachte mir Ahuramazda 
Hilfe; mit Ahuramazdas Willen schlug ich jene Lander und steilte die Ordnung 
in ihnen wieder her. Und unter jenen Landern waren solche, in denen bis daher 
die daiva angebetet wurden. Da machte ich mit Ahuramazdas Willen jene daiva — 
statten dem Erdboden gleich und erliess das Verbot: „Die daiva sollen nicht 
angebetet werden.” Wo zuvor die daiva angebetet wurden, da liess ich Ahuramazda 
anbeten mit ’Rtam dem erhabenen. Und andres gab es das übel getan wurde; 
das machte ich gut. Das was ich tat, tat ich alles durch den Willen Ahuramazdas 4 ). 

Terwijl dus mono- en polytheisme theoretische begrippen zijn, staan mazda - en 
daivayasna voor levenshoudingen. De mensch, die een van beide dient, kiest partij 
tegen den ander; hij beweert niet, dat de andere god er niet is (dat is een moderne 

! ) Verg. P. A. Munch, Die jüdischen i Weisheitspsalmen' und ihr Platz im Leben , Acta Oriënt. 15, 
1936, 112 vv. 2 ) Schafer, 15. 

3 ) E. Herzfeld, Die Religion der Achaemeniden , Revue de VHistoire des religions 113, 1936 blzz. 2ivv. 
Zie ook J. H. Kramers Jbr. EOL 4, 1936, blzz. 253 v. 4 ) Herzfeld, 35 v. 






304 


ACHNATON 


uitvinding!), maar hij verzet zich tegen hem en wil hem vernietigen. Dat poogden de 
Achaemeniden, dat poogde ook Achnaton ’). 

Want de ‘ketterkoning’ was geen monotheïstisch theoreticus, die alle problemen 
in de wereld tot één factor herleidde. Hij was veeleer een hartstochtelijk kampioen 
van zijn god tegen de andere, zeer reëele machten, die hij wilde verdelgen. Hij was 
zulk een heftig partijganger van zijn god, zóózeer bezeten door diens ‘schoonheid’, 
gegrepen door zijn ‘waarheid’, dat hij niet slechts alle góden, met uitzondering van 
Atoem (zie beneden), maar ook de ,,góden” als genus op niets ontziende wijze ver¬ 
volgde 2 ). De wijze, waarop hij dat deed, is vele malen, ook in mijn aan den aanvang 
genoemd boekje, beschreven. 

In het licht van het zoojuist over het ‘monotheïsme’ gezegde wordt nu echter 
ook nog een eigenaardige trek van die godenvervolging duidelijk. Wij weten hoe de 
Koning de vervolging zóó ver doorvoerde, dat hij ook de hieroglyphen, die de namen 
van góden suggereeren, door andere vervangt I cs wordt (transcriptie 

van beide combinaties is int) wordt f [kr) 3 ). Hieroglyphen nu zijn zelf ‘góden’, 
machten die schaden of baten kunnen, ’s Konings onderdrukking der theriomorphe 
hieroglyphen is dan ook niet een tot het uiterste doorgevoerde theoretische con¬ 
clusie, maar een zeer practische en reëele strijd tegen de machten, die in de teekens 
zijn, of nog beter: die de teekens zijn. P. Lacau’s artikel: Suppressions et modifica - 
tions de signes dans les textes funêraires 4 ) had ons reeds lang op den weg tot beter 
verstaan van deze wijze van godenvervolging kunnen brengen. 

Met dit uitermate practisch, realistisch karakter van Achnaton’s strijd zal het 
ook wel samenhangen, dat wij bij hem geen strikte consequentie moeten zoeken: 
de Mnevis-stier krijgt een graf in den tempel van Achet-Aton 5 ). En omdat ’s Konings 
‘monotheisme’allerminst een theoretische overtuiging was, kon hij zich ook gemakkelijk 
aansluiten bij de pantheistische stroomingen, die in ^Egypte sedert onheuglijke tijden 
met den zonnedienst, inzonderheid met Atoem, verbonden waren G ). 

VI. De CATASTROPHE. Ed. Meyer beschrijft deze en de verwarring, die er op volgde, 
op voortreffelijke en indrukwekkende wijze 7 ). Sakere, de echtgenoot van Merit-Aton 
volgt op. Nefertete echter biedt den overwinnenden Hethiet, Subbiluliumma, haar 
hand voor een zijner zonen. Deze gaat op dit aanbod in. Als echter de prins in 
^Egypte aankomt, is de revolutie gereed : Nefertete en Sakere verdwijnen, de 
hethietische prins wordt gedood. De instorting van het rijk wordt verhinderd door 
terugkeer tot de oude religie. Toet-anch-aton wordt Toet-anch-am o n en vereert 
weder den Imi-oet (de leeren balg, aan een stang opgehangen, werd in zijn graf ge¬ 
vonden 8 ). De prinses Anches-en-at on wordt Anches-en-am o n. P a- at on-m-heb wordt 
Horemheb; hij is de sterke man, die den zwakkeren Eje, met Anches-en-amon gehuwd, 
eenmaal een steunpilaar van Achnaton’s regeering, verwijderde 9 ) en het rijk redde, 
als een Napoleon na de Revolutie. 

Groningen G. van der Leeuw 

1) Verg. voor wat het Christendom betreft, het leerzame geschrift van Erik Peterson, Der Monotheismus 
als politisches Problem , 1935; de Christenen zijn de partij van den éénen god en sluiten de andere góden uit. 

2 ) Verg. Ed. Meyer II 2 , 1, 392. 

3 ) Zie bijv. Schafer, 21. 4 ) AZ 51, 1914, I vv. 5 ) Ed. Meyer II 2 , I, 391. 6 ) Aang. w. 326 vv. 

7 ) Aang. w. 381 vv., en 400 vv. 8 ) Von Bissing, Om T.-A.-A's graf , 79. 

9 ) Verg. Percy E. Newberry, King Ay, the successor of Tufankhamün , J.E.A. 18, 1922, 50 vv. 


EEN MERKWAARDIGE EGYPTISCHE VOORSTELLING VAN 
ZONSOP- EN ONDERGANG 

Figuur 3—6 


In het musettm Meermanno-Westreenianum in Den Haag bevindt zich o.a. een 
kleine verzameling Egyptische oudheden. Hoewel de beteekenis van genoemd museum 
hoofdzakelijk op ander gebied ligt, biedt toch ook deze kleine Egyptische collectie 
interessants genoeg om een bezoek loonend te maken. Het zou mij daarom verheugen, 
indien dit artikel, gewijd aan één der merkwaardigste papyri dezer verzameling, ook 
iets zou bijdragen tot een ruimere bekendheid van dit museum, dat zooals zoovele 
dergelijke instellingen aan zeer velen waarschijnlijk geheel onbekend is. 

De hier bedoelde papyrus meet 266 bij 33 cm en is bijzonder goed bewaard; op 
een enkel scheurtje na is hij intact *). Hij behoort tot een klasse van documenten 
der late doodenliteratuur, die of weinig of in het geheel geen teksten bieden, doch 
geheel of bijna uitsluitend uit afbeeldingen bestaan. Deze soort papyri dateeren uit 
het einde van het Nieuwe Rijk of later. Hoewel bijna alle musea er specimina van 
bezitten, sommige zelfs in grooten getale, zijn zij weinig bekend, daar slechts enkele 
er van gepubliceerd zijn 2 ). Deze schaarschte van gepubliceerde stukken is dubbel 
jammer, daar juist de vergelijking der verschillende manuscripten het beste middel is 
om tot een goede interpretatie der vignetten te komen. Want wel is waar is de 
inhoud dezer papyri geen bepaalde compositie, zooals bijv. Am-Duat of Poortenboek, 
maar toch vindt men telkens figuren of groepen van figuren, die bij alle variatie in 
details toch onmiskenbaar tot eenzelfde type behooren. In zulke gevallen verduidelijkt 
de eene illustratie de andere. Het is duidelijk, dat een indeeling dezer vignetten in 
bepaalde klassen en een verzameling en onderlinge vergelijking van alle voorbeelden 
van een bepaalde klasse de noodzakelijke voorbereiding vormen 3 ), waardoor soms 
een of andere op zichzelf duistere compositie begrijpelijk kan worden. Deze vaste 
basis missen wij voorshands. Zij wordt slechts geschapen door datgene wat wij bezitten 
of kennen bekend te maken, ook al kunnen wij nog geen definitieve verklaring er 
van geven; misschien zijn anderen gepubliceerde of ongepubliceerde varianten bekend, 
die verdere opheldering schenken of voor wie omgekeerd onze publicatie de ‘ missing 
link ’ in een zoo goed als gesloten reeks beteekent. Dit ter rechtvaardiging van een 
bespreking, waarbij veel vragen tenslotte zonder antwoord zullen blijven. 

Onze afbeelding fig. 3 is een reproductie van het rechteruiteinde van den papyrus 
en is waarschijnlijk werkelijk het einde (en niet het begin) van de rol, daar deze wel 
terugloopend beschreven zal zijn d. w. z. dat de volgorde der regels (in ons geval: 
der afbeeldingen) niet van rechts naar links loopt, wat in Egypte het normale is, 
doch van links naar rechts, ook al kijken de hiëroglyphen, figuren enz. eveneens naar 
rechts. Dit terugloopen (iretrograde , rückldufig ) is het normale bij de doodenliteratuur 
uit het Nieuwe Rijk, Doodenboek, Am-Duat enz. 4 ). 

De linker helft der afbeelding behoeft ons thans niet lang bezig te houden. 
Het is een vignette van een zeer bekende soort. Beneden ligt Apap, de slang der 
duisternis en vijand der zon, gedood door vele messen 5 ). Daarover vaart zegevierend 


! ) De papyrus draagt het museum-nummer 37. Hij wordt niet genoemd in de Gids voor de bezoekers 
van het museum Meermanno-Westreenianum I (1912). Het afgebeelde gedeelte is 77 cm lang. De Directie van 
het musetim Meermanno-Westreenianum gaf welwillend verlof tot publicatie van dit stuk. Den heer A. J. de 
Mare dank ik voor zijn bemiddeling en verdere vriéndelijke hulp. 

2 ) Een zeer uitvoerige papyrus van deze soort met tamelijk veel tekst is uitgegeven door G. Nagel in 
Bullettii de VInstitut Frangais d'Archéologie Oriëntale , 29, 1929, I vv., waar men ook een algemeene inleiding 
tot dit type van papyri vindt en een zeker niet volledige opsomming van handschriften van dit genre, vooral 
in het museum te Cairo. 

3 ) Daarbij vormen naast de papyri de druk beschilderde sarcofagen van dien tijd een rijke bron. 

4 ) Aan fig. 3 gaat dus een lange reeks teekeningen vooraf. Zij zijn van denzelfden aard en schijnen 
eveneens dikwijls het thema van op- en ondergang der zon te behandelen. Een publicatie van den geheelen 
papyrus zou ongetwijfeld gewenscht zijn. 

5 ) Deze zijn in de origineele teekening rood. 

J>arbericht No 5 


20 



306 EGYPTISCHE VOORSTELLING VAN ZONSOP- EN ONDERGANG 


EGYPTISCHE VOORSTELLING VAN ZONSOP- EN ONDERGANG 307 


de zonnegod — in dit geval in de gedaante van de nachtelijke zon met ramskop — in 
een kapel, omgeven door een bemanning en getrokken door zes figuren. Het is dezelfde 
vorm van god en boot, die wij uit het boek Am-Diiat kennen. Zeer gewoon zijn 
varianten, waarbij de boot vanzelf vaart, terwijl» daarin de zonnegod in de gedaante 
van een gevleugelden kever verschijnt, Chepera, de opgaande zonnegod — de symboliek 
is dan ^nog duidelijker ! ). 



Daarop volgt dan de hoofdgroep, waarom het hier in het bijzonder te doen 
is. Wij zien tusschen twee slangen, die rechtop op hun staart staan, een tamelijk 
samengestelde compositie. Een achterover gebogen hoofd met wijd opengesperden 
mond, waarin of waarop een zonneschijf rust, als morgenzon gekenmerkt door den 
daarop geteekenden kever 2 ). Hoofd en zonneschijf liggen in een heuvel, weergegeven 
door een aantal min of meer evenwijdig loopende, roode lijnen. De opgeheven armen 
komen daaruit echter gedeeltelijk te voorschijn. Van den bovenrand der teekening 
reiken twee armen, die aan een vrouwelijken boezem verbonden zijn, naar beneden. Zij 
omvatten een tweede zonneschijf 2 ), waarop ditmaal een boot is afgebeeld. Het mid¬ 
delste gedeelte dezer schijf is verloren gegaan, zoodat wij niet zien kunnen, of zich 
daarin een afbeelding van den zonnegod heeft bevonden. De boot kan ook ledig zijn 
geweest. Van de zonneschijf gaan stralen uit, die uit alterneerende sterren en onregel¬ 
matig ronde, rood gekleurde schijfjes bestaan. 

Voor deze hoofdgroep zijn wij bijzonder goed van varianten voorzien. Zij 
behoort klaarblijkelijk tot hetzelfde type als de talrijke illustraties bij de zonnehymnen 
van Doodenboek 15, die in de laatste jaren uitvoerig door Schafer 3 ) en Sethe 4 ) be¬ 
handeld zijn. 

Over de beteekenis der benedenpartij — ook de door hen besproken teekeningen 
vertoonen nl. dezelfde indeeling in een boven- en benedenpartij — bestaat daarbij 
geen verschil van meening. Zij zien daarin een zonsopgang. De zon wordt door een 
godheid, wiens aard zich daartoe leent, omhoog getild (fig. 5). Noen, de god der oerwateren, 
waaruit de zon het eerst verschenen is en nog dagelijks verschijnt, doet het bijvoor¬ 
beeld of Sjoe, de god, die den hemel in den beginne ophief en dit nog eiken morgen 
doet. Meestal gebeurt het echter door de van armen voorziene symbolische teekens 


*) Over de beteekenis van deze en andere verwante voorstellingen handelt W. B. Kristensen, De symboliek 
van de boot in den Egyptischen godsdienst. (Versl. en Meded. Kon. Akad. v. Wetensch. Afd. Letterkunde, 5de reeks, 
dl. IV, 1919, p. 257 vv.). 

2 ) De zonneschijf is rood gekleurd. 

3 ) Eerst in Weltgebdude der alten Agypter; daarna, 1 ? na Sethe’s kritiek, in Zeitschrift für Agyptische 
Sprache , 71, 1^35, 15 vv. 

4 ) Altdgyptische Vorstellimgen vom Lauf der Sonne (Sitzungsber. der Preuss. Akad. der Wissensch. Phil.- 
Hist. Klasse, XXII, 1928, 259 vv.). 


van duurzaamheid (de ded -zuil met vier kapiteelen) en leven 1 ). In de meeste gevallen 
worden ook de bergen van het Oosten, waaruit de zon verrijst, op een of andere 
wijze aangeduid, gewoonlijk door min of meer parallel loopende lijnen, die samen met 
donkerder stippen het conventioneele Egyptische uitdrukkingsmiddel vormen voor 
bergen, heuvelachtig woestijngebied en dergelijke. 

Dit moet dus ook de beteekenis zijn van het benedengedeelte onzer 
groep en de scarabee op de zonneschijf wijst, zooals reeds gezegd, duidelijk in die 
richting. Dat echter deze zonneschijf uit den mond van een menschelijke figuur 
te voorschijn komt is, voor zoover mij bekend, nieuw en uniek. Wie is deze figuur? 
Op het eerste gezicht is het verleidelijk te denken aan een bekende mythe, volgens welke 
de hemelgodin Noet de zon opeet 2 ). Dit gebeurt echter bij zonsondergang ’s avonds 
in het Westen en daaraan beantwoordt een geboorte uit Noet in het Oosten en niet bij¬ 
voorbeeld een weer uitspuwen 3 ) door Noet, waaraan men misschien zou willen denken. 
Van dezen kring van voorstellingen moeten wij blijkbaar afzien. Het natuurlijkst schijnt 
het dan wel bij deze grootendeels in een aardhoop stekende figuur aan een aardgod te 
denken. Echter is mij geen ander gegeven bekend, waaruit 
de gedachte zou blijken, dat de zon ’s morgens uit den 
mond van den aardgod, Geb of een ander, verschijnt 4 ). Wel 
wordt er echter bij de opstanding van den doode dikwijls 
over gesproken, dat Geb zijn kaken over den doode opent 5 ), 
zoodat hij uit kan gaan uit het graf, dat de aarde haar mond 
over den doode opent G ), of met een ander beeld, dat de 
deuren der aarde en de grendels van Geb voor den afge¬ 
storvene geopend worden 7 ), dat de poort van Aker open 
gedaan en de deuren van Geb hem geopend w T orden 8 ). Het 
zou dus bij het zoo gewone parallelisme tusschen het lot 
van den zonnegod en dat van den doode geen verwonde¬ 
ring behoeven te baren, indien wij de voorstelling aan¬ 
troffen, dat ook de zonnegod uit den mond van Geb was 
opgegaan. Dit schijnt in elk geval tot nader order de 
waarschijnlijkste interpretatie dezer figuur. 

Wenden wij ons nu tot de bovenhelft onzer af¬ 
beelding. Vergelijking met de door Schafer en Sethe 
verzamelde vignetten is ook hier weer leerrijk. Wij zien 
daar de armen en de vrouwelijke, soms ook mannelijke borst 
verbonden met den hemel (fig. 4) of met de omgekeerde hiëroglyphe van berg 9 ). 
Volgens Schafer wordt daarmee de zonsondergang symbolisch voorgesteld: de zon 
wordt opgenomen door de hemelgodin of door den berg van het Westen. Zijn uit¬ 
legging schijnt gesteund te worden door onze fig. 5 10 )). Daar luidt het bijschrift tusschen 
de gebaarde knielende aanbidders en de blijkbaar mannelijke figuur, die de zon opneemt n ): 
Aanbidding van Re bij het ondergaan . Schafer schijnt mij dus gelijk te hebben, wanneer 



*) Zie fig. 4 ( — Z.A.S . 71, 1936, 27, afb. 13). Ruime illustratie van wat hier slechts wordt aangestipt 
vindt de lezer in de bovengenoemde artikels van Schafer en Sethe. 

2 ) Zie H. Frankfort e.a., The Cenotaph of Seti I at Abydos I p. 82 vv. 

3 ) Ook wat Pyr . 1460 b zegt over het Horusoog, dat gekauwd is en weer uitgespuwd zal men reeds 
wegens den term kauwen i. p. v. inslikken beter doen niet met onze voorstellingen te combineeren. 

4 ) Zie echter beneden : de zonsopgang uit den mond eener slang. 

5 ) Doodenboek 26, ook reeds in de '’Coffintexts'' van het Middel-Rijk. 

6 ) Coffintexts I 110/ Lacau, 7 'extes Religieux 28. 

7 ) Doodenboek 68, reeds in het Middel-Rijk aanwezig. 

8 ) Pyr. 1014 . 

9 ) Doch veel langer gerekt dan de druktype. Overigens kunnen hemel en berg ook zonder de ontvangende 
armen worden geteekend. 

10 ) Ontleend aan den Pap. Louvre 3293, gepubliceerd door Piankoff in Egyptian Religion^^ 1935 ? P* J 44 - 
n ) Deze figuur zit in dit geval, evenals in onze fig. 3 de borst met armen, onmiddellijk tegen den rand 

der teekening. Bij dergelijke mannelijke figuren, die met den zonsondergang verbonden zijn, wil Schafer denken 
aan een mannelijk woord voor den berg van het Westen. Men zou ook aan den god der oerwateren kunnen 
denken, waaruit de zon opgaat en waarin hij ’s avonds weer verzinkt. 







3°8 


EGYPTISCHE VOORSTELLING VAN ZONSOP- EN ONDERGANG 


hij in dit type van vignetten momenten van zonsopgang en -ondergang vereenigd ziet, 
een symbolische samenvatting van den cirkelgang van het zonneleven. 

Ligt hier misschien ook de verklaring van de merkwaardige samenstelling der 

zonnestralen uit zonne(?)schijfjes 
en sterren ? De vorm is in deze 
soort papyri niet ongewoon ! ). Zou 
men hierin een zinspeling op de dag¬ 
en nachturen mogen zien? Voor 
die mogelijkheid pleit, dat men 
dag- en nachturen als vrouwen¬ 
figuren met de zonneschijf (resp. 
een ster) op het hoofd en tusschen 
de handen in de lijkkist afgebeeld 
vindt 2 ), blijkbaar als zinnebeeld 
van de eeuwige wisseling en ver¬ 
nieuwing van het leven van den 
afgestorvene. Een stellig ant¬ 
woord op de vraag zal echter 
eerst gegeven kunnen worden 
op grond van een vollediger 
verzameling van het materiaal, 
dan mij thans ter beschikking 
staat — en misschien ook 
dan niet. 

Ten slotte nog de be r ide slangen, waartusschen de besproken groep zich bevindt. 
Bij de linksche staat: deurwachter 
van Dat , bij de rechtsche, die 
vuur spuwt: heer van Dat 3 ). Dat 
twee slangen de voorstelling 
van den zonsopgang omlijsten 
schijnt niet zonder beteekenis. 

Het herinnert, ondanks het feit 
dat de slangen hier naar den- 
zelfden kant gericht zijn, aan 
een antithetische groep van twee 
slangen tusschen wier koppen 
de zon rust 4 ), die in het io de uur 
van Am-Duat voorkomt 5 ). Dat 
daarmee de zonsopgang bedoeld 
wordt is duidelijk, wanneer men 
fig. 6 G ) vergelijkt. Daar staan 
aan weerszijden van het slangen¬ 
paar nog twee boomen en de 
beteekenis van deze is goed 
bekend. Het zijn „de twee 
sycomoren van malachiet, waar¬ 
tusschen Re te voorschijn komt.... 
bij elke Oostelijke poort, waar¬ 
uit Re opgaat” 7 ). Naast den op- Fig. 6. 

gang tusschen twee bergen, twee 


1 ) Zie bijv. ook Egyptian Religion 3, 1935, 144. 2 ) Zoo op een bekende Leidsche mummiekist, afge¬ 

beeld bijv. in de Buck, De Zegepraal van- het Licht , 1930, Afb. 13 en 14. 

3 ) Dit bijschrift en het vuur zijn in het origineel rood gekleurd. 4 ) Dus ongeveer als fig. 6 zonder de boomen. 

5 ) Bijv. Bucher, Les Textes des Tombes de Thoutmosis III et d'Aménophis II, pl. IX, XXXVII. Lefébure, 
Le Tombeau de Seti Ier , II, pl. 19. 

6 ) Ontleend aan een Leidsche mummiekist: Beschrijving van de Egyptische Verzameling in het Rijks¬ 
museum van Oudheden te Leiden VIII, pl. VI. 7 ) Doodenboek 109. 


JU! 

m 

w 


» #«•* 
: Ü lj i;::! 



EGYPTISCHE VOORSTELLING VAN ZONSOP- EN ONDERGANG 


309 


leeuwen of sphinxen *), twee boomen kent men dus ook de voorstelling van een op¬ 
gang tusschen twee slangen, als variant van den opgang uit één slang 2 ), waar de zon 
’s nachts doorheen reist. Deze slang, blijkbaar een symbool van de aarde 3 ) wordt 
afgebeeld in het I2 d e uur van Am-Duat , dus onmiddellijk aan den zonsopgang vooraf¬ 
gaande, en de tekst zegt: hij (d. i. de zonnegod) gaat binnen in haar staart , hij 
gaat uit uit haar mond 4 ). En ook naar de slang met één of twee koppen verbonden 
door één lichaam, die in de rest van onzen papyrus eenige malen is afgebeeld en 
die het leven der beide landen (of der aarde) heet, loopt van deze antithetische groep 
een onmiskenbare verbindingslijn. Zooals aan weerszijden van de p. 308, n. 5 geciteerde 
afbeelding een godin met de Roode resp. met de Witte Kroon zit, zoo draagt de 
ééne kop van de zooeven genoemde slang in onzen papyrus de Roode kroon, waar¬ 
boven een godin zit, heerscheres van Beneden-Egypte genoemd, de andere de Witte 
Kroon en daarboven de heerscheres van Boven-Egypte. 

Doch daarmee heb ik me reeds buiten de grenzen der hier behandelde afbeelding 
begeven. De beteekenis der antithetische slangengroep is duidelijk. Blijft slechts de vraag, 
of de twee slangen van onze afbeelding hiermee in verband gebracht mogen worden. 
Naar den inhoud heeft hun aanwezigheid in ieder geval dezelfde beteekenis: zij 
accentueeren den opgang der zon uit Dat , het doodenrijk. 

Leiden A. DE BüCK 

EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

A. OPGRAVINGEN 

Allerlei omstandigheden hebben mij, zeer tegen mijn zin, belet om 5 ) voor dit 
jaarbericht een beredeneerd overzicht te schrijven over de ontwikkeling van de 
Egyptische archseologie sinds de oprichting van ons gezelschap. Dit voornemen zal 
eerst in een volgend jaar verwezenlijkt kunnen worden. 

Een kort résumé van de belangrijkste resultaten van de laatste maanden volge 
hieronder: 

Giseh (pgg. 5, 21, 72, 176, v. v.). Tijdens de ook dit jaar weder voortgezette op¬ 
gravingen in de omgeving van de groote sphinx bij de Chefren-pyramide ontdekte 
prof. dr. Selim Hassan, onderdirecteur van den Service des Antiquitês te Cairo, een 
kalksteenen stéle van ongewone afmetingen, die bij nader onderzoek uit de XVIII de 
dynastie bleek te dateeren. De stéle draagt een goed bewaarde inscriptie, waaruit 
blijkt, dat ze werd opgericht door Amenhotep II in het tweede jaar van zijn regeering 
(1447 v. Chr.) ter herinnering aan een pelgrimstocht, dien hij als jonge man van 
Memphis uit ondernam naar de graven van zijn voorouders Chnum Chufu en Chafre 
te Giseh. 

Amenhotep beroemt zich op zijn athletische mannenkracht en vertelt hoe hij 
zonder vermoeienis gedurende drie mijlen een boot stroomopwaarts roeide met een 
roeispaan, 20 ellen lang, terwijl zijn roeiers reeds na een halve mijl vermoeid waren, 
en meer van dergelijke krachttoeren, (CdEX II, 1937, 55 en ILN No. 5092 21/11—*36 
blz. 921 met twee niet zeer veel zeggende photo’s). 


!) Zie o. a. W. B. Kristensen, Over de Egyptische Sfinx. (Versl. en Meded. Kon. Akad. van Wetensch. 
Afd. Letterkunde, 5de Reeks, dl. III, 1917) passim. De leeuwen zijn de berg van het Oosten en de berg van 

het Westen volgens de duidelijke bijschriften in Bulletin de VInstitut Frangais d'Archéologie Oriëntale , 29, 

1929, pl. IV. 

2 ) Evenals naast de twee boomen ook één boom voorkomt. Zie W. B. Kristensen, Een of twee boomen 
in V Paradij'sv er haal P, Theologisch Tijdschrift 42, 1908, p. 215 vv. 

3 ) Zoo wordt de aardgod Geb ook wel afgebeeld met den kop van een slang, Lanzone, Dizionario di 
Mitologia Egizia pl. CLIX — Egyptian Religion 3, 1935, p. 155 (beter). 

4 ) Zie het op p. 308, n. 5 genoemde werk van Bucher pl. XI, XL. 

5 ) Met het oog op het feit dat het register van de CdE naar de deelen, en niet naar de fascikels gaat, 

is in overleg met Janssen de citatie naar het deel opgenomen. 





310 EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

In verdere berichten betreffende het werk van prof. Selim Hassan is o. a. sprake 
van een door Amenhotep II opgerichten kleinen tempel, die thans gerestaureerd 
wordt. Hierbij doet zich ten gevolge van onder de XIX d e dynastie uitgevoerde her¬ 
stellingen de vraag voor wat de voorkeur verdient: een restauratie van het werk in 
zijn oorspronkelijken staat of een wederopbouw naar het stadium dat de tempel uit¬ 
eindelijk bereikte ( CdE XII, 1937, 167/8). 

In SAKKARA Noord (pgg. 21, 72, 163 en 178) zette de Service des Antiquitês 
zijn vroegere opgravingen voort. 

Aangemoedigd door zijn succes van verleden jaar zocht Walter B. Emery verder 
naar wat, naar hij vermoedt, een groot kerkhof van hoogere beambten en middel- 
hoogen adel uit de tweede helft van de Iste dynastie is. Hij stiet hierbij op het graf 
van een zekeren Sabu, een beambte van koning Azab-Merpaba (Miebides bij Manetho) 
waarin o. a. het lichaam van den doode nog werd aangetroffen gedeeltelijk in de 
houding waarin het er tijdens de begrafenis moet zijn neergelegd. 

Het graf bestond uit een groote ruimte, uitgehakt uit de rots en door middel 
van zes in leemsteen gemetselde muurtjes in zeven vertrekken verdeeld. Zes hiervan 
dienden als magazijn. Het zevende, middelste, was de eigenlijke grafkamer. Het geheel 
was omgeven door een grooten muur met beurtelings vooruitspringende panden, in 
leemsteen uitgevoerd en oorspronkelijk helder gewit. De grafkamer had een bedekking 
van hout (balken en planken), waarvan nog stukken werden gevonden. Van de als 
magazijn dienende vertrekken werden er twee intact aangetroffen; de inhoud bestond 
uit wijnkruiken; de andere vier waren geschonden, evenals de grafkamer waarin het 
lijk nog te midden van de overblijfsels van de kist werd aangetroffen, doch het hoofd 
en den rechterarm miste, die vermoedelijk door dieven waren weggenomen om het 
meenemen van gouden of zilveren sieraden te vergemakkelijken. In deze kamer be¬ 
vonden zich verder, behalve runderbeenderen, overblijfselen van wat eens tot spijzi¬ 
ging van den overledene bestemd was, allerlei voorwerpen zooals houten doozen met 
kleine vuursteenen mesjes, fragmenten van ivoren doozen vermoedelijk voor soort¬ 
gelijken inhoud gediend hebbend, rieten pijlen met beenen spitsen, schalen en borden 
in koper en aardewerk en een groot aantal potten en pannen in albast en leisteen 
waarvan vele intact zijn. Zeer interessant is een groot stuk, meesterwerk van smaak 
en techniek beide, ten onrechte een vaas genoemd en mogelijk, zooals Capart zegt, 
een reusachtige lamp. (Vgl. CdE XII, 1937, 163 vv. en ILN 5106, 27/2*37 blz. 348/9 
met afbeeldingen o. a. van laatstbedoeld stuk). 

In de omgeving werd inmiddels, eveneens voor den Service des Antiquitês , nog 
een zeer groot en zeer oud kerkhof gevonden. De Egyptenaar R. Macramallah 
werkte hier aan het blootleggen van de sphinxen-allee die moet hebben gelegen 
tusschen het Serapeum uit het Nieuwe Rijk en dat uit den Grieksch-Romein- 
schen tijd, toen hij op een zeer groot aantal graven stiet dateerend uit de iste dynastie 
of ouder. De naam van den eigenaar van een der graven was Ip-Ka. Prof. Capart 
merkt in dit verband op ( CdE XII, 1937, pag. 166) dat cylindervormige vazen met de namen 
lp en Ka reeds vroeger door Flinders Petrie in Abydos en Tarkhan gevonden werden. 
In beide gevallen betrof het een machthebber ouder dan de i ste dynastie, wiens 
Horus-naam Ka en wiens zuidelijke naam lp is. 

Er werden veel fraaie vazen en gebruiksvoorwerpen — o.a. twee stel schaak- 
pionnen — aangetroffen in ivoor en allerlei gesteente, waarvan men af beeldingen 
vindt in ILN 5098, 2/C37, blz. 3. (Vgl. verder CdE XII, 1937, pgg. 165/166). 

In het Fayoem hebben al sedert jaren Italiaansche opgravingen plaats. Voor het 
Koninklijk Museum en de Universiteit van Milaan wordt daar bij Medinet Madi door 
de professoren Achille Vogliano en Monneret de Villars een diep onder het zand be¬ 
dolven tempel-complex blootgelegd, aan Sobek en de oogstgodin Renenoetet gewijd; 
onder de Xllde en XVIIIde dynastieën en vervolgens onder de Ptolemaeen en in den 
Grieksch-Romeinschen tijd werd aan dit complex gebouwd. Het werk belooft op velerlei 
gebied een rijken oogst. 

v 

Hermopolis West (lunah el-Gebel) (pgg. 4, 23, 178 v.v.). Kalm, bedaard en wars 


A. OPGRAVINGEN 3 11 

van veel vertoon zette hier prof. dr. Sami Gabra voor de ^Egyptische universiteit te 
Cairo zijn belangwekkenden arbeid voort. Zijn ontdekkingen liggen in het interessante 
grensgebied, waar ^Egyptische en Grieksche kunst elkander raken (vgl. boven blz. 23). 
Het laatste jaar werden de werkzaamheden geconcentreerd op het terrein, waar een 
groote steenen kolonnade de nabijheid van een of ander heiligdom scheen aan te duiden. 
Inderdaad werd een uitgebreid gebied gevonden, dat aan Thoth en zijn heiligen vogel 
Ibis gewijd in laat-^Egyptischen tijd een groot park met broedplaatsen, een overdekt 
bassin, verscheidene kapellen, inrichtingen voor mummificeering en uitgestrekte onder- 
aardsche begraafplaatsen bevatte; in de catacombenachtige gangen en dwarsgangen, 
aansluitend op kamers en nissen zijn in lange tijdperken van geestelijke aberratie en reli¬ 
gieuze decadentie honderdduizenden van ibissen en ibisachtige vogels, ook apen 
bijgezet. Het systeem van deze onderaardsche galerijen werd van de aarde af op 
onderscheiden plaatsen bereikt langs monumentale trappengangen, bekleed met ge¬ 
polijste steenen. 

Thans is ook de beteekenis duidelijk geworden van den grooten put, waarvan 
ik sprak op blz. 1 78 . Deze put, die uit twee boven elkander gelegen deelen bestond, 
diende n. 1 . voor de watervoorziening van het bij het Ibis-park behoorend bassin. Het 
naar boven brengen van het water geschiedde in twee etappes door middel van geiten¬ 
huiden, die over een katrol aan een touw werden opgeheschen. Het toestel is gerecon¬ 
strueerd en werd bij gelegenheid van een bezoek van Z.M. Koning Farouk op 7 Januari 
van dit jaar in werking gesteld. Nadere bijzonderheden en goede afbeeldingen kan 
men vinden ILN No. 5121 d.d. 12/6*37 bl z • 1088/9. 

Over de werkzaamheden gedurende het afgeloopen seizoen in Tell EL-Amarna 
{Egypt Exploration Society ; pgg. 4, 23, 74, 178 v.) schrijft S. Pendlebury in JEA 33, 
1937, 118/9 o.m.: Een korte werkperiode was voldoende om het werk in de midden- 
stad te beëindigen. De plattegrond van het paleis werd definitief vastgesteld. Ten 
Zuiden van den tempel werd een groot gebouw ontgraven, een of andere badge¬ 
legenheid of reinigingsplaats. Verder werden soldaten-kwartieren ontgraven en 
naar het Zuiden toe werden twee kleinere gebouwen gevonden van uitzonderlijk be¬ 
lang, het eene een pavilloen met in heldere kleuren beschilderde muren, plafond en 
zuilen, het andere gebouwd om een beeltenis van den koning in een houten schrijn 
te kunnen opnemen. 

Thebe. (Westelijke Nijloever). In het voorjaar van 1935 werden voor het Institut 
Francais d'Archéologie Oriëntale te Cairo (directeur: P. Jouguet) door Alexandre Varille 
en Clément Robichon op de grens van de woestijn en het bebouwde land ongeveer 
ten N.W. van de Memnon-kolossen een viertal tempels uit de XVIII de dynastie 
blootgelegd; de grootste en belangrijkste bleek de doodentempel te zijn van Amenhotep, 
zoon van Hapu, vizier van Amenhotep III en bouwmeester o.a. van de groote 
kolonnade van Luxor. De opgravers, die destijds een met afbeeldingen versierd verslag 
hebben uitgebracht (o.a. CdE X, 1935, 237—242) hebben dit jaar hun in 1935 niet 
geheel geëindigde werkzaamheden afgemaakt. De voorhof van genoemden tempel be¬ 
stond uit een met trappen bereikbaar zeer diep en gedeeltelijk in hardsteen gebouwd 
rechthoekig bassin, rondom beplant met sycomoren. In het bassin leefden visschen en 
watervogels. Voorbij de tweede en derde pylonen bevonden zich kapellen met ge¬ 
welfde dakbedekkingen en in reliëf en schilderwerk uitgevoerde wandversieringen, o.a. 
met biographische teksten. 

De andere tempels, die werden opgedolven, dateeren eveneens uit de XVIII de dy¬ 
nastie, doch zijn veel kleiner van afmeting en ook minder belangrijk. Ze werden, 
later, vermoedelijk tusschen de XXIste e n de XXVIste dynastie, gedeeltelijk gesloopt om 
plaats te maken voor een ringmuur, die om het heiligdom van den inmiddels vergod¬ 
delijkten bouwmeester Amenhotep, zoon van Hapu, werd getrokken. 

Bij het ontgraven van het bassin, waarvan hierboven sprake was, kwamen nog 
enkele stukken mooi beeldhouwwerk voor den dag. Vgl. verder, evenals voor enkele 
kortere berichten omtrent andere opgravings- en restauratiewerken in de omgeving: 
CdE XII, 1937, r 173—180 en ILN No. 5098, 2/1, 1937 blz. 12/3 met afb. 1/6. 

Voor de voortzetting en beëindiging van het werk in DEIR EL-Bahri zie men 



312 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


313 


ook het zooals steeds prettig geschreven en rijk-geïllustreerde verslag van Ambrose 
Lansing en W. C. Hayes in „Section II of the Bulletin of the Metropolitan Museum 
of Art, New York, January, 1937.” Het verslag heeft betrekking op werk verricht in 
den winter 1935/6. Gedurende den afgeloopen winter werden door het Metropolitan 
Museum geen opgravingswerkzaamheden in ^Egypte uitgevoerd. 

HERMONTHIS (. Egypt Exploration Society, pgg. 179/80). De tot en met 1935 ver¬ 
kregen resultaten zal men gepubliceerd vinden in het tegen November 1937 aange- 
kondigde eerste deel van Cemeteries of Armant door Sir Robert Mond en Oliver H. 
Myers. Intusschen werkte de expeditie dit jaar verder aan de blootlegging van den 
vier steenlagen dikken vloer van den Ptolemseën-tempel in Erment el-Hêt, waarin 
veelal prachtig bewaarde blokken uit oudere gebouwen verwerkt zijn. Voor enkele, 
kortere gegevens zie: JEA , 33, 1937, 117/8. 

In Toud (Tod, pgg. 76, 186, = Tuphium) zette het Louvre-museum ook dit jaar 
weder zijn werkzaamheden voort. Er werd o. a. een heilige vijver, bestaande uit twee 
bassins, ontgraven, liggende in het verlengde van den pronaos van Euergetes II. Voor 
bijzonderheden vgl. CdE XII, 1937, 170/1. 

Gebelein (Universiteit van Turijn pg. 180). Hier werden de werkzaamheden 
voortgezet in dezelfde omgeving als waar verleden jaar gegraven werd. Een groot 
aantal graven uit het Oude Rijk werden geopend. Twee ervan uit de Rte dynastie 
stammend waren nog gedekt met tamarisken-takken, een derde met planken van het¬ 
zelfde hout. Uit de V de dynastie dateert een vijf meter diepe put, door een houten 
vloer in twee deelen verdeeld, in het bovenste waarvan twee en in het onderste 
waarvan één lijkkist werd aangetroffen. ( CdE XII, 1937, pg. 167). 

Hieraconpolis (el-Kab, pgg. 180/1). CdE XII 1937, 18/9, bracht ons een in 
korte bewoordingen gestelde aankondiging van een opgravingsplan van het thans nog 
ommuurde gebied van het oude Nechen door de Fondation Egyptologique Reine Eli - 
sabeth te Brussel. z Un des nos membres, qui avait, en plus d'une circonstance dêja, 
têmoignê sa sympathie pour la Fondation , ojfre de subventionner nos recherches a el- 
Kab, rantique Nekheb, situêe sur la rive droite du Nil, a quelque 80 km . au sud de 
Louqsor \ Men zou willen weten wat er, toen hij dat neerschreef, in het hart van Jean 
Capart is omgegaan, den man, die voor de ^Egyptologie in België meer gedaan — en 
gedaan gekregen! — heeft dan wie in welk ander land ook, met uitzondering wel¬ 
licht van James Henry Breasted; maar in America gelden nu eenmaal andere ver¬ 
houdingen! Is er een plaats aan te wijzen eerbiedwaardiger en — zeer betrekkelijk 
gesproken! — minder beschadigd dan de oude residentie van de vóór Menes geleefd 
hebbende koningen van het Rijk van het Zuiden ? Men kan dan ook de Fondation niet 
anders dan geluk wenschen met deze nieuwe onderneming, waarvan belangrijke 
vruchten voor de wetenschap mogen worden verwacht. 

Van de inmiddels gedane korte proef-graving in het begin van dit jaar vindt de 
lezer een kort verslag CdE XII, 1937, 184/5. 

In EFDU hebben gecombineerde Poolsch-Fransche opgravingen westelijk van den 
beroemden Horus-tempel interessante resultaten opgeleverd, die zich uitstrekken van 
het late Oude Rijk tot in Romeinsche en Christelijke tijden. (Vgl. CdE XII, 1937, 185 
vv. en ILN No. 5107, 6/3*37, blz. 403). 

Sesebi. Over de resultaten van onder leiding van Prof. dr. A. M. Blackman door 
de Egypt Exploration Society ingestelde opgravingen in Sesebi (Sese), het Gem-Aton 
van Amenhotep IV, vindt men voorloopige berichten van Blackmann zelf: ILN No. 
5130, 14/8 1937» blz. 272/3 en CdE XII, 1937, 190/2. Met spanning zal men uitge- 
breider materiaal tegemoet zien, vermoedelijk in een volgend n° van JEA van deze 
in hooge mate belangwekkende onderneming. 


B. BOEKBESPREKINGEN. 

Jean-Philippe LaüER, La Pyramide a degrês . UArchitectiire. Tomé I: Texte . 
VIII, 254 pp., 249 ills, i pi. hors texte. Tomé II: Planches . 20 pp., 104 pis. = 
2 vols. gr. in 4 0 . Le Caire, Imprimerie de Plnstitut Frangais d’Archéologie Oriëntale. 
a 1936. P. E. 420. 

In dit tweedeelige werk, bedoeld als aanvulling op de voor wijlen Cecil M. Firth 
door den intusschen eveneens overleden J. E. Quibell voorbereide publicatie The Step 
Pyramid, brengt Lauer ons het verslag van zijn 14-jarige werkzaamheid als architect 
bij de onder de auspiciën van den Service des Antiquités thans grootendeels volbrachte 
opgravingen van de trappenpyramide te Sakkara. 

Het boek, dat voor een deel een samenvatting is van verschillende reeds vroeger 
van de hand van Lauer in de Annales du Service verschenen studies en de daarin 
neergeschreven conclusies nader preciseert, brengt een afgeronde behandeling van de 
architectuur van de tot het c pyramide 3 -gebied behoorende monumenten van koning 
Zoser uit de lilde dynastie en van de bij de verschillende onderdeden van het com¬ 
plex toegepaste bouwtechniek. 

Het is een knappe en zeer goed leesbare verhandeling geworden, die door den 
auteur volgens de behandelde stof in twee deelen werd ingedeeld. Eerste en hoofd¬ 
gedeelte vormen de zakelijke, meestal op gestelde problemen dieper ingaande be¬ 
schrijvingen van de verschillende constructies, die achtereenvolgens werden blootgelegd; 
om te beginnen de ‘pyramide 3 zelf, resultante van zes achtereenvolgende projecten, 
en de daarbij behoorende onderaardsche ruimten, dan de noordelijk gelegen vermoe¬ 
delijke doodentempel, de zuidelijke ringmuur en het hieronder gelegen graf, de groote 
kolonnade aan den ingang, de c heb-se(T- tempel en wat daarbij hoort, de twee zeer 
merkwaardige bouwwerken door Lauer vermoedelijk terecht: c de Huizen van het 
Zuiden en het Noorden 3 genoemd, tenslotte de zuidelijk gelegen groote hof en de 
gedeelten westelijk en noordelijk van de pyramide liggend. 

Behalve de beschrijvingen en de gegeven definities vinden we een aantal be¬ 
redeneerde reconstructies voor zoo veel deze uit de soms maar heel fragmentarisch 
teruggevonden steenen mogelijk bleken. Er resten natuurlijk allerlei onzekerheden en 
open vragen, niet slechts ten opzichte van de bouwkundige verklaring van de boven 
een zeker niveau zich verheffende bouwvormen en architectuurdeelen maar vooral 
natuurlijk omtrent de beteekenis en de bedoelingen van vele toch zoo smaakvol en 
sierlijk gedachte gebouwen en tempeltjes. 

Hier en daar stond de schrijver voor absoluut onoplosbare kwesties. Waar hij 
door vergelijking met materiaal van elders het aandurfde een verklaring te geven lijkt 
ons zijn bewijsvoering in de meeste gevallen wel overtuigend. Dit lijkt vanzelfsprekend 
bij zuivere reconstructie-vragen; hier laat het gevonden materiaal na nauwkeurig 
onderzoek veelal geen andere oplossing toe dan de door den schrijver aan de hand 
gedane, zooals b. v. blz. 115 e. v. waar hij laat zien, dat de groote toegangsallee oor¬ 
spronkelijk open en zonder zuilen moet zijn ontworpen. Wat die „driekwart”-zuilen 
betreft: hoe aannemelijk weet Lauer de ermee verbonden steunmuren te verklaren 
uit de stuksgewijze saamgestelde zuilentrommels. (Contra F. W. v. Bissing. ^Egyptische 
Kunstgeschichte, dl. I p. 57 v. v. Vgl. ook Jb. N° 3, p. 77). 

De lezing van het boek wekt den indruk, dat de auteur erin geslaagd is de ver¬ 
schillende onderdeden van het gebouwen-complex op logische en ook in vele détails 
wèl verantwoorde wijze te reconstrueeren. 

In het tweede gedeelte van het werk behandelt de schrijver in vier hoofd¬ 
stukken de bij deze bouwwerken toegepaste techniek, verder de gebruikte werktuigen 
enz. Uitermate belangwekkend lijkt ons de door hem aan de hand van zijn gedane 
bevindingen uitgewerkte theorie. (Of is het niet beter ook hier te spreken van een 
eenvoudige verklaring der feiten? Aan de logica immers van deze feiten zelf kan 
iemand bezwaarlijk ontkomen.) 

Tijdens de lilde dynastie beschikten de bouwmeesters van Zoser over een corpo¬ 
ratie van uitstekende beeld- en steenhouwers, die in de 20of3ojaren welke er noodig 
waren voor den bouw van de doodenstad, natuurlijk school konden maken en leer- 





314 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE, B. BOEKBESPREKING 


lingen kweeken. De uitvoering van de werken is op heel veel plaatsen heel ongelijk: 
met name aan de eigenlijke ‘pyramide’ is een duidelijke vooruitgang waarneembaar, 
wanneer men b.v. de definitieve bekleeding vergelijkt met de hier en daar reeds aan¬ 
gevangen bekleedingen van de vroegere, later weer overbouwde projecten. 

Belangrijk is echter het feit dat in Egypte het bouwen met gehouwen 
steen afgeleid is uit het bouwen met leemtegels. We vinden deze afleiding 
duidelijk aangetoond b.v. aan de telkens inspringende muren en in verschillende 
andere eigenaardigheden, die de gebouwen van Sakkara kenmerken en die Lauer in 
zijn werk alle in detail nader onderzocht, doch waarop hier met het oog op de be¬ 
schikbare plaatsruimte nu niet kan worden ingegaan. Woordelijk schrijft Lauer dan: 
pag. 203/4: 

„Choisy nous dit des premiers monuments grecs: „A 1’époque d’archaisme, 
1’ordre dorique se présente comme une forme construite et non comme une 
combinaison de structure imprimant ses exigences a la forme ! ). N’est-ce pas 
exactement ce que nous constatons a Saqqarah, et n’avons-nous pas la 1 ’indice 
certain de 1’extrême archaisme de ces monuments, malgré bien des apparences 
contraires? La forme en a été souvent le point de départ; on y reproduisit en 
pierre des formes connues et particulières a des constructions en d’autres matériaux; 
aussi la compléte harmonie avec la structure n’existe-t-elle pas encore. Ce fut 
1 ’honneur des constructeurs de la fin de la IIL dynastie et de la IV e d’être 
arrivés a réaliser cette concordance. Ils s’apergurent bien vite, en effet, qu’ils 
économiseraient une grande partie du travail de taille, et par suite beaucoup de 
temps, s’ils employaient des bloes plus gros; et comme 1’abondance de la main- 
d’ceuvre nécessaire aux travaux de force ne fit jamais défaut aux pharaons, ils 
n’hésitèrent plus a mettre en oeuvre des bloes énormes. Dés lors il leur fallut 
bien renoncer aux formes anciennes; les lois de la construction de pierre s’impo- 
sèrent d’elles-mêmes avec toute leur rigueur et Ton dut revenir a une architecture 
beaucoup plus rigide et fruste d’apparence, bien que certainement plus évoluée 
dans la technique.” 

Zoo is het inderdaad! In Sakkara hebben de architecten (of heeft de architect) 
van de pyramide van Zoser den enkelen steen ontdekt als vormgevend element en 
hem als zoodanig overgedragen in de architectuur. De (op eenvoudige stapeling 
berustende) steenmassa als onmiddellijk werkende constructieve factor werd eerst 
aan die na hen kwamen geopenbaard. Dat is de groote, aanschouwelijke les, die 
Sakkara ons te zien geeft, dank zij mannen als Firth, Quibell en Lauer zelf, dank zij 
ook vooral dit boek. 

Utrecht Henri Asselberghs 


SAKKARA NOORD. Bij het ter perse gaan maken de kranten gewag van het 
vinden van een graf, dat aan Menes, den eersten koning der I>te dynastie zou toe¬ 
behoord hebben; op de albasten vazen althans daarin gevonden staat de Horus 
naam van dezen koning. Het graf, dat vijf kamers en twaalf bergruimten bevat, 
was door dieven geplunderd, maar dat wat door hen overgelaten is, belooft niet 
alleen voor de pottery , maar ook voor de geschiedenis, de beschaving, en die de taal 
uitermate belangrijk te zijn. [R.] 


!) Choisy, Histoire de Varchitecture^ I, p. 303, 


EEN MECHANISCHE BEWERKING EN EEN 
ONSYSTEMATISCH HANDBUCH 

Een tweetal werken die aandacht vragen voor het geheele oude Oosten en de 
klassieke oudheid moge als brug tusschen Egypte en de Aziatische beschavingen te 
dezer plaatse behandeld worden. 

Eduard Meyer, Geschichte des Altertums. 3. Band. Zweite, 
völlig neubearbeitete Auflage. 

Herausgegeben von Hans Erich Stier. Stuttgart 1937. 

Het is een gelukkige en toe te juichen gedachte na Eduard Meyer's dood de 
nieuwe uitgave van diens Geschichte des Altertums niet te staken. Zijn werk neemt 
onder de werken, die op het gebied der Oude Geschiedenis verschenen zijn, een 

zeer bijzondere plaats in en verdient ten volle in verjongde gestalte, verrijkt met 

de resultaten, die de onderzoekingen der laatste jaren te bieden hebben, te verschijnen. 

Bij een dergelijke bewerking dient voorop te staan, dat het oorspronkelijke 

karakter van het werk zooveel mogelijk bewaard moet blijven. Stier schrijft in zijn 

voorrede van het hierboven geciteerde derde deel: ‘Für den Inhalt konnte mtr ein 
Text Verwendung jinden , der von Edttard Meyer selbst herrührte ’ (blz. V). Men kan 
het hiermede eens zijn, als deze woorden in dien zin opgevat moeten worden, dat uit 
den inhoüd slechts de geest van Eduard Meyer mag spreken. Helaas heeft Stier het 
formalistische standpunt ingenomen zich slechts te houden aan Eduard Meyer’s 
woorden. De gevolgen hiervan kan men zich licht denken, als men weet, dat Eduard 
Meyer’s eigen manuscript van de nieuwe bewerking gaat tot blz. 86 (cf. blz. 86, noot 2), 
d.w.z. midden in de beschrijving van het Assyrische rijk onder Assurbanipal af breekt. 

* Hoe is Stier nu aan de resteerende 682 pagina’s tekst gekomen? In hoofdzaak 
door het laten herdrukken van de eerste editie van de l Geschichte des Alter tums\ 
Alleen hoofdstuk II (Die Religion Zoroasters) wordt gevormd door een herdruk van 
‘ Ursprnng und Anfdnge des Christentums ’ II, hoofdstuk III, met dien verstande even¬ 
wel dat de laatste § van dit hoofdstuk (Ausbreitung der persischen Religion in die 
westliche Welt) hier zonder eenigen commentaar wordt weggelaten. Ten onrechte m.i., 
want in GdA I 1 § 449 wordt hierover, al is het zeer in het kort, wel gesproken. 

Wanneer men er nu bovendien rekening mede houdt, dat Stier om ruimte te 
sparen {cf. blz. IX) het grootste deel der noten van den eersten druk heeft wegge¬ 
laten en er daarenboven van af heeft gezien de nieuwste literatuur in den tekst te 

* verwerken, kan men niet anders zeggen, dan dat het van grooten moed getuigt van 
den uitgever ons deze uitgave als een völlig neubearteitete voor te zetten. Voor den 
stevigen prijs van RM 28.— (ingenaaid!) krijgt men een boek, waarvan de waarde 
op dit oogenblik zelfs geringer is, dan die van een eersten druk, en dat eerst zijn 

* volle waarde zal krijgen, als de Ergdnzungsband verschijnt, die de weggelaten noten 
en de l Stellungnahme der gegenwdrtigen Forschung zu den von Eduard Meyer behan- 
delten Problemen ’ zal bevatten (tot nu toe bestaat nog slechts het plan hiertoe; 
cf. blz. IX, noot 1). 

Afgezien van deze utiliteitsoverwegingen, die ieder enthousiasme over deze 
uitgave in de kiem smoren, bestaat het groote bezwaar, dat het toch nimmer in de 
bedoeling van Eduard Meyer gelegen kan hebben, dat een nieuwe bewerking van 
de , Geschichte des Altertums ’ een dusdanig karakter zou dragen! Het argument, dat 
het weglaten der noten enz. noodzakelijk was om den omvang van het deel te 
beperken, ken ik geen kracht toe, want zelfs, als men niet tot een splitsing van 
Band III zou willen overgaan (en wat is daar eigenlijk tegen ?), bestaat toch de 
mogelijkheid de noodige ruimte te winnen. De uitgever had dan echter, in plaats 
van zich zoo streng te houden aan de woorden van Eduard Meyer, dat hij zelfs 


1) Cf. blz. 162. In overeenstemming met den eersten druk wordt daar een plaatsnaam'uit 'Herodotus als 
geciteerd. Blijkbaar citeerde Ed. Meyer uit het hoofd: de plaats (II, 159) is niet genoemd. Geen enkele 
overlevering geeft namelijk deze lezing. De beste traditie geeft May&yAo;; deze vorm is dan ook door de meeste 
uitgevers (o.a. Hude, Kallenberg, Abicht) opgenomen. 



3ï6 


EEN MECHANISCHE BEWERKING 


evidente verschrijvingen uit den eersten druk opnieuw laat afdrukken ! ), meer moeten 
letten op diens bedoelingen: het was immers uitdrukkelijk zijn bedoeling, dat de 
Oostersche Geschiedenis in Band II afgehandeld zou worden [cf. II, 2 blz. 5 (1931)). 
Stier had aldus ongeveer 200 bladzijden kunnen uitsparen door hoofdstuk I—III van 
het thans verschenen deel te laten verschijnen als II, 3 (en dan werkelijk völlig 
neubearbeitet!). Verdere ruimtebesparing zou desgewenscht verkregen kunnen zijn door 
die onderdeden te bekorten, die ook Eduard Meyer wenschte te besnoeien (bijv. de 
terugkeer der Heracliden en de Dorische volksverhuizing; cf. blz. VIII). 

Volgens zijn voorrede (blz. VIII) heeft Stier op twee plaatsen belangrijke 
wijzigingen in den tekst van de Grieksche geschiedenis moeten brengen. Hij noemt 
er echter maar één; de tweede heb ik niet kunnen vinden. Wat deze genoemde 
plaats betreft: het is mij niet duidelijk geworden, dat uit Eduard Meyer’s uiteen¬ 
zettingen in Band II, 1 (blz. 551 sq.) volgt, dat de beschrijving van de kolonisatie van 
de Klein-Aziatische kusten thans aan het begin van het hoofdstuk over de kolonisatie 
van de 8ste eeuw en later geplaatst moet worden. Ik laat deze opvatting dan 
ook geheel voor rekening van Stier. 

Resumeerende kan men zeggen, dat de nieuwe uitgave van Band III min of 
meer teleurstellend is, omdat Stier, zich houdende aan Eduard Meyer’s woorden, 
diens bedoelingen verwaarloosd heeft. Het wachten is nu op de beloofde Ergdnzungs- 
band , die de rehabilitatie moet brengen. 

Amsterdam P. J. Reimer 


HANDBUCH DER ALTERTUMSWISSENSCHAFT. Handbuch 
der Archaologie herausgegeben von Walter Otto, Erste Lieferung , 
München, 1937. 

Aan het Handbuch der klassischen Altertumswissenschaft heeft zich ook het 
proces voltrokken, dat feitelijk reeds voor het verschijnen van het eerste deel in 
1886 bezig was zich te voltrekken, en ook aan het Handbuch niet voorbijging, maar eerst 
sinds een twintigtal jaren tot volle ontwikkeling gekomen is, n.1.: dat de klassieke 
oudheid niet als een geïsoleerd geheel van plaats, tijd en personen, maar in meer of 
minder nauw verband met een grooter geheel wordt opgevat. Eigenlijk moet men zich er 
over verbazen, dat die ontwikkeling eerst zoo laat gekomen is, omdat toch de inzet 
van de historiographie, 'het verslag van het onderzoek ingesteld door Herodotus van 
Halicarnassus’ zich reeds bewoog in de boven aangegeven richting. 

Met het opnemen van het reeds in 1904 verschenen eerste deel van F. Hommel’s 
Grundriss und Geographie des Alten Orients (IIII 1), met Kees’ Agypten , met Götze’s Klein - 
asien en Christensen’s Iraniër (IIII 3) in 1933, was het bestek, dat van klassiek als afgren¬ 
zing sprak, reeds overschreden, zoodat het weglaten van dit adjectief in den nieuwen 
titel slechts den nadruk legt op de doorloopende ontwikkeling. Toch doet zich een 
nieuw element in het plan ontworpen voor het Handbuch der Archaologie kond, en 
wel dat Nordeuropa op voet van gelijkheid naast Westelijk Azië en Egypte, naast 
.TEgaeis, Hellas en Rome gezet wordt. 

Nu kan men zich over zulk een uitbreiding slechts verheugen, maar het bezwaar, 
in dit geval er aan verbonden, is, dat dit werk aangekondigd wordt onder den 
algemeenen titel Handbuch der Archaologie , zonder een beperking, door den inhoud 
opgelegd, er aan toe te voegen. Bovendien is er een tweede en grooter bezwaar, 
terwijl het eerste bij het verschijnen van deze aflevering nog te.verhelpen zou zijn. 
Immers naast Der alte Oriënt en Europa und einige angrenzende Gebiete zou men 
mechanisch ook nog voor de zoovele andere terreinen, waar archseologische vondsten 
gedaan worden, eenige deden kunnen beschikbaar stellen. Dit Handbuch houdt echter 
geen rekening, althans in zijn opzet, met die wetenschap die men de 'vergelijkende 
archaeologie’ zou kunnen noemen. Bezwaren tegen een dusdanige studie kan men ge¬ 
makkelijk inbrengen, evenals tegen de wetenschappen, daarmee op een lijn staande 
en die den naam inspireerden. Terecht kan men een eigen karakter voor en van 


EEN ONSYSTEMATISCH 'HANDBUCH’ 


317 

iedere beschaving postuleeren, ook kan men bezwaar maken tegen een al te groote 
geneigdheid uit gelijkheid in vorm of motief een afhankelijkheid af te leiden, maar 
dat neemt niet weg dat juist ook de vergelijkende archeologie zoo dikwijls een verrassend 
licht op het ontstaan dier beschavingen, en aldus ook op die beschavingen zelf kan 
werpen. Wie voor overtuiging vatbaar is in dezen, leze Dr Roes’ bovenvermelde 
openbare les (blz. 28): hij zal zien hoe noch de klassieke kunst van Zuid-Europa, 
noch die van Noord-Europa onafhankelijk is van invloeden uit het Oosten. 

Naast het wijzen op historische afhankelijkheid heeft de samensteller van een Hand¬ 
buch nog een| andere taak, n.1. aandacht te vragen voor de phsenomenologie in 
de door hem beoefende wetenschap. Hieronder valt dus het behandelen van de op¬ 
lossingen door de dragers der verschillende beschavingen gevonden voor de zooal niet 
identieke, dan toch gelijksoortige problemen, waarvoor zij zich gesteld zagen. Het is 
voor de Redactie van het Jaarbericht een voorrecht geweest in dit nummer van 
Ir Forbes een artikel te mogen opnemen, waarin de resultaten van zulk een vergelijkende 
studie zijn neergelegd, ook al beweegt de schrijver zich buiten de grenzen, die een 
Vooraziatisch-Egyptisch gezelschap zich gesteld heeft (blz. 431). 

Deze dubbele taak, de historische vergelijking en de phsenomenologie, kent de samen¬ 
steller van dit Handbuch niet, althans heeft hij het niet noodig geacht iets daarvan bij de 
inleidende deelen, Begrijp und Geschichte , die Quellen op te nemen; en toch hoe zou de 
opname een exposé als dat van Mejuffrouw Roes naast het inleidende artikel Begrijp 
und Methode der Archaologie , de conceptie als geheel ten goede zijn gekomen. 

Dat artikel begint aldus: 'Nur zögernd übernehme ich es einiges. . . einem Hand¬ 
buch vorauszuschicken, dessen Arbeit von anderen geleistet ist’. Buschor 
had er aan toe kunnen voegen ‘und geleitet’. Het is te betreuren niet om den inhoud 
van het artikel, maar om het Handbuch als geheel, dat hij zijn aarzeling wel over¬ 
wonnen heeft. Hier had de Herausgeber aan het woord moeten komen en diens werk 
had zich ook verder niet mogen beperken tot het ontwerpen van een plan en tot een 
doorsturen van de ingezonden copie. Dat hij dan uit patriottisme niet veranderd zou 
hebben de opmerking dat de nood der tijden Duitsche opgravingen in Egypte 
verhinderde (blz. 62), kan men nog begrijpen; maar een rangschikking van het vinden 
van Toet-anch-amoen’s graf en van de 'koningsgraven’ in Ur onder de Zufallsfunde 
doet licht aan internationale jaloezie denken. Dan had hij bovendien moeten zorgen 
dat het bis in idem vermeden ware, o.a. een dubbel historisch overzicht van de op¬ 
gravingen (blz. 69 en 93), en dan hadde hij er bovendien voor gezorgd dat ze in elk 
geval met elkaar correspondeerden, zoodat weglaten van de opgravingen van het 
Oriental Institute in Teil Asmar, wel vermeld op blz. 69, op blz. 90 vermeden ware: 
Had hij ook niet een egyptoloog gevraagd voor het behandelen van de geschiedenis 
van het schrift in het algemeen, dan zou een zoo algemeene definitie van het begrip 
ideogrammen in het spijkerschrift, als op blz. 153, ons gespaard zijn. Voor de Griek¬ 
sche munten in het algemeen, en voor Regling’s werk op dat gebied in het bijzonder, 
moge men de hoogste bewondering hebben, toch kan men zich afvragen waarom aan 
Wiegand’s (trouwens reeds elders verschenen) artikel, slechts alleen een beschouwing 
over de munten als hulpwetenschap van het archseologisch onderzoek is toegevoegd. 
Wie bovendien als Nederlander in de rubriek Holland op blz. 126 leest van 'Reijks- 
bureau’, 'Reijksadviseurs voor Monumenten von Geschiedenis’ zal als hij de juiste 
schrijfwijze van archaeologische instituten in b.v. Polen of Yougo-Slavië zoekt, huiverig 
zijn dit Handbuch ter hand te nemen. 

Overziet men dus nogmaals conceptie en uitvoering van dit Handbuch , dan moet 
men een tekort aan synthetisch vermogen constateeren, een tekort dat de heer Reimer 
ook in Stier’s bewerking van Ed. Meyer’s levenswerk waarnam. Eduard Meyer’s 
werk is geen vv<ttyi(jloc meer, en het Handboek is er niet toe uitgegroeid. Dit is niet 
zoozeer te verwonderen, want juist de synthese die door Boissevain als het kenmerk 
van den tijd, dat hij de geschiedenis beoefende, genoemd wordt (blz. 4), stelt de 
laatste jaren eischen, die een theoretisch bezinnen opnieuw aan de orde stellen. Naar 
die synthese zoekt ook de analyticus, want zonder haar zou hij zijn werk niet kunnen doen. 


Leiden 


B. A. van Proosdij 




DE PENTATEUCH 


319 


DE LITERATUUR VAN HET OUDE TESTAMENT 

PENTATEUCH, PROPHETEN, WIJSHEIDSBOEKEN 

Het is niet de bedoeling hier een volledig overzicht te geven van alles wat er 
in de laatste jaren op oudtestamentisch gebied is verschenen. Daarvoor kan men het 
Bibliogr . Beiblatt der TheoL Liter . Zeit. raadplegen, de Bibliographie van Biblica of 
van het BibL Zeitschrift . Dit laatste geeft tevens korte kritische opmerkingen bij de 
voornaamste boeken en tijdschriftartikelen. De bedoeling is eerder aan de hand van 
de voornaamste publicaties de actuele stand van de studie uiteen te zetten. We 
zullen dat voor de Pentateuch iets uitvoeriger doen en daarom in dit overzicht terug 
moeten grijpen naar reeds in een vorig Jaarbericht gesignaleerde en besproken boeken. 
In de andere delen beperken we ons tot de nieuwere literatuur. 

I De PENTATEUCH. Walter Baumgartner bespreekt in de Theologische Rundschau 
8, 1936: Alttestamentliche Einleitung und Liter aturge schicht e de opvattingen van de 
verschillende inleidingen op de H. Schrift en de literatuurgeschiedenissen van Hempel 
en E. Fascher. Eerst geeft hij een algemeen overzicht van de verschillende stromingen, 
die zich heden ten dage doen gelden, waarbij natuurlijk de Pentateuchkwestie het 
leeuwenaandeel opvraagt, om daarna de afzonderlijke publicaties te bespreken. Zijn 
artikel grijpt voor een deel over dat van P. Humbert heen, dat voor enige jaren 
verschenen is [Die neuere Genesisforschnng , ThR 6, 1934) en evenzo loopt het voor 
een deel parallel aan het artikel van A. Bea {Der heutige Stand der Pentateuchfrage , 
Biblica 16, 1935). Vgl. voor beiden Jaarbericht 3, blz. 90. Ook Baumgartner constateert 
van de ene kant een verder voortschrijdende verdeling in bronnen, en van de andere 
kant een steeds groeiende scepsis tegen de resultaten en de methode van de litteraire 
kritiek. Hij bespreekt ook de oorzaken van die scepsis, en concludeert dat die scepsis 
niet geoorloofd is. Hij wijst op de zwakke punten bij de auteurs, die de bronnen¬ 
splitsing niet willen aanvaarden en houdt het er voor, dat de voornaamste stellingen 
van Wellhausen nog onaangetast zijn gebleven. De eigenlijke kwesties worden ten 
slotte niet uitgevochten in de Inleidingen, maar in de commentaren en monografieën. — 
De boeken, die dan ook vooral aanleiding hebben gegeven tot deze herhaalde wapen¬ 
schouw zijn de boeken van B. Jacob: Das erste Buch der Tora Genesis , 1934, van 
U. Cassuto: La questione delle Genesi , 1934, en het boek van P. Volz en W. Rudolph: 
Der Elohist als Erzdhler ein Irrweg der P'entateuchkritik} 1933. Zij gaan ieder van 
een heel ander standpunt uit, hebben een heel ander doel en volgen een heel andere 
methode, maar in zekere zin versterken zij elkaar en vormen een aanval op, wat 
Volz noemt, het dogma der bronnenscheiding. Voor een vergelijking tussen deze 
boeken cf. M. Buber: Gene sisprobleme Mon. Gesch. Wiss. Jud. 80, 1936. Het boek 
van Jacob is een commentaar in grote stijl. Het stelt zich uitdrukkelijk op conser¬ 
vatief israëlietisch standpunt, zowel wat de exegese, als wat de litteraire kritiek be¬ 
treft. ‘Die Genesis ist ein einheitliches Werk , in einem Geist entworfeil '. Hij ontkent 
niet, dat de schrijver, die in het begin van Davids regering moet gewerkt hebben, 
bronnen gebruikt heeft, maar het is onmogelijk in de ene grote stroom de bronnen 
en bijrivieren te onderscheiden. Hij erkent dus wel het probleem, maar berust er in, 
wanhoopt eigenlijk aan een oplossing. Is dat nodig? Neen, meent ook Closen in zijn 
uitvoerige bespreking van Jacobs boek: Biblica 17, 1936. ‘ Auch in der Genesis als 
Werk des Moses ... kann eine sich behutsam vorantastende Liter ar kritik Teile unter- 
scheiden , die Erbgut alter er Quellen sind und solche in denen sich die persónliche Eigenart 
des literarischen Gestalters des Ganzen starker oppenbard . Wat de exegese betreft, 
heeft het bij een diep doordringen in de zin en het verband van een verhaal ol van 
een tekst, toch iets vreemds over zich, een neiging tot overscherpzinnige interpretatie. 
Uit toevallige eigenaardigheden van taal en stijl worden theologische conclusies ge¬ 
trokken, waarvan men betwijfelen kan of die nu werkelijk door den bijbelsen schrijver 
zijn bedoeld. Een zelfde geest ten opzichte van de kritische problemen spreekt ook 
uit de commentaar op Genesis van C. Ch. Aalders verschenen in de serie van de 
Korte Verklaring, waarvan het eerste deeltje met de inleiding in 1933 is verschenen, 


de twee volgende in 1936. Hij meent, dat de inhoud van de Pentateuch, de wetten 
en reisverhalen van Moses afkomstig zijn, maar het boek als geheel geschreven moet 
zijn onder de regering van Saul. Een voorbeeld van zijn poging tot harmoniëren 
vinden we ook in The Evangelical Quarterly 9, 1937 in het artikel: By whom was 
Josef sold to the Ismaelites , waarin hij dezelfde mening verdedigt als in zijn commen¬ 
taar. Ook Cassuto a.w. ziet Genesis als het werk van één hand. Zijn boek is geen 
commentaar als van Jacob, maar een onderzoeking naar de waarde van de bronnen¬ 
hypothese. Hij erkent wel, dat Genesis uit bronnen is ontstaan, maar die bronnen 
vormen geen aaneengesloten geschriften, die een redactor onveranderd en mechanisch 
in elkander gezet heeft. In een slothoofdstuk geeft hij zijn eigen theorie vgl. Jaar¬ 
bericht No 3, 1935* Een geniale geest zou uit het uiteenlopende materiaal, dat in 
de traditie van het volk leefde, een keuze hebben gedaan. Vgl. ook C. Bernheimer: 
La questione delle Genesi di U . Cassuto Rev. Stud. Oriënt. 16, 1936 en het antwoord 
van Cassuto. 

P. Heinisch, van wiens hand een commentaar op Numeri verscheen: Das Buch 
Numeri Bonn 1936 zoekt de oplossing in een voortdurende aanvulling van het be¬ 
staande mosaïsche boek. Voor zijn commentaren op Exodus en Leyitic. vgl. Jaar¬ 
bericht No 3, 1935* Dus ook hier blijft hij bij de aanvullingshypothese. In Numeri 
worden naast de wetten van Moses ook wetten gevonden uit de tijd van de rechters, 
uit de latere koningstijd en zelfs van na de ballingschap. Ook het historisch materiaal 
bevat tradities, die eerst in de na-mosaïsche tijd zijn opgetekend. 

Hierbij aansluitend verwijzen we nog naar het boven reeds aangehaalde artikel 
van P. Humbert: Die neuere Genesisforschnng . Hij neemt een bestaande kern van 
beperkte omvang aan, die vervolgens door verschillende scholen geleidelijk zou zijn 
aangevuld. In dezelfde geest spreekt zich M. Buber uit, die, wat we nu gewoonlijk de 
bronnen J, E en P noemen, als typen van tendenzen wil zien. Hij spreekt van een 
‘fr ühhöfische n , sagenfreudigen , van een ‘frühpr ophetischen en van een ‘frü hpriester - 
lichen' tendenz. Het auteurschap is niet ‘etwas einmaliges\ maar een steeds voort¬ 
schrijdend proces, dat zich ten slotte voltrekt bij den man, die voor de compositie 
van het geheel verantwoordelijk is. 

Hiermee zijn we eigenlijk weer genaderd tot de bronnenhypothese, die we meer 
verondersteld dan verdedigd vinden in de overigens uitstekende commentaar van 
Dr W. J. de Wilde op Leviticus, verschenen in Tekst en Uitleg. De bronnensplitsing 
wordt nog verder doorgevoerd o.a. door Von Rad: Die Pr ie ster schrift im Hexateuch , 
1934, die een dubbele P-bron onderscheidt. Hij schijnt overigens weinig bijval ge¬ 
vonden te hebben en dat is begrijpelijk. Zelfs in een zo strak gebouwd geheel als 
Gen. i onderscheidt hij een dubbelverhaal. W. J. Pythian-Adams meent in een artikel 
in The Church Quarterly Review 123, 1936 The origin and evolution of Deuteronomy 
meer dan een stadium te kunnen constateren, waarin dat boek tot stand gekomen is. 

Het is hier, dat we het best melding kunnen maken van het artikel van E. Fascher 
in Paulys Re al-Encyclopédie 2. Reihe 5. Band onder het woord Testament . Hij geeft 
daarin een korte geschiedenis der literatuur dienaangaande. In een ontegenzeglijk 
zeer aanschouwelijk en levendig overzicht behandelt hij het ontstaan van de Pentateuch 
in het historisch verband. En zo ook de andere boeken van het O.T. Aanvaardt 
men echter de bronnensplitsing niet of minstens niet in die mate, dan valt heel zijn 
opzet. De literatuurgeschiedenis, die men wil schrijven, steunt uitsluitend op de voor- 
onderzoekingen. Hetzelfde kan men zeggen van het prachtige werk van Hempel, dat 
hier, als te bekend, niet verder gekarakteriseerd behoeft te worden. 

Het boek, dat misschien wel de sterkste aanval is op de gevestigde overtuiging 
der critici is het boek van P. Volz en W. Rudolph: Der Elohist als Erzahler ein 
Irrweg der Pentateuchkritik, Beih. ZAW, 1933. Na een reeks van algemene opmer¬ 
kingen tegen de bronnenhypothese, die weinig bewijzen, wordt speciaal het bestaan 
van E en J in de hoofdstukken 15—50 van Genesis onderzocht, en in een aanhangsel 
ook twijfel geopperd aan het verhalend karakter van P. Wat we van P bezitten zijn geen 
verhalen parallel aan J of de vermeende E, maar eerder theologische beschouwingen. 
Wanneer hun boek ondanks de vele juiste opmerkingen en vaak juiste analysen weinig 
instemming ontmoet heeft bij de critici , dan mag men dat niet alleen wijten aan de 
vasthoudendheid en de hardleersheid van de laatstgenoemden, maar eerder aan het feit, 




DE LITERATUUR VAN HET OUDE TESTAMENT 


DE PENTATEUCH 


321 


dat de schrijvers hun eigen theorie schaden door overdrijving, nu ook alle oneffen¬ 
heden willen wegwerken en in een geforceerde harmonie vervallen. Vandaar o.a. de 
weinig vleiende opmerking van J. Battersby-Harford in The Expos. Times 47, 1936 
Problems of the Pentateuch ‘ it seems to me he also displays a childlikeness of mind 
which makes him blind to phenomena , which are clear to other minds\ 

Fr. Dornseiff, wiens artikelen over Genesis en Exodus Antikes zum A.T. ZAW 
NF ii en 12 reeds zijn aangegeven in Jaarbericht No 3, 1935, zet zijn artikelen 
voort over Exodus en Numeri ZAW NF 14, 1937. Hij wil door vergelijking met 
de Griekse literatuur aantonen, dat bronnensplitsing overbodig is, dat die rijke afwisse¬ 
ling van kultus-, moraal- en rechtsregels, waar geschiedverhalen tussendoor zijn ge¬ 
vlochten, met opzet is aangebracht om de lezers te boeien. Als grondbeginsel meent 
hij voor alle antieke literatuur de wet van de l grosser Mimesis ’ te kunnen opstellen, 
waaronder hij verstaat, dat de hoorders en lezers het aangenaam en mooi vinden 
door toespelingen, door imitatie en omvorming herinnerd te worden aan een bekend 
gegeven. Dat gegeven kan ook in hetzelfde werk uitgedrukt liggen, vandaar de gelijk¬ 
vormige verhalen en herhalingen. Er is vroeger reeds gewezen op de problematische 
waarde van zijn materiaal, dat zonder onderscheid van tijd en ruimte wordt aange¬ 
voerd. Nuttiger zou zijn een vergelijking onder dit opzicht met het Gilgamesepos, 
waar Jirku al op gewezen heeft Altorientalischer Kommentar z. A.T Anhang II. 

Een van de voornaamste oorzaken, die een terugslag heeft gebracht ten nadele 
van de bronnenhypothese is de archeologie. In zijn bovenaangehaald artikel meent 
Baumgartner te moeten besluiten, dat de resultaten van de litteraire kritiek ook door 
de archeologie niet wezenlijk zijn aangetast en hij haalt voor die mening ook Albright 
aan, die echter in The Archaeology of Palestine and the Bible (uitgave van 1932) een 
tussenpositie inneemt en meent, dat noch de radicale vleugel noch de ultra-conserva- 
tieve vleugel door de archeologie in het gelijk worden gesteld (pag. 175—6). Enigszins 
anders oordeelt J. W. Jack The Bearings of Archaeology on Old Testament Criticism , 
The Expos. Times 47, 1937. Al bestrijdt hij niet het bestaan van bronnen, zo meent 
hij toch, dat de archeologie wel bewezen heeft, dat er geen reden is ons aan een zo 
late datering, als door Wellhausen en Kuenen geschiedde, te houden, speciaal wat 
betreft J en E, die best gelijktijdig of kort na de feiten, verhaald in de Patriarchen¬ 
geschiedenissen, kunnen zijn ontstaan. Terwijl L. Woolley in het tweede gedeelte van 
zijn boek Abraham: Recent discoveries and Hebrew Origins, London, 1936 de nadruk 
legt op de eenheid van de mondelinge traditie en bewijst, dat de gemeenschappelijke 
overleveringen van E en J voor het koningschap moeten dateren, zo gaat R. Dussaud 
in zijn boek Les Dêcouvertes de Ras Shamra et VAncien Testament , Paris, 1937 veel 
verder. Al zijn verschillende van zijn conclusies, bij de vaak nog onzekere interpretatie 
der teksten, voorbarig, toch schijnt hij gelijk te zullen krijgen, wanneer hij beweert, 
dat door die vondsten de school van Wellhausen gedwongen is haar resultaten te 
herzien, en zelfs de reactie van Gunkel onvoldoende is geweest. De waarde van de 
bijbelse teksten is onderschat (inleiding), en in zijn conclusie zegt hij, dat men er van 
zal moeten af zien, in het bijzonder wat de patriarchenverhalen betreft, in het O. T. 
een verzameling van kleine onafhankelijke geschiedenissen te zien, die door de schrijvers 
van de 8 ste en 7de eeuw willekeurig tot een doorlopend verhaal zijn verenigd. 

We zouden in dit verband nog willen wijzen op de meer populaire uitgaven van 
Dr. A. Leimbach Die biblische Urgeschichte Gen. i:i —//:p, Fulda 1937 en van H. Frey 
Das Buch der Anfdnge (Gen. 1:11) 1935 en Das Buch des Glaubens (Gen. 12.25) l 93 & 
Stuttgart. Zij doen daarin geen zelfstandig onderzoek, maar de eerste geeft wat de beste 
katholieke, de tweede wat de protestantse auteurs houden omtrent het boek Genesis. 

Ten slotte heeft dit overzicht geen belangrijk nieuw werk naar voren kunnen 
brengen, dat het kritisch probleem opnieuw belicht en waar niet reeds vroeger op 
gewezen was. Voor een groot deel mag dat te wijten zijn aan de verminderde belang¬ 
stelling voor kritische vraagstukken en de stijgende interesse voor de godsdienstige 
kant van de H. Schrift, die ook verreweg het voornaamste is, zoals ook Dr Joh. de Groot 
uiteengezet heeft in zijn inaugurale rede gehouden te Utrecht getiteld Exegese 
Groningen—Batavia, 1936 en S. du Toit in zijn inaugurale rede gehouden te Potchef- 
stroom 9 n Nuwe Fase in die strijd om die Ou Testament , Pretoria 1937. Deze laatste 
gaat zelfs de strijd om het O. T. na van de oudste tijden af tot op onze dagen toe 




! 


! 


i 






en geeft de houding aan, die de hedendaagse gereformeerden Protestanten tegenover 
de verschillende problemen moeten innemen. Maar al moet men aan de kritiek een 
lagere plaats toekennen, dan zij vroeger veelal innam, men mag toch niet vergeten, 
dat men geen wetenschappelijk verantwoord beeld van de theologische opvattingen 
van het oude Israël kan krijgen, noch van zijn historie of literatuur, zonder die 
kritische problemen tot een redelijke oplossing te hebben gebracht. Het voornaamste 
daarvan is wel de tijd van het ontstaan en het karakter van de vermeende bronnen. 
Zijn die geschriften inderdaad uit de tijd, die de traditionele opvatting er voor aan¬ 
geeft; dan is ook het traditionele beeld, dat het O. T. geeft van Israëls historie en 
religie betrouwbaar en waar, al mogen er dan enige wetten en voorschriften of 
historische verklaringen later zijn ontstaan. 

II De Propheten. Voor de boven geuite mening, dat de godsdienstige vraagstukken 
van de H. Schrift meer de belangstelling genieten dan de kritische, kan de rijkere 
literatuur dienen, die de laatste tijd verschenen is, over de profeten en de wijsheid- 
boeken. We verwijzen hiervoor naar het overzicht over de religie van Israël. 

Wat Jesaja betreft, S. Mowinckel schreef een helder en uitstekend oriënterend 
overzicht Neuere Forschungen zu Deuterojesaja , Tritojesja und den Aebdd-Jahwd 
Problem , Acta Orientalia 16, 1937. — R. B. Scott tracht uit taal, stijl en inhoud te 
bewijzen, dat hoofdstuk 35 van het boek Isaias tot Deuterojesaja behoort The Relation 
of Isaiah chapter 35 to Deuterojesajah AJSL 52, 1935/6. — J. Buda wil uit het een¬ 
vormig gebruik van de Godsnamen in het boek Isaïas een argument construeren voor 
de eenheid van het boek: J. Buda, Nomina divina in libro Isaiae , Biblica 18, 1937.— 
Van katholieke zijde verscheen een uitstekende commentaar op Isaïas 1—39 van de 
hand van Dr J. Fischer Das Buch Isaias , Bonn, 1937. Volgens de aard van de collectie, 
waarin het werk verscheen, is het op een ruimere lezerskring berekend. Dr Fischer 
was misschien als geen ander de aangewezen man voor deze commentaar, waartoe 
hij reeds twintig jaar geleden werd aangezocht en waar verschillende speciaalstudies 
hem toe hebben voorbereid. De kwestie van de zgn. Deutero- en Tritolsaïas onder¬ 
zoekt hij hier niet verder, maar sluit zich aan bij de traditionele opvatting van eenheid 
van auteur. — Bijzonder moet zijn korte en klare behandeling van de messiaanse 
profetie in 7 : 14 naar voren gebracht worden. — Dr J. S. van der Ploeg schreef een 
monografie Les Chants du serviteur de Jahvê> Paris, 1936. Het eerste gezang beperkt 
hij tot 42 1-4 en houdt s “ 9 voor een gezang op Cyrus. Verder rekent hij daartoe 49 1 —' 6 , 
50 4 -" 9 en 52^—53 12 . Hij beschouwt al die liederen wel als van één auteur, maar toch 
als geheel losstaande van de actuele contekst. Hij meent, dat er ook geen reden aan 
te geven is voor hun tegenwoordige plaatsing. In de exegese en de vraag naar den 
persoon van den dienaar van Jahweh geeft hij een duidelijk overzicht van de ver¬ 
schillende meningen om ten slotte tot de directe messiaanse zin te besluiten. — 

Als no. 13 van de serie van het Handb. z. Alt . Test . onder leiding van O. Eissfeldt 
schreef Alfr. Bertholet een commentaar op Ezekiël Hesekiël , Tübingen, 1936. Het 
zal wel een zeldzaamheid zijn, dat een auteur veertig jaar later een nieuwe commentaar 
schrijft, zo grondig verschillend van zijn eerste werk. Zijn vroegere commentaar is 
verschenen in 1897 in Martis Kurzen Handkommentar . Het nieuwe is vooral, dat hij 
nu ook meent, dat het boek in zijn tegenwoordige vorm niet van Ezekiël zelf is, 
zelfs niet in een eerste redactie, die later gewijzigd en uitgebreid zou zijn. Ezekiël 
zou slechts een reeks van ontwerpen op losse bladen hebben nagelaten, die door een 
of meer redacteuren tot een geheel zouden zijn verwerkt. Hij meent ook, dat Ezekiël 
zelf van verschillende stukken verscheidene ontwerpen heeft gemaakt, die door latere 
handen ineen zouden zijn gewerkt. Vandaar de herhalingen en uitweidingen in het 
boek. Hij beproeft de parallelrecensies te scheiden en drukt ze in zijn commentaar 
naast elkaar. Toch is hij zich het problematische van die schifting volkomen bewust. 
Verder constateert hij in het boek nog talrijke glossen en toevoegingen, die ook een 
oorzaak zijn, dat de stijl van het tegenwoordige boek zo ingewikkeld is. Wat volgens 
hem vooral verwarrend heeft gewerkt bij de redactie van het boek, is de vergissing, 
dat Ezekiël uitsluitend in de ballingschap zou hebben gepredikt. In werkelijkheid zou 
Ezekiël eerst in Jerusalem zijn opgetreden, daarna enige tijd in een andere plaats 
van Judea, en eerst in 585 naar Babylon zijn gegaan. Hetzelfde heeft hij ook verdedigd 
Jaarbericht N° 5. 


21 





322 


DE LITERATUUR VAN HET OUDE TESTAMENT 


in Hesekiëlprobleme , Forschungen und Fortschritte 12, 1936 en in Mélanges Franz 
Cumont , Bruxelles 1936. Vgl. voor de kwestie Jaarbericht 3, 1935. De zwakheid van 
die thesis is, dat hij herhaaldelijk gedwongen is de tekst te wijzigen, waardoor zijn 
redenering een objectieve basis mist. De persoon van Ezekiël ziet hij als een epilepticus, 
waardoor echter de profeet niet gedegradeerd wordt, daar God ook de epilepsie als 
een middel tot het doel van zijn profeteren kan gebruiken. De symbolische handelingen 
beschreven in het boek beschouwt hij als werkelijk uitgevoerd. Hij houdt ze voor 
magische handelingen, hoewel de gedachte aan magie nauwelijks meer bewust is bij 
Ezekiël. (Cf A. v. d. Born: De symbolische handelingen der O. T '. Profeten voor de 
tegengestelde mening). — De commentaar van G. A. Cooke in de ICC 1936 houdt 
zich meer aan de traditionele opvatting. Het eerste plan en de eerste tekst gaan op 
Ezekiël terug. Maar zijn oorspronkelijk chronologisch plan is door latere handen ver¬ 
broken, die een ander plan hebben gevolgd en daardoor vaak verwarring gebracht. 
Ook moeten glossen en tekstveranderingen op rekening yan die lateren worden 
geschoven. De commentaar van Bertholet was hem blijkbaar niet bekend, maar het 
werk van Torrey en Herntrich, die een zelfde mening als B. verdedigden, kent hij en 
met alle waardering voor hun ernstige pogingen om de moeilijkheden op te lossen, 
meent hij toch hun opvatting omtrent de judese werkzaamheid van Ezekiël en de 
samenstelling van zijn boek uit parallelrecensies te moeten afwijzen. Bijzonder wel¬ 
dadig doet zijn Preface aan, waarin hij het bovennatuurlijk karakter van de Profeten 
erkent. Het is bijzonder interessant het artikel van J. A. Bewer Das Datum im 
Hesekiêl 33:21 in ZWNF 13, 1936 te vergelijken met de uitleg van Bertholet, die o.a. 
uit die tekst besluiten wil tot een verblijf van Ezekiël in de nabijheid van Jerusalem. 

H. H. Rowley zet in de Exp. Times 47, 1935 Some Problems in the Book of 
Daniël de verschillende meningen over de compositie van het boek uiteen en ver¬ 
dedigt zelf de eenheid van het boek in die zin, dat alles van een zelfden auteur zou 
stammen, die na elkaar de verschillende stukken zou hebben uitgegeven, deels in het 
aramees, deels in het hebreeuws, en die hij later, van een inleiding voorzien, tot een 
geheel heeft verzameld. De tweetaligheid was in de tijd van het ontstaan (de tweede 
eeuw), niet zo vreemd als ons dat lijkt. Al hebben we daar geen voorbeelden van in 
het O. T. *), in de latere joodse literatuur vinden we vaak hebreeuws en aramees naast 
elkaar. Verder wijst hij in de verklaring van de vier wereldrijken de theorie van 
Eerdmans en Beek af. Hetzelfde doet Aage Bentzen in zijn commentaar op Daniël 
verschenen in het Handb . z. A. T ., Tübingen, 1936. B. beroept zich op 2 14 waar het 
vierde rijk blijkbaar een gedeeld rijk is en de andere rijken dus ook geen symbolen 
van de babylonische koningen Nebukadnezar, Nabonid en Belsazar kunnen zijn en 
ook de steen niet Cyrus kan aanduiden. Het boek moet volgens B. dan ook na 
Alexanders dood zijn ontstaan. In de jaarweken ziet hij een onnauwkeurige berekening 
van het aantal jaren tussen 586 en 167. De blijvende waarde van die profetie is de 
getuigenis van de geloofstrouw. 

Evenals van de commentaar op de Kleine Profeten van Th. H. Robinson, 
Die Zw'ólf kleinen Propheten y Hosea bis Micha (Handb . z. A. T.), Tübingen, 1936 is 
ook in de collectie van Die Heilige Schrift des Alten Testament onder leiding van 
Dr Feldmann en Dr H. Herkenne de eerste helft van een commentaar op de kleine 
Profeten verschenen. Dr J. Lippl en J. Theis, Die zwolf kleinen Propheten , /. Hdlfte , 
Osee-Michaas, Bonn, 1937. Het werk van Lippl dat Osee, Jonas en Micheas zou 
omvatten, is, daar hij in 1935 gestorven is, door Dr Herkenne voltooid. Als karakte¬ 
ristieken merken we op, dat Lippl het huwelijk van Osee als een werkelijk huwelijk 
beschouwt, dat Osee niet zonder meer de cultus en de offers verwerpt, maar alleen, 
zoals ze in zijn tijd beoefend werden. Lippl beroept zich daarvoor op Os. 9 4 . Het 
boek Joël vormt een eenheid en is van één hand. Amos is niet de eerste, die het 
ethisch monotheïsme predikte, reeds voor hem deed Nathan dat bij David. Abdias 
beschouwt hij als de oudste profeet. Hij zou onder Joram zijn opgetreden. De ver¬ 
overing van Jerusalem, waarop hij zinspeelt, is die van 845. Omtrent de al of niet 
geschiedkundige waarde van het boek Jonas drukt hij zich zeer gereserveerd uit, 
vooral met het oog op Matt. 1339, maar houdt toch de mogelijkheid open, dat die 

! ) de S. vergeet blijkbaar de Arameesche stukken van Esdras 


DE PROPHETEN 


3^3 


tekst een zuiver litteraire zinspeling is of het voorstellen van een typus. — Dr A. H. 
Edelkoort bedoelt in zijn boek Nahum Habakuk Zefanja y Amsterdam, 1937 geen 
eigenlijke commentaar op deze profeten te leveren, maar zoals de ondertitel ook aan¬ 
geeft, hun betekenis voor onze tijd te laten zien. Het is een uitstekend werk. Hij 
schildert uitvoerig de tijd van hun optreden, gaat grondig op hun tekst in en dit 
alles aan de hand van de beste bronnen en trekt dan de conclusie voor den modernen 
mens om hem te sterken in zijn strijd tegen de wereldse machten. — Als belangrijke 
detailonderzoekingen noemen we de artikelen van H. Bardtke, Jeremia der Fremd - 
volkerprophety I ZAW NF 12, 1935; II ZAW NF 13, 1936 en R. Press, Das erste 
Nachtgesicht des Propheten Sacharja ZAW NF 13, 1936 en vooral H. Schmidt, Das 
vier te Nachtgeschicht des Propheten Sacharja , ZAW NP" 13, 1936. 

III De Wijsheidboeken. Op het boek der Psalmen, dat we het best onder deze 
groep rangschikken uit practische overwegingen, verschenen verschillende katholieke 
commentaren, die allen voor een ruimere lezerskring zijn bestemd zo o.a. van Dr E. Kalt 
Die Psalmen übersetzt und erkldrty Freib. i. Br., 1936, van J. Calés Livre des Psaumes 
traduit et commentêy Paris, 1936, 2 dl. In de collectie La sainte Bible onder redactie 
van L. Pirot schreef de inmiddels overleden E. Pannier Les Psaumes f Paris, 1937. 
De inleiding reproduceert vrijwel letterlijk het artikel van denzelfden auteur verschenen 
in 1912 in de Dictionnaire de la Bible van Vigouroux. Met de nieuwere literatuur is 
vrijwel geen rekening gehouden. Tussen de ongewijzigde tekst van 1912 vindt men 
alleen het artikel van Dom de Bruyne in de Rev. Bénêd. van 1930. De commentaar 
zelf is, naar enige steekproeven te oordelen, vlot, duidelijk en overzichtelijk en houdt 
met het oog op de lezerskring rekening met de Vulgaattekst. — Van een soortgelijke 
opzet, maar veel beter op de hoogte is de commentaar van Dr H. Herkenne, Das 
Buch der Psalmen y Bonn, 1936. Niet dat hij zich aansluit bij de heersende opvattingen, 
integendeel hij blijkt zeer sceptisch omtrent de formgeschichtliche methode en zoekt 
zijn kracht in een zeer zorgvuldige tekstkritiek, die hem de basis levert voor een 
objectieve en zakelijke uitleg. Een uitvoerige inleiding behandelt duidelijk de verschil¬ 
lende kwesties. P. A. Munch stelt in een artikel Die jüdische “ Weisheitspsalinen” und 
ihre Platz im Leben , Acta Orientalia XV, 1936, de latere joodsche psalmen tegenover 
de oud-israëlietische psalmen. Zij zouden een nabootsing van deze laatsten zijn en 
beïnvloed zijn door de Wijsheidliteratuur. Zij zouden in de scholen zijn ontstaan, 
gedeeltelijk als godsdienstoefeningen (Schulandachtspsalmen) gedeeltelijk tot onder¬ 
richting \Unterrichtspsalmen). — Een voorbeeld van methodische opzet en logische 
uitwerking is het boek van Dr J. Schmidt, Studiën zur Stilistik der Alttestamentlichen 
Spruchliteratur . Na een inleiding, waarin hij o.a. de betekenis van het woord maschal 
aangeeft als ‘het vaststaande’ of nader omschreven die in ihrer Wahrheit für das 
praktische Leben guitige und feststehende Weisheitslehre y behandelt hij de bouw der 
spreuken. De enkelvoudige spreuk is de grondvorm voor de meerledige spreuk, terwijl 
de tweeledige de litteraire grondvorm is. Na het onderzoek van de grammatica en 
de syntaxis, die hem alleen een voldoende basis lijken van onderzoek, komt hij tot 
de conclusie, dat men inderdaad van een eigen literatuursoort kan spreken, niet alleen 
op grond van de inhoud, maar ook op grond van de vorm. In een aanhangsel behandelt 
hij de verhouding tot de babylonische en egyptische literatuur, ook alleen naar de 
vorm. De vergelijking met de babylonische is nogal vluchtig, terwijl in Babylonië 
toch juist de oudste vorm van de wijsheidsspreuken in de vele enkelvoudige spreek¬ 
woorden schijnt behouden te zijn. Dr B. Gemser schreef in de serie Handb . z . A. 7 ., 
een geleerde commentaar op Sprüche Salomos , Tübingen, 1937. Hij heeft hier veel 
van zijn materiaal, dat hij in zijn vroegere commentaar, verschenen in Tekst en Uitleg , 
niet kon publiceren, op kunnen nemen, vanzelfsprekend met verwerking van nieuwere 
literatuur. Het boek van Schmidt, dat wel in de literatuurlijst wordt geciteerd, schijnt 
hij niet meer te hebben kunnen gebruiken, ten minste men vindt er geen sporen van 
in zijn paragraaf over de Form der Sprüche . Zo brengt hij ook de maschal nog in 
verbinding met het begrip heersen. — Het boek van O. Rankin, Israels Wisdom 
Literature. lts hearings on Theology and the History of Religiony Edinburg, 1936 heb 
ik niet in kunnen zien. A. Drubbel M. S. C. gaf zijn artikelen verschenen in Biblica 
17, 1936, als doctoraats-dissertatie uit onder de titel Les livres Sapientiaux d ’ Israël 





324 de literatuur van het oude testament 

dans leurs sources pré-exiliques , Rome 1936. Het is een tegenhanger van het boek 
van Schmidt in zover hier niet de vorm, maar de inhoud der Wijsheidboeken wordt 
behandeld. Hij gaat niet alleen de samenhang na met de profetische boeken, die 
inderdaad zeer nauw is y maar zelfs met de Pentateuch. Zonder voldoende grond zoekt 
men de oorsprong van de leer der Wijsheidboeken bij andere volken. Verder verscheen nog 
een vermeldenswaardig artikel van Lange, The Wisdom of Salomon and Plato , JBL 55, 
1936 en vooral het zeer interessante en instructieve artikel van G. Bertram, Die religiöse 
Ümdeutung alt oriënt. Lebensweisheit in der griechische Uebersetzung des A.T. y ZAW NF 
1 3, 1936, waarin hij aantoont hoe de Sept. vertalers de dikwijls nuchtere profane waarheden 
door veranderingen of toevoegingen een religieuze betekenis hebben gegeven. Hier kan het 
best het artikel vermeld worden van W. Knox The divine Wisdom JThSt 38, 1937. — 
Volgens G. Hölscher behoort het boek Job tot de jongere Wijsheidgedichten. G. Hölscher 
Das Bnch Hiob y Handb . z.A.T. y Tübingen, 1937. In de oorspronkelijke kern zelfs is 
aramese invloed te constateren. Verder herinnert het door zijn karakter aan het 
Hellenisme. Het zou afhankelijk van Jerem. zijn, maar voor Sirach, zodat de tijd van 
ontstaan moet vallen tussen 400 en 200. Het verhalende gedeelte zou ontleend zijn 
aan een volksvertelling, maar het optreden van de drie vrienden vinding van den 
auteur zijn. Als latere invoegingen beschouwt hij de gedichten over de struisvogel, 
het nijlpaard, de krokodil, het gedicht over de woning der wijsheid en de rede van 
Elihu. Ook de woorden van Job zelf zijn door latere handen aangepast aan de 
orthodoxe vergeldingsleer. In de commentaar zelf is op te merken zijn uitleg van 
19:25, waarin hij leest, dat Job hoopt na zijn dood te zien, hoe God hem hier op 
aarde recht zal verschaffen. Vgl. ook ZAWNF 12, blz. 277. Een afzonderlijke plaats 
tussen de bijbelboeken neemt het Hooglied in. K. Kuhl Das Hohelied und seine 
Bedeutung , ThR 9, 1937 geeft met uitvoerige literatuuropgave een historisch overzicht 
van de verschillende verklaringspogingen van het Hooglied, waarvan geen een hem 
bevredigt. Zelf neigt hij het meest tot de fragmentenhypothese met de realistische 
opvatting. Vgl. ook het literatuuroverzicht van H. H. Rowby JThS, 1937. — Een 
originele commentaar op het Hooglied verscheen van de hand van A. Hazan Le 
cantique des cantiques enfin expliquê suivi de la belle et le patre, Paris [1936]. Niet 
alleen is het boek opvallend door zijn luchtige en satyrische taal, maar vooral 
door de afwijkende methode van behandeling, waar echter de duidelijkheid en 
overzichtelijk niet bij wint. Voortdurend worden verschillende kwesties door elkaar 
behandeld, zodat veelvuldige herhalingen en verwijzigingen nodig zijn. Van verschei¬ 
dene woorden geeft hij een nieuwe philologische verklaring, die vaak zeer aannemelijk 
lijkt. Het karakter van het Hooglied beschrijft hij gedeeltelijk in het derde hoofdstuk: 
Le parallélisme du Cantique en gedeeltelijk in het vierde: Le théatre du cantique . Hij 
ziet het als liederen die gezongen werden door een zanger of zangeres met nauw 
medeleven van het publiek, zoals bij de fandango of saeta der Andalusiërs, of de 
hedjaz der Turken, de ispehan der Arabieren. Driemaal wordt hetzelfde thema opge¬ 
nomen om telkens breder uitgewerkt te worden. Dit verstaat hij onder parelle- 
lisme. Het zou een satyre op Salomon zijn en een overblijfsel van een veel omvangrijker 
literatuur van die aard. De schrijver heeft een wel wat eenzijdige verering voor alles 
wat joods is, maar wijkt juist af in het beste van de israëlietische traditie, die het 
Hooglied niet als profaan beschouwde, maar als heilig. Dat het door de doctoren der 
wet als heilig boek zou zijn aangenomen alleen, omdat de naam Salomon er in 
voorkomt, is niet aannemelijk. Daarmee wordt niets afgedaan aan de philologische en 
litteraire kwaliteiten van het boek, die zeker helpen bijdragen tot een beter begrip, 
maar er is geen poging gedaan er iets hogers in te zien. 

Daar de geschiedenis afzonderlijk behandeld wordt, volstaan we hier met het 
vermelden van de commentaren op de historische boeken van D r A. Leimbach Die 
Bücher Samuel , Bonn, 1936, die een paraphrase op de geschiedenis geeft en weinig 
exegetisch nieuws brengt, van D r C. ^ an Gelderen de Boeken der Koningen , waarin 
hij I Kon. 12 22 tot 2 Kon. 1—4 behandelt, en van D r A. Noordtzij de Boeken der 
Kronieken , Eerste Deel I Kronieken 1 — 29. D r Noordtzij heeft de inleidingskwesties 
voor het tweede deel bewaard. Men betreurt, dat de S. niet zijn volledig materiaal 
met verwijzing naar de bronnen kan geven. Maar ook zoo kan men zijn werk 


DE WIJSHEIDBOEKEN 325 

waardeeren om het zelfstandig onderzoek en zijn voorzichtig oordeel, dat zich niet door 
de meening van anderen laat beinvloeden. De laatste commentaren zijn beide ver¬ 
schenen in de collectie van de Korte Verklaring , die voldoende bekend is, zodat 
het onnodig is ze hier nog nader te karakteriseren. 

Tot slot van dit overzicht van de exegetische literatuur moeten we nog de tekst- 
verzameling vermelden van J. Brierre-Narbonne: Exegese aprocryphe des prophèties 
messianiques de EA.T ., Paris, 1937 nadat in de vorige jaren reeds verschillende soort¬ 
gelijke werken van zijn hand waren verschenen over de talmud en de targums. 

Nijmegen P. J. COOLS O. P. 


TEKST EN TAALKUNDE, GESCHIEDENIS, VERGELIJKENDE GODSDIENSTGESCHIEDENIS, 

RELIGIE VAN ISRAËL 

TEKST EN TAALKUNDE. Onze eerste vermelding kan niet anders zijn dan die 
van de voltooiing der derde editie van Kittel’s Biblia Hebraica , welke de uitgever, 
wiens naam onafscheidelijk daaraan verbonden is, niet meer heeft mogen beleven. Ze 
werd na den dood van den bewerker beëindigd door A. Alt en O. Eissfeldt, onder 
medewerking van vele geleerden, onder wie allereerst moet worden genoemd P. Kahle, 
die de verzorging van den masoretischen tekst op zich nam. De bedoeling van deze 
volstrekt nieuwe bewerking van den tekst van het O.T. werd reeds in het derde 
Jaarbericht, blz. 86, voldoende uiteengezet. Met de uitgaven in 1936 van het boek 
Jozua door M. Noth, Richteren door R. Kittel f, en in 1937 van Daniël (Baumgartner), 
Ezra en Nehemia (H. H. Schaeder en J. Begrich) en Kronieken (J. Begrich) is het 
standaardwerk door de Priv. Württ. Bibelanstalt volledig beschikbaar gesteld. 

Over de masoretische tekst-vocalisatie verscheen van P. Leander een posthuum 
opstel: Bemerkimgen zur paldstinischen Ueberlieferung des Hebraischen, ZAW NF 13, 
1936, 91; hij verdedigt tegenover P. Kahle de waarschijnlijkheid, dat de Tiberiënsische 
Masoreten daar, waar ze een uitspraak volgen, die verschilt van de oudere Palestijnsche 
punktatoren, teruggaan op oude, nog niet opgemerkte, traditiebronnen; voor de correcte 
Tiberiënsische laryngaaluitspraak wil hij daarbij denken aan Judeesche tradities, blijkbaar 
ook voor andere door hem opgesomde verschillen. 

Een bijzonder belangrijke studie gaf R. Gordis: The biblical text in the making , 
a study of the Kethib-Qere, 1937; dit onderzoek over het verschijnsel van de Kethib 
in de Masora, mag met zijn 86 staten en staatjes van verschillende gevallen een 
model heeten van zelfstandigen arbeid en uitwerking. De schrijver verwerpt de theorieën, 
dat KQ varianten van manuscripten of correcties van foutieve lezingen zouden zijn; 
zijn hoofdgedachte is, dat er verschillende stadia in KQ zijn: het oorspronkelijke 
stadium is KQ als vermijding van blasphemie (lezing van het tetragram ) en onwelvoeg¬ 
lijke uitdrukkingen, öf (wegens het ontbreken van een vocalisatiesysteem) een hulpmiddel 
voor correcte lectuur; een secundair stadium — zij ’t niet in tijdelijken zin — is KQ 
als instrument voor de bewaring van oude tekstvarianten, welke resultaat waren van 
vergelijking van oude standaard-uitgaven met een bestaand (vóór 70 n. Chr.) tekst- 
archetype; uit dit oogpunt bewaart de KQ de vermelding van de oudste en belangrijkste 
collatie van Bijbelhss. Een derde stadium vertegenwoordigt een klein aantal latere 
KQ, die voortkwamen uit variante lezingen van latere hss., toen (na 70) het archetype 
was verdwenen, maar deze zijn niet in alle handschriften gelijk. 

Op het gebied der versiones viel in onze verslagperiode een opzienbarende 
ontdekking, hl. de vondst van vijf stukken papyrus in de John Rylands Library, afkomstig 
uit twee stukken mummiecartonnage. Ze zijn door C. H. Roberts: Two biblical papyri 
in the John Rylands Library , Manchester 1936, uitgegeven en verklaard als stukken 
van een Joodsch Thora- handschrift in Grieksche vertaling uit de tweede eeuw v. Chr., 
bevattende verzen uit enkele Dt.-hoofdstukken. H. G. Opitz en H. H. Schaeder 
schreven er over in ZNTW 35, 1936, 115 : Zum Septuaginta-Papyrus Rylands Greek 
qj8, die de gevonden teksten als getuigen van een zelfstandige tot nu toe onbekende 




326 LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 

Sept.-recensie beschouwen; vgl. ook de artikelen van C. A. Phillips: The oldest 
Biblical Papyrus , and a Leaf front a Testimony Book , ET 48, 1936/7, 168 en van 
J. Hempel: Zum griechischen Dt.-Text des 2, Jahrhunderts a. C., ZAW NF 14, 
1937, 115 ; de laatste legt er den nadruk op, dat deze vondst een versterking beteekent 
voor de these van een Oerseptuaginta. 

Wat de tekstcritiek betreft, kunnen we weer aansluiten aan Jaarbericht n° 3, 
88 en wijzen op de voortzetting van het werk van Fr. Wutz, die in zijn nieuwe 
publicatie: Systematische Wege von der Septuaginta zitm hebrdischen Urtext , 1937, XIX 
en 1027 blz., tracht zijn vroegere stellingen aan de hand van talrijke soms zeer wille¬ 
keurige, reconstructies te verifieeren. Hij neemt den tekst van de Septuaginta (Cod. B) 
als uitgangspunt en tracht met behulp van de verschillen van de LXX en de Masora 
te komen tot herstel van den oervorm (!) van den Hebreeuwschen tekst; de wijze, 
waarop de oude vertalers nl. met den verdorven grondtekst hunner dagen handelden, 
is volgens Wutz, een zekere aanwijzing om tot herstel van dien tekst te komen; alle 
tekstverschillen wijzen op de een of andere foute lezing van den oud-Hebreeuwschen 
tekst, die langs zuiver tekstcritischen weg is te herstellen. 

Deze mechanische opvatting van de verschillen tusschen Grieksche vertaling en 
Hebreeuwschen tekst bestreed G. Bertram, Das Problem der Umschrift und die religions- 
geschichtliche Erforschung der Septuaginta (Werden und Wesen des A. T. Beih. ZAW 
66, 1936, 97), die er op wees, dat heel veel van deze verschillen een 'religionsgeschicht- 
liche’ oorsprong hebben, nl. in den nieuwen geest van het Hellenistische Jodendom, 
dat als vanzelf aan den Hebreeuwschen tekst een nieuwe interpretatie gaf; vóór men 
de LXX kan gebruiken als middel tot O.T.-ische tekstcritiek is het noodzakelijk ze 
eerst godsdiensthistorisch en ‘begriffsgeschichtlich’ te onderzoeken. 

Over den masoretischen tekst op zichzelf handelde H. Junker in een opstel, in 
denzelfden bundel (blz. 162) opgenomen, onder een titel, die voor zichzelf spreekt: 
Konsonantenumstellung als Fehlerquelle und textkritisches Hilfsmittel im M. T ., waar¬ 
voor men ook enkele opmerkingen van G. R. Driver, ZAW NF 14, 1937, 70 
vergelijke. 

Voor de opvatting en methode van P. Ruben: Recensio und Restitutie , 1936, zij 
eveneens verwezen naar de genoemde blz. van het 3de Jaarbericht ( recensio is het 
opnemen, in een onbegrepen tekst, van andere recensies; restitutio is het verwerken 
van de verschillende recensies in den tekst tot een nieuw tekstgeheel, zooals dat ons 
is bewaard gebleven); de methode wordt in den breede toegepast op verschillende 
teksten, waarbij de schrijver vaak allerlei interessante godsdiensthistorische vergelijkingen 
en scherpzinnige lexicologische vondsten naar voren brengt, die de overweging ten 
volle waard zijn, maar die zijn fantastische hoofdstelling allerminst kunnen redden 
(zie beneden voor het tetragrammaton ). 

Van tekstcritische onderzoekingen vermelden we G. R. Driver: Problems in fob, 
AJSL 50 1935/6, p. 160 ss. en Linguistic and textual problems (The Jewish Quarterly 
Review 28, Oct. 1937, 97 ss.); bovendien zagen we aangekondigd, zonder zelf ge¬ 
legenheid gehad te hebben ze in te zien: H. Gotthardt: Text des Buches Nehemia 
193 2 — 35 (in Theologie der Gegenwart 31, 1937, 81) en M. Rehm: Textkrit . Unter - 
suchungen z. den Parallelstellen der Samuel-K'ónigsbücher und der Chronik , 1937. 

Sommige der genoemde studies behandelen reeds linguistische en gram¬ 
maticale kwesties. Van de verschillende onderzoekingen op het aan het Hebreeuwsch 
verwante taalgebied noemen we: A grammar of the phoenician language , (American 
Oriental Series Vol. 8) 1936, door Z. S. Harris, die reeds eerder de Ras-èamrateksten 
uitgaf. Hij behandelt in deze grammatica maar terzijde de R.-è.-taal, die hij als (een 
ouder) Noord-Kanaanietisch stelt tegenover het Phoenicisch als Midden-Kanaanietisch en 
de Amarna-glossen als Zuid-Kanaanietisch. Het Phoenicisch vormt met het Hebreeuwsch, 
het Moabietisch en de genoemde groepen één taalvorm: het Kanaanietisch, dat zich 
duidelijk van het Arameesch onderscheidt. De schrijver bestrijdt dan ook Bauer- 
Leander, als ze het Phoenicisch met het Akkadisch tegenover het Hebreeuwsch plaatsen. 
De masoretische tekst van den Bijbel vertegenwoordigt een Jeruzalemsch dialect van 
het Kanaanietisch, dat in sommige gevallen (sibilanten) minder ver afstond van het 
Phoenicisch dan het Midden-Palestijnsche, in andere gevallen echter verder. De gram¬ 
matica zelf beperkt zich in hoofdzaak tot phonologie en morphologie, en besluit met 


TEKST EN TAALKUNDE 327 

een zeer breedvoerig glossarium van het Phoenicisch, echter zonder het R. S. vocabulaar 
aan te halen. 

De belangrijkste studie op het gebied der Hebreeuwsche grammatica zelf is die 
van G. R. Driver: Problems of the hebreiv verbal system (Old Testament Studies n° 2), 
1936, waarin de stelling geponeerd wordt, dat het Hebreeuwsch geen zelfstandige 
taal is, die tot een eenheid is gegroeid, maar bestaat uit een verbinding van ver¬ 
schillende elementen, voornamelijk het Akkadisch en het Arameesch; dit zou in 
hoofdzaak in het verbaalsysteem uitkomen. Daarnaast zijn er allerlei algemeene be¬ 
schouwingen verwerkt b. v. het oorspronkelijk bestaan van woordstammen uit twee 
consonanten. Meer voorbeelden voor deze twee stellingen geeft de schrijver in een 
artikel in de ZDMG (91, 1937, 343): Problems of semitic grammar. 

Een korte opmerking aangaande de Hebreeuwsche grammatica van A. Schulz :Zkr 
Status constructus in der Geschichte der Exegese , ZAW NF 13, 1936, 270, brengt 
nog eens de vraag, die hij reeds meermalen behandelde (zie de t. p. genoemde literatuur) 
naar voren of bij den status constructus niet in vele gevallen het nomen rectum als 
hoofdbegrip kan gelden, waarvan het nomen regens afhankelijk is. Een Untersuchung 
zur Syntax und Stilistik des hebrdischen Buches Esther, ZAW NF 14, 1937, 73 > 
door H. Striedl toont aan, dat de taal van het boek Esther niet meer een levende, 
natuurlijke is, maar een litteraire kunsttaal uit een tijd toen het Arameesch reeds 
volkstaal was geworden; terwijl de stijl van het boek duidelijk slechts één hand verraadt. 

Van lexicologischen aard zijn de woordstudies van L. Kohier: Hebrdische Vokabeln I 
en //, ZAW NF 13, 1936, 287 en NF 14, 1937, 167, welke Kohier publiceert als 
voorbereiding voor de heruitgave van Gesenius’ Hebreeuwsch woordenboek: de be¬ 
doeling is, ter vermijding van te grooten omvang daarvan, het voor een woord ver¬ 
zamelde materiaal in het ZAW te geven, waarheen later het woordenboek kan verwijzen ; 
vgl. van denzelfden geleerde in ZDPV 60, 1937, 135 \ Ein hebrdisch-arabischer Brunnen- 
Terminus (nl. °dbël). Het is niet mogelijk alle studies en opmerkingen op dit gebied 
te verzamelen, we wijzen nog slechts op enkele publicaties van G. R. Driver: Confused 
Hebrew Roots (W), Occident and Oriënt (Gaster Anniversary Volume 1936, ed. by 
B. Schindler) 72; ZAW NF 14, 1937, 68 [nephes], en op R. Gordis: Studies in hebrew 
roots of contrastic meanings , JQR 27, 1936, 33. 

Een heruitgave van Mandelkern’s Concordantia Veteris Testamenti , 1937, in het 
Schockenverlag mag in dit verband niet onvermeld blijven. 

Studies op het gebied der begripsontwikkeling zijn voor het verstaan van 
taal en literatuur van het grootste belang. Natuurlijk mogen deze niet in een ‘Sprach- 
statistik’ ontaarden, waar tegen W. Staerk in ZAW NF 14, 1937, 10 terecht waar¬ 
schuwt; maar in de volle beteekenis van ‘begriffsgeschichtliche’ methode van onderzoek, 
zullen ze nog een belangrijke rol kunnen spelen èn voor de taalwetenschap èn voor de 
litteraire (dus ook theologische) exegese. Een bijzonder goede uiteenzetting over de 
werkwijze en taak van dit onderzoek is te vinden in het eerste, beneden genoemde 
geschrift van Gulkowitsch. Indien we b.v. lezen, hoe O. E. Ravn: Der Turm zu Babel , 
ZDMG 91, 1937, 352, door een onderzoek naar de beteekenis van migdal kan aan- 
toonen, dat dit niet 'toren’ beteekent, maar een burcht , dan komt daardoor de kwestie 
van den z. g. torenbouw van Babel in een heel ander licht te staan. (Men vergelijke 
voor dezelfde pericoop een gedeeltelijk verwante beschouwing van A. Brock-Utne, 
Gen . ii: i — p im Lichte der Kulturgesch ., ARW 32, 1935, 293). 

Een voortreffelijke studie in dezen zin, zij ’t ook gedeeltelijk reeds op het terrein 
der geschiedenis liggende, gaf ook: E. Würthwein, Der c amm hccarez im A . T. (Beitr. 
Wiss. A. u. N. T. IV 17, 1936 vgl. ook reeds R. Gordis: Sectional rivalry in the 
kingdom of Judah , JQR 1935), waaruit blijkt, dat dit de aanduiding is voor de leidende 
groep in het volk van af Davids tijd, pas na het exiel voor de niet-Israëlietische 'Ober¬ 
schicht’, en eerst in de Talmud voor het proletariaat (misschien beter: de schare, die de 
wet niet kent, vgl. Joh. 7 :49). 

L. Rost gaat in een uitvoerige monografie de beteekenis na van den naam Israël 
bei den Propheten (Beitr. Wiss. A. u. N. T. IV 19, 1937), waarbij aan den dag komt, 
dat Tsraël’ vóór 734 wordt gebruikt voor het Noordelijke Rijk; daarna tot 597 voor 
het Judeesche Rijk, terwijl kort voor Ezra’s optreden de naam Israël in verschillenden 
zin weer gaarne werd gebezigd. 




328 


LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 


GESCHIEDENIS 


329 


L. Gulkowitsch: Die Entwicklung des Begriffes Hasïd im A. T., Tartu 1934, en: 
Die Bildung des Begriffes Hasïd I, 1935 onderzoekt dit woord in het O. T. en het 
latere Jodendom; de oorspronkelijke beteekenis is: de in het (Gods)-verbond opge- 
nomene; later: de tot de cultusgemeenschap behoorende; ten slotte, synoniem van 
saddïk . P. A. Munch: The expression Bajjöm hahu is it an eschatological terminus 
technicus ? 1936, ontkent tegenover Gressmann het eschatologische karakter van deze 
uitdrukking. 

GESCHIEDENIS. Voor de voorgeschiedenis van Israël is van beteekenis het reeds 
in het vorig Jaarbericht even genoteerde boek Hethither , Churriter und Assyrer (1936) 
van A. Götze, die daarin de 'hoofdlijnen van de Voor-Aziatische kultuurontwikkeling 
in het tweede millennium voor Christus’ trekt; hiernaast noemen we A. Alt: V'ölker 
tmd Staaten Syriens im frühen Alter turn (1936), AO 34/4, die de staatkundig en 
volkenkundig verwarde toestanden in Syrië beschrijft onder den Hyksosinvloed tot 
aan de Arameesche volksverhuizing, welke nieuwe toestanden schiep; en O. Eissfeldt: 
Philister und Phoenizier (1936), AO 34/3, die beide volken in hun geschiedenis kort 
beschrijft, waarbij vooral het verschil van beide naar voren wordt gebracht. In AfO 11, 
1937, 325, bestrijdt Von Bissing: Das angebliche Weltreich der Hyksos de theorie van 
Götze en Alt, als zou er zoo iets als een wereldheerschappij van niet-Semietische 
Hyksos hebben bestaan. 

Een kort overzicht geeft W. L. Wardle: The history and religion of Israël, 1936, 
dat ondanks het populair-wetenschappelijk karakter door den critischen zin van den 
schrijver waardevol is; opvallend is o.a. zijn Noord-Arabische opvatting van den Sinaï. 
Een breed overzicht over de problemen der bijbelsche chronologie geeft J. Coppens: 
En marge de Ihistoire sainte , 1936, 27—47. 

Tot Israëls oergeschiedenis behoort allereerst de figuur van Abraham. Het is 
geen wonder, dat de steeds vermeerderende kennis van het oude Oosten er toe brengt 
de problemen rondom zijn figuur in het nieuwe historisch licht te bezien. L. Woolley 
schreef een boek Abraham (1936), dat naar stijl en inhoud den naam verdient: de 
roman van Abraham. Het is buitengewoon boeiend geschreven en plaatst de figuur 
van den aartsvader 2000 v. Chr. in Ur, waar Terah een uit de woestijn gekomen 
Semiet, aan den rand der beschaafde wereld een tijdlang doorbracht, om daarna naar 
Haran te vertrekken. Beneden behandelen we de godsdiensthistorische gevolgtrekkingen, 
die Woolley maakt. Aan Genesis XIV laat Sir Leonard zich weinig gelegen liggen, 
te meer J. H. Kroese, die in dit jaar op dit onderwerp aan de Vrije Universiteit 
promoveerde; hij verdedigt hierin de historische waarde van dit hoofdstuk, waarin hij 
wel latere toevoegingen erkent (uit Kanaaneesche gegevens, na Davids verovering van 
Jeruzalem, aangevuld). De tijd van Abraham is die van vóór Hammurabi (bij ‘Amrafel’ 
wil hij eventueel denken aan Ibal-pel van Esjnunna, + 2100 v. Chr.). Terwijl hij dus 
een zeer vroege dateering volgt, tracht F. C. M. Boenders: Wanneer leefde Abraham ? 
NTT 25, 1936 blz. 144W., A. te plaatsen ± 1380. Onze vaderlandsche O.T.-ische 
wetenschap bemint blijkbaar wel zeer de limiet, vooral in polariteit! 

C. C. Robertson: On the track of the Exodus , 1936 is de studie van een militair 
over het probleem der stations van de woestijnreis; de Sinaï wordt gezocht in Midian 
(N. en O. van de Golf van Akaba). Waardevol is een toegevoegde stafkaart van het 
gebied ten Noorden van deze Golf. 

A. Alt behandelt de figuur van Jozua ( Werden und Wesen des A. T ., 13: Josua ), 
waarbij hij eerst historisch-kritisch in aansluiting aan Gressmann het secundaire karakter 
van het boek Jozua bepaalt, dat naast allerlei setiologische sagen ook historische over¬ 
levering bevat; hij komt op grond van de laatste tot de erkenning van Jozua als 
Ephraëmietische richterfiguur. 

Een belangrijke bijdrage tot het verstaan van de figuur van Saul geeft A. Weiser: 
I Samuel 1 5, ZAW NF 13, 1936, 1 waarin Saul gezien wordt als de tragische figuur, 
die voor de taak gesteld werd een profetisch-Jahwistisch gebonden koningschap te 
vestigen onder het volk en tegenover den volkswil; hij wordt in laatste instantie 
geplaatst voor de taak het Jahwisme door te voeren tegenover een sterk synkretistisch 
beïnvloed volksleven; deze dubbele taak, die, naar uit I Sam. 15 blijkt, Saul te machtig 
is, werd later vervuld door David. Over het Davidische rijk (‘territorialgeschichtlich’) 


schreef K. Elliger in het Paldstinajahrbuch 32, 1936, 34: Die Nordgrenze des Reiches 
David ; over The boundaries of Edom, N. Glueck in Hebrew Union College Annual 11, 
1936, 141. 

Het tweede deel van E. Auerbach: Wüste und gelobtes Land , 1936 (voor deel I 
zie Jaarbericht 2, blz. 30) behandelt de latere geschiedenis van den dood van Salomo 
tot Nehemia’s tijd. Groote nadruk wordt hierin gelegd op den geestelijken achtergrond 
van de historie. Het is zoo geschreven, dat men het boek met spanning leest. Enkele 
punten, waarin men met den schrijver verschillen kan, zijn de waardeering van de 
profetie als voortkomend uit de volksbegaafdheid en de sterke afgrenzing van nebiïsme 
en kultisch denken (zie beneden bij religie); de onderstelling, dat de ‘Thora’ tusschen 
459—43 2 zou z i) n ontstaan in zijn tegenwoordige samenstelling is vooral met het oog 
op de overname door de Samaritanen wel zeer onwaarschijnlijk. 

In Occident and Oriënt , p. 439 ss. berekende J. Morgenstern: The New Year for 
Kings , (daarbij zijn studie over de Calenders of Ancient Israël in de Hebrew Union 
College Annual , 10, 1935, voortzettend) dat in tegenstelling met het Babylonische jaar- 
begin op den io den van de 7de maand viel. Uitvoerige chronologische berekeningen van 
de laatste Judeesche koningsgeschiedenis zijn ingevlochten; de schrijver houdt voor 
Jeruzalem’s val vast aan Augustus 586. 

Over den na-exielischen tijd zijn onderscheidene studies verschenen: Kurt Galling 
schreef: Syrien in der Politik der Achdmeniden bis 4.4.8 v. Chr . (AO 36/3, 4) en Der 
Tempelschatz nach Berichten und Urkunden im Buch Esra ZDPV 60, 1937, 177* In 
de eerste studie verdedigt Galling de echtheid van het edict van Ezra 6, maar meent, 
dat dit slechts op den tempelbouw, niet op den terugkeer betrekking had; de terugkeer 
is eerst ongeveer 524 geschied, enkele jaren na de verovering van het Westen (en 
Egypte) door Kambyses ; de eerste poging tot tempelherstel dadelijk na 538 onder 
Sesbazzar was geheel mislukt; de tweede, na den terugkeer, gelukte na het optreden 
van Haggaï en Zacharia en het ingrijpen van Darius. In het tweede opstel verdedigt 
Galling de echtheid van de lijst der tempelgereedschappen in Ezra 1 : 9 vv. Een derde 
studie is van R. de Vaux: Les dècrets de Cyrus et de Darius , RB 47, 1937, 29, waarin 
hij met een uitvoerig inschriftenmateriaal de godsdienstpolitiek der Achaemeniden 
beschrijft en aantoont, dat de edicten van Cyrus en Darius uit Ezra 6 zeker in deze 
politiek passen en niets hun echtheid in den weg staat; terwijl de tekst van Ezra I 
óf een vrije weergave is van den Cyrustekst Ezra 6 öf een ander edict over het Jodendom. 
[Bijzonder instructief voor een beter inzicht in de verhoudingen na de Ballingschap 
is Alt: Die Rolle Samarias bei der Entstehung des Judentum (Procksch-Festschrift 
1934): de Nieuw-Babylonische koningen maakten van het door hen veroverde Juda 
geen nieuwe provincie, maar voegden het — provisorisch! — bij de reeds door de 
Assyrische overheerschers ingerichte provincie Samarïa. De Perzische koningen be¬ 
stendigen deze toestand, totdat Artaxerxes I Nehemia als gouverneur naar Jerusalem 
zendt. Uit deze staatsrechtelijke constellatie moeten vele verwikkelingen, die aan de komst 
van Ezra voorafgaan, worden verklaard. Sterk afwijkend van de vele reconstructies, die 
voor de geschiedenis van de zesde en vijfde eeuw zijn beproefd, is het beeld, dat wordt ont¬ 
worpen in A. C. Welch: Post exilic Judaism 1935. Sinds Kittel (1927) hebben ook 
conservatieve onderzoekers, die Ballingschap en Herstel van Israël voor historisch hielden, 
de nadruk gelegd op het belangrijke volksdeel, dat na de verovering in Palestina bleef. 
Onafhankelijk van hen heeft Auerbach in het bovenbesproken werk becijferd, dat dit deel 
90°/ 0 van de bevolking bedroeg. Welch nu, schenkt — in aansluiting bij vele, vroegere 
studies van zijn hand — onder deze achtergeblevenen bijzondere aandacht aan de 
bevolking van Noord Israël; haar nooden en haar monotheïstisch streven na den val 
van Samaria vindt hij o. a. weerspiegeld in het gebed van Neh. 9, Ps. 80 en 44. Na 
den val van Jerusalem concentreert zich de eeredienst van de Godsgetrouwen uit 
Noord Israël èn Judah om het altaar op de plaats van de tempel. De schrijver van 
Ezra is er op uit om het belang en de invloed der uit Babylonië teruggekeerde 
ballingen te vergrooten. In werkelijkheid echter geeft Sesbatsar, Perzisch gouverneur 
te Samaria in 538 namens Cyrus aan de achtergebleven bevolking verlof tot herbouw 
van de tempel. Deze wordt pas herbouwd bij de eerste terugkeer van ballingen onder 
Zerubbabel tijdens Darius in 520. Tusschen éesbatsar en Zerubbabel profeteert Mal’achi(!), 
omstreeks 520 schrijft de Chronist, met wien de auteur van Ezra geenszins identiek 




330 


LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 


VERGELIJKENDE GODSDIENSTGESCHIEDENIS 


33 I 


is. De bronnen weêrspiegelen spanningen tusschen achtergeblevenen en teruggekeerden 
(Hagg. 2.io vv. Zech. 3, ook in de kwestie der Levieten). Constitutief voor de nieuwe 
gemeenschap wordt de Judaeïsche wet (P) met verwerping van de N. Israëlitische (D). 
Ezra’s opdracht is het instellen van een commisoriaal onderzoek naar bepaalde toe¬ 
standen, maar niet het invoeren eener nieuwe wet(?) S.]. Over de geestelijke ont¬ 
wikkeling van dien tijd schreef Sh. H. Blank: Studies in Postexilic Universalisme 
Hebr. Union College Annual, 11, 1936, 159, waarin hij teekent, hoe het Jodendom 
in het exiel openstond voor toetredende heidensche elementen, na het exiel hoopte 
op overwinning van de volkerenwereld, om ten slotte te eindigen in een streng 
exclusivisme (uit de eerste periode: Deutero-Jesaja; uit de tweede: de laatste be¬ 
werking van de Jacob-Ezauverhalen in Genesis; uit de derde: de orakels tegen de 
volken in de profetische boeken). 

Wij willen het overzicht over de nieuwe verschenen literatuur op dit gebied 
beëindigen met een paar boeken, die op een grensgebied liggen, en wel in de eerste 
plaats met het zoo juist voltooide werk van K. Galling: Biblisches Reallexikon , 1937. 
Ieder, die het gebruikt heeft in zijn onvolledigen staat, is dankbaar voor dit met 
zulke accuratesse geschreven werk, dat tot den laatsten tijd toe is bijgehouden en 
wel zoo goed als alle waardevolle archseologische materiaal bijeenbrengt en bruikbaar 
maakt. Niet minder verheugend is de voortzetting van G. Dalman’s groote werk: 
Arbeit und Sitte in Paldstina , waarvan het 5de deel verscheen (1937) bevattende: de 
weefstof, het spinnen, het weven en de kleeding; men vindt hier een groote reeks 
onderwerpen behandeld van het schaapscheren, den vlasbouw, beschrijvingen van 
weefgetouwen tot mannen-, vrouwen- en priesterkleeding uit de Oudheid en het 
tegenwoordige Palestina toe. Deze verzameling van Dalman is eenig in haar soort en 
zal altijd waardevol blijven, omdat het moderne Palestina waarschijnlijk spoedig, juist 
in de dingen van het dagelijksche leven, volkomen zal hebben afgerekend met allerlei 
gewoonten, die vergelijkbaar zijn met en herinneren aan het oude Oostersche leven. 
De folklore van Palestina, beoefend door zulk een eminent geleerde als Dalman, met 
zulk een kennis èn van het latere Joodsche leven, èn van het Palestina in den N.T.-ischen 
tijd, bewijst in dit werk van onschatbare waarde te zijn voor de kennis van het Oosten, 
in heden en verleden. 

VERGELIJKENDE GODSDIENSTGESCHIEDENIS. Een der brandendste vragen op 
O.T.-isch terrein blijft de verhouding van Israël en de volkeren, vooral met betrekking 
tot de religie. Naar alle kanten worden contacten gelegd. In dit opzicht biedt het genoemde 
boek van W. L. Wardle: The history and religion of Israël , een duidelijk critisch 
overzicht van de probleemstelling, door de verhouding tegenover de 'primitieve' Noord- 
Arabische, Kanaanietische, Babylonische en Egyptische voorstellingen te bepalen; hij 
legt echter op de primitieve elementen (als totemisme en taboe) te veel nadruk, en 
raakt de nieuwe Ras éamra-literatuur nauwelijks aan. St. A. Cook: The Old Testament , 
A reinterpretation, 1936, wijdt eveneens een hoofdstuk aan Israël en de volkeren. 

Een algemeen samenvattend overzicht geeft het groote werk van C. F. Jean : Le 
milieu biblique , waarvan het derde (slot)deel in 1936 verscheen; het geeft zoo goed 
als alle materiaal op litterair en archaeologisch gebied, zoowel uit de oud-oostersche 
als de antieke wereld, in hoofdzaken weer, zonder het bepaald te verwerken. 

Wanneer we nu beproeven een overzicht te geven van de godsdiensthistorische 
problemen rondom het O.T., dan moeten daarbij achtereenvolgens de Sumerisch- 
Babylonische, de Phoenicisch-Kanaanietische, de Parsistische en de Hellenistische 
werelden aan de orde komen. 

Een merkwaardige poging Israëls monotheïsme uit Sumer te verklaren is die 
van L. Woolley in zijn genoemde boek, Abraham , waarin dat monotheïsme wordt 
teruggevoerd op den cultus van een door Abraham uit Ur meegenomen familiegodheid 
(d. i. de patroongod, zooals die uit verschillende zegelcylinders bekend is; Woolley 
brengt deze eenerzijds in verband met door hem in Ur gevonden grafkamers onder 
de huizen, anderzijds met de terafim uit het O. T.); deze zouden door Abraham — 
in tegenstelling met den maandienst — bewaard zijn gebleven op zijn reis naar Kanaan 
en later daar tot clangod verheven zijn. 

Hoever de meeningen uiteengaan bij de waardeering der verhouding van Israël 


en Babel blijkt uit de opvattingen van R. Pettazoni en G. Widengren. R. Pettazoni: 
La confessione dei Peccatiy Parte Seconda, Vol. II, 1935, behandelt na Egypte en 
Babylonië breedvoerig Israël (blz. 140—311). Uitgangspunt voor zijn opvatting van 
zondebelijdenis is de idee, dat het uitspreken der zonde een magische beteekenis heeft, 
daar dit de zonde actualiseert en de mogelijkheid geeft ze te elimineeren; bij het 
v uitspreken behoort dus wezenlijk de handeling als het reinigende, vernietigende element. 

Terwijl in Babel dit element duidelijk is gehandhaafd gebleven, is het in Israël hoogstens 
als survival bewaard. In de O. T.-ische klaagpsalmen, die als schuldbelijdenissen wel 
in den cultus hun oorsprong vinden (als in Babel) en die hun prototype hebben in 
de boetepsalmen in Babel, is echter de primitieve opvatting overwonnen: de klaag¬ 
liederen zijn aangepast aan de Israëlietische religie. Naast de individueele klaagliederen 
behandelt Pettazoni de voor Israël typische collectieve zondebelijdenis (in den vorm: 
wij hebben gezondigd), waartegenover in Babel de klaagliederen van den koning staan; 
daarna: den collectieven periodieken grooten verzoendag, die in de oud-Semietische 
wereld ontstaan is en verbonden is met den Kanaanietischen (Hurrietischen) zondebok 
en met het Nieuwjaarsfeest. 

, Geheel anders oordeelt G. Widengren over de klaagliederen; in zijn dissertatie 

(Uppsala 1936): The accadian and Hebrew psalms of lamentation as religious documents , 
a comparative study, bestrijdt hij b. v. scherp Edelkoort, die in zijn dissertatie het 
magische element der Babylonische begeleidende handelingen bij de psalmen had ge¬ 
accentueerd ; Widengren echter meent, dat hier slechts sprake is van symbolische 
illustratieve handelingen. Het boek gaat uit van de gedachte van de geestelijke eenheid 
van Israël en Babel; de Israëlietische religie is in wezen diep beïnvloed door de 
Babylonische; de 'Syro-Phoenicische’ religie is het gezochte verbindingselement tusschen 
de Akkadische en Kanaanietisch-Israëlietische godsdiensten. Het is niet te verwonderen, 
dat de schrijver tot het volgende 'most interesting’ resultaat is gekomen, dat de ver¬ 
gelijking van het Akkadisch en Hebreeuwsch materiaal aanwijst, dat 'in the whole of 
the Near Oriënt, the essential features of the Semitic idea of God seems to have been 
the same’. Wat zijn eigenlijke onderwerp betreft, is zijn resultaat, dat de Israëlietische 
klaagpsalmen onder invloed van de overeenkomstige Akkadische literatuur ontstonden. 
Hoofdzakelijk tegenover G. R. Driver, die de overeenkomsten der boetepsalmen in de 
beide literaturen toeschrijft aan gemeenschappelijke afkomst der volkeren, tegenover 
den Psalmencommentaar van Gunkel-Begrich, die het persoonlijk-geestelijk element in de 
psalmen erkennen, en tegenover Edelkoort, die de tegenstelling probeert te formuleeren, 
zoekt Widengren de eenheid in vorm èn idee van beide psalmgroepen aan te toonen. 
Inderdaad wijst de vergelijking vaak verrassende verwantschap in vorm en inhoud. 
t Maar over de verschillen, die bij vergelijking (van twee zulke verwante literatuur¬ 

genres bij twee zulke verwante volkeren) het belangrijkste zijn, gaat Widengren te 
vluchtig heen (b. v. zijn bespreking van het Israëlietische monotheïsme; het verschil 
in aanhef der psalmen; de erkenning, dat de Israëlieten meer subjectief en minder 
traditionalistisch zijn). Strenger taalkundig onderzoek van de belangrijkste der gebruikte 
Babylonische en Israëlietische termen en van hun ontwikkeling (die aan deze termen 
in de verschillende stadia der godsdienstgeschiedenis telkens nieuwe beteekenis geeft) 
en erkenning van het magisch karakter der begeleidende handelingen zouden in veel 
opzichten een ander beeld hebben gegeven; te veel zijn hier uiterlijke formuleeringen 
als bewijzen voor wezensverwantschap aangezien. 

Het proefschrift van Th. C. Vriezen: Onderzoek naar de paradijsvoorstelling bij 
de oude Semietische volken , 1937, gaat het paradijsmotief na, benevens de in het 
O. T.-ische paradijsverhaal voorkomende bijzondere of verwante motieven in de oud- 
Semietische wereld, waarbij het materiaal uit de Sumerische, Babylonisch-Assyrische 
^ en Phoenicische werelden wordt gelegd naast het bijbelsche. Uitgangspunt is de zelf¬ 

standigheid dezer religies, zoodat bij elk dezer afzonderlijk de motieven nagegaan 
worden. Van samenhang met specifiek Babylonische voorstellingen blijkt in het O. T.-ische 
paradijsverhaal zoo goed als niets, wel met algemeen oud-Semietische ideeën, het 
allermeest met Phoenicische; terwijl typisch Palestijnsche voorstellingen evenmin ontkend 
kunnen worden als het Jahwistisch-profetisch karakter van het (verloren-)paradijsverhaal 
zelf. De verhouding Israël-Babel ligt op de onderscheiden gebieden van religie en 
religieuze voorstellingen telkens zeer verschillend; het voorbijzien [daarvan schijnt de 
zwakke plek van de bovengenoemde studie van Widengren. 




332 LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 

In verband met de vraag Israël en Babel mogen we noemen de korte studie van 
H. Th. Obbink: The horns of the altar in the semitic world , especially in Jahwism, 
JBL 56, 1937, 43, waarin de samenhang van de altaarhoornen met de als onwettig 
veroordeelde masseben uit de Syro-Phoenicische wereld wordt ontkend, maar verband 
wordt gezien met de hoornen als goddelijke symbolen in Babylonië-Assyrië J ). 

Meer en meer blijkt de groote beteekenis van de Ras-Samra-literatuur 
voor het O.T.-isch onderzoek 2 ). Er komt iets spannends in, als van de momenten 
der groote ontdekkingen op Babylonisch gebied, de Teil el-Amarna-brieven en de 
zuil van Hammurabi. Wij wijzen voor de bewerkingen van de onderhavige teksten 
behalve op de laatste jaargangen van Syria, vooral op verschillende artikelen van 
Dussaud in RHR , 1931/2; 1935/6, de titels daarvan met de belangrijkste literatuur 
vindt men behalve bij Dussaud v in het onmisbare werkje van H. Bauer, Die alpha - 
betischen Keilschrifttexte von R-S (Lietzmanns Kleine Texte 1936). Hiernaast mag 
de verzameling en bewerking van H. L. Ginsberg, Kitbe Ugarit, 1936, zeker niet 
onvermeld blijven (zie ook vorig Jaarbericht , blz. 211). De verschijning van een 
ofificieele serie RS-publicaties is in voorbereiding; er verschenen in 1936 twee deelen 
van de Mission de RS, nl. Tomé I Ch. Virolleaud: La légende phênicienne de Danel , en 
Tomé II: La légende de Keret, roi des Sidoniens . Ze zijn prachtig uitgegeven met 
inleidingen, transcripties, vertalingen, noten, glossarium, autografieën en foto’s der 
teksten. Wie zich met deze werken bezighoudt, krijgt niet alleen eerbied voor wat 
de Fransche editor reeds heeft gepraesteerd, maar tegelijk de zekerheid, dat er nog 
jaren van studie en samenwerking van vele geleerden noodig is, om tot een vaste 
interpretatie van deze teksten te komen. Het materiaal is echter alreeds op deze 
wijze onbekrompen ter beschikking gesteld. Op het eerste deel gaf E. Dhorme een 
breedvoerige critiek in Syria 18, 1937, 104—113, waaruit we aanstippen, dat hij den 
naam ‘Danel’ eerder met Dan, den zoon van Jakob, dan met Danel uit Ez. 28 wil ver¬ 
binden; want verbindingen tusschen Sidon en Dan zijn geographisch zeer waarschijnlijk; 
trouwens, ook Dussaud bracht reeds Syria 16, 1936, 283, het Hulemeer met Dan en zijn 
stiercultus in verband met een Ras èamratekst (Anat et la Génisse , zie ook het nagenoemde 
werk blz. 100 en J. W. Jack: ET, 48, 1936/37, 261). — R. Dussaud: Les décoitvertes de Ras 
Shamra et TAncien Testament , 1937, geeft in boeienden vorm een algemeen overzicht 
over den stand van het vraagstuk RS en het O.T. Ook al schijnt den critischen lezer 
niet alles, wat daar geboden wordt, vaststaand, toch blijft er genoeg belangrijks over, 
historisch, cultisch, litterair. Niet alleen enkele belangrijke bijzonderheden van het 
O.T. komen in nieuw licht te staan (Ex. 13 19 ; 34 20 ; namen Terah ? en Danel uit 
Ez. 28?; waarde van den sikkel in het O.T., de oorsprong van den cultus te Dan, 
Zebulon en Aser als Kanaaneesche stammen, de uitdrukking: land van melk en honing, 
veel cultische woorden en mythologische namen, als leviathan), maar het aspect op 
het O.T. wordt meermalen vernieuwd. Want met deze teksten naderen we dichter 
dan ooit de geestelijke levenssfeer, waarin Israël zich heeft ontwikkeld, en waartegen¬ 
over het O.T. is ontstaan. Dussaud’s conclusie b. v., dat de patriarchenverhalen en 
de cultische voorschriften van het O.T. gebleken zijn veel ouder te wezen, dan men 
tot nu toe bij het historisch-critisch onderzoek toegaf, schijnt ons onweerspreekbaar. — 
Daarnaast noemen we de zeer waardevolle opstellen van R. de Vaux: Les textes de 
Ras Shamra et TAncien Testament , RB 46, 1937, 526—555; vgl. a. w. 440—447 en 
362—372. In de laatste blzz. geeft hij een nieuwe theorie aangaande de plaats van 
handeling der Keret-legende, welke zijns inziens waarschijnlijker gezocht moet worden 
in Galilea, dan in Zuid-Palestina; het eerste genoemde opstel behoort tot de beste 
overzichten, die ons in handen kwamen. — Het boekje van Ditlef Nielsen, Ras Samra 
Mythologie nnd biblische Theologie , schijnt ons in zijn opzet nog veel meer dan sommige 
conclusies van de genoemde Fransche auteurs praematuur, al bevat het goede blad¬ 
zijden over godenzonen buiten en in het O.T., en in verband daarmede over de 
engelenleer. Een, voor zoover ons bekend is, eerste Nederlandsche bewerking van een 
der Ras Samra-teksten werd gegeven door Dr J. H. Kroese in zijn dissertatie: Genesis 


! ) K. Fuchs, Die attest. Arbeitsgesetzgebung im Vergleich zu?n Codex Hammurapi , zum altassyrischen und 
hethitischen' Recht , diss. Heidelberg 1935, heeft hoogstens als materiaalverzameling waarde. 

2 ) Verg. ook in dit Jaarbericht , blz. 347. 


VERGELIJKENDE GODSDIENSTGESCHIEDENIS 333 

Veertien , en wel van den tekst, die bekend is onder den titel: La naissance des Dieax 
gracieux et beanx , waarin hij zich verzet tegen Barton’s bekende verklaring (zie Jaar¬ 
bericht n° 3, 1935* 99). — De mythologische slangenvoorstellingen van het O.T. (Leviathan 
etc.) worden in verband met de Ras èamra-gegevens onderzocht door P. Humbert: 
A propos du w serpent ” (bsn) du mythe de Mot et Alein , AfO 11, 1936/7, 235—237. 

De verhouding van Israëls religie tot den godsdienst der Kanaanietische en 
Arabische stammen en het Palestijnsche volksgeloof worden door Cook en Wardle aan 
de orde gesteld. Uitteraard wordt deze kwestie ook aangeraakt in vele onderzoekingen 
op het gebied van Israëls inwendige godsdienstgeschiedenis (vgl. beneden: Religie). 

A. Brock-Utne (zie Jaarbericht n° 4, 1936, 193) publiceerde een zeer interessant, 
hoewel aanvechtbaar artikel, over Gen. 4: Die religionshistorischen Voraussetzungen 
der Kain-Abel-Geschichte , ZAW NF 13, 1936, 202, waarin Kain gezien wordt als de 
stamvader van een lagere cultuspriesterschap, die in haar vegetatiecultus (offer van 
Kain) het menschenoffer (dood van Abel door Kaïn) kende, die als muzikanten en 
handwerkers onder de stammen rondtrok en zich vaak bij de steden vestigde; als 
‘heilige personen’ was ze onder Jahwe’s bescherming en ontving ze Zijn teeken. Het 
verhaal van Gen. 4 zou dus als wapen in den strijd tegen de misschien onder het volk 
populaire ‘Keniten’ zijn gebruikt. Naar onze meening is hetgeen Brock-Utne geeft, 
eerder een mogelijke achtergrond van het verhaal dan zijn inhoud zelf, dat minder 
primitief en cultisch bepaald is dan de auteur het voorstelt (vgl. b.v. naast dit 
broederpaar Ezau-Jacob). Verwant hieraan is de poging van W. E. Staples om in het 
boek Ruth een latere verwerking van een oude cultusmythe te zien, samenhangend 
met een vruchtbaarheidscultus in Bethlehem (AJSL 5, 1937, 145). In zijn 2 de artikel: 
Le „ refrigerium ” dans Pau-dela , RHR, 114, 1936, 69 ss., behandelt A. Parrot, de 
doodenverzorging in het O.T. (spijziging en water schenken voor de nephes ). 

In dit verband noemen we het opstel van S. Krauss: Der richtige Sinn von 
*Schrecken in der Nacht\ HL, III, 8, in Occident and Oriënt, welke wijst op het 
volksgeloof, volgens hetwelk de dsemonen het vooral op den bruidegom in de eerste 
huwelijksnacht begrepen hebben. 

De in Jaarbericht n° 3, blz. 95, genoemde opvatting van Eissfeldt over Molech = 
molk = kinderoffer, is nog steeds een onderwerp van bespreking; door velen is ze 
bestreden o.a. door E. Dhorme, RHR, 113, 1936, 150, door A. Bea, Biblica , 18, 1937, 
95: Kinder opfer für Moloch oder für Jahwe?, maar door R. Dussaud verdedigd, AfO, 
11, 1936, 167, die uit de Ras ëamra-literatuur meent een bewijs te hebben voor de 
beteekenis van mik als offer (in zijn bovengenoemde: Découvertes , p. 110 is D. reeds 
voorzichtiger in zijn uitdrukking). 

Een artikel van J. W. Jack: La situation religieuse d’Israël au temps d'Achab, 
RHR 112, 1935, 145 behandelt, zonder veel nieuwe gezichtspunten te geven, de 
verhouding van ‘Baalisme’ en Jahwisme ten tijde van Elia, waarbij Elia wordt gezien 
als de verpersoonlijking van een Jahwistische hernieuwing, die uit de woestijngebieden 
van Sinaï-Qades naar het Noorden kwam. 

Van bijzonder belang is het groote werk van den Straatsburgschen R. Katholieken 
geleerde A. Vincent: La religion des Judéo-Araméens d'Elépkantine , 1937, die zich deze 
Joodsche kolonie gevormd denkt tusschen 630 en 621 v. Chr. als een vluchtelingen¬ 
gemeente waarschijnlijk uit Bethel, na de inname dezer stad en verwoesting van het 
heiligdom door Josia. In de overgebleven documenten is niets bewaard van een 
herinnering aan de deuteronomistische reformatie van dezen koning; de religieuze staat 
van de Joodsche kolonie in het Zuiden van Egypte komt dus in hoofdzaak overeen 
met de religieuze praktijken van Bethel van vóór 622, zoodat we daardoor een inzicht 
krijgen in het syncretisme van Bethel uit die tijden. We zien, hoe in dezen vorm van 
religie allerlei antiek-Semietische namen en voorstellingen bewaard zijn gebleven; zoo 
bleef de oude Godsnaam Yahb daar in gebruik in plaats van den zuiver-Israëlietischen 
naam Jahwe\ naast Jahwe als hoofdgod werden toenmaals in Bethel en later in Elephantine 
vereerd: Harambéthel , geïdentificeerd met den Syrischen berg(god) Hermon; Anat , 
godin des hemels en de oude Amorietische god Asim-Esmun onder den naam Aszm- 
bétheL De geringe beteekenis der priesters en de onkunde in zake de feesten (Paschen) 
wijzen er wel op, hoe weinig de illegitieme priesters van Bethel in tel waren en hoe 
weinig men zich aldaar naar de Mozaïsche traditie richtte. Onnoodig te zeggen, dat 





334 


LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 


VERGELIJKENDE GODSDIENSTGESCHIEDENIS 


335 


in dit boek met meer dan 700 blz. een massa materiaal is verwerkt, waarin vooral de 
verhouding der religieuze voorstellingen van de gemeente van Elephantine wordt vast¬ 
gesteld tot de uit het O.T. als zuiver-Israëlietisch bekende, en tot de Phoenicisch- 
Kanaaneesche of de algemeen-Semietische. 

Nog naar andere samenhangen wordt gezocht; zoo behandelt W. Staerk de vraag: 
Hat sich der Paradiesesmythos Gen . 2 f in pars is tischer Tradition er halt en? in Werden 
und Wesen des A. T., Beih. ZAW 66, 225. Eveneens in de richting van gemeen¬ 
schappelijke Indisch-Perzische en O. T.-ische traditie beweegt zich het opstel 
van A. H. Krappe: The birth of Eve, Occident and Oriënt 312, waar hij in aansluiting 
aan vroegeren (zie bovengenoemde dissertatie over de Paradijsvoorstelling blz. 168) 
Adam vóór de geboorte van Eva als androgyn voorstelt en van daaruit Gen. 2 24 verklaart. 

Over Israëls wijsheidsliteratuur als een phase tusschen oud-Oostersche en Grieksche 
Wijsheid schreef A. Causse een opstel: VHumanisme Juif (Annuaire Institut Phil. et 
Hist. Orientales et Slaves IV 1936); de chokma moet in haar klassieke periode als 
erfgename van de oude Oostersche wijsheid; in haar tweede phase als beheerscht door 
de Wet, in haar laatste (niet-bijbelsche) stadium als aanpassing aan de sophia worden 
beschouwd. 

Ook de verhouding van antieke wereld en Israël wordt nagespeurd; zoo 
zet F. Dornseiff zijn artikelen: Antikes zum A. T, ZAW NF 14 1937, 127 voort. De 
belangrijkste studie in dit verband is van H. Thiersch: Ependytes und Ephod (Geistes- 
wissenschaftliche Forschungen, Achtes Heft) 1936. De bekende klassicus-archseoloog 
behandelt hier het thema: Godsbeeld en priesterkleed in Voor-Azië; hij gaf reeds in 
ZAW NF 12, 1935 180 een Voranzeige, waarop we met nadruk wijzen; in één opzicht 
herziet de schrijver zich, door nl. de in ZAW 183 bestreden Hollandsch-gereformeerde 
voorstelling van de hosaen (‘borstlap’) als vierkant met drie rijen van vier edelsteenen 
als juist te erkennen. De auteur zoekt in een, in de geheel klassieke wereld zeer ver¬ 
breid, langer of korter overkleed der godenbeelden de parallel van de O. T.-ische 
ephod ; hij ziet daarbij ook de beteekenis van de iirim en tummim onder het oog, 
welke hij meer als functies van de ephod beschouwt dan als bijzondere aan deze 
toegedane voorwerpen. De verzamelde gegevens zijn door veelvuldige afbeeldingen 
zeer verrijkt, waardoor de vorm en ook vaak de idee van het borstkleed van goden¬ 
beelden, priesters en vorsten uit verschillende cultuurkringen wordt duidelijk gemaakt. 
Dat hiermee een wezenlijke verheldering van vorm en functie van de ephod is gebracht, 
is even zeker als dat het boek van den geleerden schrijver nieuwe vragen opwerpt 
(b.v. zijn de door hem bijeengebrachte kleedingstukken inderdaad van een zelfde functie?) 
en oude vragen niet voor allen bevredigend oplost (opvatting van urim en tummim ). 
Nu de Ras Samrateksten ons reeds het equivalent van ephod gaven, is de mogelijkheid 
naderbij gekomen van de oplossing dezer eeuwenoude kwestie langs zuiver litterairen 
weg. — In Occident and Oriënt 409 geeft A. Marmorstein, Comparisons between Greek 
and Jewish religious customs and popular iisages ; deze betreffen grootendeels laat- 
Joodsche gewoonten, maar betrekken ook het O.T. in de vergelijking, b.v. Dt. 22 5 
en Nu. 19 1 vv. 

Terugziend op het vergelijkend godsdiensthistorisch onderzoek verwondert de 
afwezigheid van Egypte; dit land zou niet ontbreken, indien we de wijsheids¬ 
literatuur meer hadden kunnen betrekken in ons overzicht. 

Al tastend naar verbanden tusschen de aparte feiten, die de oud-Semietische 
wereld biedt, worden bepaalde verhoudingen eenigszins duidelijk en blijkt het O. T. 
te staan midden in den samenhang met de geheele oud-oostersche 
wereld, maar dan in een levende relatie, wat zoowel overeenkomst 
als verschil, aansluiting èn bestrijding beteekent. Naarmate het gemeen¬ 
schappelijke meer aan den dag komt, teekent zich ook het eigene van Israëls religie 
scherper af. Te veel op de overeenkomst wijzen boeken als Widengren, en W. C. Graham 
and H. G. May: Culture and Conscience , an archaeological study of the new religions 
past in ancient Palestine, 1936, dat niet bereikbaar was in de bibliotheken. Daarnaast 
wordt steeds duidelijker het polemische element in het Israëlietische Jahwisme, waar¬ 
van Hempel telkens spreekt, b. v. Althebr . Lit . I, 14, ZAW NF 14, 1937, 149 ook 
Welch: Prophet and Priest in Old Israël , 1936, onze dissertatie, blz. 211 v. v., en 
Dussaud’s meergenoemde boek 95. De beide elementen komen duidelijk uit in het 


opstel van St. A. Cook: The development of the religion of Israël, Annuaire Institut 
Philologie et Hist. Orientales et Slaves 1936, 539. 

RELIGIE VAN ISRAËL. De reeds eerder genoemde boeken van Wardle en Cook 
moeten als algemeene overzichten voorop gaan. Het boek van Cook is een in allerlei 
opzicht streng verantwoord werk, dat bijna nog eerder dan een inleiding in het O. T. 
(zooals de titel doet vermoeden) een compacte Israëlietische godsdienstgeschiedenis 
kan genoemd worden. Het boek van K. Holzhey: Jahzve der Gott Israëls , Alttestl. 
Abhandlungen XII 4, 1936, stelt teleur, omdat het weinig bijdraagt tot een werkelijk 
inzicht in het probleem, dat het behandelt: ‘Jahwes strijd tegen de vreemde góden’, 
maar is blijven steken in allerlei geografische bijzonderheden omtrent de volken, in 
het O.T. genoemd; onjuistheden worden den lezer niet gespaard. 

[J. Kaufmann is begonnen met de publicatie van de synthese zijner vele opstellen 
op het gebied der Israëlitische godsdienstgeschiedenis: Töledoth ha-emunah hafiseëlith , 
deel I, 5697 (1937). De hoofdthesen van het boek zijn de volgende: De idee van het 
absolute monotheïsme is geenszins pas een schepping van de profeten. Aan hun op¬ 
treden gaat een wettische en historische litteratuur vooraf (Thorah-litteratuur), die 
geheel door deze idee wordt beheerscht, maar die voor het overige in al haar voor¬ 
stellingen (omtrent de aard van de zonde, omtrent de cultus, omtrent de geschiedenis 
van Israël, omtrent de eschatologie) fundamenteel van de profeten verschilt. Veel van 
deze oude litteratuur is verzameld in de veel jongere boeken van Genesis tot 
en met Koningen, waarbij (blijkens vele tegenspraken en anachronismen) van ver¬ 
andering door redactioneel ingrijpen bijna geen sprake was. De verschillende lagen, 
waaruit de boeken zijn opgebouwd zijn nog duidelijk te onderkennen; met name aan 
de volkomen onafhankelijkheid der erin opgenomen wetscorpora kan geen twijfel 
bestaan. De JEP litteratuur vertegenwoordigt een ouder stadium dan D. Vooral de 
gedeelten van het werk, waar door een godsdiensthistorische analyse van de wetten 
(ook die betreffende priesters en landbouwgaven), de geschiedsopvatting en het wereld¬ 
beeld de hooge ouderdom van P (het wetboek der Bamoth , heiligdommen vóór de 
centralisatie van de cultus door D), moet worden aangetoond, maken de indruk van 
een uitermate scherpzinnige critiek, onbezwaard door het vooroordeel van eenigerlei 
theologische of wetenschappelijke traditie. S.]. 

Over het karakter van het ethische monotheïsme, welks oorsprong achter den tijd 
der latere groote profeten moet teruggaan, in de Mozaïsche periode, schreef O. E. 
James: The development of the idea of God in the O.T., ET 47, 1935/6, 150, en: 
Ethical Monotheism , Occident and Oriënt, 267. 

In aansluiting aan vorige Jaarberichten blz. 89 en 192 v. wijzen wij in dit verband 
op enkele nieuwe beschouwingen aangaande den Godsnaam in Israël. Uitgaande van 
den in Ras èamra gevonden Godsnaam Jw wil A. Vincent in zijn bovengenoemde 
boek, blz. 25 vv., met Virolleaud (tegenover H. Bauer, ZAW NF 10, 1933, 92) den 
oudsten vorm van den lateren Israëlietischen Godsnaam zien, waarvan de uitspraak 
geluid moet hebben Yahö. Deze naam is naast den officieelen Jahweh in de volks- 
religie bewaard gebleven. A. Lukyn Williams: The Tetregrammaton-Jahweh, Name or 
Surrogate , ZAW NF 13, 1936, 262, komt tot ongeveer dezelfde conclusie, wat de 
uitspraak betreft ( Jahoh ), maar veronderstelt, dat de naam Jahweh een surrogaat is, 
die de juiste uitspraak verbergt. Volgens Vincent is de naam Jahweh daarentegen 
een nieuwe naam op grond van de Mozaïsche openbaring, die de idee uitdrukt: ‘Hij, 
die is.’ R. de Vaux, die in zijn genoemd opstel RB 46, 1937, 553 zeer critisch staat 
tegenover een vóór-Israëlietisch equivalent van Israëls Godsnaam, meent, dat, indien 
er ooit een zeker bewijs van zou zijn, de naam Jahweh een bewuste vernieuwing is 
geweest op grond van de openbaring aan Mozes en volgens de verklaring, gegeven 
in Ex. 3. Een voordeel van deze veronderstellingen is wel, dat een beroemde crux 
interpretum , de tegenstelling Ex. 6 2 v. en Gen. 4 20 , wordt opgeheven. Ook A. Schleiff: 
Der Gottesname Jahwe , ZDMG 90, 1936, 679, maakt onderscheid tusschen een religieus 
gebruik in Israël van den naam Jahwe en een profaan gebruik van den naam Jao . 
Een breedvoerige, helaas zeer weinig overzichtelijke, beschouwing over de geschiedenis 
van den Godsnaam in Israël, en het gebruik in het O.T., geeft P. Ruben in zijn 
genoemd boek: Recensio und Restitutio , 91; de Godsnaam zou samenhangen met 



T 


33 6 LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 

den cultus te Silo en oorspronkelijk hebben geluid: Adonai Jahweh Sebaoth , wat R. 
vertaalt met: ‘de Heer, die de legerscharen leidt’ [hjh synoniem van js°). 

Twee belangrijke zijden van de O.T.-ische religie worden belicht door G. van 
Rad: Das theologische Problem des alttest. Schopfungsglaubens, (Werden und Wesen 
des A. T. 138), volgens wien het O.T.-ische scheppingsgeloof een soteriologischen inhoud 
heeft (vooral Ps. 89; 74, Gen. 1, tegenover Ps. 19 en 104, die meer in overeenstemming 
zijn met het oud-oostersch scheppingsgeloof), en daarnaast door W. Staerk: Zum 
alttest. Erwdhlungsglauben , ZAW NF 14, 1937, 1, die de verkiezing Gods als genade 
en taak, geschonken aan het volk, enkelingen en heilige plaatsen, laat zien als een der 
beslissende godsdienstige voorstellingen van oud-Israël. 

H. W. Robinson: The Hebrew Conception of Corporate Personality (Werden und 
Wesen des A.T., 49) onderzoekt de verhouding van individu en gemeenschap in oud- 
Israël en verklaart van uit het psychologische feit van den mogelijken overgang van 
beide in elkaar, de verhouding van vorst en volk, van het Tk’ der Psalmen, en de 
figuur van den Knecht van Jahweh in Deuterojesaja (profeet als representant der natie 
en andersom). Het karakter van het boek van A. Heschel: Die Prophetie (Krakow 
1936) kan niet met enkele woorden worden omschreven; het is een psychologisch- 
godsdiensthistorische studie, inzoover het meer de profetische beleving naar haar 
werkelijkheid dan naar haar waarheid onderzoekt, maar door uitgangspunt en doel 
is het wezenlijk een theologisch werk geworden en zou dus ook bij de volgende 
literatuurgroep behandeld kunnen worden. Het vergelijkend godsdiensthistorisch onder¬ 
zoek, dat het profetisme benadert van de idee der extase verwerpend, ziet de 
schrijver het profetisme vanuit het getuigenis der profeten omtrent hun profetische 
ervaring zelf. De profeet beleeft daarin: de goddelijke bewogenheid om den mensch, 
welke hemzelf meetrekt in sympathetisch gevoelen en handelen (nieuwe beschouwing 
van Hosea’s huwelijk in dit verband); de ervaring betrekt zich op een gebeuren, 
dat als ‘ingeving’ gekend wordt en een strenge gebondenheid meebrengt. In tegen¬ 
stelling met de mystische kennis Gods, die een verstaan is van het Wezen Gods, 
is de profetische een verstaan van Gods verhouding (‘Pathos’) tot de wereld. In 
de laatste bladzijden behandelt Heschel de profetische religie en theologie. Jammer 
is, dat de schrijver zoo sterk met eigen begripsformaties werkt, het profetische beleven 
zoo uitsluitend in de sfeer van het affectieve plaatst en zoo weinig het oudste 
profetisme in historisch verband met godsdienstige verschijnselen van omwonende 
volkeren kan zien, maar alles bijeengenomen achten we dit boek godsdienst-psychologisch 
èn theologisch een bijzondere verschijning (vgl. Jaarbericht n° 3, blz. 94). In aansluiting 
aan dit boek over de profetie noemen wij de korte studie van H. W. Wolf: Das 
Zitat im Prophetenspruch , 1937, dat grootendeels een stilististische studie over den vorm 
en de echtheid of gefingeerdheid van het profetische citaat is, maar daarnaast ver¬ 
schillende theologische conclusies trekt, o. a. over het wezen der profetie. 

In aansluiting hieraan is op haar plaats een bespreking van één der meest op 
den voorgrond tredende vragen n. 1 . de beteekenis van den O.T.-ischen cultus, en de 
houding van de profeten ertegenover, zie vorig Jaarbericht blz. 191. Daar wordt voor¬ 
namelijk gewezen op L. Kohier, die in zijn Theologie met nadruk betoogt, dat het 
cultische is overgenomen uit het vóór-Mozaïsche tijdperk, en het profetische het nieuwe 
openbaringselement van het Mozaïsme vertegenwoordigt. Een verwant standpunt 
neemt ook C. R. North, Sacrifice in the 0 . T, ET, 47, 1935/6, 250 in, volgens wien 
de profeten het offer als zoodanig bestrijden. Zeer beslist schrijft P. Volz in Z. f.syst. 
Th ., 14, 1937, 63 over: Die radikale Ablehnung der Kultreligion durch die alttesta - 
mentlichen Profeten . De taak der profetie is voor hem blijkbaar: de ontworteling der 
priesterreligie; de Mozaïsche periode was volgens de profetische traditie volstrekt 
zonder offers (op grond van de bekende Amos- en Jeremia-teksten), hoewel daarnaast 
in het O.T. andere tradities zijn, die het offer in die periode wel erkennen. Men 
krijgt bij Volz sterk den indruk, dat een Christelijk-reformatorische waardeering van den 
cultus in het O.T.-isch profetisme wordt ingedragen; deze zelfde opmerking maakt 
J. Hempel in zijn £%mz//è-bespreking van Köhlers Theologie tegenover den schrijver, 
ZAW, NF 13, 1936, 294. Op diens critiek willen we met nadruk ook verwijzen. 
Evenals Hempel ziet ook A. C. Welch, Prophet and pnest in Old Israël , 1936 den 
Israëlietischen cultus ontstaan uit de inwerking van het profetische op het priesterlijk- 


RELIGIE VAN ISRAËL 337 

cultische geestelijk leven, dat op zijn beurt een historisch uitgangspunt heeft in vóór- 
Mozaïsche riten. Sterk is Welch in zijn uitgangspunt: het herstel van den cultus na 
de ballingschap onder medewerking van de profetie bewijst, dat de cultus gevoeld 
moet zijn als behoorend tot het wezen van het Jahwisme, en niet als iets ontleends 
uit de omringende wereld. (Vgl. nog het opstel van A. R. Johnston, The prophet in 
israeL worship , ET 47, 1935/6, 312). Dit probleem hangt ten nauwste samen met 
de vraag naar de verhouding van priester en profeet. In dit opzicht zijn verwant de 
opvattingen van Welch en W. Eichrodt, zooals de laatste die in een ‘Zusammenschau’ 
van Israëls religie vanuit de idee van Jahwe’s koningschap (Gottes ewiges Reich und 
seine Wirklichkeit in der Geschichte nach alttest . Ojfenbarung , Th. St. u. Kr. 108 NF 3, 
1937, 1) uitwerkt. Deze studie behoort eerder bij de theologische literatuur genoemd te 
worden, maar daar de schrijver zich juist breedvoerig over het onderhavige thema 
uitspreekt, vinde ze hier vermelding. Het verschil van Welch en Eichrodt schijnt 
dit, dat laatstgenoemde nog meer den nadruk legt op het naar haar wezen kritische 
karakter der profetie, die dan ook verdwijnt na het herstel van tempel en gemeente 
na de ballingschap. In den profeet is als het ware vertegenwoordigd de eschatologische 
zijde van het Jahwisme, dat Jahwe erkent als andersoortig dan de góden der volkeren, 
terwijl de priester vertegenwoordigt den ‘diesseitigen’ kant van ditzelfde monotheïsme. Dit 
standpunt doet, ondanks de meesleepende eenheid van structuur, wat erg denken aan 
een theologische systematiek, die te veel abstraheert van de historische werkelijkheid. 

Op het gebied van den priester voeren ons de studies van Begrich en Hanel. 
Begrich: Die priesterliche Tora (Werden und Wesen des A.T., 63), stelt als ’t wezen 
van de Thora vast: ze is het door den priester, namens Jahwe, uitgesproken woord, 
dat principieel bedoelt het onderscheid te leeren kennen tusschen heilig en profaan ; 
daarna gaat Begrich de stijlvormen na, waarvan de Thora-meedeeling zich bedient; 
J. Hanel: Das Recht des Opferschlachtens in der chronistischen Litteratur , ZAW, NF 14, 
1937, 46, onderzoekt het recht van het offerslachten, dat in de Kronieken, tegenover 
den Priestercodex, aan de Levieten wordt toegestaan. Hij trekt hieruit conclusies 
aangaande den tijd van ontstaan der Kronieken, in dezen zin, dat de Midrasch, 
waarvan het boek de uitwerking is, vóór de Ezra-reformatie moet zijn ontstaan. 

We noemen tenslotte nog H. Torczyner, die uitgaande van Zach. 4 10 : Gods oogen 
zwervend over de heele aarde, schreef over Satan als den oorspronkelijken geheimen 
politieken beambte, die voor den koning onderzoek doet naar het gedrag der onderdanen, 
en zoo later de aanklager-figuur wordt ( How Satan came in the World , ET 48, 1937, 
563). Men zie daarnaast vorig Jaarbericht blz. 193. J. H. Korn in zijn studie over de 
verzoeking in den Griekschen Bijbel: II (Beitr. Wiss. A. u. N. T. 4, 1937, 20 ) 
betrok het Hebreeuwsche woord nsh ook in zijn onderzoek. Het Theologisches W'órter- 
buch z. N. T. y dat tot xpÓ7TTU verscheen, bevat ook nu weer een aantal O.T.-ische begrips- 
onderzoekingen (b.v. korban , mispaf). 

Van beteekenis voor ’t inzicht in het latere Jodendom is een aantal studies, dat 
laat zien hoe in de verdere verwerking van Israëls religieuze documenten de exegese 
reeds een rol speelt, en dat uit de geschiedenis dier exegese de ontwikkeling van de 
godsdienstige voorstellingen in later tijd naspeurt (zie reeds Jaarbericht n° 3, blz. 81). 
Daarbij moet genoemd worden H. W. Hertzberg’s bijdrage in Werden u . Wesen des 
A . T .: Die Nachgeschichte alttest. Texte innerhalb des A. T., waarin hij den nadruk 
er op legt, dat de O.T.-ische tekst een nageschiedenis heeft, evenzeer als een voor¬ 
geschiedenis; deze nageschiedenis is hoofdzakelijk uit glossen e. d. te lezen, waarvan 
hij eenige voorbeelden geeft. Andere studies betreffen de Septuaginta, o.a. van Bertram 
(Werden u. Wesen des A. T., 97, en ZAW NF 13, 1936, 153), of onderzoeken 
de latere Targumim, waarover ZNTW 1936 (Seidelin, 194, zie ook 308), eenige artikelen 
geeft. We gaan niet verder op deze materie in, omdat het vooruitzicht bestaat, dat 
in een volgend Jaarbericht een beschouwing aan de oudste Bijbelexegese zal worden 
gewijd. 

Van Theologische Literatuur over het O.T. kunnen we, behalve wat we 
reeds gaven, slechts enkele opstellen noemen. We wijzen voor oriënteering op theologisch- 
exegetisch terrein naar ’t overzicht, dat R. Abramowski: Vom Streit um das A. T. 
(Theol. Rundschau 9, 1937, 65) biedt. Hempel’s reeds genoemde Chronik , ZAW 
NF 13, 1936 geeft een belangrijke uiteenzetting tegenover E. Hirsch. In Werden und 
Jaarbericht N° 5 


22 



33& 


LITERATUUR OVER HET OUDE TESTAMENT 


Wesen des A.T . staan twee opstellen; één van J. Lindblom: Zur Frage der Eigenart der 
alttest . Religion, 128, die komt tot een wezensbepaling van de O.T.-ische tegenover 
de N.T.-ische religie; het tweede van A. Weiser: Die theologische Aufgabe der alttest . 
Wissenschaft , 207 is een van de beste beschouwingen, die ons onder oogen kwamen, zoowel 
om de strenge historisch-philologische wetenschappelijke, als om de ‘sachgemasse’ 
theologische inzichten (we werden bij Weiser’s uiteenzetting over verhouding God en 
wereld in het O.T. opvallend sterk aan HescheFs Prophetie herinnerd, die beide wel 
in zeer verschillend milieu zijn ontstaan!). 

’s-Gravenhage Th. C. Vriezen 

De schrijvers van dit overzicht brengen hier hun dank aan den heer I. L. Seeligmann, 
voor zijn bereidwillige inlichtingen. De laatstondergeteekende bovendien voor enkele 
belangrijke aanwijzingen en aanvullingen, met name voor de (met S. geparafeerde) 
besprekingen van de studies van Alt, Welch en Kaufmann. 

Th. C. Vriezen, Onderzoek naar de Paradijsvoorstelling bij de 
oude Semietische volken , dissertatie Utrecht, Wageningen 1937. 

Ziehier een dissertatie die een stuk levenswerk mag heeten. Men weet niet, wat 
men meer bewonderen moet, het geduld en den ijver, waarmede de vaak zeer verspreide 
studies en artikelen over dit onderwerp bijeen gezocht zijn, of de rustige energie, 
waarmede Vriezen in dit vele en verwarde materiaal zijn weg weet te vinden en zijn 
eigen lijn weet vast te houden. Niemand, die iets te schrijven heeft over de eerste 
hoofdstukken van het boek Genesis, zal voortaan dit boek willen missen, en wie dit 
heeft, kan vele andere ontberen. 

Een van de belangrijkste onderdeden schijnt mij het onderzoek naar het 
Sumerisch materiaal; in het bijzonder zijn hier de zgn. paradijstekst van Langdon en 
UMPBS I, 2, n° 103 te noemen. De vertaling, die Vriezen van den laatsten tekst 
geeft, is een aanmerkelijke vooruitgang vergeleken bij die van Chiera, al komt Vriezen 
ook nog tot de conclusie, dat de tekst vrij duister is. 

Bij de behandeling van het Babylonisch-Assyrische materiaal wordt in het bijzonder 
aandacht geschonken aan de menschenschepping, waarbij vooral opmerkelijk is, dat 
nergens in Babel over een eerste menschenpaar gesproken wordt. In dit hoofdstuk 
begeeft de auteur zich nogal eens op zijpaden, waarvoor de lezers hem overigens slechts 
dankbaar kunnen zijn, al was het slechts om den schat van literatuur die hun in de 
noten wordt geboden. Zoo b.v. op p. 78 de noot over c in de verte, aan de monding der 
stroomen 3 . Over de laatste uitdrukking kan men ook nog Ras Sjamra A I 33/34 vergelijken. 

Is de conclusie van hoofdstuk I, de parallellen in de Oost-Semietische wereld, in 
hoofdzaak negatief, iets meer geneigd tot het aannemen van verwante voorstellingen, 
zij het dan ook slechts in details, blijkt de auteur, als hij het Phoenicisch materiaal 

gaat bespreken. Daarbij valt vooral de aandacht op de teksten van Ras Sjamra. Het 

komt ons voor, dat de schrijver zich daarbij wel wat te veel heeft laten leiden door 
de vertalingen en bewerkingen, die van Fransche zijde zijn verschenen (gelijk ook Jack 
heeft gedaan, wiens werkje daardoor nu reeds verouderd is, twee jaar na het verschijnen!) 
Bij alle respect voor den pioniersarbeid van Virolleaud en Dussaud moet immers vast¬ 
gesteld worden, dat zij bij hun gewaagde etymologieën veel te weinig vraagteekens 
hebben gebruikt. 

Het derde en uitvoerigste hoofdstuk behandelt de paradijsvoorstelling in Israël. 

Zooals vanzelf spreekt, neemt de interpretatie van Gen. 2 en 3 daarbij de grootste 

plaats in. Als motto voor zijn behandeling der Bijbelsche gegevens had Vriezen het woord 
van Raschi in zijn commentaar op Gen. 3 8 kunnen kiezen: c Maar ik ben nergens 
anders op uit dan op de eenvoudige interpretatie van de Schrift 3 . Het komt ons voor, 
dat Vriezen deze taak op uitnemende wijze heeft aangevat. Zijn werk is een uitstekende 
voorstudie voor de theologische behandeling der stof. 

Met enkele woorden willen wij de aandacht vestigen op een resultaat van 
Vriezens onderzoek, dat voor de theologie van veel belang is, nl. dat wij in Gen. 2 
en 3 te maken hebben met een profetische compositie. M.a.w. dit Bijbelgedeelte wil 
als prediking verstaan worden en is een voortdurende oppositie tegen de Oostersche 
religieus-magische voorstellingswereld, welker tendenties in de slang belichaamd zijn. 


PARADIJSVOORSTELLINGEN 


339 


Gegeven het profetisch karakter der compositie eischt de vraag naar de plaats van de 
paradijsgeschiedenis in het geheel van Israëls religie een breedere behandeling. De 
schrijver meent, dat er in de overige O. T.ische geschriften nauwelijks één zinspeling 
op gemaakt wordt. Daarin sluit hij zich aan bij H. Schmidt, die zich nog iets sterker 
uitdrukte: c In de geheele literatuur van het O.T. is nergens een spoor te vinden, dat 
men zich met Gen. 2 en 3 beziggehouden heeft 3 . Daarentegen bewijst Hertzberg in zijn 
voortreffelijken commentaar op Prediker (Leipzig 1932) juist den sterken invloed van 
de paradijsgeschiedenis op de gedachtenwereld van Prediker. Hertzberg komt tot de 
conclusie: c Het boek Prediker is geschreven met Gen. 1—4 voor de oogen van zijn 
auteur; de levensbeschouwing van Prediker is aan de hand van de scheppingsge¬ 
schiedenis gevormd 3 (p. 40). 

Het komt mij voor, dat Vriezen bij zijn beschouwing over de plaats van de 
paradijsgeschiedenis te weinig gerekend heeft met de conclusie, waar hij zelf toe komt en 
de theologie hem dankbaar voor is, nl. het verkondigingskarakter van Gen. 2 en 3. 
Daaruit volgt immers, dat de voorstelling als zoodanig van minder beteekenis is dan 
het doel, waarvoor ze gebruikt is. De vragen, die voor het beoordeelen van de plaats 
van Gen. 2 en 3 in de Israëlietische religie gesteld moeten worden, zijn dan in twee 
verschillende rubrieken te brengen: de eerste afdeeling onderzoekt, of de prediking 
van Gen. 2 en 3 zich laat voegen in het geheel van de profetische verkondiging, zooals 
die in heel het O.T. voor ons ligt; de tweede, of de gebezigde paradijsmotieven 
samenhang vertoonen met de andere gegevens, die wij voor onze kennis van de religieuze 
en mythische voorstellingen van Israël in Kanaan uit verspreide zinspelingen van het 
O. T. kunnen bijeengaren. 

In dat geval zal men tot een positiever godsdiensthistorisch resultaat kunnen 
komen, dan Vriezen ons geeft. Dit is nu namelijk sterk negatief: c Buiten Gen. 2v. is 
onder de oude Semietische volken geen paradijsvoorstelling bekend 3 . Vriezen moest wel 
tot dit resultaat komen, omdat hij zijn definitie van c paradijs 3 uitsluitend aan Gen. 2 
en 3 ontleent (p. 1 —11). Maar hebben wij eenmaal de plaats van de paradijsmotieven, 
afgezien van hun toepassing in de profetische prediking, in de algemeene Palestijnsche 
voorstellingswereld bepaald, dan is het zeer zeker mogelijk, dergelijke motieven, in 
ander verband bij andere volkeren gebruikt, toch in hun samenhang met die van Gen. 2 
en 3 te beschouwen, en anderzijds ook bij afwijkende motieven verwante functies aan 
te wijzen. Om een voorbeeld te noemen, het gaat niet aan, te zeggen gelijk Vriezen 
doet (p. 5), dat c een verblijf van góden, heroën, dooden en eerste menschen in wezen 
onderscheiden 3 is. Dat zweemt naar rationalisme. Men kan die verschillende Verblijf¬ 
plaatsen 3 niet streng gescheiden houden, daar de oude volkeren het zelf niet doen. 

Men krijgt den indruk, dat deze dingen voor den auteur minder belangrijk zijn 
dan de nauwkeurige philologische behandeling der teksten. Hij heeft gaarne vasten 
grond onder de voeten en in dit opzicht zal zijn werk niet gemakkelijk overtroffen 
worden. Hij behoort meer tot de litterair-historische dan tot de godsdiensthistorische 
school. Dat blijkt wel zeer sterk uit zijn afwijzen van het verband tusschen de paradijs¬ 
motieven en de eschatologie (p. 227). Toch valt het niet te ontkennen, dat de gods¬ 
diensthistorische school ons dichter bij het verstaan der oude motieven brengt, dan de 
enkel-philologische methode zou kunnen. Anderzijds is zijn werk een nadrukkelijke 
herinnering aan de noodzakelijkheid van solide, nauwkeurige, philologische bewerking 
der stof. Ook uit dit oogpunt moet deze dissertatie als een stuk voorstudie beschouwd 
worden. En dan als een zeer belangrijk stuk! Men zie b.v. de bespreking van c den boom 
van kennis van goed en kwaad 3 op p. 142—148, of van de slang op p. 172—180. 

De schrijver stelt een volgend deel op het terrein van de jongere Semietische 
volkeren in het vooruitzicht (p. 21). Men kan zich daar enkel over verheugen; wij 
spreken den wensch uit, dat deze belofte ingelost zal worden: er zijn in den loop des 
tijds te veel dissertaties verschenen, die nooit verder kwamen dan deel I! Wij zijn er 
van overtuigd, dat dit volgend deel even voortreffelijke kwaliteiten zal aanwijzen als 
het eerste: breede kennis op uiterst nauwkeurige wijze verwerkt. Als theoloog zou 
men den schrijver dan nog om een derde deel willen verzoeken, waarin via het gods¬ 
diensthistorische de lijnen naar het theologische werden getrokken. Het zou ons spijten, 
als in dezen „strijd om den levenden Patroclus” (W. van der Vlugt, Levensbericht 
van Abraham Kuenen p. 19) de philologische Trojanen blijvend de overhand hielden. 

Culemborg A. VAN Selms 





RAS SCHAMRA 


341 


RAS SCHAMRA l ) 

TAFELN XXXIII UND XXXIV 

Seit 1929 fördern französische Ausgrabungen unter Leitung von F. A. Schaeffer 
auf dem Ruinenhügel Ras es-èamra im nördlichen Syrien, dem einstigen Ugarit, 12 km 
nördlich van Ladiklje = Laodicea, eine altorientalische ^ Kulturstatte ersten Ranges 
ans Tageslicht. Archaologie des alten Orients und der Agais, Schriftgeschichte und 
Keilschriftforschung, vorderasiatische Philologie und Semitische Sprachwissenschaft, 
alttestamentliche Forschung und Religionsgeschichte sind an den dertigen Funden und 
an den sich anschliessenden Forschungen in gleicher Weise interessiert. Solange aber 
die endgültigen Publikationen der Ausgraber noch ausstehen, ist es für den nur 
mittelbar Interessierten nicht leicht, mit den rasch auf einander folgenden Veröffent- 
lichungen Schritt zu halten und ein klares Bild vom Stande der Forschungen zu 
gewinnen. Im Jahre 1933 versuchte ich in dem Heftchen Ras Schamra . Ein Überblick 
über Funde und Forschungen (Leipzig 1933 = Der Alte Grient, 33. Bd., Heft 1/2) den 
damaligen Stand der Kenntnisse einem weiteren Forscherkreise darzustellen. Im 
Anschluss an dieses Büchlein, dessen Kenntnis ich im Folgenden voraussetze und das 
ich kurz mit R. Sck. zitiere, sei hier ein kurzer Überblick über die seitdem neu 
gewonnenen Erkenntnisse gegeben. 

A. Funde 

1. Archaologisches 2 ). Die Siedlungsgeschichte von Ugarit ist uns jetzt 
einigermassen klar, da die Tiefgrabungen der letzten Jahre bis auf den gewachsenen 
Boden geführt haben. 5 Schichten von zusammen mehr als 18 m Dicke zeigen uns 
die Besiedlung des Ortes von der frühen Steinzeit an bis in den Anfang des 12. Jahr- 
hunderts v. Chr. 

Die tiefste Schicht V ist noch wenig greifbar und auch noch nicht zu 
datieren. Die Werkzeuge sind noch aus Feuerstein, die Keramik, rohe Gefasse aus 
dunklem Ton, ist noch unbemalt. Ob diese Keramik Verwandte im vordynastischen 
Agypten des 4. oder gar 5. Jahrtausends hat, steht noch dahin. 

Die darüber liegende Schicht wird charakterisiert durch eine feine Buntkeramik, 
die nach ihrem Hauptfundort meist Tell-Halaf-Keramik genannt wird, die aber auch 
an anderen Orten von Syrien und Nordmesopotamien vorkommt, in Karkemisch, in 
Teil Schagher Bazar, im Chabur-Gebiet und in Teil Arpachijah bei Ninive. Die oft 
sehr dünnwandigen Gefasse müssen in recht vollkommenen Öfen gebrannt sein. Die 
Bemalung zeigt eine ganze Reihe verschiedener Muster: Dreiecke, Zickzack- und 
Wellenlinien, Fischgratenmuster usw. Zahlreiche Gefasse tragen um den Hals eine 
Linie gemalter Augen, die offenbar apotropaischen Charakter haben. Die Verwandt- 
schaft dieser Keramik scheint bis weit nach Mesopotamien und Iran hinüberzureichen; 
bis nach Samarra und Susa hin hat man ahnliche Formen gefunden. Die vier te 
Schicht von Ras Schamra lauft demnach mit den hocharchaischen Kuituren von 
Sumer, Susa und Iran parallel. Auch diese Schicht kennt noch keinMetall; die Werk¬ 
zeuge sind teils noch aus Feuerstein, teils aus hartem poliertem Stein, teils aus Knochen. 
Die grosse Dicke dieser Schicht (4—5 m) spricht für eine lange Dauer der Besiedlung; 
sie wird dem 4. Jahrtausend angehören. 

Eine zwischen IV und III liegende Schicht mit unbemalter Keramik bedarf noch 
genauerer Untersuchung. 


9 Op uitdrukkelijk verzoek van Professor Friedrich is dit artikel, dat als een eenheid geconcipieerd was, 
niet verdeeld over de rubrieken philologie en archaeologie van Voor Azië. — Voor de vermelding van Ugarit 
in een van de teksten in Mari gevonden, vrg. het artikel van Professor Dossin, blz. 363. [R]. 

2 ) Der folgenden Darstellung sind vor allem die Ausgrabungsberichte von C. F. A. Schaeffer in Syria 15, 
1934, S. 105 ff.; 16, 1935, S. 141 ff.; 17, 1936, S. 105 ff. zugrunde gelegt. Der Bericht in Syria 18, 1937, 
S. 125 ff. konnte nicht mehr benutzt werden. Einen popularen Überblick über Ras Schamra und die sich 
daran anknüpfenden Probleme gibt neuerdings auch die Schrift von Dussaud, Les découvertes de Ras Shamra 
(Ugarit) et VAncien Testament , Paris 1937 * 


Die Schicht III beginnt in der ersten Halfte des 3. Jahrtausends. Die sehr 
schone Keramik der alteren Zeit wird durch dunkelbraune, violette oder schwarze 
Bemalung in geometrischen Mustern charakterisiert. Gelegentlich kommen noch einge- 
ritzte Muster hinzu. Ganz gleichartige Keramik kannte man schon aus Teil Arpachijah 
bei Ninive, ahnliche auch aus Susa. Die Werkzeuge auch dieser Schicht sind noch aus 
Stein. In der jüngeren Zeit der 3. Schicht, d. h. etwa in der Zeit zwischen dem Alten 
und Mittleren Reiche der Agypter (2. Halfte des 3. Jahrtausends), taucht einerseits 
eine rohe und unbemalte Keramik auf, andererseits eine ganz eigenartig glanzende 
rote und schwarze Keramik, von der einzelne Exemplare bis ins 20. Jahrhundert 
hinein vorkommen. 

Die Schicht II, die etwa dem agyptischen Mittleren Reiche entspricht, ist 
schon langer bekannt (s. R. Sck . S. 6f.) Ihre Anfange reichen wohl bis in das Ende 
des 3. Jahrtausends zurück. Die Keramik dieser Zeit hat ihre nachsten Verwandten 
in Palastina und am Libanon, sie ist also wohl bodenstandig syrisch. Die Zeit des 
Mittleren Reiches ist die des starken agyptischen Einflusses auf Ras Schamra. Jedoch 
sind auch schon in dieser Zeit mykenische Einflüsse nachzuweisen. 

Südlich von der Gegend der spateren Bibliothek hatte zu Beginn des zweiten 
Jahrtausends ein grosser Tempel gestanden, dessen Mauern bei der Neubebauung 
der Statte im 14. Jhd. zum Teil abgetragen worden sind. In den Ruinen dieses Tem¬ 
pels hatte man schon seinerzeit die Statuette der Prinzessin Henmet Nefer Hed ge¬ 
funden (R. Sck. S. 6), und dieselben Ruinen enthielten nun weiter neben anderen 
Votivgegenstanden die verstümmelte Statue eines hohen agyptischen Würdentragers 
Senwesret- C ench , der anscheinend als Gesandter des Pharao in Ugarit residierte. Sen- 
wesreüench war sitzend dargestellt, doch fehlt die ganze obere Halfte seines Bildes. 
Links und rechts neben ihm stehen in kleinerem Masstab, daher unbeschadigt erhalten, 
seine Gattin Henwetsen und seine Tochter Set-Amun (Tafel XXXIII, Abb. 1). 

Am Fusse des Burghügels kamen mehrere steinerne Grabgewölbe ans Tageslicht, 
von denen vor allem eines ganz unberührt und mit Hilfe seiner altkanaanaischen Kera¬ 
mik, seiner Bronzen und Skarabaen in das Ende des Mittleren Reiches (18.—16. Jhd.) 
zu datieren war. Die rechteckige Grabkammer mit geneigten Wanden, mit zwei Platten 
als Decke und mit dem Eingang an der Ecke der einen kurzen Seite, zu dem zwei 
rohe Stufen hinabführen, erinnert so sehr an die spateren Grabgewölbe mit Drornos, 
die bisher für mykenisch galten, dass man fast an einheimischen Ursprung auch der 
spateren Graber von Ras Schamra denken möchte. Für Handelsbeziehungen Ugarits 
zum Kreise der Agais schon in dieser Zeit des Mittleren Reiches sprechen P'unde 
aus diesen Grabern, ein kurzes Bronzeschwert von minoischer Art, eine sicher aus 
Kreta importierte Schale von mittelminoischer Art mit ganz dünner Wand (‘Eier- 
schalen-Keramik’) und die Reste eines ebenfalls dünnwandigen Bechers, der auch aus 
Kreta stammen muss. 

In dieser alteren Zeit war Ugarit eine befestigte Stadt; Reste der Stadtmauer 
sind am nördlichen Fusse des Burghügels gefunden worden. Aber seit dem 14. Jhd. 
ist Ugarit unbefestigt; wann die Mauer niedergelegt wurde, lasst sich nicht sagen. 

Am besten durchforscht ist naturgemass die oberste Schicht von Ras 
Schamra, die dem 15.—12. Jhd. v. Chr. angehört. Der besseren Lbersicht halber kann 
man diese Schicht I in drei Unterschichten zerlegen, die hier als Ia (frühes 12. Jhd.), 
Ib (13. und 2. Halfte des 14. Jhd.) und Ic (15. und 14. Jhd.) bezeichnet seien. Die 
Bauten der Schicht Ic sind durch ein Erdbeben eingestürzt. Eine Erwahnung dieser 
Katastrophe glaubt Schaeffer in den Worten eines Briefes des Abimilki von Tyrus 
an den Pharao Amenophis IV. zu finden: EA 151 (55)...^ kar sarri alu Ü-ga-ri-it Kl 
(56) i-ku-ul i-sa-tum mi-si-il-su (57) i-kül ü mi-si<Cyil)>-su ia-nu c und die Königsburg (?) 
Ugarit hat Feuer verzehrt; ihre (eine) Halfte hat es verzehrt, und ihre (andere) Halfte 
ist nicht da 3 . Ist das richtig, so ware das Erdbeben um 1350 v. Chr. erfolgt und ein 
wichtiger Anhalt für die Datierung der Schicht I gewonnen. Da die Keilschrifttaféln 
unter den Trümmern der eingestürzten Hauser lagen, würden sie samtlich aus der 
Zeit vor 1350 stammen. 

Die zahlreichen Funde von Privathausern, die die Grabungen der letzten 
Jahre gebracht haben, gehören meist der Periode Ib, der Blütezeit von Ugarit, an. 




342 RAS SCHAMRA 

Glücklicherweise können wir aber auch schon von den Hausern des 15.—14. Jahr- 
hunderts eine Vorstellung gewinnen. Von dem Wohlstande der damaligen Bewohner 
zeugen die prachtigen Gefasse, Bronzewaffen, Siegelzylinder usw. Ein besonders 
wichtiger Fund ist eine kleine Stele aus Kalkstein mit einer erhaben ausge- 
arbeiteten bildlichen Darstellung. Zwei gleich grosse, einander zugewandte Manner, 
der eine barhauptig, der andere mit Kopfbedeckung, berühren gegenseitig ihre Finger- 
spitzen über einem zwischen ihnen stehenden Tischchen, das zwei rechteckige Gegen- 
stande tragt. Über den Mannern hangen zwei stilisierte Lotosblumen. Die gleiche 
Grosse beider Manner und das Fehlen jedes Gottheitsattributs spricht dafür, dass wir 
nicht eine Gottheit mit ihrem Verehrer, sondern zwei Menschen vor uns haben. Die 
gemessene Haltung beider Personen beweist, dass die Szene einen feierlichen, wohl 
religiösen Akt darstellt. Schaeffer rechnet mit der Möglichkeit, dass der Austausch 
von Vertragsurkunden zwischen zwei verbündeten Fürsten dargestellt ist. Dann waren 
die zwei rechteckigen Gegenstande auf dem Tischchen Tontafeln mit dem Keilschrift- 
text der Vertrage (Tafel XXXIII, Abb. 2). 

Die glanzendste Zeit von Ugarit ist die von etwa 1350—1200 v. Chr. (Ib). Damals 
herrschte der regste Handelsverkehr mit den Landern der Agais, vor allem mit Kreta, 
und damals war Ugarit wirtschaftlich und kulturell auf der Höhe. Das zeigen die 
stattlichen Hauser mit zahlreichen Raumen und geraumigen unterirdischen Grabge- 
wölben, die sich die Handelsherren und Kunsthandwerker von Ugarit damals bauen 
Hessen. Im Erdgeschoss lagen die Arbeits- und Vorratsraume sowie die Gemacher 
der Dienerschaft, im ersten Stockwerk wohnte der Hausherr. Zu ihm hinauf führte 
eine Steintreppe mit Absatz, unter dem der Abort eingebaut war. In zweien dieser 
Hauser steilte man Werkstatten von Goldschmieden fest. In der einen fanden sich 
mehrere goldene und silberne Anhanger, z. T. in Form von Sonnenscheiben und Mond- 
sicheln. Die andere lieferte eine Gussform zur Herstellung eines Schmuckstreifens mit 
Vögeln, Greifen und Granatapfeln, ferner eine Waage mit samtlichen Gewichten von 
] / 4 Sekel bis zu 1 Mine. Das Gewichtssystem ist nicht mit dem babylonisch-assyrischen 
(wo i Mine = 60 Sekel), sondern mit dem alttestamentlichen gleich (1 Mine = 50 Sekel). 
Das grösste Gewicht, aus Bronze, hat die Form eines menschlichen Kopfes, der durchaus 
nicht altorientalisch, sondern europaisch-mittelalterlich wirkt. 

Aus dem Hause eines Kunsthandwerkers für Statuetten und bronzene Kultwaffen 
stammen ein Gewicht von 1 Mine in Gestalt eines ruhenden Stieres und eine Kultaxt 
mit Löwenkopf. 

Ein ganzes Stadtviertel aus Privathausern mit schmalen Gassen fand man südlich 
des Archivgebaudes. Jedes Haus enthielt einen kleinen Innenhof mit einem Brunnen 
und einer Treppe, die zu den Wohnraumen emporführte. An den Fundamenten waren 
z. T. grosse Menge von Gold, Silber und Elektron versteekt. 

Weitere Privathauser deckte man am Westrande des Ausgrabungsgelandes sowie 
am Nordhang des Burghügels auf. Auch sie sind um einen Innenhof mit Brunnen 
gruppiert und haben stets im Keiler ein Grabgewölbe. Ein Fund in einer dieser Haus- 
ruinen verdient noch Erwahnung. Es sind zwei ungeschickt ausgeführte Fritte-Figuren 
bartiger Manner in syrischer Kleidung. Neben ihnen lagen Bruchstücke eines gut 
modellierten Pferdekopfes und eines zweiraderigen Wagens. Schaeffer nimmt an, dass 
die zwei mannlichen Figuren auf dem Wagen gestanden haben und dass die ganze 
Gruppe einen Votivgegenstand darstellt oder sonst im Kultus Verwendung fand. Die 
Gruppe ist wohl ein lokales syrisches Produkt. Ihre Datierung ins 13. Jhd. ist durch 
daneben liegende mykenische Vasen gesichert (Tafel XXXIII, Abb. 3). 

Direkt unter dem Hause, das die Wagengruppe enthielt, fand sich ein unver- 
sehrtes Grab des 14. Jhds., eine F a m i 1 i e n g r u f t, in der in mehreren Raumen 44 
Personen beigesetzt worden waren. Mehr als 100 Grabgefasse waren unversehrt erhalten, 
teils kanaanaische, teils kyprische Ware des 14. Jhds. Zu den letzten Bestattungen 
gehörten einige bemalte mykenische Vasen der el-Amarna-Zeit. Drei Terrakottalampen 
in einer Nische der Ostseite hatten wahrend der Bestattungsfeiern zur Beleuchtung des 
Grabes gedient, das zeigten ihre rauchgeschwarzten Dochtöffnungen. 

Drei weitere grosse Grabkammern fanden sich im Süden des Archivgebaudes. Sie 
waren, wie schon friiher gefundene, mit Treppe, Dromos und Grabkammer sowie mit 
einem grossartigen Wasseryersorgungssystem ausgestattet und vorzüglich erhalten. Nur 


RAS SCHAMRA 343 

die Ausstattung war schon im Altertum zum grossen Teile ausgeraubt. Einige Stücke 
mykenischer Keramik datieren auch diese Graber auf das 14. Jhd. 

Eine der wichtigsten Feststellungen der letzten Jahre war, dass in der Entfernung 
von nur 52 m südöstlich von dem schon bekannten grossen Ba c altempel (R. Sch . S. 
7 ff.) und von letzterem durch die dazwischen liegende Bibliothek getrennt ein zw r eiter, 
in Plan, Ausdehnung, Orientierung und Einzelheiten der Innenausstattung diesem völlig 
gleicher Tempel lag. Man konnte. vom Ba c altempel zu dem zweiten Tempel entweder 
südlich der Bibliothek durch die (von den Ausgrabern so genannte) ‘Bibliotheksstrasse’ 
oder nördlich davon durch die ‘Strasse des Gottes Dagon’ gelangen. Wahrscheinlich 
ist der neugefundene Tempel ein wenig alter als der Ba c altempel, und wahrscheinlich 
diente er dem Kulte einer anderen Gottheit. Da man in den Ruinen des zweiten 
Tempels zwei Kalksteinstelen mit Weihinschriften an den Gott Dagon in alphabetischer 
Keilschrift gefunden hat, scheint der neugefundene Tempel ein solcher des Dagon zu sein. 

An wichtigen Einzelfunden seien noch folgende erwahnt. Einfach in der Erde 
ohne Schutz vergraben fanden sich nicht weit von dem Ba c altempel eine goldene 
Schale und eine goldene Schüssel, beide vorzüglich erhalten und mit vortrefflichen 
Reliefs in getriebener Arbeit geschmückt (Tafel XXXIV, Abb. 4). Die Schale hat 
17 cm Durchmesser und tragt auf der Aussenseite eine Fülle von Figuren in drei 
Ringen. Der innerste Ring zeigt vier Steinböcke vor stilisierten Lebensbaumen, der 

mittlere zwei Löwen und zwei Stiere, ebenfalls vor Lebensbaumen, der aussere eine 

Löwenkampfszene, Steinböcke, Löwen und allerlei Fabelwesen. Die Schüssel hat 19 cm 
Durchmesser und tragt auf der Innenflache Darstellungen in zwei Ringen: innen vier 
Steinböcke und aussen eine sehr lebendige Jagdszene, wobei der Jager vom Wagen 
aus auf einen Wildstier und einen Steinbock schiesst, wahrend ein anderer Wildstier 
seinen Wagen von hinten angreift. Beide Stücke stammen aus einer einheimischen 
Werkstatt des 14. Jhds. und zeigen das hervorragende Können der dortigen Hand¬ 
werker, verraten aber auch mancherlei kulturelle Einflüsse der Nachbarlander. 

Aus einem Versteek am Fusse des Burghügels kam nicht weit von einem 
Sichelschwert, das einer gleichen Waffe aus Gezer ausserordentlich ahnelt, eine Bronze- 
statuette des Gottes Ba c al von 19 cm Höhe ans Tageslicht. Gleich der grossen Stele 

von Ras Schamra (R. Sch. S. 9 und Abb. 3) zeigt sie den Gott mit erhobener Rechten, 

dem Gestus des Blitzschleuderns. Der Helm ist aus einem polierten graugrünen Steine 
gefertigt und gut auf den Kopf verpasst, die besonders angefügten Hörner aus Elektron, 
die die Schreckensgewalt des Gottes versinnbildlichen, dienen zugleich zum Anhangen 
des Bildes (Tafel XXXIV, Abb. 5). 

Aus der jüngsten Schicht Ia, der Zeit des Einbruches der Seevölker, sind vor 
allem die Reste von Privathausern zu erwahnen, die in dieser Katastrophe zerstört 
wurden. In einem davon, der Werkstatt eines Bildhauers, fand sich eine unvollendete 
Stele, die eine Libationsszene eines Königs vor dem Gotte El zeigt. Der Gott sitzt 
auf einem verzierten Throne, der König steht vor ihm mit Szepter und Libationskrug, 
über ihnen schwebt die geflügelte Sonnenscheibe (Tafel XXXIV, Abb. 6). 

Im Einfall der Seevölker (um 1200) hat Ugarit das Schicksal des Hethiterreiches 
geteilt; es ist völlig vernichtet worden. Etwa im 8. oder 7. Jhd. v. Chr. aber muss eine 
neue Besiedlung der Statte eingesetzt haben, wie wir an Bestattungen aus dieser und 
spaterer Zeit feststellen können, die man südlich des Archivgebaudes aufgedeckt hat. 
Man bestattete damals die Toten in Sarkophagen, unter den Beigaben finden sich 
auch Bronzefibeln und eiserne Waffen. Die Graber ahneln den mykenischen Grabern 
der vorhergehenden Jahrhunderte, sodass der Gedanke an ein Fortleben der Tradition 
wohl erlaubt ist. Diese spate Siedlung hat bis in die hellenistische Zeit fortbestanden. 
Das zeigt uns ein Schatz makedonischer Silberstatere des 6. Jhds. v. Chr., den nach 
Schaeffers Annahme die griechische Kolonie an der Statte von Ugarit versteekt hat, 
als am Ende des 6. Jhds. die Perser Syrien eroberten. Das zeigen weiter griechische 
Sarkophage mit Keramik und Münzen des 4. Jhds. v. Chr. Unter den Seleukiden dürfte 
die Siedlung endgültig aufgegeben worden sein. 

2. Texte. Mit der reichen archaologischen Ausbeute halten die Funde von 
Texten auch jetzt noch keineswegs gleichen Schritt. Immerhin sind so ziemlich bei 
jeder Grabung auch einige Keilschrifttexte neu gefunden worden. 

Unter den Texten in babylonischer Keilschrift und akkadischer Sprache 



344 


RAS SCHAMRA 


sei zunachst ein Abrechnungstext über Wollieferungen genannt, den Schaeffer 1933 
in Ladikïjeh gekauft und den Thureau-Dangin in Syria 15, 1934, S. 137—146 

veröffentlicht hat. Nach Thureau-Dangins Feststellung ist er deshalb besonders wichtig, 
weil er in Übereinstimmung mit dem o. S. 342 besprochenen Gewichtssystem das 
Talent nicht wie die Babylonier zu 3600 Sekeln, sondern wie das Alte Testament 
zu 3000 Sekeln rechnet. 

Sehr interessant ist ein assyrisch gefarbter Brief eines Belubur an einen Ilu-sar, 
wohl einen König von Ugarit, denn die Grussformel enthalt die Worte ilanu ME ^' nu sa 
mat alu U-ga-ri-ta ahi-ia li-zu-ru-ka ‘die Götter des Landes Ugarit mogen dich, mein 
Bruder, beschützen!’ Thureau-Dangin hat diesen Brief in Syria 16, 1935, S. 188—193 
veröffentlicht und meint, er sei zu Beginn des 13. Jhds., unter einem der Könige 
Adadnarari I., Salmanassar I. oder Tukulti-Ninurta I., aus Assyrien nach Ugarit 

geschickt worden. 

Besonders zahlreiche akkadische Texte hat die Grabung des Jahres 1936 geliefert, 
Testamente, Kontrakte und andere Urkunden, doch sind diese meist noch unver- 

öffentlicht. (Drei Kontrakte jetzt bei Thureau-Dangin Syria 18, 1937, S. 245 ff.). Zu 

erwahnen sind darunter das Testament eines Mannes für seine Gattin, ein Brief vom 
Gatten der Schwester des Königs und vor allem ein Brief des Königs von Karkemisch 
an den König von Ugarit. 

Auch das Material an Texten in alphabetischer Keil schrift und der 
neuen westsemitischen Sprache hat sich erfreulich vermehrt. Ich erwahne einen schlecht 
erhaltenen und schwer verstandlichen Text, der anscheinend über die Behandlung von 
Pferdekrankheiten spricht (Virolleaud Syria 15, 1934, S. 75—83). Ich nenne ferner 
ein namentliches Vérzeichnis der Beamten, Sanger, Opferpriester, Künstler und 
Wachter des Tempelbezirkes von Ugarit, das ein gutes Bild von der Organisation der 
dortigen Heiligtümer gewinnen lasst. Weiter finden sich bei jeder Grabung neue 
Anschlussfragmente zu den grossen epischen Zyklen. 

Hier scheint ein Wort zu den Textveröffentlichungen angebracht. Die 
meisten Texte, akkadische wie solche in der neuen Sprache und Schrift, sind auch 
heute noch in den verschiedenen Banden der Syria veröffentlicht. Dadurch wird die 
Übersichtlichkeit und die Arbeit an den Texten in der neuen Sprache und Schrift 
etwas erschwert. Um dem abzuhelfen, hat der leider zu früh verstorbene Hans Bauer, 
einer der ersten Entzififerer der neuen Keilschrift, in einem handlichen Heftchen unter 
dem Titel Die alphabetischen Keilschrifttexte von Ras Schamra (Berlin, de Gruyter, 
1936 = Lietzmanns Kleine Texte Nr. 168) alles bis Ende 1935 bekannt gewordene 
Material übersichtlich und mit Anmerkungen versehen zusammengestellt. Eine Zusammen- 
stellung nur der bis dahin bekannten mythologischen Texte gaben J. A. Montgomery 
und Z. S. Harris in dem Hefte The Ras Shamra Mythological Texts, Philadelphia 1935 
(= Memoirs of the American Philosophical Society, vol. IV), eine Zusammenstellung 
aller semitischen (nicht der churritischen) Texte in neuhebraischer Sprache 
H. L. Ginsberg, rPIJHX * 0213 , The Ugarit Texts, Jerusalem 1936. 

Daneben aber hat nun auch die endgültige Ausgabe der grossen Epen unter dem 
Titel Mission de Ras Shamra begonnen. Tomé I enthalt: La légende phênicienne de 
Danel , par Ch. Virolleaud (Paris 1936), Tomé II: La légende de Keret, roi des Sidoniens, 
par Ch. Virolleaud (Paris 1936). Der erste Band enthalt auch eine wichtige historisch- 
philologische Einleitung. Ein grosser Teil von Texten in der neuen Sprache, auch 
von den epischen Texten, steht freilich noch ausserhalb dieser massgebenden Ausgabe. 

B. Forschungen 

1. Textbearbeitungen und Über setzun gen. Die Ausgaben ein- 
zelner alphabetischer Texte in der Syria — in der Hauptsache von Virolleaud, nur 
wenige von Dhorme (ein Brief und ein religiöser Text: Syria 14, 1933, S. 229 ff.) 
oder Dussaud (die Aufschriften auf den Stelen aus dem zweiten grossen Tempel mit 
Weihungen an den Gott Dagon: Syria 16, 1935, S. 177 ff.) — bieten zugleich mehr 
oder weniger vollstandige Übersetzungen der betreffenden Texte und ausführliche 
Kommentare. Diese Bearbeitungen bedeuten freilich in den seltensten Fallen die 


RAS SCHAMRA 


345 


restlose Erschliessung der betreffenden Texte, meist vielmehr ist noch sehr viel Klein- 
arbeit in Gestalt erneuter Bearbeitungen nötig, und vielen Stellen stehen wir trotz 
aller Mühe auch heute noch ratlos gegenüber. Gewöhnlich ist der Verlauf der, dass 
auf die Erstausgabe eines Textes eine Neubearbeitung durch Albright, Ginsberg oder 
Gaster folgt (andere Namen wie Dussaud, Maisler, Obermann, Gordon sind seltener 
vertreten, und Montgomery, Harris und H. Bauer haben sich immer nur mit Bemer- 
kungen zu einzelnen Stellen, nicht mit Übersetzungen ganzer Texte beteiligt), und mit 
der Zeit nahert man sich dann dem Verstandnis des Textes. So ist, um nur ein paar 
Beispiele zu bieten, der von Virolleaud in Syria 12, 1931, S. 193 ff. zuerst veröffent- 
lichte epische Text A mit seinem Zusatzstück A* (Syria 15, 1934, S. 226 ff.) weiter 
bearbeitet von Albright JPOS 12, 1932, S. 185 ff. und BASOR 46, April 1932, 
S. 15 ff-, Baneth OLZ 35, 1932, Sp. 449 ff. 705 f., Montgomery JAOS 53, 1933, 
S. in ff. 283 f.; 54, 1934, S. 60 ff., Ginsberg Tarbiz 4 S. 106 ff., H. Bauer OLZ 37, 1934, 
S. 241 ff., 38, 1935, Sp. 132 f., Dussaud Syria 15, 1934, S. 301 ff., Gaster JRAS 1932, 
S. 857 ff.; 1936 S. 225 ff., Ginsberg Orientalia NS 5, 1936, S. 193 ff., oder das Stück 
‘von der Geburt der gütigen und schonen Gotter' 1 ) (Syria 14, 1933, S. 128 ff.) von 
Albright JPOS 14, 1934, S. 133 ff., H. Bauer OLZ 37, 1934 Sp. 205 f., Dussaud RHR 
108, 1933, S. i ff. und Syria 17, 1936, S. 59 ff., Montgomery JAOS 54, 1934» S. 
63 ff., Harris ebd. S. 80 ff., Gaster Studi e materiali di storia delle religioni 1934 S. 
156 ff., Ginsberg JRAS 1935 S. 45 ff. Eine vollstandige Aufzahlung dieser Neu- 
bearbeitungen würde Seiten füllen und ist auch deshalb überflüssig, weil sie bereits 
von H. Bauer in seinen Alphabetischen Keilschripttexten wenigstens bis in den Anfang 
des Jahres 1936 mitgeteilt sind. 

Diese wiederholten Textbearbeitungen dürfen nun nicht den Eindruck erwecken, 
dass die erste Bearbeitung durch Virolleaud etwa mangelhaft sei. Vielmehr stehen 
dem Verstandnis der Texte von Natur aus ganz besondere Schwierigkeiten entgegen, 
und dem Herausgeber Virolleaud gebührt im Gegenteil unsere aufrichtigste Aner- 
kennung, dass er trotz dieser Hemmungen und trotz des Gefühles, dass das Richtige 
vielleicht erst von anderen gefunden wird, die Herausgabe und Erstbearbeitung dieser 
Texte wagt. Das wichtigste Hindernis zum Verstandnis der Texte ist die über alle 
Massen defektive Schreibung, die alles übertrifft, was etwa die westsemitische Epi- 
graphik auf diesem Gebiete kennt. Vereinzelte Versuche zur Andeutung der Vokale 
kommen zwar auch in Ras Schamra vor, vgl. zu ihnen Dussaud, Les découvertes de 
Ras Shamra (Paris 1937) S. 52, auch H. Bauer, Der Ursprung des Alphabets (Leipzig 1937, 
= Der Alte Oriënt 36, Heft 1/2) S. 41. Aber sie sind sehr seiten, und in den allermeisten 
Fallen bleiben wir über die Vokalisierung doch im unklaren. Gelegentlich geben die 
vokalhaltigen Alefzeichen einen Hinweis für die richtige Auffassung einer Wortform, 
aber in den meisten Fallen tappen wir im Dunkeln und haben keine richtige Vor- 
stellung von den grammatischen Formen der Sprache. Die Folge davon ist, dass allen 
Übersetzungen von Ras-Schamra-Texten noch ein grosses Stück Unsicherheit anhaftet. 
Wir dürfen also solche Übersetzungen keineswegs so als gesicherte Grossen verwerten 
wie etwa die Übersetzung eines anderen Keilschrifttextes oder eines agyptischen Textes. 

2. Die neue Semitische Sprache. Ich sagte eben, dass wir noch keine 
richtige Vorstellung von den grammatischen Formen der neuen semitischen Sprache 
haben. Das hat z. T. seinen Grund auch darin, dass sich manche Forscher über die 
neue Sprache überhaupt nicht den Kopf zerbrechen, vielmehr einfach die aus dem 
Alten Testament gelaufigen hebraischen Formen, womöglich noch in der masoretischen 
Aussprache, in die Ras-Schamra-Texte hineinlesen. Dem entsprechend gilt denn auch 
die Sprache der Texte meist ohne nahere Prüfung als ein alteres ‘Phönizisch’, unter 
Umstanden gar als ‘Protohebraisch’ oder bestenfalls allgemein als ‘Kanaanaisch’. 
Grammatische Erörterungen fehlen zwar in den Textbearbeitungen nicht ganz — der 


9 Van dezen tekst vindt men in het proefschrift van D r J. H. Kroeze Genesis veertien , proefschrift Vrije 
Universiteit 1937 (zie boven blz. 283) een transcriptie in hebreeuwsche karakters, een vertaling, commentaar en 
‘Wiirdigung’ (Hoofdstuk XI, Genesis 14 en de vondsten te Ras Sjamra (blz. 159—202). [R.]. 



346 RAS SCHAMRA 

Verfasser bekennt, namentlich von Ginsberg und Albright in dieser Beziehung mancherlei 
wertvolle Belehrung empfangen zu haben, — aber in der Menge der Produktion füllen 
sie doch nur einen verhaltnismassig geringen Raum aus. Untersuchungen über sprach- 
liche Einzelheiten, wie sie der Verfasser dieser Übersicht mit seinem Artikel zu den 
Alefzeichen in ZA 41, 1933, S. 305 ff. angebahnt hatte, verdanken wir z. B. dem 
jungen amerikanischen Forscher Z. S. Harris, der auch durch seine treffliche phöni- 
zische Grammatik l ) gute Hoffnungen erweckt hat und der sich auf dem Gebiete der 
Ras-Schamra-Sprache mit zwei recht guten lautlichen Untersuchungen, zu den Zisch- 
lauten (fAOS 55, 1935, S. 95 ff.) und zum Vokalismus vor allem der pronominalen 
Praformative in den Verbalformen (fAOS 57, 1937, S. 151 ft.), eingeführt hat. Solche 
Spezialuntersuchungen sind noch vereinzelt, aber sie zeigen doch die Wichtigkeit 
auch genauerer sprachlicher Erforschung. Dass das Semitische von Ras Schamra zunachst 
einmal als eine selbstandige Sprache aufzufassen und ohne Zuhilfenahme des He- 
braischen in der Hauptsache aus sich selbst zu erklaren ist, hat der Verfasser dieser 
Zeilen immer betont. Ihm stimmt neuerdings auch Götze bei (vgl. seine vorlaufigen 
Bemerkungen JAOS 57, 1937, S. 239). Sollte er mit der — übrigens zögernd schon 
von Bauer vertretenen — Ansicht recht haben, dass die Sprache von Ras Schamra 
neben dem ‘Perfekt’ qatala und dem ‘Imperfekt’ yaqtulu auch ein Praesens-Futur 
iaqatalu nach akkadischer Art besessen habe, so stünde diese Sprache in scharfem 
Gegensatz zu allen bekannten westsemitischen Sprachen. 

Mancherlei Aufklarung in sprachlichen Fragen ist auch von der Met rik der 
Ras-Schamra-Epen zu erwarten, die soweit wir sehen, der westsemitischen, d. h. vor 
allem der alttestamentlichen Metrik parallel geht. Um die Metrik von Ras Schamra 
hat sich vor allem Dussaud bemüht, RHR in, 1935, S. 1 ff., Artibus Asiae 5, 1935, 
S. 236 ff., Syria 16, 1935, S. 196 ff.). 

3. Das Churritische in Ras Schamra. Wahrend also unser Verstandnis 
des Semitischen von Ras Schamra noch zu wünschen übrig lasst, ist die zweite Sprache 
von Ras Schamra (R. Sch. S. 27 f.) wenigstens etwas deutlicher geworden. Am besten 
greifbar ist sie in dem Vokabular in babylonischer Schrift, weil diese Schrift die 
Vokale mit enthalt, andererseits liefert dieses Vokabular nur einen sehr beschrankten 
Sprachstoff. Immerhin hat Ungnad, Subartu (Berlin und Leipzig 1936) § 124 (S. 155 ff.) 
an einigen Beispielen gezeigt, dass die Verwandtschaft mit der weitverbreiteten Sprache 
der Subaraer oder Churriter, die Thureau-Dangin bei der Veröffentlichung des Voka- 
bulars angenommen hatte, tatsachlich vorhanden ist. Allerdings bestehen vielleicht 
dialektische Unterschiede. 

Die churritischen Texte in der vokallosen alphabetischen Keilschrift bereiten dem 
Verstandnis noch grössere Schwierigkeiten. Immerhin heben sich auch hier einzelne 
klare churritische Wörter und Wortverbindungen aus dem noch undurchsichtigen 
Satzzusammenhang (Verfasser AfOr 10, 1936, S. 295, Die Welt als Geschichte 3, 1937, S. 62, 
OLZ 40, 1937, Sp. 519; Bauer, Alphabetische Keilschrifttexte Nr. 28 Anm. b). Wir 
werden es wohl also tatsachlich auch hier mit dem Churritischen und nicht mit einer 
beliebigen anderen Sprache des alten Vorderasien zu tun haben, und die alphabetische 
Keilschrift von Ras Schamra lasst uns wichtige Blicke in die churritische Lautlehre 
tun (Verfasser Analecta Orientalia 12, 1935, S. 128 ff.). Der Verfasser kann daher 
Th. H. Gaster nicht ohne weiteres beistimmen, wenn er im Gaster Anniversary 
Volume (edited by B. Schindler and A. Marmorstein, London 1936) S. 154 ff. 2 ) 
nur allgemein von 'einer neuen asianischen Sprache’ in Ras Schamra spricht und zum 
Vergleich die verschiedensten Sprachen des alten Vorderasien aus verschiedenen Zeiten 
heranzieht (Keilschrifthethitisch und Hieroglyphenhethitisch, Churritisch und Urartaisch, 
Lykisch und Lydisch, Etruskisch und moderne Kaukasussprachen). 

4. Zur Schriftgeschichte. Die neue alphabetische Keilschrift gibt uns auch 
schriftgeschichtliche Probleme auf. Von der komplizierten babylonischen Keilschrift 
unterscheidet sie sich durch die einfache Form und die geringe Zahl ihrer nur 29 


1 ) Z. S. Harris, A Grammar of the Phoenician Language^QW Haven 1936 (r=American Oriental Series, vol. 8). 

2 ) Vgl. auch schon OLZ 39, 1936, Sp. 403 f. 


RAS SCHAMRA 347 

Zeichen. Nicht zu vergessen ist noch der wichtige Unterschied in der inneren Schrift- 
form: die babylonische Keilschrift enthalt Silbenzeichen und Ideogramme, die Keilschrift 
von Ras Schamra alphabetische Zeichen, in der Hauptsache Konsonantenzeichen ohne An- 
deutung der Vokale, nur die Alefzeichen sind vokalhaltig. Bei diesen durchgreifendenUnter- 
schieden scheint der Versuch von Ebeling ( SPAW y phil.-hist. KI. 1934, S. 10 ff), die 
Keilschrift von Ras Schamra aus der babylonischen Keilschrift abzuleiten, nicht nur 
in der Durchführung willkürlich, sondern auch in den Voraussetzungen verfehlt. Vielmehr 
liegt es naher, Beziehungen zur semitischen Buchstabenschrift zu suchen, und das 
haben auch die meisten Forscher, die sich mit dieser Frage beschaftigten, getan. Die 
Frage ist nur, ob in Ras Schamra eine Vorstufe, eine jüngere Form oder eine 
Parallelentwicklung zur Buchstabenschrift vorliegt. Olmstead bei Sprengling, The 
Alphabet , its Rise and Development front the Sinai Inscriptions (Chicago 1931, = 
Oriental Institute Communications 12) S. 57 ff. wollte die Ras-Schamra-Schrift mit 
der selbst noch sehr umstrittenen Sinaischrift verknüpfen. Buchman Pr ze glad Historyczny 
1934 S. 213 ff. und Burrows JRAS 1936 S. 271 ff. denken an Entstehung aus der 
westsemitischen oder südsemitischen Buchstabenschrift. Der anfechtbarste Punkt an 
letzterer Arbeit ist die Heranziehung ganz umstrittener Lesungen auf angeblich 
frühkanaanaischen Ostraka aus der 1. Halfte des 2. Jahrtausends v. Chr. Es scheint in 
diesen Fragen zur Zeit eine gewisse Zurückhaltung geboten, da eine umfassende 
Behandlung des ganzen Fragenkomplexes durch den Amerikaner Obermann noch zu 
erwarten ist. Nur soviel sei bemerkt, dass die Existenz von drei vokalhaltigen Alef¬ 
zeichen in Ras Schamra entschieden gegen einfache Ableitung des Ras-Schamra- 
Alphabets aus der fertig entwickelten westsemitischen Buchstabenschrift mit nur einem 
vokallosen Alef spricht. Diese Ansicht wird jetzt auch von H. Bauer, Der Ursprung 
des Alphabets S. 38 ff. ausgesprochen. Vgl. auch Verf. ZDMG 91 (NF 16), 1937, S. 321 flf 

5. R e 1 i g i o n s g e s c h i c h 1 1 i c h e s . Ras Schamra und das Alte 
Testament. Da die Texte von Ras Schamra in der Hauptsache religiösen Inhalts 
sind, unterrichten sie uns in erster Linie über die Religion der alten Westsemiten. 
Ein kurzer Überblick über das Pantheon von Ugarit ist schon R. Sch. S. 36 f. gegeben. 
Es sei weiter auf die Artikel von Dussaud Revue de Fhistoire des religions 104, 1931, 
S. 353 ff; 105, 1932, S. 245 ff. und von H. Bauer Zeitschrift für die altt es tamentliche 
Wissenschaft 51 (NF 10), 1933, S. 81 ff, 53 (NF 12), 1935, S. 44 ff verwiesen. Auch das 
an regende Buch von Eissfeldt, Baal Zaphon , Zeus Kasios und der Durchzug der 
Israeliten durchs Meer (Halle 1932) darf hier nicht vergessen werden. Die in den letzten 
Jahren neuveröffentlichten Texte haben natürlich viel neues Material gebracht, doch 
steht eine abschliessende Behandlung noch aus. Bei den Schwierigkeiten des Text- 
verstandnisses ware sie auch nicht ganz einfach. 

Die churritischen Texte aus Ras Schamra lehren uns nun auch eine Anzahl 
churritischer Götternamen kennen. Wir stellen dabei fest, dass das churritische Pantheon 
von Ras Schamra mit dem der sonstigen churritischen Texte (vor allem aus Bogazköy) 
und mit dem in den anderwarts (besonders aus Nuzi) bekannten churritischen Namen 
vollkommen identisch ist. Götter wie Tesup, Kumarpi, Astapi, Simigi, Pisa(i)saphi, 
Nupatik, Hepit, die Göttergruppen Hutena Hutellurra u. a. begegnen uns hier wie 
dort. Auch hier sind die Forschungen erst im Anfange, vgl. etwa Hrozny Archiv 
Orientdlni 4, 1931, S. 119 ff. 

Besonders wichtige Aufschlüsse erwartet die Forschung naturgemass von den 
Beziehungen, die sich zwischen Ras Schamra und dem Alten Testament ergeben 
werden. Solche Beziehungen sind natürlich heute schon zahlreich zu erkennen, in den 
Realien — man denke an die gleiche Teilung der Mine in 50 Sekel oder an die 
Übereinstimmungen im Opferwesen — wie im geistigen Inhalt der Texte, angefangen 



348 


RAS SCHAMRA 


mit Übereinstimmungen im einzelnen Ausdruck wie rkb z rpt ‘Wolkenreiter’ Epos B III 
11 und n'b'IJD Psalm 68 5 oder Itn bsn brh . . . bsn z qltn ‘Ltn, die flüchtige 

Schlange ... die gekrümmte Schlange’ Epos A* I i f. und Vfrti * * * rHÜ ETÜ ÏÏV'b 

Jes. 27 1 und endigend mit der Vergleichung ganzer Literaturstücke: den von 

Dhorme Syria 14, 1933, S. 231 ff. veröffentlichten religiösen Text RS 1932. 4474 hat 
Obermann Journal of Biblical Literature 55, 1936, S. 21 ff. geradezu als einen anti- 
phonischen Psalm (nach Art von Ps. 135 und 136) aufgefasst und erklart. Eine ganze 
Anzahl solcher Parallelen zwischen den Ras-Schamra-Texten und dem Alten Testament 
gab Jirku in ZDMG8g(NT 14), 1935, S. 372-386; sie Hessen sich mit dem heutigen Material 
natürlich noch betrachtlich vermehren. Vgl. auch D. Nielsen, Ras Samra-Mythologie und 
biblische Theologie (Leipzig 1936, = Abhandlungen für die Kunde des Morgenlandes XXI» 
4), gegen dessen Auffassung man aber zahlreiche Einwande haben kann. Es wird vor 
allem Sache der Alttestamentler sein, solche Übereinstimmungen auch weiterhin 
aufzuspüren und zur gegenseitigen Aufhellung dunkler Stellen zu verwerten. Überein¬ 
stimmungen dieser Art linden sich auch zwischen Ras-Schamra-Texten und phönizischen 
Inschriften (Verfasser AfOr 10, 1935, S. 81 f.). 

Wie weit wir darüber hinaus von den Ras-Schamra-Texten Aufklarung über dunkle 
Stellen der israelitischen Vorgeschichte erwarten dürfen, wie weit beispielsweise der 
Mondgott Trh der Keretlegende Beziehungen zu Abrahams Vater Teral} hat oder der 
Dn-il bzw. Dan-El der Legende von Ras Schamra das Urbild des weisen Königs 
Daniël von Tyrus darstellt, den der Prophet Hesekiel erwahnt, das sind Fragen, die 
sich heute noch nicht beantworten lassen. Unser Verstandnis der Texte ist ja — daran 
muss noch einmal erinnert werden — noch in einem derart elementaren Stadium, dass 
voreilige Schlüsse nur Unheil stiften könnten. 

Leipzig Johannes Friedrich 


ABKÜRZUNGÉN 


AfOr = 
BASOR = 
EA = 
JAOS = 
JPOS = 
JRAS = 
OLZ = 
RHR = 
RSch = 

SPAW = 
ZA = 
ZDMG = 


Archiv für Orientforschung 

Bulletin of the American School of Oriental Research 

Knudtzon, Die El-Amarna-Tafeln , Leipzig 1915 

Journal of the American Oriental Society 

Journal of the Palestine Oriental Society 

Journal of the Royal Asiatic Society 

Orien talistische Literaturzeitung 

Revue de VHistoire des Religions 

J. Friedrich, Ras Schamra , ein Überbhck über Funde und Forschungen 
(Alter Oriënt 33, 1/2, 1933) 

Sitzungsberichte der Preussischen Akademie der Wissenschaften 
Zeitschrift für Assyriologie 

Zeitschrift der Deutschen Morgenldndischen Gesellschaft 


1 Zie voor verdere literatuur over het Oude-Testament en R.S blz. 332 van dit Jbr [R] 


RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (I—III) 


Afkortingen: 

AfO —Archiv für Orientforschung 
AOTB = H. Gressmann, Altorientalische 
Texte und Bilder 
az = achterzijde 

CH = Codex van Hammurabi 

CT = Cuneiform Texts ...in the British 

Museum 

KB = Keilinschriftliche Bibliothek 
M AOG = Mitteilungen der Altorientalischen 
Gesellschaft 


MDOG — Mitteilungen der deutschen Oriënt - 
gesellschaft 

M V AG = Mitteilungen der vorderasiatischen 
Gesellschaft 


vz 

= voorzijde 

r 

= regel 

RA 

= Revue d 9 Assyriologie 

Rawl 

= Rawlinson, Cuneiform Inscrip- 
tions of Western As ia 

èL 

= A. Deimel, Sumerisches Lexikon 

ZA 

= Zeitschrift für Assyriologie 


De Berlijnsche hoogleeraar Erich Ebeling heeft in de moeilijke jaren 1915 —1923 
in zijn Keilschrifttexte aus Assur religiösen Inhalts (9 afleveringen in twee folio-deelen, 
354 en 444 pp.) niet minder dan 472 kleitafels en fragmenten van kleitafels in 
autographie gepubliceerd. Zijn werk bevat nauwkeurige nateekeningen van het 
spijkerschrift, die echter buiten den kring der Assyriologen onbegrijpelijk zijn. Voor 
een ruimeren kring bereikbaar en begrijpelijk gemaakt zijn slechts degene van deze 
oorkonden, die (zooals de meeste uit Heft I—IV) door Ebeling zelf en door andere 
geleerden ontcijferd en in verschillende boeken en tijdschriften getranscribeerd, be¬ 
werkt en vertaald zijn. Van de hand van Prof. Ebeling komen hiervoor vooral zijn 
Quellen zur Kenntnis der babylonischen Religion (MVAG 1918, 1/2) en zijn Tod und 
Leben nach den Vorstellungen der Babylonier (1. Teil: Texte, 1931) in aanmerking 1 ). 

Evenwel is deze schatkamer nog geenszins uitgeput. Nog steeds zijn er teksten 
in deze negen afleveringen, die onontcijferd en dus buiten den kring der Assyriologen 
ten eenenmale onbekend zijn gebleven. 

De spijkerschrift-texten (voorloopig uit Heft I—III, waarvan wij op grond van 
onze transcripties den inhoud meededen, behooren alles behalve tot de meest ge¬ 
makkelijke of best bewaarde uit deze groote verzameling van religieuze teksten uit 
Assur. De moeilijkheden zijn vaak onoplosbaar. In vele gevallen zou het noodig zijn 
deze teksten opnieuw met de origineelen (in de musea te Berlijn en Istanbul) te col- 
lationneeren en vooral de vele brokstukken (na grondige reiniging) telkens opnieuw 
met elkaar te combineeren. Het aantal Keilschrifttexte aus Assur is feitelijk nog veel 
grooter dan dat van de teksten historischen , religiösen , juristischen en verschiedenen 
Inhalts , die indertijd in de Wissenschaftliche Veröffentlichungen der Deutschen Oriënt - 
gesellschaft gepubliceerd zijn 2 ). Een groot gedeelte van de in Assur opgegraven 
spijkerschrift-tabletten is eerst na lange omzwervingen in het Berlijnsche museum be¬ 
land ; het werd gedurende de oorlogsjaren en de inflatie-periode in de haven van 
Lissabon, in het begin van den oorlog nog neutraal gebied 3 ), achtergehouden en 
ligt thans ongepubliceerd te Berlijn. Dat Prof. Ebeling niet in de gelegenheid is 
geweest zijn werk voort te zetten moet worden betreurd 4 ). Te betreuren is ook, dat 
hij aan zijn autographieën geen opgaven omtrent de vindplaatsen (binnen het uit¬ 
gestrekte opgravingsterrein van K.<*l z cit Serkat , de oude stad Assur) heeft kunnen 
toevoegen. Slechts op grond van zulke (stratigraphische) gegevens zou men het tijdperk 
nauwkeuriger kunnen bepalen dan dit op grond van algemeene overwegingen (op 
grond van het schrift en de taal) mogelijk is. Eerst in de jongste aflevering van het 
Archiv für Orientforschung (AfO XII, 1/2, 1937, p. 49) heeft E. F. Weidner de 
gegevens meegedeeld, op grond waarvan men moet veronderstellen, dat het meeren- 
deel van de litteraire teksten uit het archief van den Assur-tempel tijdens de regeering 
van koning Tiglatpileser I (1116—1090 v. Chr.) werd opgeteekend. 


1) Voorts o.a. MAOG I/l (1925) en V/3 (1931). De literatuuropgaven in den index KAR IV, p. 321 — 
354 (bij Heft I—IV) moeten hiermede en met andere publicaties sedert 1919 aangevuld worden. 

2 ) Afgekort: KAH , KAR , KAJ en KAV. Wij beperken ons hier tot de 9 afleveringen {Heftè) der KAR. 

3 ) Zie W. Andrae, Der Rückerwerb der Assur-Funde in Portugal (MDOG 65, April 1927). 

4 ) Vgl. thans E. Ebeling, Kritische Beitrage (MAOG X, 2, 1937). 




350 


RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (i—lil) 


Wij beperken ons tot het materiaal, dat uit godsdiensthistorisch oogpunt eenigs- 
zins van belang blijkt te zijn, dus zooveel mogelijk met uitschakeling van de zuiver 
magische en mantische ritualen en lijsten van dagen, maanden en voorteekens, en met 
weglating van de kleine brokstukken, waaruit te weinig over den inhoud en het ver¬ 
band blijkt. 

KAR , Heft /, no. 2, een mythologisch (episch) fragment, waarvan over het alge¬ 
meen slechts telkens twee woorden in het midden van 15 regels bewaard zijn gebleven, 
doet denken aan de mythe van Adad, die wij in het vorige Jaarbericht n° 4, blz. 198 v. 
vertaald hebben. De vijand (de god Adad ?) ‘verwoest’ het land (r. 2 ihtepi ) en het 
komt te staan ‘onder het gezag van al de vijanden’ (r. 3 ina himmat kissat naki[ri]). 
Toen zeggen ‘zijn vader Enlil’ en ‘Ea, de vader’, dat ‘Siris (de godin van den sterken 
drank) uw gemoed moge kal meeren’ (r. 7 v. kabattaka d Siris lisapsehu kabtat .. . .) l ) 
en dat ‘de verheven Bêlit-ilï (de gebiedster der góden) uw voorspraak moge zijn’ 
(r. 10 damaqka liqbi) en dat men ‘hem, den heilige (?), moge huldigen’, met de 
woorden: ‘gij hebt uwen vader gewroken’ (r. 11 v.: . . . . likrubu ellim } . . . . tutirru gimil 
abika ....). Terecht merkt Ebeling (in zijn index, Heft IV, p. 322) op, dat het nog niet 
gelukt is, dit kleine brokstuk in het kader van een der bekende epische verhalen te 
rangschikken. Naast de Adad-cyclus zou wellicht de Lugalbanda-cyclus het meest in 
aanmerking komen. 

N° 3 is een klein fragment van een ‘intocht-psalm’ (evenals o.a. ook n° 106 en 
n° 119 az): een hymne ter eere van de plechtige inkomst van den god Marduk (of 
van den met Marduk geïdentificeerden god Assur) in zijn tempel bij gelegenheid van 
het nieuwjaarsfeest. Den god, die aan het hoofd van de godenprocessie naar zijn 
tempel terugkeert, wordt deze hymne toegezongen. Bekleed met ‘het koninklijk gewaad’ 
en omgeven door ‘al de góden van Assur’ (r. 4 v.) . . .. 

‘. . . . trekt gij naar Esaggil, den tempel van al de góden. 

Zij huldigen u in eeuwigheid, 

als gij den tempel binnentrekt door de poort van den Sterke, 

die vervuld is van verschrikking. . . .’ (r. 9—1 On¬ 
opmerkelijk is nog in r. 17 de vermelding van ‘Asira en Dunpaë, de bedachtzame 
koningen’: eigenlijk bijnamen van den god Marduk, hier als zelfstandige góden in zijn 
gevolg gedacht 3 ). 

N° 19 is het benedenstuk van een lied ter eere van den zonnegod èamas, 
zonder wiens hulp de maangod Sin geen orakels kan geven noch de koningsheerschappij 
over stad en land kan bepalen, zonder wien ook de god der kudden, Sumuqan , er 
niet voor kan zorgen, dat de koning met zijn koninklijk gewaad bekleed wordt, en 
zonder wien v de god Latarak eveneens machteloos is. Latarak is de zonnegod der 
Elamieten, Samas die der Babyloniërs. De tekst, waarvan slechts de benedenhelft 
bewaard is, begint waarschijnlijk rechts, met de vermeende Rückseite (?). Hier is 
vermoedelijk reeds in r. 1 sprake van den Maangod Sin (Ideogr. d ENZU). Anders 
zou men wellicht aan den Elamietischen herdersgod Lahar kunnen denken, daar de 
naam in r. 1 met La - (niet met EN-) schijnt te beginnen. 

De tekst maakt door de vormen van enkele teekens en door de phonetische spelling 
een archaïstischen indruk. Waarschijnlijk is hij (tijdens de regeering van Tiglatpileser I ?) 
min of meer mechanisch en niet zonder fouten overgeschreven van een origineel uit 
den tijd der dynastie van Isin of Larsa (omstreeks 2000 v. Chr.) Wij vullen de eerste 
regels bij wijze conjectuur aan: 

! ) Vgl. een soortgelijke passage, eveneens met vermelding van de godin Ninkasi of Siris in de mythe 
van Lugalbanda en Zü\ IV Rawl. 14,1, r. 26 v. (Jensen, KB VI/1, p. 54 v -j Ebeling, AOTB I, p. 143). 

2 ) Transcriptie: (9) bit É-sag-gü , bit kissat ilani , taba'i ; (10) . .. . liktarabu sulumka ana daris , (11) ina 
erëbiQ) ana bab qarradi , sa rasubbata malü , bita \ina\ erëbika. Eigenaardig is in r. 9 de spelling van den 
tempelnaam; het tweede teeken zal toch wel als PA = sig, sag moeten worden opgevat. 

3 ) Voor asiru vgl. o.a. Enuma elis VI, 121 (Marduk-naam n° 7, vgl. Röhl, AfO XI, 1936, p. 199)5 
Dunpaë is de planeet Jupiter. Zoowel asiru als ook sar tasimti (‘’de koning van bedachtzaamheid’ volgens de 
vertaling van Eilers) zijn ook bijnamen van Hammurabi: CH III 68; II 22, XXV r 76. 


RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (l—Hl) 35 I 

(rechts, r i) .... de god S i n (?)... . 

[die een staf (?)] in zijn hand draagt, 

[de beschermer van het vee] en van de kudden *). 

[de gever van het leven] en van den naam, 

(5) [de voortbrenger van het zaad], de schepper der menschheid. 

Als de god Sin verschijnt, komen de góden bijeen (?) 2 ), 
hun reine Manga-planten (?) dragende aanbidden zij. 

Om de landen te doen bewonen en om die te verlichten, 
tot oproer aan te zetten of om slag te laten leveren, 

(10) wachten zij op (het orakel van) den Verlichter Sin 8 ). 

Behalve Sin en Samas 

geeft geen ander god in den hemel een gunstig orakel. 

S i n kan aan den hemel zonder Samas niets voortbrengen; 4 ) 
schepter, diadeem, troon, de regeering over de stad 
(15) worden aan den koning en zijn land 
zonder Samas niet verleend. 

V 

Zonder Samas, den koning van hemel en aarde, 

(links, r. i) kan Sumuqan, de Opziener (?) 5 ), uw beminde, 
de heilige herder, de vorst der góden, 
die een staf voor zich uitdraagt, 

de meester van het kleed, de vervaardiger van gewaad en kleedij, 
(5) die een hoogen schepter draagt, die de kleedingstukken doet naaien, 
die de schaamte der menschen (eig. der landen) doet bedekken 
met kleeding 6 ), de wijze werkmeester van de koninklijke kleedij, 
den verheven diadeem, die de majesteit betaamt, 
niet overreiken 7 ), zoodat die aan den koning en aan zijn land 
(10) zonder Samas niet kan worden verleend. 

v 

Zonder Samas, den koning van hemel en aarde, 
kan Latarak, de koning der gemeenschap 8 ), 

wiens hooft uitsteekt boven het gedierte van het veld, 
de aanvoerder(?) van al het gedierte van het veld (?) en van de menschen, 
[onder wiens leiding het gedierte van] het veld(?) en het vee uittrekt (?) 9 ) 
(zijn taak niet vervullen). 

*) Wij vullen aan het eind aan: in r. 3 u su-pu-[ri-im\ ; in r. 4 su-mi-i\m]; r. 5 sa a-we-[lu-tim ]; en 
n r. 7 i-lab-bi-\nu\. 

2 ) Wellicht te lezen: pa-ah-ru il-\la-ku\. 

3 ) R. 8—10: ana matati susubi f supardï , sukkuri , sutamfyusi nannaramma Sin uqa'u. 

4 ) 1 .: '-a-l[i-id] ? 

5 ) De aanvulling is onzeker; in r. 14(9 en 15 beteekent an-gir in ieder geval niet den god Sakan of 
Sumuqan , maar eenvoudig sëru °het veld’. In r. 1 verwacht men echter de vermelding van den god der kudden, 
die door de wol, waarover hij beschikt, tevens de patroon der kleermakers is. 

6 ) R. 4—9a: bël subatim (ideogr. tüg), alid (ideogr. ugu) lubusï u nalbasi , nas Jiatti sirtim , mustabis 
(van ebësu , èt binden, naaien’) subata nalbasa (ideogr. Deimel, SL 74,350), mukattim bultim sa matatim gadmaha 
(ideogr. Deimel, SL 536 , 95 ). 

7 ) R. 7b—9a: emqu , umman (ideogr. Deimel SL 115,233) lubusti sarrütim , agam stram , simat bëlütim 
ul inassa'ma (van een werkwoord nasü ^brengen, overhandigen’?). 

8 ) 1. sar ab-ri-im ? 9 ) 1.: [. . . . bu-u\l $ërim u na-mas-se-e e-ta-si (?) 








352 RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (i—lil) 

Op geheel ander terrein verplaatst ons de volgende tekst n° 20. Dit brokstuk, 
waarvan bijna geen enkele regel volledig bewaard is gebleven, bevatte een verzameling 
van ritualen en bezweringen naar aanleiding van ongunstige voorteekens, die in tafel XII 
der groote verzameling van omina vermeid zijn geweest. In het bewaarde gedeelte 
van kolom I (r. 3 en 15) gaat het om magische handelingen en bezweringen, die 
verricht moesten worden als zich bepaalde verschijnselen voordeden, die als een kwaad 
omen werden beschouwd. Deze verschijnselen met de daarbij behoorende omina waren 
bijeengebracht in een omvangrijk werk, dat voor de oude Babyloniërs kanonieke 
beteekenis heeft gehad. Men noemde dit werk, dat meer dan honderd groote kleitafels 
(elk met ongeveer honderd regels) bevatte, naar de beginwoorden van de eerste tafel: 
‘Indien een stad op een helling *) ligt’. De omina (voorteekens), die in onzen tekst 
n° 20, kol. I, r. 3 en 15 aangehaald zijn, vindt men daar op tafel XII, r. 31 en 32 letterlijk 
terug 2 ). Het gevaarlijke verschijnsel, dat zich voorgedaan heeft, is volgens deze regels 
een bepaalde schimmel of uitwas aan den huismuur. Het onderschrift van n° 20, 
kol. IV, r. 16, wijst in dezelfde richting. Het is ‘een bezwering om het katarru 
los te maken’. Met katarru (ideogr. ka-tar) is waarschijnlijk (ondanks de afwijkende 
meening van Nötscher) een soort schimmel of huiszwam 3 ) bedoeld, die zich aan de 
muren voordeed en die aan de werking van daemonen werd toegeschreven, wellicht te 
vergelijken met de ‘melaatschheid’ van huizen en stoffen in het Oude Testament (Lev. 13 47 
vv., 14 33 vv.). Als deze huiszwam zich aan de Oostzijde van den muur vertoont, zal 
de huisvrouw moeten sterven en het huis zal verwoest worden. Door een bepaald 
ritueel, waarbij de huiszwam verbrijzeld wordt (kol. I, r. 4 v.) en door het begraven 
van de knokkels van een offerdier onder den drempel, het besprenkelen met wijwater 
en door het uitspreken van een Sumerische bezwering tot de góden Anu en Istar en 
vooral tot de godin Nin-aha-kuddu kan het gevaar gekeerd worden. Iets soortgelijks 
geldt voor het geval, dat de huiszwam zich aan den westkant vertoont, waarbij o.a. 
ook met een fakkel moet worden gezwaaid (kol, I, r. 17). 

N° 28 is een gebed van het bekende soort (‘handopheffing’), met aansluitend 
ritueel. Wij vertalen slechts r. 2—7: 

Ea, Samas en Marduk, komt mij te hulp ! 

Op uw verheven bevel, dat niet gewijzigd kan worden, 

door uwe genadige toezegging, die niet overtreden kan worden, 
moge ik leven 4 ), gezond zijn en de góden Anu, Samas en Asaru (d.i. Marduk) 

[huldigen! 

N° 40 is een commentaar-tekst, waarin eerst uitdrukkingen voor ‘omhulsel, verband’ 
(arü, agittu en pdtinu , verklaard door parsigu) opgeteld zijn, daarna uitdrukkingen 
als hulanu en abUtu> die eveneens met nahlaptu (vgl. Deimel, SL 106, 163) en parsigu 
verklaard worden, voorts uitdrukkingen voor den wijnstok (> kunnatu , vgl. bij r. 7 en 8: 
Deimel, SL 319,64 en 401,22) en voor porfier. Aan het eind staat een Sumerisch 
rituaal: zout in het eten (Deimel, SL 376,64) te mengen en het aan de groote góden 
op een heilige en reine plaats te brengen. 


KAR , Heft II, n° 47 bevat een rituaal (de deur met een gieter besprenkelen, de 
vloer met een bepaald soort potasch — uhulu qarnanu — en bovendien met roet 
afvegen) en een (drie maal te reciteeren) Sumerische bezwering tegen de machinaties 
van een tegenstander, gericht tot den god Nin-a-zu . Blijkens r. 12 vv. gaat het om het 


*) Vgl. over de beteekenis van melü\ Böhl, Fürstenspiegel (MAOG, XI 3, 1937)1 P* 22 *• 

2 ) Fr. Nötscher, Hans - und Stadt-Omina (Orntl. 39—42), p. 56 vv. 

3 ) Vgl. o.a. E. F. Weidner, AfO VII, 1931/2, p. 274 b (bij Vokabular Martin , r. 17). Nötscher’s argument 
(a.w., p. 64), dat de katarru volgens tafel XII, r. 87 vv. van de Omen-serie een ‘•gelaat’ heeft en dus (?) een 
insect moet zijn, gaat niet op, daar panu ook ^aanschijn, oppervlakte’ beteekent. Men moet aan korstmossen 
of schimmels denken, bij gelegenheid (b.v. tafel XII, r. 88, waar sprake is van de mogelijkheid, dat de opper¬ 
vlakte schijnsel verspreidt) ook wel aan vermolmd hout. 

4 ) R. 6 schrijffout lud-lul in plaats van lub-lut (de beide teekens moeten worden verwisseld). 


RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (i—lil) 353 

onheil, dat op den dag, dat de maan onzichtbaar is (bubbulu), voorts op den 6den, 
9 den , ipden^ 20 s ten ; 2isten > 23sten ? 2 5sten (?), 2 ?^™, 2gsten e il 30^ dag Op iemand is 
afgestuurd. 

N° 48 en 49 zijn fragmenten van bilingue bezweringen (Sumerisch en Akkadisch), 
telkens beginnende met nis (Sumerisch zi) ‘bij’ (eigenlijk 'leven, kracht’) met den naam 
en de nadere epitheta van een bepaalden god. In fragment 1, r. 3 is het Samas , in 
fragment 2, r. 2 de godin Baba , in r. 5 de godin d Nin-ezen + gud (Deimel, Pantheon 
n° 2524); in frgm. 4 de ‘gemalin, de koningin van Nippur, de groote bruid van den 
god Nunnamnir , de vorstin’. In n° 49, kol. II wordt bezworen de gebiedster Istar , 
de schoone heldin der góden; voorts d Enzulla en d Ninzulla i góden van het land zonder 
terugkeer (de onderwereld). Daarop volgt d Ninnü (d. i. Enlil), de koning der góden, 
wiens alles omverwerpend gezag de groote sterren niet kunnen wijzigen, met d Ninlil y 
zijn beminde gemalin. Ten slotte (kol. III en IV) de verheven stadhouder, die beroemd 
is in Esagila, ... de beheerder van hemel en aarde, eersteling van Esagila, die aan 
de góden bevel en raad geeft, wiens lotsbepalingen evenals die van Anu , Enlil en Ea 
niet gewijzigd kunnen worden *); beroemd is zijn naam. Hiermede is, zooals ook de 
woordspeling met naba en nabi (Sumerisch sa 4 ) in r. 5 en 11 aantoont, de god Nabü 
(Nebo) bedoeld, die zijn vader Marduk in Assyrië reeds eerder dan in Babylonië 
(ongeveer van het begin der 8ste eeuw af) begon te verdringen. Dat dit juist is, blijkt 
ook uit de vermelding van zijn beide vrouwen Tahnëtum en Nand aan het eind van 
deze kolom. 

N° 52 behelst vijf omina met nadere toelichtingen. Een kwaad omen is het 
(natuurlijk ook wegens de cultische verontreiniging), als iemand uit angst zijn water 
loost, vooral als dit ’s nachts (tegen den ochtend) of ’s avonds gebeurt. De toelichting 
voegt er als bezwarende omstandigheden aan toe, als het tegen den drempel (r. 2) of 
tegen de zijde van een graanzolder (r. 9, ter verklaring van het ideogram Deimel 
SL 46***,7) gebeurt en verklaart bovendien enkele van de uitdrukkingen. 

N° 53 behelst o.a. een korte bezwering, dat ‘zijn legerstede iemand goede droomen 
doet zien”; het brokstukje van een amulet n° 120, waarvan wij de vermelding hier 
inlasschen, dient tot afwering van kwade droomen. 

N° 65, een bezwering, waarvan slechts weinige regels bewaard zijn gebleven, is 
belangwekkend, omdat hier de 7 de (?), de 8ste e n de i6 d e dag als feestdagen {üm essësi , 
üm nubatti en üm hegalli , r. 8 v.) genoemd worden, en omdat er in dit verband sprake 
is van den dag, dat de god Nabü (Nebo) naar het Akitu gaat (r. 11, dus bij gelegen¬ 
heid van het nieuwjaarsfeest). R. 15—18 luidt: 

‘Tooverij en kwade praktijken mogen het heiligdom niet naderen, 
de offeraar moet zuiver zijn als de dag; 

zonde en opstandigheid mogen er in dit godshuis niet bestaan!’ 

In tegenstelling met een mooi woord als het zooeven aangehaalde bevat de 
meerderheid van de teksten ook in dit deel 2 ) magische voorschriften en praktijken, 
al is het dan uitsluitend in den geest van de ‘witte’ magie, die ter afwering dient 
van de gevaarlijke ‘zwarte’. Naar het onderschrift en de namen van de schrijvers kan 
men deze teksten in bepaalde groepen rangschikken. Zoo is b.v. n° 72 blijkens het 
onderschrift naar een tafel uit Assur haastig uitgetrokken door den bezweerder Kisir- 
Nabü , den zoon van Samas-ibni ; het rituaal dient o.a. voor het geval, dat iemand 
hetzij op het veld of op den buitenmuur of op de hoogten uit een lederen zak ( narüqu) 
met ongeluk, tooverij of vergif (;mihru , epistu t me limnüti ) besprenkeld wordt (r. 18 vv.). 
Soms verklaart de priester, dat de bezwering niet van hem persoonlijk, maar van de 
verlossende en genezende góden uit het van ouds beroemde Eridu afkomstig is. Zoo 
b.v. in n° 77, r. 18 vv. (uit de serie ‘het groote net’): 


1 ) Lees waarschijnlijk: si-ma-tu-su Ia ut-tak-ka-ru (r. 10). 

2 ) Van nog niet nader bewerkt materiaal verdienen nog de fragmenten n° 81, 82, 83 en 88 vermelding 

Jaarbericht N°. 5 23 




1 




354 


RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (i—Hl) 


De bezwering is niet de mijne ( iauttun ), 
het is een bezwering van Ea en Asaru, 
een bezwering van Damu en Gula, 
een bezwering van Ninahakuddu, de gebiedster van de bezwering : 

Zij hebben het opgedragen, ik heb het herhaald : 

Naar beneden moge het kwaad verdwijnen, naar boven niet opklimmen! 
De kwade tong moge naar buiten wijken! 

Een dergelijke passage wordt in n° 79 (met het oog op een gelukkige bevalling) 
aangetroffen, voorts waarschijnlijk in het fragmentje 2 van n° 88 (r. 8 v.) en vooral 
in n° 114, az *). 

N° 78 is een klein fragment van een boetepsalm, waarin de vrome met het oog 
op het onheil in het afgeloopen jaar met ‘gebroken hart’ (r. 3 vv.) jegens Ea zijn 
zonden 2 ) belijdt (r. 12: arni , sertu, qillate, hititn ). 


KARy Heft III, n° 91 is cultuurhistorisch interessant. Deze ritualen ten behoeve 
van de (ritueele) reiniging van paardenstallen zijn blijkens het onderschrift door den 
koninklijken bezweerder Ribatu volgens het origineel overgeschreven van een tafel 
in de taal van Akkad. Het begin (de slecht bewaarde regels 1—29) is trouwens in 
het Sumerisch gesteld. 

N° 94 behelst bepaalde regels uit bekende tooverteksten, vooral uit het begin 
van de groote serie Maqlü (‘verbranding’), waartusschen bij wijze van commentaar 
toelichtingen ingelascht zijn. In de commentaar op de nieuwe editie van Maqlü (AfO, 
Beiheft 2, 1937), waarvan de tekst door G. Meier zooeven verschenen is, zal ook deze 
interlineare verklaring (VAT 8928) zeker tot haar recht komen. Wij beperken ons 
tot één voorbeeld. In het begin van Maqlü worden de góden van den nacht aangeroepen 
en wordt de nacht met prachtige beeldspraak genoemd ‘de omhulde bruid’ (nl. van 
den zonnegod) 3 ). Onze commentator voelt zich verplicht de beeldspraak uiteen te 
rafelen, zooals in commentaren sedert zijn dagen wel meer gebeurd is, ‘De omhulde 
bruid’, zoo verklaart hij, ‘is een godin, die volstrekt niets zien kan en niet in staat 
is de zon waar te nemen’ 4 )! In regel 16 v. vinden wij dan (ter verklaring van het 
ideogram in Maqlü I, r. 24) het woord voor den dennenappel (terinnatu), waarover 
G. Meier in AfO XI/4, 1936, p. 234 v. gehandeld heeft. Als terinnatu(m) verder 
verklaard wordt door isburnatu (vgl. nieuw-Hebr. sënobar ??), waarin zich se'immate 
(‘korreltjes’?) bevinden, zijn de bijzonderheden nog onzeker. Moeilijk is ook in r. 19 
vv. de verklaring van Maqlü I, r. 42 v. (de stad Zappan met haar beide stadspoorten). 

Ook historisch belangwekkend is n° 98: een gebed aan de godin Istar (Bêltu) 
van Arbela naar aanleiding van de aanbieding van een wijgeschenk door den koning 
Salmanassar III (858—824 v. Chr.). De naam van den koning stond aan het begin, 
dat niet bewaard is gebleven. Blijkens r. 12 v. is hij de zoon van Assurnasirpal (II) 
en kleinzoon van Tukulti-Ninurta (II), dus komt geen ander dan Salmanassar III, de 
bekende tijdgenoot van de koningen Achab en Jehu van Israël, in aanmerking. Aan 
het begin van het bewaarde gedeelte noemt zich de koning 


1) Dezelfde formule (in korteren vorm) wordt aangetroffen in den Oud-Babylonischen bezweringstekst 
Böhl n° 1000, r. 41 vv., vgl. Mededeelingen uit de Leidsche verzameling , II, p. 5 v. 

2 ) Vgl. over de verschillende termini voor zonde het proefschrift van D r A. van Selms 1933 (zie Jbr 
n° 2, p. 19). 

3 ) Vgl. de aanroeping van de góden van den nacht (d.w.z. van bepaalde sterrebeelden) in KAR , Heft I, 

n° 38, vz., r. 9 vv.; az. r. 18 vv. (bewerkt door Ebeling, MAOG V/3 1931, p. 45 vv.). Voorts o.a. Dossin, 

RA 32, 1935, p. 179 vv., waar (r. 10) eveneens gezegd wordt ‘omsluierd is de nacht 1 ( pussumat müHtunr, 

zoo ook bij W. von Soden, ZA 43, 1936, p. 306, vz., r. 9). 

4 ) Wij vullen r. 5 v. aldus aan: (5) kalda-tü kutdümdü [istar] (6) sa minima la u-sap-pu-, naplu s 

samsu s ü [la Ie'at]» 


RELIGIEUZE TEKSTEN UIT ASSUR (I—lil) 


355 


(Vz., r. 5) .... De beleidvolle stadhouder, de beminde van uwe godheid, 
die uwen zoon grijpt, uwe godheid prijst; 
aanschouw hem, o Bêlit, gedenk aan zijn heerschappij, 

over de menschen van het heelal maak lang zijn regeering! 

(10) De koningen .... komen bijeen, knielen en kussen zijn voeten. 
De legitieme herder, die de (heiligdommen (?) onderhoudt, 
de zoon van Assurnasirpal, den priester der góden, 
de kleinzoon van Tukulti-Ninurta . . . ., 

(Az., r. 1) .... die het offerlam leidt, de brooden voor Istar draagt, 

de legitieme herder, de regeerder van Assur, wiens daden l ) 
verheven zijn, de leider, die het rituaal der góden verricht. 

De achterzijde is gedeeltelijk verminkt. Van az., r. 4 af is sprake van het wij¬ 
geschenk: een groote tibuu , waarbij men liefst aan een muziekinstrument zou denken, 
vooral met het oog op r. 12, waar deze uitdrukking door halhallatii schijnt te worden 
verklaard 2 ). Blijkens r. 8 wordt het voorwerp echter op het hoofd van het godenbeeld 
geplaatst, zoodat de vertaling ‘kroon’ meer voor de hand ligt. De oude kroon was 
blijkens r. 4 v. versleten {ênahma)\ nu wordt er een veel prachtiger en grooter 
vervaardigd, en wel volgens r. 9 van zuiver elektron 3 ). In r. 15 v. worden de ver¬ 
siersels beschreven, die daaraan zijn aangebracht: o.a. steenbokken en gedierte van 
het gebergte, uit goud en kostbaar sariru- metaal. 

N ü 101 is een (bilingue) bezwering, gericht tot een vertoornde godheid uit naam 
van Marduk en Ea. Slechts weinige regels zijn onverminkt bewaard gebleven : 

(2) De god . . . ., die zijns gelijke niet heeft, 

de Heer, wiens schittering men niet kan aanschouwen, 

(5) de god, wiens glans verschrikkelijk is, 

tegen wiens toorn geen enkele god kan opkomen 4 ) 

(10) door de bezwering van Marduk, door het tooverwoord van Ea, uwen 
U, o Heer, te kalmeeren en u te doen bedaren [vader, 

heb ik reine offers voor u bereid : 

(15) ....zuiver water, water vermengd met tameriskenhout, hennep, 

....goud, zilver, turkoois, cornalijn, lazuursteen, [scheerling 5 ), 

cederhars, beste olie, goede olie, gefiltreerde olie 6 ), honing, boter, 
[hars] van naaldhout (?), oleander 7 ), cederhout, sparrenhout, zoetriet, 

. . . wijn, bier uit gierst heb ik voor u op zeven haardroosters [opgestapeld], 
(20) .... opdat uw hart bedaren moge . . . . ! 

*) lees wellicht: ... .paqid Assur , sa ep[sêtusu] . . ..(?). 

2 ) R. 12 zal moeten worden gelezen: ti-bu'u }jal-}ia-[la]-at na-ram ilütiti*[ki \. Ebeling (en ook Bezold- 
Götze, Glossar , p. 130b, s.v. timbu'u) denken aan een zegelring (blijkbaar op grond van het Hebreeuwsch 
tabbd'at). 

3 ) elmësi nam[ri ]; volgens Thompson, Dictionary of Assyrian Chemistry , p. 76 v. echter L brass\ Regel 10 
moet worden gelezen: kam-su u^saldu-ki u-sa-pu-u bedut-ki ‘geknield aanbidden zij u en prijzen uwe majesteit 1 . 

4 ) sag-nu-un-gd"ga = /ö idr-rum : Deimel, SL 115, 176. 

5 ) Ideogram Deimel, SL 467,33 (salalu Scheerling, wilde kervel 1 ). 

6 ) Ideogram, Deimel, SL 249,15=7231,159: samnu halsu. 

7 ) Vgl. Deimel, ÉL 215,97 en 215, 14 v. 







35 6 


RELIGIEÜZË TEKSTEN UIT ASSÜR (i—lil) 


Wij noteeren hier nog enkele fragmenten, waaruit slechts weinig valt op te maken: 
n° 95 een episch (?) fragmentje in de twee talen, waarin sprake is van de schepselen 
van Istar (r. 4) en van Ninlil, die haar weenen niet kan inhouden en (de goden- 
vergadering ?) boos verlaat (r. 9 vv.); n° 99 een Sumerische hymne aan Enlil bij zijn 
uittocht (bij gelegenheid van het nieuwjaarsfeest) uit den tempel van Nippur; n° 100 
een gebed, gericht tot de godinnen Gula en Istar ; n° 103 wellicht een beschrijving 
der verschillende lichaamsdeelen van het godenbeeld (? az., r. 7—18); n° 110 een 
gebed aan de godin Gula; n° 112 een episch fragmentje (?); evenals wellicht n° 116 
(waar in r. 2 sprake is van Nannaru , in r. 8 van Esagila ); n° 121 een bezwering 
(rituaal) met het oog op het hemelteeken Schorpioen, waarbij ceder, wijnstok en 
cypres (r. 10) te pas komen; n° 123 het gesprek tusschen Ea en Marduk ( Asaru ), 
dat men o. a. in CT XVII 26, r. 50 yv. volledig terugvindt; n° 124 Sumerische be¬ 
zwering en rituaal (in het Akkadisch); n° 126 hymne (?) ter eere van den god Assur ; 
n° 127 rituaal en hymne aan Ninurta; n° 131 rituaal (?) in het Emesal. Zulke brok- 
stukjes kunnen slechts dan van belang worden als de samenvoeging tot een grooter 
geheel mocht gelukken. 

Afzonderlijke vermelding verdient n° 106; een fragment van het lied, dat bij 
den intocht van Marduk in zijn tempel bij gelegenheid van het nieuwjaarsfeest 
gezongen werd. Het fragment n° 113 maakt met zijn eigenaardige herhalingen van 
enkele teekens en woorden den indruk van schoolwerk. 

Over n° 135 —137, waarmede Heft VI, n° 215—217 nauw samenhooren, heb ik 
in MAOG XI/3, 1937, P* 43 gehandeld: het is de beschrijving van de ceremoniën 
naar aanleiding van de kroningsplechtigheid; n° 146 bevat meer in ’t bijzonder de 
voorschriften voor den sacralen maaltijd bij gelegenheid van het troonsbeklimmings- 
feest. In de MVAeG is door Dr. K. F. Müller van dit belangrijke onderwerp spoedig 
een monographische behandeling te verwachten (41. Band, 3. Heft, 1937). 

Als men dus hiervan afziet, zijn de twee belangwekkendste onder de nog niet 
gepubliceerde en hier nog niet besproken teksten in Heft III de nummers 125 en 
130. Hiervan behoort n° 125, zooals wijlen H. Zimmern reeds gezien heeft, tot het 
rituaal van het nieuwjaarsfeest in de ruimere beteekenis van dit woord, dus tot 
dezelfde groep als b.v. n° 142 en 143 (== n° 219), waarvan trouwens de laatste naar 
inhoud en strekking opnieuw moet worden onderzocht. N° 125 vz., r. 1—az., r. 5 
is belangwekkend door de vermelding van 19 vogelnamen (o.a. de zwaluw, gier, 
steenuil, eend, kip, woudduif, haan, hop, zwaan en raaf) met de daarbij behoorende 
góden: vooral góden van de onderwereld, zooals Tammuz en Emnesarra , benevens 
den boozen dsemon Kingu en den bode Gaga, die in het epos der wereldschepping 
(tafel III) een rol spelen. 

N° 130 is een gebed, door een koning tot den god Assur gericht in tijden van 
nood en gevaar. Het gevaar dreigt, zooals uit vz., r. 30 blijkt, van de zijde der A/tlamü , 
d.w.z. der Arameesche nomaden. De beste analogie (waarschijnlijk uit dezelfde periode) 
is wellicht het gebed van den Babylonischen koning Nebukadnezar I (omstr. 1130 v. 
Chr.) tot Marduk (CT XIII, pl. 48). 

Opzettelijk hebben wij ons bij dezen verkenningstocht in onbekende streken voor- 
loopig beperkt tot de in Heft I—III geautographeerde teksten, in de hoop later 
gelegenheid te hebben tot een vervolg. Van Heft V af wordt het reeds bewerkte en 
vertaalde materiaal minder talrijk. 

Verreweg de meeste van de teksten in deze latere afleveringen zijn lijsten van 
gunstige of ongunstige voorteekens (omina) en van gunstige of ongunstige dagen en 
maanden (hemerologieën en menologieën), voorts vooral bezweringsformulieren en 
ritualen. De cultuurhistorische waarde van deze dingen mag niet worden onderschat, 
maar de religie is hier bedolven onder bijgeloof en magie. 

Leiden F. M. Th, Böhl 


DE DOCHTER VAN KONING NABONIDUS 

De tekst, dien wij hier opnieuw vertalen, is in spijkerschrift gegraveerd op een 
kleicylinder, die blijkbaar in Ur werd gevonden en die zich heden bevindt in de 
collectie der Yale University in New Haven. Hij werd voor het eerst gepubliceerd 
en bewerkt door wijlen A. T. Clay, Miscellaneous Inscriptions in the Yale Babylonian 
Collection (Yale Oriental Series, vol. I, 1915), No 45 onder den titel: The dedication 
of Nabonidus ’ daughter as a votary. Deze editio princeps van den verdienstelijken 
Amerikaanschen geleerde is thans op beslissende punten verouderd, zoodat een poging 
tot een nieuwe bewerking gerechtvaardigd is. Hiervan bieden wij op deze plaats 
voorloopig slechts de Nederlandsche vertaling, dus zonder commentaar en nadere 
toelichtingen, die wij elders hopen te publiceeren. 

De oorkonde is afkomstig van den koning Nabonidus of Nabü-naid , die 
555—539 v * Chr. geregeerd heeft. Hij was de laatste zelfstandige koning van het 
Nieuw-Babylonische rijk, die in October 539 v. Chr. door de Perzen onder Gobryas 
gevangen werd genomen, waarna de Perzische koning Cyrus ongeveer tien dagen 
later (op den derden dag van de maand Marcheswan) zijn plechtigen intocht in de 
veroverde hoofdstad Babylon heeft gehouden. 

Deze Nabonidus nu was zelf geen echte Babyloniër, maar afkomstig uit priester¬ 
kragen in de Mesopotamische (West-Arameesche) stad Harran, waar evenals in de 
Zuid-Babylonische stad Ur de Maangod Sin vereerd werd. Bewust van het gevaar, 
dat van Iran uit dreigde, verplaatste hij het zwaartepunt van zijn rijk naar het 
Westen en poogde hij den invloed van de machtige priesterschap van Marduk-tempel 
Esangila te Babylon te breken door de oudere tempels en eerediensten te herstellen 
en aan hun priesters een bevoorrechte positie te schenken. Of hij er werkelijk op 
uit was, zooals hem door de priesters van Marduk verweten werd, dezen god in zijn 
eigen tempel te Babylon door den Maangod Sin te verdringen, moge in het midden 
gelaten worden. Zeker is, dat hij gedurende de helft van zijn zestien regeeringsjaren 
ver van zijn hoofdstad Babylon in de Noord-Arabische oase Teima resideerde, zoodat zelfs 
het nieuwjaarsfeest in Babylon niet naar de oude riten met een processie der goden¬ 
beelden kon worden gevierd, terwijl hij intusschen, om Marduk te kleineeren, de 
oude tempelgebouwen van den Zonnegod in Sippar en Larsa en die van den Maangod 
in Harran en Ur heeft laten herstellen. 

In verband met dit streven heeft koning Nabonidus, die telkens in zijn opschriften 
blijken geeft van archeologische belangstelling, ook overoude gebruiken en instellingen 
bij deze tempels opnieuw in het leven geroepen. Zoo heeft hij, die zelfwaarschijnlijk 
een zoon geweest is van de hoogepriesteres van den Maangod te Harran, een van 
zijn dochters naar een ouden en in zijn tijd feitelijk reeds lang vergeten ritus tot 
‘godenbruid’ van den Maangod van Ur laten wijden. Over de bijzonderheden van 
deze wijding en al wat daaraan voorafging, bericht onze tekst. 

De term, dien wij niet zonder aarzeling met ‘godenbruid’ vertalen, beteekent 
volgens het Sumerisch (nin dingir) letterlijk de meesteres (dus maitresse in de 
oude en goede beteekenis van dit woord) of wellicht eerder de zuster van de godheid. 
De term ‘zuster’ beteekent in dit geval, evenals in het bijbelsche Hooglied, hetzelfde 
als ‘bruid’. De Akkadische term ëntu beteekent waarschijnlijk eveneens de vrouwe of 
meesteres. Voor een uitgebreid onderzoek naar de positie en de taak van deze voor¬ 
name priesteressen, die aan het hoofd stonden van een geheele hiërarchie, is er hier 
niet de plaats. In ieder geval had de dochter van den koning Nabonidus tot voor¬ 
gangsters in deze hooge en belangwekkende waardigheid van ‘opper-hiërodoule’ of 
‘godenbruid’ minstens twee of drie koningsdochters uit een grijs verleden, namelijk 
uit het derde millennium voor het begin van onze jaartelling, zooals behalve uit ons 
opschrift zelf ook uit de resultaten der opgravingen van Sir Leonard Woolley te Ur 
is gebleken. Hierbij behooren wellicht de dochter van Entemena, den ouden koning 
van Lagas, voorts zeker die van den grooten veroveraar Sargon I van Akkad, en 
ten slotte volgens ons opschrift (col. II, r. 1 vv.) ook de dochter van Kudur-Mabuk, 
den ‘vader’ van Emutbal en Amurru, die eerst zijn oudsten zoon Warad-Sin en na 





358 


DE DOCHTER VAN KONING NABONIDUS 


DE DOCHTER VAN KONING NABONIDUS 


359 


diens dood in 1985 v. Chr. diens jongeren broeder Rim-Sin tot koning in Larsa en 
Ur had aangesteld. 

Het huis Egipar, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het oude gebouw 
Edublalmach, dat Nabonidus voor zijn dochter opnieuw heeft doen opbouwen, 
werd bij de opgravingen te Ur in de jaren 1924—1926 opgedolven, zoodat de 
plattegrond van dit gebouw tot in de bijzonderheden bekend is. Eigenaardig is, 
dat de prinses, die blijkbaar in haar clausuur over veel vrijen tijd beschikte, een 
gedeelte van het gebouw ingericht heeft tot een soort museum van plaatselijke oud¬ 
heden. De archeologische belangstelling had zij blijkbaar van haar vader geërfd. Hier¬ 
over vindt men de noodige gegevens in het Nederlandsch in populairen vorm in het 
boek van Dr H. W. Obbink, Ur der Chaldeeën (Utrecht 1931), blz. 98 v. (over de 
dochters van Sargon I, Entemena en Kudur-Mabuk), blz. 170 vv. (over het museum), 
en in schematischen vorm in het Rondschrijven No 15 van ons Gezelschap. 

De vertaling luidt: 

I. i ‘Toen Nannar *) den wensch naar een godenbruid koesterde, 

heeft de Vorstelijke zijn orakel aan de lieden te kennen gegeven, 
heeft de Schitterende zijn genadige beslissing geopenbaard. 

Aan Nabonidus, den koning van Babylon, den verzorger van Esangila en Ezida, 

5 den vromen herder, die toezicht houdt op de heiligdommen der groote góden, 

heeft Nannar, de heer van den diadeem, die aan de aardbewoners voorteekens brengt, 
zijn omen getoond betreffende den wensch naar een godenbruid: 
c Als in de maand Elul, op den dertienden dag van September 
de Maanschijf verduisterd werd, zoodat zij bij haar verduistering verdween, 

10 dan (beteekent dit, dat) Sin naar een godenbruid verlangt 3 — 

Zoo luidde zijn omen en zijn beslissing. 

Dus heb ik, Nabonidus, zijn godvruchtige herder (heerscher), 
zijn genadig bevel eerbiedig opgevolgd, 

zoodat ik mij vol onrust inspande een godenbruid te zoeken. 

De heiligdommen van Samas en Adad 2 ), de heeren der waarzeggerskunst, heb ik 

[opgezocht, 

15 waarop Samas en Adad mij genadig bescheid gegeven hebben. 

Bij mijn offerschouw teekenden zij een gunstig orakel op: 

het orakel dat op den wensch naar gewijde priesteressen betrekking heeft, welken 

[góden tegenover menschen koesteren. 
Toen ik de leverschouw ten tweeden male verrichtte, overtrof het gunstige orakelbe- 

[scheid, dat zij mij gaven, nog het vorige. 
Toen ik echter aangaande de dochteren mijner verwanten de leverschouw ver¬ 
dichten liet, hebben zij met neen geantwoord. 
20 Daarna heb ik ten derden male en nu wegens mijn bloedeigen dochter 

de leverschouw laten verrichten, waarop zij mij met een gunstig orakelbescheid 

[antwoordden. 

Dus heb ik het woord van Sin, den verheven heer, mijn schepper, 

(evenals) het bevel van Samas en van Adad, de heeren van de waarzeggerskunst, 

opgevolgd 

en mijn eigen dochter tot de waardigheid van godenbruid verheven, 

25 waarop ik haar den naam Bël-saltt-Nannar (‘een overwinnaar is de Maangod’) gaf. 

Daar nu echter sinds langen tijd het godenbruid-rituaal vergeten was 

en ook de uitvoering daarvan niet meer bekend was, beraadslaagde ik dagelijks, 

tot eindelijk het doel bereikt was en men mij de poorten opende. 

Daar vond ik een oude steenen oorkonde van Nebukadnezar 3 ), 

30 den zoon van Ninurta-nadin-sumi, een vroegeren koning, 
waarop het beeld van een godenbruid afgebeeld was. 






) 


Haar tooisel, haar kleedij en haar opschik 

had men daarnaast opgeteekend en (deze oorkonden) naar het Egipar gebracht. 

35 Deze oude oorkonden en tafels heb ik nauwkeurig bekeken 

en ze (nl. de stukken) daarna naar het origineel weder laten vervaardigen. 

Een steenen oorkonde over haar tooisel en haar huisraad 

heb ik laten vervaardigen en beschrijven 

en haar voor Sin en Ningal, mijn gebieders, laten opstellen. 

Te dien tijde huisden in Egipar, de heilige plaats van het rituaal van den godenecht, 
40 relmuizen en geitjes; 

de plaats was verwaarloosd en tot een woestenij geworden: 
struiken en vruchtboomen waren daarin opgekomen. 

Nu liet ik het hout wegkappen en het puin van zijn ruïnen verwijderen; 
zoo kreeg ik het gebouw te zien en vond ik zijn stichtingsoorkonde. 

45 De namen van oude koningen heb ik daarin opgeteekend gevonden. 

II Een oude inscriptie van Bël-samë-suklul , de godenbruid van Ur, 

de dochter van Kudur-Mabuk en zuster van Rim-Sin, den koning van Ur, 
die het Egipar gegrondvest en hernieuwd had, 

bij welke gelegenheid hij ter zijde van het Egipar een muur rondom het slaapver¬ 
trek der oude godenbruiden opgetrokken had, 
5 heb ik gevonden en het Egipar dan als vanouds opnieuw gebouwd. 

De standbeelden en de emblemen heb ik als vanouds opnieuw laten oprichten. 

Ter zijde van Egipar heb ik het huis voor mijn dochter Bel-salti-Nannar laten bouwen. 

IO DAAROP heb ik mijn dochter gewijd en haar aan Sin en Ningal *), mijn gebieders, 

[ter beschikking gesteld; 

Door het werk der bezweeringskunst heb ik haar tot het priesterambt gewijd, en haar 

[het Egipar binnen laten trekken. 
Overvloedige stichtingen heb ik voor het Egipar gemaakt; 

van landerijen en tuinen, met dienstvolk, runderen en kleinvee heb ik het rijk voorzien. 
I5 Met een muur heb ik het slaapvertrek der oude godenbruiden als vanouds opnieuw 

[omgeven 

en dit huis aldus tot een strenge clausuur laten worden. 

Daarop echter heb ik voor de góden Sin en Ningal, mijn gebieders, 
nog rijkere stichtingen als in het verleden gemaakt; 

20 een overvloed aan alles wat maar denkbaar is, hoopte ik in EgiSsirgal 2 ) op. 
Dagelijks drie lammeren boven het lam van het oude regelmatige offer 
heb ik voor Sin en Ningal, mijn gebieders, bepaald; 
rijke schatten heb ik in EgisSirgal opgehoopt. 

Opdat nu de heilige offeranden gebracht kunnen worden zonder dat er een verlies 

[bij geleden wordt, 

25 heb ik de priesterschap van Egissirgal 2 ) en van de overige tempels — 

namelijk den hoogepriester, de isippü - en zabardibbü- priesters, de zieners, de engizum - 

[priesters, 

de bezweringspriesters, de architecten en bouwlieden, de dulsamha- priesters, de portiers, 
de wachters, de boden, de zangers der klaagliederen, 
de zangers, welke het hart der góden verblijden, 

30 het geheele priestercollege, hoe zij ook heeten mogen — 

van hun leenplicht bevrijd en hun de volledige vrijstelling toegezegd. 

Aldus heb ik hen voor gewijd tot den dienst van Sin en van Ningal, mijne gebieders, 

[en voor ontheven van belasting verklaard. 

Zoo moge dan Sin, de heilige god, de heer van den diadeem, het licht der menschheid, 
35 de verheven god, wiens bevel rechtvaardig is, 

zich over mijn werken verheugen en mijn majesteit beminnen. 


*) Eig. de Verlichter: een bijnaam van den Maangod, wiens naam anders Sin luidt (regel 10 enz.). 

2 ) De Zonnegod en de god van het onweer en de overstrooming. i) Ningal is de gemalin van den Maangod Sin. 

3 ) Nebukadnezar I. koning van Babel, 1145—1123 v. Chr. 2) De groote tempel van den Maangod te Ur. 



360 


DE DOCHTER VAN KONING NABONIDUS 


Eeuwig leven en rijken kinderzegen moge hij mij schenken! 

niemand die mij evenaart moge hij in het leven roepen, een rivaal moge ik niet hebben! 
Telkens op den dag der nieuwe maan mogen mijn gelukkige voorteekenen schitteren! 
40 Den koninklijken diadeem moge hij voor altoos mij op het hoofd zetten! 

Den troon van mijn heerschappij bevestige hij tot in de verre toekomst! 

Telkens wanneer gij u op den dag der nieuwe maan hernieuwt, 
moge ik uw gelukbrengend omen aanschouwen! 

O Ningal, verheven heerscheres, vóór u moge zij haar voorbidding brengen. 

45 Bël-salti-Nannar , mijn eigen beminde dochter, 

moge in uwe tegenwoordigheid een hoogen leeftijd bereiken; haar bevel moge ongerept 
en haar werken welgevallig zijn! Moge uwe priesteres geen schade lijden! 

Leiden F. M. Th. Böhl 


LA CORRESPONDANCE DE ZIMRILIM, DERNIER ROI DE MARI l ) 

(VERS 2000 AVANT J.-C.) 

Au cours de la troisième compagne de fouilles qu’il a dirigée a Tell-Hariri, le 
site de 1 ’ancienne Mari, pendant 1 ’hiver 1935 —1936, M. André Parrot a notamment 
poursuivi le déblaiement d’un vaste palais dont il a remis au jour prés de 140 chambres. 
De multiples et importantes trouvailles intéressant Phistoire de Part, Parchéologie et 
Pépigraphie ont accompagné ce déblaiement. Parmi elles une place a part doit être 
faite a la découverte de plusieurs milliers de tablettes cunéiformes. Après un inventaire 
rapide et sur, M. Thureau-Dangin y reconnut les archives du palais et les data du 
règne du dernier roi de Mari, Zimrilim, qui avait été le contemporain de Flammurapi. 
Ces documents remontaient donc aux environs de 2000 avant J.-C., et, comme 
hammurapi avait battu les troupes de Mari dans la 33e année de son règne et que 
deux années plus tard il avait rasé les murs de la ville, une nouvelle précision pouvait 
être apportée a cette date. 

Les archives du roi Zimrilim se trouvaient dispersées dans plusieurs chambres du 
palais. Elles comprennent des documents de comptabilité, des contrats, des textes 
divinatoires et des lettres. La publication en a été confiée a plusieurs assyriologues 
qui travaillent actuellement a leur déchiffrement sous Péminente direction de M. Thureau- 
Dangin. La salie 115 a livré la plus riche collection de tablettes, qui n’était guère 
composée que de lettres. M. Charles-F. Jean et moi-même avons été chargés du dé¬ 
chiffrement de ces lettres. Je viens aujourd’hui soumettre a PAcadémie les résultats 
d’une première étude des tablettes qui m’ont été confiées. M. Charles-F. Jean a bien 
voulu me communiquer une série de constatations qu’il a faites a propos du déchiffrement 
de son lot et qui sont venues ou confirmer ou compléter mes données. Je lui sais le 
meilleur gré de son obligeance et de son esprit d’équipe. 

Un des premiers résultats du déchiffrement de la correspondance de Zimrilim sera 
Paccroissement considérable de nos connaissances géographiques de la moyenne et de 
la haute Mésopotamie. Aux environs de Mari on trouve mentionnées les villes de 
Tirqa, Hana, Tuttul, Sagaritim et Rapiqum. II est souvent question dans nos docu¬ 
ments des pays de Malgüm, de lam ut bal, d’Idamaraz et d’Elam. La Babylonie parait 
s’appeler a Mari le pays de Kurda, si tant est que dans les mots Hammurapi sar 
Ku-ur-dak', il faille reconnaitre le grand roi de Babylone. Les rapports entre Babylone 
et Mari sont extrêmement fréquents, a en juger par le nombre considérable de mentions 
de la capitale du Sud. Les noms de Kié, Sippar, Larsa apparaissent également. La 
ville d’Esnunnak est reliée a Babylone et a Mari par de nombreux courriers. Suse, 
Der, Mankisum, Arrapha, a Pest du Tigre, sont maintes fois citées. La ville de Ekallatim, 
que Pon situe a 20 kilomètres environ en aval de Pembouchure du Zab inférieur, est 
en contact étroit avec Mari. Nous n’avons trouvé qu’une seule mention de la ville 
d’Assur. Dans la Mésopotamie du Nord, a Harran, règne le roi Asditakum et a Suda, 


l ) Cf. Comptes rendus des se'a/ices de VAcadémie des Inscriptions et Belles-Lettres , 1937, p. 12—20. 


LA CORRESPONDANCE DE ZIMRILIM, DERNIER ROI DE MARI 361 

connue par les inscriptions hittites et assyriennes, règne le roi Sibkuna-^Adad. La 
cité de Kaljat, qu’on localise aux environs de Nisibis et qui devint plus tard un des 
principaux lieux de culte des Mitanniens, est fréquemment mentionnée. Les inscriptions 
de Adadnirari I connaissent une ville Eluhat dont il faut chercher Pemplacement dans 
la Mésopotamie du Nord. La correspondance de Zimrilim la mentionne a maintes 
reprises sous différentes variantes: Elahiittim , Elahutta , Eluhuttim.llahuttim , FJuhut . 
Le roi qui la commandait porte un nom déja bien mitannien: Sukru-Tesub; cette 
référence importante m’a été obligeamment communiquée par M. Charles-F. Jean. 
Zimrilim envoie ses bateaux a Carkemis sur PEuphrate pour aller y charger toutes 
espèces de bois, entre autres des bois de cèdre. Plusieurs lettres attestent que Carkemis 
était alors un centre important du trafic des bois. On rencontre aussi dans nos textes 
une ville de Halab qui pourrait bien être PAlep de Haute-Syrie; dans un passage, en 
tout cas, il est dit que Pon «monte» a Halab. Cette identification est d’autant plus 
vraisemblable que Ugarit-Ras-Shamra apparaït déja, a cette époque, en rapports avec 
Babylone et qu’un passage nous renseigne sur des gens qui se rendent au coeur de 
PAsie Mineure, a Kanis, la fameuse colonie des marchands mésopotamiens révélée 
par les tablettes cappadociennes. Cette rapide énumération est loin d’avoir épuisé les 
données géographiques nouvelles de la correspondance de Zimrilim. Nous avons relevé 
plus de 150 noms de pays ou de villes qui apparaissent ici pour la première fois. 
Bornons-nous a citer les villes dont la mention est la plus fréquente: Na&ur, Rasaba, 
Qattunan, Karana, Mislan et Qatara. 

Une ample moisson de noms de personnes pourra être faite dans la correspondance 
de Zimrilim. La plupart de ces noms appartiennent au groupe sémitique Occidental; 
ils viendront donc compléter et préciser la liste déja imposante que Théo Bauer a 
dressée de ces noms dans son mémoire sur les Ostkanaanaer . II suffira, a titre d’exemple, 
de reprendre les noms de quelques-uns des correspondants les plus fréquents de 
Zimrilim: Iakim-Adad, Ibal-pi-el, Iturasdu, Kibri-Dagan, Zimri-Adad, Zakira-hammü, 
Bahdilim, Iasim-sumü. 

La majeure partie des lettres portent la suscription a-na be-li-ia «a mon seigneur» 
ou plus rarement, mais plus explicitement, a-na be-lï-ia Zi-im-ri-li-im «a mon seigneur, 
Zimrilim». Mais Zimrilim n’est pas le destinataire unique de la correspondance. On 
adresse de nombreux messages a un certain Sunuh-rahalu qui parait avoir occupé a 
la cour un poste trés élevé. Iasmah-Adad y détient lui aussi une haute situation. Tel 
de ses correspondants lui donne le titre de «seigneur» comme a Zimrilim et se 
déclare son serviteur. II est probable que ce Iasmah-Adad n’est autre que le person- 
nage du même nom qui a dédié a ëamas la statue décapitée découverte en aoüt 1933 
a Tell-Hariri par le lieutenant Cabane. II porte le titre de «préposé d’Enlil» et a pour 
père ëamsi-Adad. Or nous avons relevé deux lettres dont la suscription est la suivante: 
«A Iasmah-Adad dis ceci: ainsi (parle) Samsi-Adad, ton père». Aussi bien Iasmah-Adad 
est-il encore mentionné dans d’autres passages *). 

Si les destinataires des lettres sont relativement peu nombreux, les expéditeurs 
appartiennent, eux, a des catégories diverses. On y compte des rois comme Hammurapi 
et Ariseni, des fils de Zimrilim, comme Iahdulim, Askur-Adad ou Turumnatki, une de 
ses sceurs ou sa soeur, Niqljatum, des femmes, Inib-sarri, Bêlit-matim, Adad-düri, Sibtum. 
Mais la catégorie la mieux représentée des correspondants du roi est celle de ses 
fonctionnaires, «ses serviteurs», qui lui envoient des rapports sur les missions dont ils 
ont été chargés. Une dizaine de noms reviennent fréquemment; ce sont ceux de Iakim- 
Adad, Ibal-pï-el, Itur-asdu, Kibri-Dagan, Zimri-Adad, Zakira-hammü, Sammêtar, Meptüm, 
Bahdilim, Askudum et Mukannisum. 

Le contenu des lettres est extrêmement varié. On adresse a Zimrilim un billet de 
quelques lignes pour lui annoncer 1 ’arrivée de messagers, le passage prochain a Mari 
de personnalités, 1 ’envoi de troupes, d’animaux, de marchandises. Le pays parait vivre 
dans une sécurité précaire, car il est souvent exposé a des attaques de bandes révoltées 
a 1 ’affüt de mauvais coups. C’est ainsi que nous apprenons que les-gens de Numhum 

*) Ia de Revue d'Assyriologie 34, 1937, 134—139 biedt de heer Thureau-Dangin de transcriptie en 
vertaling van enkele dezer brieven. Hij bewijst de juistheid der identificatie van den vader van Iasmah-Adad 
met Samsi-Adad I van Assur. Deze zou dus een tijdgenoot van Hammurabi geweest zijn. [R.]. 



362 


LA CORRESPONDANCE DE ZIMRILIM, DERNIER ROI DE MARI 


LA CORRESPONDANCE DE ZIMRILIM, DERNIER ROI DE MARI 


363 


projettent d’envahir le pays et le piller. La région est menacée a ce point que Zimrilim 
se voit forcé de demander du secours a Hammurapi. Un autre correspondant annonce 
au roi une attaque des Habiru qui cherchent a s’emparer d’une ville ou bien encore 
ce sont les Turukku , peuplade montagnarde installée au dela du Tigre qui prennent 
cinq villes. Les razzias de moutons sont fréquentes; la bande des Tukkü ne se contente 
pas d’emmener les troupeaux, elle pille cinq villages et tue 500 hommes. Les inimitiés 
de ville a ville provoquent des luttes incessantes et obligent les cités a pourvoir sévèrement 
a leur sécurité. Aussi 1 ’auteur d’une lettre au roi prend-il souvent soin d’indiquer que 
les dieux vont bien, que les gardes sont süres et que le rempart de la ville est en bon 
état. On comprend aussi, dans ces conditions, que le roi ait tenu a avoir un peu 
partout des hommes de confiance qui le renseignaient sur les événements et qui devaient 
lui rédiger un rapport précis sur une situation devenue menagante. 

Comme il se doit dans une société dont la richesse première est constituée par 
les champs et les troupeaux, 1’agriculture et 1’élevage tiendront une grande place dans 
les préoccupations royales. L’irrigation est le travail inéluctable et primordial qui 
s’impose a 1 ’agriculteur. Aussi le niveau des eaux du Habur et des canaux est-il sur- 
veillé étroitement. Un correspondant est heureux de signaler a son maitre que le Habur 
a monté de deux coudées en une nuit et que 1’irrigation des champs appartenant au 
palais et aux muskênu est devenue possible. La baisse des eaux survient-elle dans le 
«Grand Canal», une lettre 1 ’annonce a Mari. Le fléau des sauterelles causait déja alors 
les mêmes ravages que de nos jours, ainsi que deux textes permettent de Paffirmer. 
Le roi est tenu au courant du progrès des travaux de la moisson par ses serviteurs 
qui le renseignent par lettre avec précision. L’alimentation des bceufs et des anes, le 
paturage des troupeaux sont aussi pour le roi de graves problèmes a résoudre. 

Les nouveaux documents ne nous permettent pas seulement de nous faire une 
idéé de ce qu’était la vie a Mari et a la cour de Zimrilim vers 2000 av. J.-C. Ils 
jettent surtout une lumière nouvelle et inattendue sur Phistoire politique de la 
Mésopotamie, histoire sur laquelle on n’était jusqu’a present que peu ou pas renseigné, 
et en particulier sur les relations que le roi Zimrilim entretenait avec son redoutable 
voisin du Sud, Hammurapi. M. Thureau-Dangin a déja fait connaitre dans la Revue 
d’assyriologie, t. XXXIII (1936), p. 171 ss., une lettre extrêmement vivante et importante 
sur la nature de ces relations. Elle est un modèle parfait de rapport diplomatique 
envoyé par Pambassadeur de Zimrilim auprès du roi de Babylone, Hammurapi. Comme 
Pavait déja signalé M. Thureau-Dangin, on trouve dans les archives des lettres 
adressées par Hammurapi lui-même a la cour de Mari, soit a Zimrilim, soit a certains 
de ses hauts fonctionnaires. Aussi bien trouve-t-on trés fréquemment la mention du 
roi Ijjammurapi et Pon se rend compte qu’il occupait la première place dans le jeu 
politique de Pépoque. Le fait est d'ailleurs attesté dans un passage trés précieux pour 
nous, d’une lettre malheureusement incomplète, ou sont énumérés, par ordre d’importance, 
les monarques contemporains de Zimrilim. Itur-asdu écrit, en effet, dans un rapport 
qu’il adresse a son maitre de Mari: «J’ai rassemblé les rois a Sarmaneh et je leur ai 
fait comprendre Paffaire par ce discours: II n’y a pas un seul roi, qui, a lui tout seul, 
soit réellement puissant! 10 ou 15 rois suivront Hammurapi, le Babylonien; autant 
suivront Rim-Sin, le Larséen, autant suivront Ibal-pï-el, PESnunnakien, autant suivront 
Amüt-pï-el, le Qatanéen; 10 rois suivront Iarimlim, le Iamhadéen ...». 

Une autre lettre d’un correspondant de Zimrilim nous livre le texte d’une sorte 
de traité d’alliance défensive que Rïm-Sin de Larsa propose a Hammurapi: 

«A mon seigneur dis ceci: Ainsi parle Iarim-Adad: Les gens^ de Tab-eli-matim ... 
et les serviteurs... (de?) Hammurapi qui ont été envoyés a Maskan-Sapir voici longtemps, 
ne sont pas encore revenus. Rïm-Sin a écrit a Hammurapi en ces termes: «Mes hommes 
sont rassemblés dans mon pays. Que les hommes de ton pays soient rassemblés! Si 
1 ’ennemi se propose de t’attaquer, mes hommes et mes barques te rejoindront. Mais 
si 1’ennemi se propose de m’attaquer, que tes hommes et tes barques viennent me 
rejoindre!» Voila ce que Rim-Sin a écrit a Hammurapi. Leurs hommes n’ont pas 
encore fait leur jonction; (c’est pourquoi) je n’ai pas encore envoyé a mon seigneur 
un rapport complet a leur sujet». 

Hammurapi n’est pas seulement en correspondance avec Zimrilim. II envoie aussi 
ses messages a de hauts fonctionnaires du palais de Mari, par exemple a un certain 


Balidilim. Dans un court billet, il prie ce Balidilim d’insister auprès de son maitre 
pour qu’une réponse soit donnée aux tablettes qu’il a adressées en vain a Zimrilim. 
«L’affaire est trés urgente. Envoie les tablettes a Zimrilim et écris-moi les renseigne- 
ments que tu auras appris sur 1’ennemi». 

Pour terminer eet exposé, je signalerai encore deux documents intéressants. Le 
premier nous révèle le röle d’arbitre que Zimrilim avait du jouer entre Hammurapi 
et un autre roi du temps, Qarnilim, dont 1 ’existence nous est révélée par les archives 
de Mari. Iarkab-Adad écrit a son «seigneur», Zimrilim: 

«A Zimrilim dis ceci: Ainsi (parle) Iarkab-Adad: Tu m’as écrit ces termes: 
«Qarnilim et Hammurapi vont prononcer le serment des dieux et je (r)établirai la paix 
entre eux. Puis je t’enverrai des nouvelles complètes». Voila ce que tu m’as écrit. 
Rétablis donc a présent la paix entre ces (deux) hommes, (car) tu es le (seul) Hen 
entre ces (deux) hommes. J’ai 1 ’oeil fixé sur les nouvelles que tu dois m’envoyer». 

L’autre document est une petite tablette de douze lignes dont la suscription est 
mutilée, mais pas a ce point qu’on ne puisse lire les noms des deux correspondants: 
Hammurapi et Zimrilim. 

«A Zimrilim dis ceci: Ainsi (parle) IJammurapi, ton frère: L’«homme» d’Ugarit 
m’a écrit en ces termes: «Indique-moi la résidence de Zimrilim, je désire la voir». 
Maintenant, par ce courrier, je te dépêche son fils». 

Ce court billet n’est pas seulement intéressant par le nom des correspondants 
royaux, Hammurapi et Zimrilim. II nous livre en même temps la plus ancienne mention 
de la ville d’Ugarit, devenue aujourd’hui célèbre par les découvertes de M. Cl. A. Schaeffer. 
II nous montre en même temps que sur les bords de la Méditerranée on parlait avec 
admiration du vaste palais de Zimrilim que M. Parrot est occupé a remettre au jour, 
puisque l’«homme» d’Ugarit, trés probablement le dynaste d’Ugarit ainsi que me le 
suggère M. R. Dussaud, a envoyé a Hammurapi son messager pour être renseigné 
sur remplacement exact du palais de Mari. 

Ce petit document laisse entrevoir ce que le déchiffrement des archives peut 
encore réserver de surprises. Les constatations et les faits que j’ai 1 ’honneur de signaler 
a 1 ’Académie ne sont que quelques glanes recueillies sur un champ trés vaste dont la 
moisson est a peine commencée. Ils montrent déja cependant combien les archives 
de Mari retrouvées par M. André Parrot seront désormais une mine abondante et 
précieuse pour la connaissance de 1 ’Orient ancien vers 2000 av. J.-C. Elles prendront 
leur place a cóté des grandes découvertes d’archives de Ninive, Tell-el-Amarna, Tello, 
Boghaz-keuï, Yorghan-Tépé et Ras-Shamra. 

Liège Georges Dossin 

SUMERISCHE EN AKKADISCHE WOORDENLIJSTEN 

Sumerisches Lexikon herausgegeben von P. Anton Deimel 
S. J., III. Teil, Band 2 : Akkadisch-Sumerisches Glossar , kl.-fol., 480 
geautogr. blz., Rom 2/4, Verlag des Papstl. Bibelinstituts, Piazza 
della Pilotta, 35, (Scripta Pontifïcii Instituti Biblici), 1937. 

Met het verschijnen van het Akkadisch-Sumerisches Glossar is het groote lexicon 
voltooid, dat den grijzen Pater Deimel tot eer strekt. Een woord van hartelijke hulde 
is op zijn plaats voor den geleerde, die op 5 December 1 . 1 . zijn'72ste levensjaar vol¬ 
tooid heeft. In noesten arbeid heeft deze Westfaal, die sinds 1909 door woonplaats 
en werkkring als hoogleeraar aan het Pauselijk Bijbelinstituut Romein werd, dit Instituut 
gemaakt tot een centrum der Assyriologische studiën. Zijn Pantheon Babylonicum 
(een lijst van 3 300 godennamen) behoort tot de onmisbare handboeken; door zijn publi¬ 
caties en studiën in de serie Orientalia heeft men de oeconomische verhoudingen in 
Oud-Sumer voor het eerst leeren begrijpen. Twee jaar geleden heb ook ik mogen bij¬ 
dragen tot den feestbundel, die den septuagenarius door 33 Assyriologen van de meest 
verschillende landen en gezindheden als een deel der Analecta Orientalia werd aan¬ 
geboden, als een internationaal en interconfessioneel huldeblijk. 




36 4 


SUMERISCHE EN AKKADISCHE WOORDENLIJSTEN 


Toen Pater Deimel op 15 Augustus 1 . 1 . met een dankbaar gemoed het voorwoord 
tot dit laatste deel van zijn Lexikon mocht teekenen, zullen zijn gedachten ook zijn 
uitgegaan naar zijn leermeester en ordebroeder wijlen Pater J. N. Strassmaier S. J., 
met wiens (heden verouderd) Alphabetisches Verzeichniss de wetenschappelijke lexico- 
graphie op dit terrein in het jaar i 386 feitelijk is begonnen. Ondanks al het werk, dat 
in den tusschentijd door de publicatie van teeken- en woordenlijsten, van syllabaires 
en glossaria werd verricht, heeft men pas thans weer het besef, dat met de voltooiing 
van Deimel’s Lexikon een nieuwe mijlpaal is bereikt, zooals dit wellicht niet meer het 
geval is geweest sedert 1889, toen wijlen R. E. Brünnow (bij E. J. Brill in Leiden) 
zijn Classified List , en sedert 1896, toen wijlen Friedrich Delitzsch zijn Assyrisches 
Handwörterbuch in het licht gaf. 

Het nieuwe glosaar wil in de eerste plaats zijn een index of klapper op het groote 
SL, deel II, 1—4. Het behelst dus vooral een zuiver alfabetisch gerangschikte lijst 
van al de Akkadische (d.w.z. Babylonisch-Assyrische) woorden, waarvan de ideogrammen 
en Sumerische vormen daar zijn aangehaald, met de verwijzingen naar dit hoofddeel 
en met nauwkeurige Duitsche vertalingen. Deze lijst is dan telkens aangevuld door 
materiaal uit het Glossar van Bezold-Götze (1926) en uit de nieuwe lexicografische 
studiën en publicaties, vooral van Meissner en Landsberger. Dat beteekent, dat een 
etymologische rangschikking van den woordenschat evenmin kon worden toegepast 
als een schifting naar tijdvakken en dialecten, en dat de verwijzingen naar de bewijs¬ 
plaatsen (in SL II, i—4) bovendien beperkt zijn tot de syllabaires en de bilingue 
teksten, dus tot dat onderdeel van onze linguïstische kennis, dat ons (zonder de tegen¬ 
woordige hulpmiddelen der vergelijkende taalwetenschap) door de Babyloniërs zelf is 
overgeleverd. Met het oog hierop zou veel kunnen worden aangevuld. Te betreuren 
is, dat in dit deel (evenmin als in deel III/1) geen duidelijk verschil wordt gemaakt 
tusschen de ontleeningen door het Akkadisch aan het Sumerisch en die door het 
Sumerisch aan het Akkadisch: een onderscheiding, die niet alleen taalkundig, maar 
ook cultuurhistorisch belangwekkend is. Een woord als mastaru , maltaru (blz. 2 76b), 
dat als een „pseudo-ideogram” bij gelegenheid in het Sumerisch werd overgenomen 
[gtimas-dar, SL 74, 236) behoort tot de tweede groep en mag dus niet als „Sumerisch 
leenwoord” worden gekenschetst. 

Terecht merkt P. Deimel in zijn woord vooraf op, dat de eerstvolgende generaties 
van Assyriologen nog steeds eigen collectanea in den vorm van een kaartenkast zullen 
moeten aanleggen. Het groote Akkadische Woordenboek van het Oostersch Instituut 
te Chicago laat immers nog wachten, en ook het door Meissner en Ebeling beloofde 
handwoordenboek is er nog niet. Binnen haar perken is deze nieuwe woordenlijst van 
P. Deimel de beste aanvulling en emendatie van het zooeven vermelde Glossar door 
Bezold-Götze, juist ook voor beginners. In de plaats van (of naast) de kaartenkast 
zouden wij liever aanbevelen, dat men dit groote werk van P. Deimel in zeven deelen 
gebonden met wit papier laat doorschieten, om het als den stevigen grondslag voor 
alle verdere aanvullingen en opmerkingen te gebruiken. Op deze ruim 2000 duidelijk 
geautografeerde bladzijden heeft men inderdaad alles bijeen: in deel I de teeken- en 
transcriptielijsten (598 teekens); in deel II, 1—4 de groote lijst van ideogrammen en 
van Sumerische woorden en uitdrukkingen (ook uit de Oud-Sumerische oorkonden 
zonder interlineare vertalingen); in deel III/1 de Sumerisch-Akkadisch-Duitsche en 
thans in deel III/2 ook de Akkadisch-Sumerisch-Duitsche woordenlijst. Dat men op 
dit terrein het oude woord Dies dient docet steeds opnieuw in practijk moet brengen, 
wordt door P. Deimel zelf grif erkend. Als een stevig fundament, waarop veilig verder 
kan worden gebouwd, verdient dit thans voltooide lexicon dankbare aanbeveling *). 


! ) Het in JB n°. 1, blz. 7 geopperde bezwaar, dat Deimel bij zijn aanhalingen niet naar de origineele 
edities, maar naar de werken van zijn voorgangers Brünnow en Meissner zou verwijzen, werd reeds van deel II/2 
af ondervangen. Terwijl voorts nog Meissner in zijn c SAy° die einsprachig altsumerischen Texte als nicht hierher 
gehorig unbei'ücksichtigt had gelaten, valt bij Deimel op dit belangrijkste materiaal alle nadruk en zijn ook 
(dank zij de medewerking van A. Götze) de Hethietische ideogrammen niet vergeten. De prijs van het geheele 
werk (7 deelen) bedraagt 554 lire. Van deel I ( Lautiverte der Keilschriftzeicheii) is de tweede editie feitelijk 
onmisbaar, waarin bij de transcripties het stelsel van Thureau-Dangin is toegepast. 


I 


SUMERISCHE ÉN AKKADISCHE WOORDENLIJSTEN 365 

Materialien zum sumerischen Lexikon, Vokabulare und 
Formularbücher, Band I: B. LANDSBERGER, Die Serie ana ittisu 
(Scripta Pontificii Instituti Biblici, kl.-fol., XVII en 258 geautogr. 
blz., Rome 1937. 

Daar het Sumerisch in ruimen omvang de taal van den cultus, de wetenschap en 
ook van de rechtspleging bleef, waren bilingue woordenlijsten en formulierboeken voor 
de oude Babyloniërs zelf onmisbaar. Op de beteekenis van dit omvangrijke en ver 
verspreide materiaal heeft Friedr. Delitzsch indertijd met nadruk gewezen. De stelsel¬ 
matige verzameling, bewerking en verklaring is echter eerst in onze dagen begonnen. 
Dat P. Deimel met zijn Lexikon niet op de voltooiing daarvan gewacht heeft, moet 
om praktische redenen worden toegejuicht. Nog grooter toejuiching verdient het feit, 
dat door het Pauselijk Bijbelinstituut in aansluiting aan het groote Lexikon ook dit 
werk ter hand wordt genomen en dat dit werk zonder eenige confessioneele bekrompen¬ 
heid wordt toe vertrouwd aan den geleerde, die op dit terrein naast Thureau-Dangin 
en Meissner de meest bevoegde is: Benno Landsberger. Terwijl Prof. Landsberger 
zijn eerste groote werk op dit terrein nog in de verhandelingen der Saksische Akademie 
te Leipzig kon laten verschijnen *), moest hij sindsdien zijn leerstoel te Leipzig met 
een professoraat in de Turksche hoofdstad Ankara verwisselen en ook de redactie van het 
Zeitschriftfür Assyriologie neerleggen: een ernstig verlies voor de Duitsche Assyriologie. 

Van de Sumerisch-Akkadische woordenlijsten was de meest omvangrijke en ver¬ 
spreide de groote lijst van voorwerpen en begrippen uit het dagelijksch leven, die 
naar de beginwoorden Har ra = hubullu heette en waarbij de nog omvangrijker serie 
Hargud == imrü = ballu een doorloopende commentaar vormde. Van deze voor de 
Babyloniërs meest populaire serie zal onze landgenoot P. van der Meer in de Oxford 

Editions of Cuneiform Texts vooral het rijke materiaal uit Kish in het Ashmolean 

Museum in spijkerschrift publiceeren, nadat L. Matous (1933) reeds de Berlijnsche 
fragmenten geautografeerd heeft. Dus heeft Landsberger de publicatie van zijn be¬ 
werking van Har ra = hubullu uitgesteld, waarvan hij in zijn vermeld werk over 

Die Fauna reeds een voorproef heeft gegeven. 

Het werk met de beginwoorden ana ittisu (door L. vertaald met ,volgens advies’ 
of ,ter kennisgeving daarvan’), waaraan dit eerste deel van de Materialien gewijd is, 
was minder populair, heeft echter het voordeel, dat het niet slechts woorden, maar 
stelselmatig gerangschikte uitdrukkingen en volzinnen bevatte en dat de tekst van de 
zeven kleitafels (met uitzondering van tafel 5) volledig kan worden gereconstrueerd. 
Terwijl voorts de talrijke fragmenten van Har ra = h . en zijn commentaar Hargud 
over de meest verschillende plaatsen en tijdperken verdeeld zijn, kan men bij deze 
serie den tijd en de plaats nauwkeurig bepalen. Het werk werd geschreven te Nippur, 
waarschijnlijk in de laatste jaren der dynastieën van Isin en Larsa, dus in de 20ste eeuw 
v. Chr. De stukken uit de bibliotheek van koning Assurbanipal te Ninive en die 
uit het archief van koning Tiglatpileser I te Assur moeten als letterlijke afschriften 
van dit origineel uit Nippur beschouwd worden 2 ). Hoe langer hoe meer blijkt van welk 
overwegend belang die 20 ste eeuw voor de Babylonische letterkunde geweest is. Dus 
is dit werk een belangrijke bijdrage van onze kennis vooral der juridische terminologie 
in deze periode, die met behulp van talrijke contracten en andere oorkonden kan 
worden getoetst. Wat Landsberger biedt, is de transcriptie en vertaling van het ge¬ 
heel met een commentaar, waarbij alle nadruk valt op het taalkundige. De eigenlijk 
juridische toelichtingen zijn in een eigen werk van de hand van P. Koschaker te 
verwachten. 

Dit neemt niet weg, dat wij, al valt dan de nadruk uit den aard der zaak op de 
terminologie, aan de hand daarvan in dezen commentaar reeds nu ook de meest be¬ 
langwekkende cultuurhistorische gegevens bijeenvinden. De geheele serie ana ittisu 
moet immers worden beschouwd als een taalkundig leerboek voor de schrijvers van 


!) B. Landsberger, Die Fauna des alte?i Mesopotamiens Leipzig 1934 (vgl. JB no. 2, blz. 35). 

2 ) Zooals Landsberger op p. X vlg. aantoont, behoort dit werk waarschijnlijk ook tot de litteraire bronnen 
van Har ra = hubullu. 





366 


SUMERISCHE EN AKKADISCHE WOORDENLIJSTEN 


DE ASSYRIOLOGIE EN HAAR GELEDINGEN 


367 


juridische oorkonden, contracten en kwitanties in de ruimste beteekenis van dit woord. 
Dus is er naar aanleiding hiervan gelegenheid te over voor cultuurhistorische uitwei¬ 
dingen en parallellen. Wij vermelden als bijzonder belangwekkend op p. 113 vlg. de 
uiteenzetting over den rentevoet, p. 125 vlg. over ruil, p. 144 vlg. over winst en verlies, 
p. 145 vlg. over borgstelling, p. 152 vlg. over de uitdrukkingen en gereedschappen in 
verband met den landbouw (ploegen, eggen, maaien, oogsten enz.), p. 175 vlg. over 
het aandeel en de verplichtingen van den pachter, p. 182 vlg. over den tuinbouw, 
p. 200 vlg. over de dadelteelt, p. 213 vlg. over huishuur, rechten en verplichtingen 
der huurders, en tenslotte op p. 233 vlg. over de huur van trekdieren (runderen in 
den ploeg- en oogsttijd). 

Tot nog toe kende de rechtshistoricus deze belangrijke serie in hoofdzaak door 
de monografie van Prof. David over de adoptie l ) en de assyrioloog tevens door de 
bewerking van tafel 6 door Pater A. Pohl (MAOG VI 2, 1930). Men moet Prof. Lands¬ 
berger dankbaar zijn, dat hij thans dit geheele groote werk toegankelijk heeft gemaakt: 
als een monument van het juridische denken en vooral ook van de paedagogische 
talenten der oude Babyloniërs in de 20 ste eeuw v. Chr. 

Leiden F. M. Th. Böhl 


DE ASSYRIOLOGIE EN HAAR GELEDINGEN 

In het laatste gedeelte van zijn inaugureele rede (1933) (zie Jbr . n° 1, blz. 2) 
geeft Professor Frankfort op grond van de verschillende wijze der afbeelding van 
analoge scènes op zegelcylinders, een schets van de mentaliteit der Sumeriërs eenerzijds 
en die der Semietische Akkadiërs anderzijds. Het gaat in het verband van dit verslag 
er niet zoozeer om tot welke resultaten hij dienaangaande komt, als wel om er op te wijzen 
hoe de techniek der opgravingen door haar uiteenhouden der verschillende lagen der 
puinheuvels den geleerde, die zich voor dit probleem interesseert, in staat stelt aan 
de oplossing daarvan mede te werken. De taak van den philoloog is in dezen veel 
moeilijker, de teksten uit het tijdperk van vóór Sargon van Akkad zijn, öf opschriften 
van vorsten öf van oeconomischen aard (A. Pohl, Vorsargonische and sargonische 
Wirtschaftstexte , Leipzig 1935); z.g. religieuze teksten stammen uit de periode waarin 
men steeds met een mogelijk religieus syncretisme rekening moet houden. Men moet 
in elk geval beginnen de teksten, die voor een studie in bovengenoemde richting in 
aanmerking komen, naar hun taal 'te rangschikken en dan eenige onderwerpen, die 
zij beiden behandelen, aan een nadere beschouwing onderwerpen. Dit is het wat 
Th. C. Vriezen in zijn boven (blz. 331 en 338) besproken dissertatie in zijn onderzoek 
naar de paradijsvoorstelling bij de oude Semietische volken gedaan heeft. Hij splitst 
zijn eerste hoofdstuk in twee deelen; Ia het Sumerische materiaal; Ib Het Babylonisch- 
Assyrische materiaal, en geeft dan telkens eerst een vertaling van de in aanmerking 
komende teksten, daarna de ‘verwante voorstellingen’ en tenslotte de ‘verwante motieven 
in verband met de paradijsvoorstellingen’. Dat hij, hoewel tot een zoo goed als 
negatieve conclusie komend (blz. 116), toch methodisch gerechtigd was al dit materiaal 
te behandelen, moge zijn verontschuldiging vinden in de opvattingen zijner voorgangers, 
die al te graag een voorstelling verwant aan die van den Bijbel meenden te vinden; evenwel, 
Vriezen is aan het gevaar van negatief werken verbonden weten te ontkomen, zoodat 
dit eerste hoofdstuk uitgegroeid is tot een behandeling van de ‘Sumerisch-Babylonisch- 
Assyrische’ leer der eerste dingen. 

Tot een onderscheiding van de mentaliteit der drie volken in dit verband kwam 
Vriezen niet, het lag ook niet op zijn weg. Bovendien is het maken daarvan op grond 
van deze teksten zeer bemoeilijkt, omdat, een merkwaardig feit, geen der Babylonisch- 
Assyrische teksten, wat den inhoud betreft, direct afhankelijk of een bewerking is Van 
een Sumerische. Dit hebben wij wel in het volgende geval. Een der beroemdste 
stukken uit de Assyriologie is wel dat waarin het afdalen van de godin Istar naar 


l ) M. David, Die Adoption int altbabylonischen Recht , Leipzig 1927. Over de nauwkeurige beteekenis van 
de beginwoorden ana ittihi vgl. reeds M. David in het Meissner-Festschrift, MAOG IV/i, 1928, p. 13 vv. 


de onderwereld beschreven wordt. Om zijn rijkdom aan verve en pathos was deze 
tekst terecht graag gelezen. Nu heeft S. N. Kramer in de Revue d'Assyriologie 34, 
19 37, 93—134 den Sumerischen tekst CBS 9600, samengesteld en parallel met vele 
andere fragmenten, reeds vroeger gepubliceerd en heeft uit dit alles een geheel weten 
te construeeren: Inanna s descent to the nether world , The Smnerian version of “IstaAs 
descent Hoewel één van thema, is behandeling vooral van details verschillend: zoo 
schildert de Sumerische versie in een zeventig regels Inanna’s voorbereiding tot deze 
nederdaling, terwijl de schildering van de troosteloosheid der ‘hel’ een der meest 
geslaagde stukken van de Semietische versies is. Wij volstaan voorloopig met het 
weergeven van Kramer’s conclusies en hopen in een volgend Jaarbericht de beide 
versies naast elkaar te kunnen brengen. 

And what is even more interesting, is the palpable difference in style and tone. For the 
temper of the Sumerian composition is calm, subdued ; unemotional in its rather impassive 
narration of the incidents whose details it recites and repeats almost to the point of 
monotony. The Semitic version skips altogether or glosses over many of the particulars but 
expands, on the other hand, with descriptions that are emphatic and even vehement in their 
language, those incidents and circumstances, which because of their emotional possibilities 
lend themselves to such treatment. 

It goes without saying that the style and tone of each version springs from the temper 
and genius responsible for it. What gives the Sumerian redaction a truer ring, a more 
convaincing authencity, is its greater homogeneity. For while the Sumerian version is 
Sumerian in both content and tone, the Semitic version is, as a whole, Semitic in tone only 

Vriezen sprak van Babylonisch-Assyrisch, Kramer van Semietisch, maar een tegen¬ 
stelling tusschen Babylonisch en Assyrisch stelden zij niet. Niet alleen lexicographisch 
en grammatisch staat het Assyrisch tegenover het Babylonisch, ook ideologisch. De 
Koningsinscripties toonen dit wel heel duidelijk aan. Dit is opnieuw te zien in F. J. 
Stephens: Votive and historical texts from Babylonia and Assyria (Yale Or. Ser. Bab. 
Texts Vol. IX) New Haven 1937. Hierin geeft de editor de autographie van de alleen 
aan de Yale Univ. zich bevindende inscripties, benevens een catalogus met varianten 
van de elders gepubliceerde. Het is een mooie representatieve verzameling die de 
2500 jaren der souvereine Mesopotamische vorsten omvat J ). Nu is het ook in deze collectie 
opvallend dat de Oud-Sumerische traditie der Koningsopschriften n. 1 . het geven van 
historische mededeelingen bij de Assyriërs voortgezet wordt, terwijl de Neo-Sumerische 
en Babylonische opschriften zich uitsluitend tot het wijdings-type bepalen. Veelbelovend 
voor het bestudeeren van dit verschil in karakter is ook K. F. Miiller: Das assyrische 
Ritual , Teil I: Texte zum assyrischen Kónigsritual (MV 7 EG 41, 3), Leipzig 1937. Het 
geheel eigenaardig karakter van het Assyrische Koningsschap, waarop ook Prof. Böhl 
in * Der Babylonische Fürs tenspie gel' (MAOG 11, 3) Leipzig 1937 wijst, komt duidelijk 
aan het licht. Het is wel typisch dat een tekst van dusdanigen inhoud wat den vorm 
betreft tot de omen-literatuur dient gerekend te worden. Terecht merkt de editor 
dan ook op blz. 27 op dat in Babylonië de mantiek een voedingsbodem werd, 
waarop veel streven tot iets hooger ontsproot, dat echter door het gebonden zijn aan 
magie en mantiek weer verstikte. De Koning die als afschrikwekkend model geldt, 
zou volgens den heer Böhl Merodach-Baladan II zijn, een figuur uit het Oude Testa¬ 
ment (2 Kon. 20, Jes. 39) wel bekend. 

Men ziet dus uit het bovengaande dat naast het Sumerisch en het Akkadisch/ 
Babylonisch, ook Assyrisch zelf een geleding van de Assyriologie is, een term welks 
eerste bestanddeel zijn waarde ontleent aan het spraakgebruik, reeds bij Herodotus 
aanwezig, dat geheel Mesopotamië als Assyrié samenvat. 

*) N° 62 brengt den naam van een nieuwen Koning der stad Der, n. 1 . Nidnusha uit den tijd der iste 
Babylonische Dynastie, terwijl n° 67 waarschijnlijk het origineel is, waarvan Prof. Böhl in Mededeelingen II 
reeds het opschrift gaf. N° 31 is een tekst van Rïm-Sin op een basalten zuil, Poebel citeert deze geregeld in 
zijn Grundzügen (1923), n° 35 is een cylinder van Samsu-Iluna waarin hij een beschrijving geeft van het 
bouwen van de muren van Kish. Zie voor verdere Koningsinscripties Achter vorldufigen Bericht . . . Uruk 
blz. 23 (éusïn van Ur) en 24 (Singasid). 

2 ) Daarnaast hebben wij nog de beteekenis 4 n Assyrië’ gecopieerd: G. Meier, Die assyrische 
Beschwörungssaninilung Maqlü (AfO, Beiheft 2), Berlijn 1937. 


Leiden 


B. A. van Proosdij 






PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE 

Afkortingen: 

AAA = Annals of Ar chceology and Anthro- PEF, QS = Quarterly Statement of the 

pology Palestine Exploration Fund 

AJA = American Journal of Ar chceology (thans-. Palestine Exploration 

AJSL = American Journal of Semitic Quarterly ) 

Languages and Literature QDAP = Quarterly of the Department 

Af O = Archiv für Orientforschung of Antiquities in Palestine 

ILN = The Illustrated London News RB = Revue Biblique 

JPOS = Journal of the Palestine Oriental ZatW = Zeitschrift für alttestament - 

Society liche Wissenschaft 

De eervolle benoeming van D r A. van Selms tot Senior Lector in de Semietische 
talen aan de universiteit van Pretoria heeft aan ondergeteekende de taak doen toe¬ 
vallen in het ‘J aar b er i c ht’ de rubriek der Syro-Palestijnsche archeologie te verzorgen. 
Ofschoon ik de uitnoodiging daartoe met genoegen heb aangenomen, betreur ik het 
wel zeer, dat mijn eerste verslag vooral zal uitmunten door onvolledigheid. Dringende 
werkzaamheden in verband met een ter perse zijnde publicatie zijn daarvan de eerste 
oorzaak. Verder vormen ook de troebele toestanden in Palestina een factor die het 
verkrijgen van juiste en volledige inlichtingen belemmert. Het schijnt mij eenigszins 
voorbarig te zijn uit het ontbreken van officiëele berichten en rapporten omtrent 
verschillende expedities te willen concludeeren tot den algeheelen stilstand daarvan. 
Vermoedelijk is rechts en links toch wel een beperkte activiteit mogelijk geweest, 
waarvan wij eerst in het raam van verdere en meer uitgebreide werkzaamheden zullen 
vernemen. Zeker is echter ook wel, dat nog meer dan tijdens het seizoen 1935—36 
(vgl. Jrb. 4, blz. 208) de Palestijnsche beroeringen verlammend op de archeologische 
ondernemingen hebben gewerkt. Dit geldt dan met name voor het Noorden van het 
land, waar zoowel de plaatselijke onveiligheid als de moeilijke verbinding met Jeruzalem 
(via Dzjenin of Tulkarm!) een groote belemmering moeten zijn geweest. 

Dit verslag over het seizoen 1936—37 wordt tenslotte nog meer verkort, doordat 
de ondernemingen in Syrië dit jaar onbesproken blijven. Daartoe dwingt mij de zeer 
beperkte tijd (mijn bagage staat gepakt voor een lange reis naar het Oosten) alsook 
de omstandigheid* dat enkele belangrijke publicaties (o.a. het eerste deel van M. 
Dunand’s Byblos-rapport) nog niet in mijn bezit zijn gekomen. De lacune wordt 
echter wat Ras èamra betreft in dit Jrb. reeds aangevuld door een speciale bijdrage 
van J. Friedrich (zie boven blz. 3). Voor het overige stel ik mij voor den achter¬ 
stand in het volgende Jaarbericht in te halen. 

Lachish. De onderneming van Mr. J. L. Starkey *) op Teil ed-Duweir — thans 
officiëel herdoopt in de Wellcome-Marston Expedition — verdient op het oogenblik 
van alle opgravingen in Palestina zonder twijfel de meeste aandacht. Dit dankt zij 
niet alleen aan het feit, dat de werkzaamheden zich daar in volmaakte rust ontwikkelen, 
maar ook aan de intrinsieke belangrijkheid en de steeds weer opnieuw verrassende 
vondsten van deze opgraving. 

Voorloopige rapporten zijn thans voorhanden over het vierde en vijfde seizoen, 
resp. 1935—36 en 1936—37. Over geen van beide kon in het vorig Jrb . nog gehandeld 
worden. Deze officiëele publicaties zijn verschenen in PEE, QS 68, 1936, blz. 178— 
189; 69, 1937 blz. 171 —179 en 228—241 2 ). Al deze rapporten zijn in den vorm 
van voordrachten, gehouden door den heer J. L. Starkey in de gebouwen van het 
Palestine Exploration Fund en het Wellcome Research Institute te Londen. 

*) Mr. Starkey werd helaas 10 Jan. 1938 door fanatieke Arabieren overvallen en vermoord. [R.]. 

2 ) Terloops zij vermeld, dat dit oudste tijdschrift der Palestijnsche archaeology met ingang van l Jan. 
1937 is samengesmolten met het Bulletin of the British School of Archaeology in Jerusalem en thans in een 
nieuw kleed verschijnt onder den titel Palestine Exploration Quarterly . 


PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE 


369 


Van de meer belangrijke werkzaamheden uit het seizoen 1935—36 vermeld ik 
eerst de onderzoekingen in het gravencomplex ten Westen van den ruïneheuvel. 
Deze graven hebben thans o.m. ongeveer 700 schedels opgeleverd, waarmee de mogelijk¬ 
heid is geschapen tot het doen van anthropologische studies op een schaal die tot nu toe 
in Palestina en waarschijnlijk overal elders in het Nabije Oosten onmogelijk is geweest. 
Op de beteekenis van craniometrische studies voor de archeologische wetenschap heb 
ik eenige jaren geleden reeds terloops gewezen (Opgravingen in Palestina , blz. 379). 
Het is zeker de moeite waard hier melding te maken van het mij destijds nog niet 
bekende werk (ook thans nog door de meeste archeologen niet ontdekt!) 1 ) van den 
Amsterdamschen hoogleeraar C. U. Ariëns Kappers: An Introduction to the Anthro- 
pology of the Near East (A’dam 1934). In dit boek wordt ook aan archeologische 
vondsten (zoowel schedels als plastische voorstellingen) ruime aandacht besteed (o.a. 
Gezer, Megiddo, Byblos). Sinds het verschijnen van dit werk is echter het materiaal 
wat Palestina betreft zeer aanzienlijk vermeerderd, zoowel door de prehistorische 
vondsten (Wadi Mughara, Dzjebel Qafze) als door de ontdekking van groote rotsgraven 
en necropolen te Jericho, Megiddo en Lachish. Als bizondere merkwaardigheid mag 
worden vermeld, dat drie der Lachish-schedels craniotomie bleken te hebben ondergaan 
(vgl. daarover, o.a. de publicaties in Man, 193 6, blz. 155 vlg.; 1936, blz. 169 vlg.; 
ILN 3/10, ’3Ó, 571; PEF, QS 69, 1937, blz. 62 vlg.). 

Tijdens hetzelfde seizoen werd o.a. ook gewerkt in het tempelcomplex, waar 
thans het bestaan van drie opeenvolgende heiligdommen is vastgesteld, en in de 
merkwaardige vertikale schacht aan den zuid-oostelijken hoek der ruïne. Ofschoon 
hier ook tijdens het laatste seizoen (1936—37) opnieuw uitgebreide werkzaamheden 
zijn verricht, blijft het ontzagwekkende ondernemen der oude Lachish-ingenieurs nog 
een diep mysterie. Op de dezen zomer in het Wellcome Research Institute te Londen 
gehouden tentoonstelling trok een maquette van deze kolossale schacht terecht de 
aandacht van alle bezoekers. Ofschoon men ook bewonderen kon wat Starkey’s 
expeditie ondanks groote technische moeilijkheden heeft gedaan om tot in het 
binnenste en diepste van de schacht door te dringen, kan men slechts matig verblijd 
zijn met de jongste hypothese, als zou de aanleg van dit werk onvoltooid zijn 
gebleven en derhalve voor ons ten eeuwigen dage onbegrijpelijk zijn. 

Bij de detailvondsten moet zeker opnieuw heel bizonder gewezen worden op 
de steeds verder gaande vermeerdering der schriftstukken. Het is m.i. niet te betreuren, 
dat Torczyner’s groote publicatie der Lachish-brieven (vgl. o.a. Jrb. 3, blz. 109) nog 
steeds op zich laat wachten. Het is van het hoogste belang, dat aan de standaard¬ 
uitgave van een dergelijke vondst alle mogelijke zorg en kunde wordt besteed. Ondanks 
het uitblijven van dit werk (momenteel is het echter waarschijnlijk reeds van de pers) 
wast de menigte van kleinere op dezelfde vondst betrekking hebbende publicaties. 
Als meer bizonder belangrijk vermeld ik alleen het artikel van Cassuto in Rivista 
degli Studi Orientali 16, 1936, blz. 163 — 177. 

Intusschen blijven ook de specimina van oudere schriftvormen in aantal, 
en daarmee van zelf ook in kultuur-historische waarde en bruikbaarheid toenemen. 
Ieder der beide laatste campagnes leverde een nieuw exemplaar: een met drie letter- 
teekens beschreven deksel van een wierookvat (gevonden in het westelijke gravencomplex) 
en een eerst in het laboratorium van het museum te Jeruzalem ontdekt pictographisch 
inschrift op een bronzen dolk (het eerst gepubliceerd in The Times van 16 Juli 1937). 
De inventaris van dit soort inschriften is bovendien nu nog vermeerderd door het 
feit, dat een te Sichem gevonden fragment, oorspronkelijk beschreven als hieroglyphisch 
(Palastina-Jahrbuch 1935, blz. 6), thans beschouwd wordt als ‘Palestino-SinaïetisclT. 

De pogingen tot interpretatie der diverse vondsten vermenigvuldigen zich 
nog sterker dan de vondsten zelf. Ik vermeld echter slechts drie studies die het 
geheele complex behandelen en alle drie ten doel hebben een chronologische aan¬ 
eenschakeling der verschillende schriftspecimina te ontdekken. De eerste is een lang 
artikel van H. Grimme in AfO, X, 1935—36 blz. 267—81; de tweede bestaat uit 
twee artikelen van Th. Gaster in PEE , QS 67, 1935, blz. 128—40 en 69, 1937, 
blz. 43—58; de derde en jongste is van S. Yeivin in PEF, QS 69, 1937, blz. 178— 

Wel door den philoloog-historicus in zijn Sub ar Ju (zie ook Jrb. 4, blz. 267; verg. Jrb. 2, blz. 18. [R.] 
Jaarbericht N° 5 


24 





PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE 


3 70 

93. Het is onnoodig te zeggen, dat de resultaten van alle drie aanmerkelijk verschillen. 
Voor een meer soliede reconstructie van de oergeschiedenis van het phcenicische en 
proto-phcenicische alphabet ontbreken nog heel wat schakels, ofschoon het duidelijk 
is, dat de laatste jaren een revolutie in onze begrippen daaromtrent noodzakelijk 
hebben gemaakt. 

De beide laatste seizoenen der Lachish-expeditie leveren stof tot een nog veel 
langere elucubratie dan het hier voorafgaande. Indien het daarvoor hier de plaats 
niet is, kan ik toch niet nalaten nog even melding te maken van een schriftvondst 
uit het laatste seizoen, die zoo mogelijk nog merkwaardiger is dan alle vroegere, 
namelijk de ontdekking van enkele teksten in Egyptisch-hieratisch schrift op potscherven 
uit circa 1200 v. Chr. Voor nadere bizonderheden daaromtrent moge ik verwijzen 
naar een kort artikel, dat ik publiceerde in *tH. Land van Sept. 1937: Een nieuwe 
vondst te Lachisch ! ). In de reeds veel besproken geschiedenis van het oud-Palestijnsche 
kalenderwezen wordt met deze vondst een nieuw hoofdstuk geopend. Jack elimineert 
practisch de heele waarde van de vondst door ze te beschouwen als Egyptischen 
import ( The Expos. Times 48, 1937, blz. 551). Het is mij op de tentoonstelling te 
Londen echter niet opgevallen, dat de potscherven van Egyptische makelij waren. 

Megiddo. Na de opgraving van de Wellcome Marston Expedition in Teil ed-Duweir 
is zeker die van het Oriental Institute of Chicago in Megiddo in het afgeloopen 
seizoen het meest succesvol geweest. Echter zijn nog slechts onvoldoende gegevens 
daaromtrent voorhanden (ILN 20/6—*36; 16 en 23/10—*37; AJSL 53, 1937, blz. 265; 
AJA 41, 1937, blz. 147—8). 

Eigenlijk moet ook hier het werk van de beide laatste campagnes als één beschouwd 
worden, waarvan dan het voornaamste resultaat is een herziening en nadere preciseering 
van de stratigrafische beschrijving der geheele ruïne. Men zal zich herinneren, dat 
reeds vanaf Schumacher’s tijd dit punt een zeer weerbarstig probleem heeft gesteld. 
Alleen reeds na het begin van het Midden Bronzen tijdvak (circa 2000 v. Chr.) 
onderscheidt men thans dertien verschillende niveau’s, waaraan nog vier of vijf 
oudere voorafgaan. Verschillende gebouwen vinden in deze nieuwe classificatie een 
eenigszins gewijzigde dateering. 

Het is bekend, dat Megiddo ondanks zijn evidente belangrijkheid als commercieel 
en strategisch centrum steeds opvallend arm is gebleken aan voorwerpen van materiëele 
en artistieke waarde. Werkelijk opzienbarend is daarom de in het voorjaar 1937 
gedane vondst van een menigte kunstschatten, zooals nog nooit een Palestijnsche 
archeoloog uit zijn ruïne zag te voorschijn komen. Deze vondst werd gedaan in een 
groot en complex gebouw nabij de stadspoort in het Oosten der ruïne, blijkbaar de 
residentie van den lokalen vorst of van een der oude magnaten van Megiddo. Het 
paleis heeft waarschijnlijk bestaan in de I5 de , I4 de en 13de eeuw en men kan er vijf 
verschillende perioden in onderscheiden. In het tweede dezer vijf perioden werd 
onder den vloer van een kamer een ' cache ’ ontdekt van voorwerpen in goud, ivoor 
en kostbare steenen. In een onderaardsche schatkamer, die zeer duidelijke sporen 
vertoonde van plundering, waren bovendien ongeveer 200 ivoorsnijwerken blijven 
liggen, blijkbaar door de plunderaars niet de moeite waard geacht om mee te nemen. 
Het zijn kunstproducten uit de dertiende eeuw vóór Christus en dus belangrijk ouder 
dan de ivoorsnij werken uit Samaria (vgl. Opgravingen in Palestina , blz. 226—29). Te 
oordeelen naar de foto’s in ILN 23/10—*37 vertoonen ze ook beduidend veel meer 
variatie in vormen en motieven. Ofschoon van inheemschen oorsprong, zijn Egyptische 
en Mesopotamische motieven onmiddellijk kenbaar. De aan alle Palestijnsche archeologen 
zoo bekende, bespottelijke Egyptische Bes-figuur ontbreekt ook hier weer niet. Ver¬ 
schillende dezer voorwerpen zijn duidelijk vervaardigd om te dienen als inlegwerk 
voor meubilair en komen in dit opzicht dus overeen met de ivoorsnijwerken van 
Samaria. De geheele vondst levert stof voor een pracht-publicatie, welke ons te zijner 
tijd niet zal worden onthouden. Het is ook duidelijk, dat de stratigrafische afgraving 
van dezen ruïneheuvel, die het destijds door Schumacher bereikte resultaat reeds 
zooveel van aanzicht heeft veranderd, nog groote beloften inhoudt voor de toekomst. 
De heer Gordon Loud, die sinds enkele jaren de leider is dezer expeditie, deelt mij 
mee, dat ook in den nu begonnen winter en verder in de volgende jaren de opgraving 


PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE 37! 

zal worden voortgezet, ondanks de beperkingen, welke het Oriental Institute van 
Chicago zich sinds eenige jaren heeft moeten opleggen. 

Na de bespreking van de voortzetting der opgravingen in Lachish en Megiddo 
zou de rest van dit overzicht vooral bestaan uit een opsomming van de plaatsen 
waar tijdens het afgeloopen seizoen geen werkzaamheden zijn verricht. Van geen 
enkele andere onderneming immers zijn tot nu toe berichten gepubliceerd omtrent 
eenigszins belangrijke vondsten. 

Intusschen staat echter de papieren archaeologie niet stil en enkele publicaties 
moeten zeker vermeld worden. In Jericho kunnen de opgravingen als geëindigd 
beschouwd worden, tenminste voorloopig, want er blijft voor een toekomstige onder¬ 
neming — die er zeker komen zal! — nog veel meer werk over dan er door de 
beide vorige expedities gedaan is. Alleen in een enkel punt van het na-bijbelsche 
Jericho (Teil Hassan) is nog gewerkt, waarbij men zeer belangrijke resten heeft gevonden 
van een byzantijnsche basiliek (zie QDAP V, 1936 blz. 82—89). Over het oude Jericho 
(vóór de ballingschap) zijn echter nu ook de laatste rapporten verschenen in AAA 
23, 1936 en 2 4 > r 937 - Deze behandelen vooral de oudere niveau’s. De strijd om het 
einde van het Canaaneesche Jericho (Brons III) heeft zich verplaatst naar Bethel en 
c Ai. Reeds in het vorige Jaarbericht (blz. 208—209) werd hierover gehandeld. Deze 
beide opgravingen liggen echter stil, die van c Ai tengevolge van den tragischen dood 
van Mevr. Judith Marquet-Krause (zie o.a. Les Nouvelles Littêraires van 10 Oct. 1936 
blz. 8). André Parrot, die als opvolger is aangewezen, heeft blijkbaar zijn taak nog 
niet aanvaard. In het vorige Jaarbericht (t. a. p.) werd gewezen op de flagrante 
tegenspraak tusschen archaeologie en Bijbel, waartoe men vooral uit de resultaten van 
c Ai heeft geconcludeerd en die intusschen reeds heel wat rumor in casa heeft veroorzaakt. 
In mijn lezingen voor EOL tijdens den winter 1936—37 heb ik dit probleem meer¬ 
malen besproken en mij sceptisch uitgelaten ten opzichte van de ietwat snel getrokken 
conclusies van Mevrouw Marquet-Krause uit een opgraving, die nauwelijks méér dan 
één kort seizoen heeft geduurd. Iets van mijn scepsis blijft ook nu nog over, maar 
de positie wordt wel eenigszins gewijzigd door de gedegen studie, die Vincent in RB 
46, 1936 blz. 231—66 aan het onderwerp heeft gewijd: Les fouilles d' Et-Tell Ai. 
Vincent, die de opgraving op deze plaats stap voor stap heeft gevolgd, verklaart 
zich op het kritieke punt geheel eens met Mevrouw Marquet: et-Tell vertoont geen 
sporen van bewoning uit het Derde Bronzen Tijdvak, . . . ‘Jusqu ici du moins ’. De 
laatste restrictie laat de deur open voor mogelijke verrassingen, waarvoor bij zulk 
een jonge onderneming nog alle mogelijkheid bestaat. Dezelfde schrijver passeert in 
revue de verschillende pogingen die er gedaan zijn om in verband met de resultaten 
van et-Tell de hoofdstukken 7 en 8 van het boek Josuë te her-interpreteeren. Met 
recht m.i. verwerpt hij de methode van Noth (vgl. Jrb . 4 blz. 209). Zijn eigen 
hypothese is ingenieus: indien c Ai inderdaad een ‘ruïne’ was ten tijde van Josuë, is 
het toch zeer goed denkbaar, dat de Canaaneeën bij het naderen der Israëlieten en 
vooral na den val van Jericho dezen zoo strategisch gelegen heuvel — de toegangspoort 
tot het hoogland — in een versterkt kamp hebben herschapen. Op die wijze verklaart 
men de afwezigheid van een stadsruïne uit Brons III en sauveert de historiciteit van 
Jos. 7. 8, die (alleen al om de lokale kleur) zoo moeilijk te verwerpen is. Toch is de 
hypothese natuurlijk maar een compromis, dat alleen aanvaardbaar is in de veronder¬ 
stelling, dat zoowel de interpretatie der archeologische als die der bijbelsche gegevens 
onomstootelijk vast staat. 

In Ghassul is tijdens den winter 1935—36 gedurende korten tijd de opgraving 
op zeer beperkte schaal voortgezet, waarover R. Koeppel, die er thans de leiding 
heeft, in Biblica 17, 1936 blz. 393—406 een verslag publiceert. Thans ligt het werk 
weer stil en uit particuliere mededeelingen is mij bekend, dat ook in den winter 
1937—38 niet zal worden gegraven. Van veel meer belang zijn echter de pogingen 
om, gelijk Dr van Selms het uitdrukte, Ghassul uit zijn isolement te bevrijden. Meer 
dan pogingen kan men het niet noemen. Het spreekt van zelf, dat ik tijdens mijn 
aanstaand verblijf in Palestina aan dit vraagstuk bijzondere aandacht zal besteden, 
zoodat ik hier voorloopig volsta met het vermelden van enkele desbetreffende 
publicaties. Behalve met de diepere niveau’s van Jericho, Beisan en Megiddo vermoedt 


*) Zie ook ILN 27/11—*37, 44. [R.] 







372 PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE 

men thans een zekere overeenkomst tusschen ‘Ghassul IV’ en ‘Tepe Gawra VI* ! ) (zie 
E. A. Speiser: Excavations at Tepe Gawra . I, 1935 en vgl. Orientalia 6, 1937, blz. 
145—6). Sukenik wijst opnieuw naar de chalcolietische kuituur van Hedeira ( JPOS 
17, 1937 blz. i —16), terwijl de jongste studie van Koeppel zelf zich naar Egypte 
oriënteert: Mcfadi und Ghassul (Biblica 18, 1937, blz. 443—449). Voor het geheele 
complex van het Ghassul-vraagstuk verdient ook vermelding de rede van professor 
A. Bea op het vorig jaar in Duitschland gehouden oud-testamentische congres en 
thans verschenen als eerste bijdrage in het verslag daarvan ( Werden und Wesen des 

A. T . ZatW y Beiheft 66, 1936) onder den titel: Die Bedeutung der Ausgrabungen von 
Telelat Ghassul für die Frühgeschichte Palastinas (blz. 1 —12). Eindelijk is ook een 
nieuwe studie over het Pentapolis-vraagstuk te vermelden van Fred. G. Clapp: The 
Site of Sodom and Gomorrah (. AJA 40, 1936 blz. 323—44). 

Een voorloopig verslag verscheen van de reeds eenige jaren geleden gedane 
onderzoekingen in Sepphoris: ‘ Preliminary Report of the University of Michigan 
Excavations at Sepphoris , Palestine , in 1931 (Ann Arbor 1937). R. W. Hamilton 
publiceerde in 1936 een Guide to the Historical Site of Sebastieh (Jerusalem, Syrian 
Orphanage Press 1936). Geen dezer beide publicaties zijn nog in mijn bezit. 

Aan het slot van dit zeer onvolledige overzicht over de resultaten der jongste 
opgravingen in Palestina wil ik de vermelding toevoegen van enkele meer algemeene 
of belangrijke publicaties op dit gebied, ofschoon de een of ander daarvan nog niet 
ter persoonlijke beoordeeling binnen mijn bereik is gekomen. Dit is het geval met 
Albright’s blijkbaar belangrijke bijdrage voor de Concordance to the Bible (New York 
1936) onder den titel: Recent Discoveries in Bible Lands (separaat New York 1936, 
35 blz.). Een voor zijn practisch nut zeker vermeldingswaardige bijdrage is die van 
Hennequin in Suppl. XIII—XIV van den Dictionnaire de la Bible . Onder den titel 
Fouilles et Champs de Fouilles en Palestine et en Phênicie wordt hier in ruim 200 
kolommen kleinen druk een uitermate volledig overzicht geboden van de Syro- 
Palestijnsche opgravingen tot aan 1936 met ruime opgave van literatuur en vermelding 
van de voornaamste resultaten en aspecten van alle ondernemingen. De behandeling 
van de stof is weliswaar meer compilatorisch dan systematisch, en vereischt een zekere 
gave van oordeel, doch kan als gemakkelijk te consulteeren bron van inlichtingen 
groote diensten bewijzen. 

Een meer speciaal doch aan allen die belang stellen in de diepere beteekenis der 
Palestijnsche archaeologie ter bestudeering aanbevolen werk is dat van W. C. Graham 
and H. G. May: Culture and Conscience: An Archceological Study of the Religious Past 
in Ancient Palestine (Chicago, 1936, 356 blz.). Het boek is een uitstekende aanvulling 
op het reeds iets oudere werk van S. A. Cook: The Religion of Ancient Palestine in 
the Light of Archceology (London 1930). Een ietwat geprononceerde philosophische 
inslag is m.i. geen voordeel van het overigens zeer interessante, nieuwere werk. 

Ook het tweede deel van Watzinger’s Denkmaler Palastinas waarvan in het vorige 
Jrb . nog geen melding werd gemaakt, is thans reeds eenigen tijd verschenen (Leipzig 
1935). Indien aan dit voortreffelijke werk iets te betreuren valt, is het alleen zijn al 
te groote beknoptheid. Het gebruik er van veronderstelt, behalve een goede kennis 
van archaeologisch-technische terminologie, ook een groote mate van vertrouwdheid 
met de Palestijnsche vondsten, die vaak nauwelijks méér dan aangeduid worden. 

B. Maisler gaf als nr. III/IV van de Library of Palestinology of the Jewish Palestine 
Exploration Society het eerste deeltje in het licht van een History of Archceological 
Exploration (Jeruzalem 1936). Hoewel de persoon van den auteur een goed gehalte 
van den inhoud waarborgt, moet ik erkennen, dat ik dit in het Hebreeuwsch geschreven 
boekje niet heb gelezen. Het behandelt de voorgeschiedenis van de Palestina-exploratie 
en in vier afzonderlijke hoofdstukken de verschillende phasen van haar ontwikkeling. 
Aan de opgraving van Beisan is een afzonderlijk hoofdstuk gewijd. 

De aandacht mag zeker ook gevestigd worden op het verschijnen van het tweede 
fascikel van den vijfden band van Thomsen’s Pdldstina-Literatur , evenals alle voor¬ 
gaande deelen een onmisbaar instrument voor alle studie van het oude en moderne 


] ) Zie hiervoor Jrb . 3, blz. 122. [R.] 


PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE 373 

Palestina. Hoewel reeds hiervoor op blz. 316 van dit Jrb . een afzonderlijke bespreking 
gewijd is aan het eerste deel van het Handbuch der Archdologie , uitgegeven door 
Walter Otto (München 1937), wijs ik ook op het verschijnen van dit werk, dat een 
volledig overzicht van alle aspecten der geheele archseologische wetenschap beoogt te 
worden. Niettegenstaande het feit, dat het materiaal vooral aan de klassieke oudheid 
is ontleend, heeft het werk ook voor de oostersche en syro-palestijnsche archaeologie 
beteekenis. 

Eindelijk mogen twee publicaties op het gebied der oud-palestijnsche topographie 
hier tot besluit vermeld worden. Beide behandelen, ofschoon op zeer verschillende 
wijze, hetzelfde onderwerp, namelijk de Egyptische stedenlijsten van de Aziatische 
veroveringen der pharaos. A. Jirku publiceerde als * Beiheft 38* van Klio een studie: 
Die dgyptischen Listen Paldstinensischer und Syrischer Ortsnamen (Leipzig 1937). Van 
mijn hand verscheen een werk onder den titel Handbook for the Study of Egyptian 
Topographical Lists relating to Western Asia ” (Leiden 1937), waaraan, naar ik ver¬ 
neem, Dr A. de Buck elders in dit Jrb . een bespreking zal wijden. 

’s-Gravenhage J. SlMONS S.J. 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 

I. INLEIDING. De Oud-Kretenzische kunst heeft in den laatsten tijd zeer 
dikwijls onze aandacht gevraagd. Daarbij denk ik zeker in de eerste plaats aan het 
langdurige bezoek van Marinatos, den bekwamen directeur van het museum te Iraklio, 
aan ons land. Maar bovendien verschenen er tal van publicatie’s, die telkens opnieuw 
onze belangstelling voor het eiland Kreta en zijn oude cultuur opeischten. Ik noem 
hier slechts de volgende: het groote boek van Evans over het paleis te Knossos dat 
onlangs gereed kwam, het eerste deel van het werk over het paleis te Phaistos, de 
berichten over de opgravingen in het paleis van Mallia, de geschiedenis van de 
Grieksche sculptuur door Picard, de beschouwing over de Kretenzische kunst van 
Snijder, de nieuwe uitgaaf van Bossert’s bekende platenverzameling 1 ). Inderdaad is 
er alle aanleiding om de problemen, die Kreta ons stelt, opnieuw onder de oogen te 
zien. Hier zullen wij ons evenwel bepalen tot de oude Kretenzische kunst. Zij is 
immers voor ons de meest sprekende uiting van de cultuur op Kreta gedurende den 
grooten bloeitijd in het tweede millennium vóór het begin onzer jaartelling. De 
eigenaardige beteekenis, die de cultuur op Kreta moet hebben gehad, haar invloed 
op Griekenland, maar ook het onderscheid tusschen Kreta en het vaste land, blijkt 
door geen van haar uitingen zóó duidelijk als door de beeldende kunst. 

De paleizen, die op Kreta zijn ontdekt, voornamelijk het paleis van Knossos, 
met hun merkwaardige muurschilderingen, de voorwerpen die voor den dag kwamen, 
de rijke ceramiek met haar vreemdsoortige decoratie, de overdaad en de luxe, de 
fantastische verbeelding en het karakteristieke gevoel voor vormen, die uit deze 
vondsten spreken, dat alles prikkelt onze belangstelling in hooge mate. Ja, men kan 
welhaast zeggen, dat deze kunst ons irriteert door al de vragen, die zij ons stelt. 
Wat wil deze kunst en wat beteekent zij ? Hoe moeten wij haar beschouwen in ver¬ 
band met andere voortbrengselen van kunst? Zijn de opvatting van vormen en het 
sentiment, dat zij vertolkt, op zich zelf staande verschijnselen? Hoe is haar verhouding 
tot de kunst van andere tijden en van andere streken, tot oudere en tot latere kunst, 
tot de klassieke kunst van Griekenland en tot de kunst van het Oosten, in Voor-Azië 
en Egypte? Verdient zij wel waarlijk als kunst te worden beschouwd? 

Ziedaar een reeks van vragen, die zich aan ons opdringen, zoo dikwijls wij 
voortbrengselen van de Oud-Kretenzische kunst beschouwen. Met nog meer kracht 


1) De titels van deze werken en van eenige andere, die later worden genoemd, vindt men beneden, 
blz. 383, opgesomd. De monumenten, die ter sprake komen, worden aangeduid met de nummers der afbeel¬ 
dingen in het werk over de antieke kunst van Ludwig Curtius, in het boek van Charbonneaux, in het artikel 
van Matz over de Kretenzisch-Myceensche kunst en in de laatste uitgaaf der platenverzameling van Bossert. 



374 DE beteekenis der oud-kretenzische kunst 

spreken die problemen tot ons, wanneer wij in de zalen van het museum van Iraklio 
de kunstwerken zelf beschouwen of wanneer wij door de bouwvallen van het uitge¬ 
strekte paleis te Knossos dwalen. De vraagstukken, die vroeger om een oplossing 
vroegen, naar de rangschikking der voorwerpen en naar hun chronologie, zijn thans 
niet meer zoo bijster actueel. In hoofdzaak hebben deze laatste vragen reeds jaren 
geleden een antwoord gevonden in het boek van Fimmen. Men heeft zich met de \ 

resultaten, die door dit boek zijn bereikt, vrijwel geheel vereenigd *). Op het oogenblik 
is het veeleer de Oud-Kretenzische kunst zelf, die voor ons een probleem is geworden. 

Wij willen weten, wat zij beteekent, wat haar plaats is in de kunstgeschiedenis, wat 
wij van haar kunnen leeren. 

II. CHRONOLOGIE. Allereerst zal het noodig zijn, de Oud-Kretenzische kunst in de 
verschillende phazen van haar ontwikkeling te leeren kennen. Ook aan de voornaamste 
feiten uit de geschiedenis van Kreta moeten wij een oogenblik aandacht geven. Wij 
kunnen ons daarbij vrijwel beperken tot een kort overzicht van de indeeling in perioden, 
die men voor deze geschiedenis heeft gemaakt. Naar het voorbeeld van Evans, die 
het eerste chronologische systeem van die geschiedenis heeft opgesteld, onderscheidt 
men sedert het begin van den Bronstijd drie perioden, die elk in drie onderafdeelingen 
worden gesplitst. De eerste periode noemt men de Vroeg-Minoische en men dateert 
haar van omstreeks 3000 tot 2100 vóór Christus. Met den bouw van het eerste groote 
paleis te Knossos laat men de tweede periode beginnen, de Midden-Minoische (2100— 

1550 v. Chr.). Deze periode eindigt met een verwoesting van het paleis omstreeks 
den tijd, toen de XVIIIde dynastie in Egypte optrad. De derde periode, de Laat- 
Minoische (1550—1100 v. Chr.), omvat een nieuwen bloeitijd en het einde van de 
oude cultuur op Kreta. Voor een nauwkeuriger bestudeering is deze indeeling evenwel 
niet voldoende gedetailleerd en, gelijk bij nader onderzoek reeds spoedig bleek, niet 
geheel bevredigend. De verwoesting van het paleis omstreeks het jaar 1550 v. Chr. 
moet veroorzaakt zijn door een aardbeving, die gepaard ging met een uitbarsting van 
den vulkaan van het eiland Thera. Het waren de sporen van deze ramp, die Evans 
aanleiding gaven met die verwoesting een nieuwe periode te laten beginnen. Maar de 
ramp is niet gevolgd door een verandering van de cultuur en zij beteekende dus 
geen krachtige insnijding in de ontwikkeling. Na de verwoesting heeft men het paleis 
hersteld en men kan geen verschil van beteekenis vaststellen tusschen de kunst in de 
derde onderafdeeling van de Midden-Minoische en in de eerste van de Laat-Minoische 
periode. Zulk een insnijding vindt men eerder aan het begin van de derde Midden- 
Minoische afdeeling (omstreeks 1750 v. Chr.), toen een nieuw paleis te Knossos is 
gebouwd, het zoogenaamde tweede paleis, en aan het einde van de tweede Laat-Minoische 
afdeeling (omstreeks 1400 v. Chr.), toen het paleis is verwoest en geen herstel is gevolgd. 

De tijd van het tweede paleis te Knossos (1750—1400 v. Chr.) bracht de meest 
karakteristieke voortbrengselen van de Kretenzische kunst. Wanneer wij aan de Kreten¬ 
zische paleizen denken, dan is het dit paleis vooral met zijn rijke architectuur, dat 
ons voor den geest staat. De muurschilderingen, die wij kennen, zijn een decoratie 
geweest van dit paleis, van de gelijktijdige bouwwerken in de omgeving en van het 
kleine paleis te Haghia Triada. De ceramiek, met de afbeeldingen uit de plantenwereld 
en met de zeedieren, die het meest onze bewondering wekken, behoort eveneens in 
de periode van dit paleis. 

III. Ceramiek. De gang der ontwikkeling van de Oud-Kretenzische kunst blijkt 
in groote lijnen het duidelijkst bij de studie van de ceramiek. Daarbij kan men eenige 
goed onderscheiden perioden opmerken. De eerste periode komt ongeveer overeen 
met het eerste kwart van het tweede millennium vóór het begin onzer jaartelling. Het 
aardewerk van dezen tijd, de ceramiek van den ‘Kamares-stijP, vertoont een zeer 
verzorgde techniek: de scherf is zóó dun en zóó voortreffelijk doorbakken, dat men 
aan eierschaalporselein wordt herinnerd. De decoratie is eerst nog zuiver geometrisch. 

Maar reeds kort na het jaar 2000 worden enkele motieven, die aan het plantenrijk 


i) Onlangs is een eenigszins afwijkend systeem gepubliceerd door R. Heidenreich, Athen. Mitt. 60—61’ 
1935—’36, blz. 179. — Het is niet mogelijk, op dit systeem in te gaan. 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 375 

zijn ontleend, in het ornament opgenomen. Het systeem der versiering is schijnbaar 
geheel willekeurig. Alleen bespeurt men, dat de ornamenten zorgvuldig zijn aangepast 
bij den vorm van de vaas: de bouw van het geheel, de kromming van het vlak, de 
plaatsing der motieven, dat alles vormt een wel overwogen harmonie. De verschillende 
factoren ondersteunen en accentueeren elkander op uiterst gevoelige wijze. 

Ongeveer sedert de i8 de eeuw begon het aan de natuur ontleende motief bij 
de decoratie wat meer beteekenis te krijgen. Eerst trad het nog schuchter op, als bij 
de decoratie van den prachtigen pot uit Knossos (Curtius pk V, Charbonneaux 55, 
Bossert 341). Daar overheerscht nog het fantastische spel van lijnen, die geen bijzondere 
beteekenis schijnen te hebben, en de felle bontheid der kleuren, die de bewegingen 
der lijnen ondersteunen. Weldra kwam het natuurlijke element meer naar voren, als 
op de vaas met de dolfijnen in het museum van Iraklio (Curtius 33, Bossert 346) en 
op de vazen met lelies uit Knossos (Curtius 32, Bossert 344). Deze laatste vazen 
vertoonen nog den donkeren achtergrond van de oudere ceramiek, maar de natuurlijke 
motieven hebben reeds geheel het zuivere ornament verdrongen. Door de vergelijking 
met de fresco’s, die wij zoo aanstonds zullen vermelden, is het mogelijk deze vazen 
in de tweede helft der 17de eeuw te dateeren. Met deze vazen mag men den bloeitijd 
van de Kretenzische ceramiek laten beginnen. Deze bloeitijd heeft van omstreeks 1650 
tot 1450 v. Chr. geduurd. 

Spoedig verkozen de schilders niet langer op den donkeren grond met bonte 
kleuren te schilderen. De uitvinding van een soort van glazuur stelde hen in de gelegenheid, 
direct op de licht gekleurde klei hun voorstellingen in beeld te brengen. Vooreerst 
nam de natuurlijkheid nog toe. De afbeeldingen van den Octopus , die op verschillende 
vazen voorkomt (Charbonneaux 58, Matz 8, Bossert 352), maakt den indruk met hulp 
van een zeer nauwkeurige studie naar de natuur te zijn ontworpen. Men bespeurt 
nauwelijks het arrangement van al de door elkander kronkelende lijnen. Deze vazen 
moeten ongeveer uit het midden van de 16de eeuw stammen. Een weinig later zijn 
de kan, die te Marseille wordt bewaard (Matz pl. 17, Bossert 559), en enkele vazen, 
die te Pylos zijn gevonden (Bossert 120). Daar vertoonen de motieven, kleine zeedieren, 
rotsen, waterplanten, nog de zelfde natuurlijke vormen. Maar het arrangement is 
strenger en spreekt duidelijker. De motieven keeren met een zekere regelmatigheid 
terug en men bespeurt die regelmatigheid ook. Er is een vaster rhythme in de decoratie 
en meer samenhang tusschen de plaatsing der motieven en den vorm van de vaas. 

Bij de ceramiek van de I5 de eeuw, voornamelijk uit de tweede helft, vindt men 
de voortzetting van dit streven. De motieven herinneren nog aan de oude kunst. De 
voorbeelden, die de natuur verschaft, zijn nog niet geheel vergeten. Maar de vormen 
zijn verstrakt en de opeenvolging der verschillende elementen, waaruit de decoratie 
is samengesteld, vertoont een strenge regelmatigheid, die aan de oudere kunst vreemd 
is. Ja, op het eerste gezicht is die regelmatigheid welhaast in volkomen tegenspraak 
met het karakter van de Kretenzische kunst, zooals men het zich gewoonlijk voorstelt. 
Als voorbeeld van deze kunst kan een vaas uit Knossos dienen (Curtius 37, Matz 15). 
De reeks van streng gestyleerde lelies, die deze vaas als decoratie in een regelmatig 
geordenden band omsluiten, herinneren slechts zeer weinig aan de natuurlijk opgevatte 
kunst van vroeger. Deze verandering in de kunst heeft men op zeer verschillende 
manieren trachten te verklaren. Men heeft wel gesproken van een vreemden invloed, 
die de kunst op Kreta van dien tijd af beheerschte. Eerder zal men moeten denken 
aan een logische ontwikkeling van den stijl, in dien zin dat één der elementen uit 
de oudere kunst later veel sterker naar voren is gekomen. Op de vaas te Marseille, 
die wij zooeven noemden, vindt men de natuurlijke motieven in een nog eenigszins 
losse orde geschikt. Later overheerschte de behoefte naar regelmaat. Het karakter 
van den stijl wordt dan door dit element bepaald. 

IV. Schilderkunst. Het overzicht, dat wij met hulp van de ceramiek hebben 
trachten te geven, is in staat, ons den gang der ontwikkeling in zijn hoofdmomenten 
duidelijk te maken. Maar de beschilderde vazen kunnen toch slechts een beperkte 
voorstelling van die ontwikkeling geven. Wij moeten een poging doen om verder 
door te dringen. Met dit doel moeten wij de hulp inroepen van andere kunstwerken. 
Voortbrengselen der kunstnijverheid kunnen daarbij slechts van weinig nut zijn. Wèl 




376 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 


377 


bezitten wij enkele gouden bekers met zeer merkwaardige voorstellingen (Curtius 52, 
Charbonneaux 27—28, Matz pl. 16, Bossert 72—75) en ander klein vaatwerk van 
steatiet, versierd met uiterst karakteristieke reliëfs (Curtius 44—46, Charbonneaux 
24—26, Bossert 269—281). Maar deze voorwerpen zijn toch te gering in aantal om 
de ontwikkeling op voldoende wijze te verklaren. Voor een verder gaande beschouwing 
moeten wij uitgaan van de voortbrengselen der groote kunst. 

Zulke voortbrengselen der groote kunst bezitten wij in voldoende mate, althans 
uit de tweede periode van het paleis te Knossos (van omstreeks 1750 tot 1400 v. Chr.): 
in de eerste plaats het paleis zelf, als een voorbeeld van architectuur, en in de tweede 
plaats de schilderingen, in de paleizen van Knossos en van Haghia Triada en in enkele 
andere gebouwen. Maar ook in dit geval is het moeilijk iets wezenlijks te weten te 
komen. Het paleis van Knossos is een bouwval, die wij met moeite voor onze ver¬ 
beelding laten herrijzen. Van de schilderingen bezitten wij slechts fragmenten, die in 
de meeste gevallen niet veroorloven de compositie in bijzonderheden te herkennen. 
Bovendien zijn zij slecht gepubliceerd. Bewerkt zijn zij in het geheel niet. Wanneer 
wij dus onze beschouwingen over de groote kunstwerken beginnen met de schilderingen, 
dan kunnen wij slechts een poging ondernemen om de best bekende werken te 
groepeeren ten einde eenige hoofdlijnen in de ontwikkeling te ontdekken. 

Naar het voorbeeld van Marinatos, in zijn kleine verhandeling over de vondsten 
van Amnisos, de havenstad van Knossos, onderscheiden wij bij de schilderingen, die 
wij bezitten, drie groepen. — Tot de eerste groep behooren de schilderingen van 
Amnisos zelf (Bossert 243), waarschijnlijk de oudste die ons zijn bewaard. Reeds de 
techniek verraadt hun ouderdom. De voorstelling is immers niet geheel geschilderd; 
maar de lelies, die zijn afgebeeld, waren met een witte pasta in den diep rooden 
achtergrond ingelegd. Ook de strak gehouden vormen en de vrijwel symmetrische 
compositie bewijzen, dat de schilderingen tot een vroege periode behooren. Nu is het 
huis te Amnisos, waar deze schilderingen zijn ontdekt, bij de uitbarsting van den 
vulkaan van Thera, omstreeks 1550 v. Chr., verwoest. Op dat tijdstip kan het huis 
ongeveer een eeuw hebben bestaan. De schilderingen dateeren dus waarschijnlijk uit 
de tweede helft van de 17de eeuw v. Chr. Bij de ceramiek bezitten wij de vazen met 
de lelies uit Knossos (Curtius 32, Bossert 344) als de naaste verwanten. Onder de 
fresco’s kan de schildering met den ‘Krokosplukker’ (Curtius pl. IV, Charbonneaux 
38, Bossert 224) nog uit dezen tijd zijn. 

Tot de tweede groep, die ongeveer de ió d e eeuw vult, behooren de meest 
beroemde schilderingen: in de eerste plaats de fresco’s uit Haghia Triada (Curtius 
54 —55, Charbonneaux 39, Bossert 241—242 en 244—246) en eenige verwante fresco’s 
uit Knossos, in de tweede plaats de zoogenaamde ‘miniatuurfresco’s’, met de af¬ 
beelding van een ‘tempel’ en van een ‘dans’, beide met talrijke toeschouwers 
(Matz pl. 15, Bossert 232—233), in de derde plaats schilderingen uit enkele gebouwen 
in de buurt van Knossos, de aap en de vogel in het struikgewas uit het ‘Huis met 
de fresco’s’ (Charbonneaux 40, Matz 6) en de fries met de patrijzen uit de ‘Kara¬ 
vanserai’ (Bossert 230), in de vierde plaats de schildering met de vliegende 
visschen uit Melos (Curtius pl. III, Charbonneaux 41, Bossert 450) en het fresco met 
akrobaten die over een stier voltigeeren, het ‘Torreadorfresco’ (Curtius 42, Char¬ 
bonneaux 46, Bossert 239). De laatst genoemde schilderingen moeten waarschijnlijk 
reeds tot de I5 de eeuw worden gerekend. 

De schilderingen, die wij in de eerste plaats hebben genoemd, vertoonen een 
zeer bijzondere kunst. Daar vindt men het landschap met zijn rotsen, zijn planten, 
zijn dieren behandeld als een stilleven. De planten zijn zóó zorgvuldig bestudeerd en zóó 
zorgvuldig geteekend, alsof de schilder een plantenboek wilde samenstellen. Bladeren en 
bloemen zijn weergegeven in hun meest karakteristieken vorm, maar tegelijkertijd zóó, dat 
zij op de gunstigste wijze medewerken tot de decoratieve vulling van het vlak. Dat geldt 
ook voor de dieren. Maar, gelijk Snijder het zeer juist heeft opgemerkt, de schilder 
had veel meer aandacht voor het silhouet, voor den algemeenen indruk en voor de 
beweging, dan voor de structuur l ). Het landschap als een geheel is op een zeer 


1) Bij de Etruscische schilderkunst kali men hetzelfde opmerken, vooral nu wij de schilderingen met 
hulp van de publicatie van Rizzo zoo veel beter kunnen waardeeren. 


eigenaardige wijze samengesteld, niet zooals men het waarneemt, maar zooals men het 
in zijn verbeelding kan opbouwen. De rotsen, bij voorbeeld, steken daarbij niet alleen 
van den benedenrand op naar boven; maar zij strekken zich ook van den bovenrand 
in de afbeelding naar beneden toe uit. Op de zelfde wijze kunnen planten van boven 
naar beneden groeien. Men heeft den indruk, dat de schilder zich midden in dit alles 
denkt. Van wat wij perspectief noemen, is in het geheel geen sprake. Dit is een ons 
vreemde manier van voorstellen, die tot een eigenaardige manier van afbeelden voert. 
Men kan zeggen, dat de kunstenaar zich één voelt met het landschap. Aan den éénen 
kant vindt men dus een sterke Einfühlung bij het weergeven van de natuur als geheel 
en vooral bij de planten en dieren. Maar aan den anderen kant is er ook een sterke 
abstractie. In het geheel is eenheid door een wèl overwogen evenwicht van lijnen, 
vlakken en kleuren. Omlijsting, symmetrie, rhythme zijn gebruikt als middelen om te 
componeeren. Op deze wijze blijkt er een tegenstelling in deze schilderingen te zijn 
tusschen het gevoel voor het natuurlijke en den zin voor het decoratieve. Deze tegen¬ 
stelling, deze spanning, is het probleem voor de Kretenzische kunstenaars, een probleem 
waarvoor zij in verschillende perioden steeds een verschillende oplossing vinden. 

Wellicht mogen wij enkele der ‘miniatuurfresco’s’ tot deze zelfde groep rekenen. 
Het merkwaardigst is zonder twijfel het fresco met de vrouwen, die een sacralen 
dans uitvoeren, op een open plein vóór een groote menigte van toeschouwers, mannen 
en vrouwen, die op trappen of tegen de helling van een heuvel schijnen te zitten 
(Matz pl. 15). Daarbij is bijzonder verrassend de manier, waarop die menigte als massa 
is weergegeven. De schilder heeft het volk als een geheel behandeld, als een algemeenen 
indruk van kleur, donker voor de mannen en licht voor de vrouwen. Enkele details, 
die zich telkens herhalen, zijn op deze kleurvlakken geschilderd. Op die wijze ont¬ 
stond werkelijk het effect van een menschenmenigte, die uit een aantal afzonderlijke 
individuen is samengesteld, maar die voor den beschouwer toch vooral als massa spreekt. 
De boomen zijn op dezelfde manier behandeld: de kronen als een gekleurd vlak, 
waarop eenige bladeren zijn geteekend. 

De schilderingen, die wij in de derde plaats opsomden, zetten de traditie van 
de vorige periode voort. Alleen komt er langzamerhand wat meer regelmaat in de 
compositie. In plaats van de bewegelijke losheid der oudere fresco’s vertoont de fries 
met de patrijzen (Bossert 230) reeds een opmerkelijke rust, ja, welhaast een nuchtere 
stijfheid. De indruk van het natuurlijke is nog voortreffelijk bewaard bij de afzonderlijke 
vogels, maar hun omgeving is gestyleerd en er heerscht een vrij groote regelmatigheid 
bij de indeeling van het vlak als een geheel. Kunstiger gecomponeerd is het fresco 
met de vliegende visschen uit Melos (Curtius pl. III, Charbonneaux 41^, Bossert 450). 
Daar bewegen de visschen zich met een goed volgehouden rhythme ten opzichte van 
elkander en van de rotsen, waartegen de zee uiteenspat. Men bespeurt het op- en 
nedergaan van de lijnen in een wel overwogen spel, heen en weder golvend tusschen 
de fantastische rotsblokken en het schuim. Hier heerscht naast de vrijheid toch 
regelmaat. Het effect als decoratie moet door deze gebondenheid juist bijzonder fraai 
zijn geweest. Daarbij vindt men verwantschap met de kan te Marseille (Bossert 559) 
en met de amphora uit Pylos (Bossert 120). Deze vazen vertoonen dezelfde opvatting 
van decoratie: natuurlijke vormen in een eigenaardige styleering, geschikt volgens 
een vrij streng volgehouden schema. Het effect is buitengewoon gelukkig. In zekeren 
zin vormen deze werken het hoogtepunt van de Oud-Kretenzische kunst. 

Gedurende de 15de eeuw heeft de ontwikkeling, die met de zoo pas genoemde 
kunstwerken begon, zich voortgezet. Deze latere kunst wordt voor ons uitsluitend 
vertegenwoordigd door schilderingen uit het paleis van Knossos. Karakteristiek is het 
‘Processiefresco’ en de verwante schilderingen (Curtius 41, Charbonneaux 43, Matz 13, 
Bossert 231), met een reeks van mannen, die vaatwerk dragen, geschilderd op de 
wanden van een gang. De beweging der figuren is gematigd. Zij schrijden achter elkander 
in een langen stoet van ongeveer gelijke gestalten. Daarbij is het rhythme kalmer 
geworden. Er is een geest van rust en van evenwichtigheid in de Kretenzische kunst 
gekomen, die men daar vroeger niet aantrof. Wellicht hebben de Kretenzische 
kunstenaars deze statige opvatting van kunst, dezen rustigen stijl der figuren, deze 
regelmatige opeenvolging der motieven in Egypte geleerd. Vergeten wij niet, dat er 
in de eerste helft der 15de eeuw een zeer levendig verkeer tusschen Egypte en Kreta 



378 DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 

is geweest. Alleen de achtergrond der voorstelling met zijn verschillende kleuren, die 
door golvende lijnen worden gescheiden, herinnert nog aan de vroegere opvatting. 
Daar spreekt het oude gevoel voor beweging nog duidelijk mede. 

De andere schilderingen in het paleis van Knossos vertoonen den zelfden geest. 
De decoratie van de troonzaal (Curtius 24, Charbonneaux 6, Bossert 225), waarschijnlijk 
het jongste fresco dat wij kennen, maakt een nog wat meer gestyleerden indruk. Daar 
vinden wij dus dezelfde strekking, die wij reeds bij de ceramiek opmerkten: de 
verstrakking der natuurlijke vormen. Evenals de vazen vertoonen de fresco’s de 
zegepraal van het gevoel voor het decoratieve. 

V. Het PALEIS van Knossos. De architektuur is voor ons wellicht de meest 
karakteristieke manifestatie van den Kretenzischen geest. Haar grootste schepping is, 
voor zoover wij het weten, het paleis van Knossos geweest. Dit bouwwerk is in zijn 
eersten vorm ontstaan na het begin van het Midden-Minoische tijdperk, kort vóór het 
jaar 2000, en in zijn tweeden vorm aan het begin van de derde onderafdeeling van 
dit tijdperk, omstreeks het jaar 1750 v. Chr. Bij de ramp aan het einde van deze 
onderafdeeling, omstreeks het midden van de i6 de eeuw, is het paleis ernstig beschadigd, 
maar terstond in dezelfde vormen hersteld. Ten slotte is het definitief verwoest omstreeks 
1400 v. Chr. Waarschijnlijk geeft het paleis, zooals wij het door de opgravingen hebben 
leeren kennen, ondanks herbouw en restauratie’s, ons nog altijd een betrouwbaar beeld 
van de Oud-Kretenzische bouwkunst uit haar bloeitijd. 

Het type van het gebouw moet al omstreeks het jaar 2000 v. Chr. in zijn voor¬ 
naamste bijzonderheden zijn vastgesteld. Aan dit type ligt, als bouwkunstige gedachte, 
een vorm van huis ten grondslag, waarbij de deelen om een hof zijn gegroepeerd *). 
De ontwikkeling tot een zóó grootsch geheel kan zijn bevorderd door de kennismaking 
met de bouwwerken in het Oosten. Maar men kan niet spreken van een directen 
invloed. Er zijn immers in Egypte en Voor-Azië geen werkelijke voorbeelden voor 
dezen vorm van paleis aan te wijzen. Juist de eigenaardigheden, die de oostersche 
bouwkunst kenmerken, het gevoel voor de massa en de compositie met een systeem 
van assen, zijn aan de Kretenzische bouwkunst vreemd. Ja, men kan zeggen, dat zij 
in strijd zijn met het karakter dezer kunst. 

Het is niet gemakkelijk een gebouw als het paleis van Knossos naar zijn 
eigenaardige beteekenis te begrijpen en te waardeeren. Over het algemeen beoordeelt 
men dit paleis als een voortbrengsel der architektuur niet gunstig. Snijder, bijvoorbeeld, 
veroordeelt het in krasse termen: hij laakt de compositie en de indeeling van het 
grondplan; hij mist harmonie bij de onderdeelen§ hij acht het geheel weinig over¬ 
zichtelijk en de opbouw onrustig; hij bewondert evenmin de technische constructie. 
Zulk een veroordeeling is intusschen niet rechtvaardig. Wie dergelijke eischen aan 
de compositie stelt, moet een groot deel der bouwkunst als minderwaardig beschouwen. 
Uit de Oudheid kunnen dan alleen enkele groote complexen, als de Egyptische tempels 
en de Romeinsche thermengebouwen, waardeering vinden. De Akropolis te Athene, 
met het Parthenon, de Propylseen en het Erechtheion, is volgens dit principe een 
mislukt geheel. Een Middeneeuwsche stad of een Middeneeuwsche burcht 1 2 ) zouden dan 
geen groote architektuur kunnen zijn. Het is evenwel duidelijk, dat men aan deze 
bouwwerken dergelijke eischen niet stellen mag. Zeker hebben de Kretenzische 
bouwmeesters aan een compositie van dien aard nooit gedacht. Wij van onzen kant 
mogen een vorm van kunst niet beoordeelen naar een maatstaf, welke haar vreemd 
is. Integendeel, wij moeten vragen, wat deze kunst zelf heeft willen bereiken. De vraag, 
welk principe aan de Kretenzische bouwkunst ten grondslag ligt, moet voorop staan. 
Zonder twijfel moet zij ook positieve factoren bezitten, die haar aard bepalen. Deze 
factoren zijn het, die wij moeten trachten te omschrijven. 

De meest opvallende eigenaardigheid van de oude Kretenzische architektuur is 
haar onregelmatigheid, haar schijnbare willekeur, haar schilderachtigheid, als men het 
zoo noemen wil. Daarbij mag men niet denken aan het toeval, dat een rol zou hebben 


1) Het is de oude vorm van huis uit de klassieke Oudheid in de landen om de Middellandsche Zee, 
zooals wij dit huis ook uit later tijd in Griekenland leeren kennen. 

2) Curtius heeft deze burchten, om hun schilderachtige onregelmatigheid, met het paleis van Knossos vergeleken. 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 379 

gespeeld, of aan onkunde van den bouwmeester. Veeleer zal men moeten denken aan 
een principe van stijl. Als voornaamste element vindt men in het midden van het 
paleis een grooten hof van langgestrekte afmetingen, niet geheel regelmatig, maar toch 
met een duidelijk sprekenden vorm. Dezen hof bereikt men op schijnbaar willekeurig 
gekozen punten langs nauwe, weinig imponeerende gangen. Juist door dit verrassende 
en onverwachte ontvangt de bezoeker een diepen indruk. Dit is ook een stijlprincipe 
van de oude Kretenzische kunst: het zoeken naar het contrast om op die wijze geheel 
fantastische, welhaast romantische effecten te bereiken *). Ditzelfde principe, dat vaak 
tot een speelsche grilligheid leidt, heerscht ook bij de wanden, die den hof omsluiten, 
met hun wisselende hoogte, hun onregelmatige en verbrokkelde vormen, hun onrustige 
bekroningen. Maar vooral vindt men het in de schilderachtige effecten van de trappen¬ 
huizen, lichtschachten, donkere gangen, half verlichte zalen, open terrassen, die aan 
het paleis van Knossos hun eigenaardige effecten verleenen. 

Als voorbeeld kan het deel van het paleis dienen, dat als het appartement van 
den vorst wordt beschouwd, de domestic quarter , gelijk men het noemt (Charbonneaux 
7—9, Bossert 205—207). Dit gedeelte vormt een geheel, dat in de geschiedenis der 
kunst zijn wedergade niet heeft. Van den grooten hof bereikt men het langs een hoog 
trappenhuis, dat zijn licht ontvangt van een niet zeer wijde open schacht. Daalt een 
bezoeker, die daar niet geregeld komt, langs deze trap naar beneden, dan moet hij 
wel zeer verward worden door de gecompliceerde, telkens heen en weder gaande be¬ 
weging, de voor hem raadselachtige vormen van het bouwwerk, het wisselende licht 
dat op de trap valt, telkens onderbroken door de korte zuilen met hun gedrongen 
vormen. Beneden gaat de weg langs den bodem van de lichtschacht, door een smalle 
halfduistere gang, om in vertrekken te komen, die op h\m beurt licht ontvangen van 
kleine hoven en schachten. Door de tegenstelling van vol licht en half licht, door 
schilderachtige doorkijken en door het helder verlichte terras, waar het appartement 
op uitkomt, ontstaat een hoogst fantastisch geheel. De eigenaardige vormen en licht¬ 
effecten worden nog krachtig ondersteund door de wandschilderingen met hun levendige 
motieven en felle kleuren. 

Een architektuur, die met een zóó sterk gevoel voor het verrassende en met 
zóó geraffineerde effecten is gecomponeerd, kennen wij eerst in het tijdperk van de 
Romantiek in de 19de eeuw. Uit de Oudheid zou men alleen enkele bouwwerken van 
den Romeinschen Keizertijd kunnen noemen, waar men een verwant gevoel voor 
vormen opmerkt. De huizen in Pompeji, met hun fantastische muurschilderingen, 
vertoonen dergelijke effecten 2 ) en ook in de nevenvertrekken van de groote achterzaal 
in het paleis der Flavii te Rome is iets van dien aard bereikt. Misschien zijn in de 
Romeinsche landhuizen zulke schilderachtige indrukken tot stand gebracht. Want ook 
de Romeinsche Keizertijd kende een zeer bijzondere architektonische cultuur, die 
door een sterk gevoel voor licht-effecten wordt gekenmerkt. 

De Oud-Kretenzische bouwkunst is daarbij evenwel voorgegaan. Zooals Matz heeft 
opgemerkt, hebben de bouwmeesters van deze paleizen, voor het eerst in de geschiedenis 
der kunst, bewust ruimte gevormd. Zij fantaseeren in de ruimte en spelen met de 
ruimte. Gangen, hoven, lichtschachten, trappenhuizen, zalen, met hun contrasten van 
licht en halfdonker, hun doorkijken en hun wanden die den blik tegenhouden, de 
bonte decoratie en het licht zelf, zijn voor hen motieven, die zij in hun bouwkunstige 
composities met speciale bedoelingen toepassen. Zelfs het landschap in de omgeving 
van het paleis wordt in de architektuur betrokken om het bouwwerk, als een product 
van artistieke verbeelding, aan te vullen en af te sluiten. Het is niet toevallig, dat 
zich juist aan het paleis van Knossos de voorstelling van een doolhof, een ‘labyrinth’, 
verbonden heeft. Dit paleis moet den indruk van een sprookjesslot hebben gemaakt. 
Ook wij van onzen kant kunnen, wanneer wij het streven van de Kretenzische 
bouwmeesters eenigszins hebben leeren begrijpen, deze kunst nog zeer goed waardeeren. 
Zij is de sprekende getuige van een gevoel voor] vormen, dat in de eerste plaats naar 
het levendige en het schilderachtige streeft. Uit haar blijkt een uitbundig, welhaast 
stormachtig temperament. 


1) Zulke effecten kent ook de architektuur van den Baroktijd. 

2) Dit is reeds door Curtius opgemerkt. 




380 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 


38 i 


VI. De algemeene ontwikkeling. In het voorafgaande hebben wij als ken¬ 
merken voor de Oud-Kretenzische kunst vastgesteld haar eigenaardigen zin voor het 
natuurlijke, haar begeerte naar het bewegelijke en schilderachtige, haar levendige 
fantazie en haar onstuimig temperament. Verder hebben wij opgemerkt, dat deze kunst 
haar bloeitijd in een betrekkelijk korte periode heeft gehad. Die bloeitijd viel in de 
16de eeuw v. Chr. Het is aan de kunst van dit tijdperk, dat wij onwillekeurig denken, 
wanneer wij van Kretenzische kunst spreken. Thans moeten wij nog trachten de plaats 
dezer kunst in de algemeene ontwikkeling te bepalen. 

Allereerst zullen wij een antwoord moeten zoeken op de vraag, ofde Oud-Kretenzische 
kunst wel een vorm van cultuur is, die den naam van kunst ten volle verdient. Het 
antwoord komt van zelf, wanneer men de vraag slechts anders formuleert: zijn de 
oude Kretenzers in staat geweest, zich een zoodanige voorstelling te maken van de 
vormen der werkelijkheid, dat zij zich deze vormen als hun geestelijk bezit vermochten 
te verwerven en weer te geven in hun eigen vormen ?, of, om de termen van Hildebrand 
te bezigen, waren de oude Kretenzers in staat Daseinsform over te brengen in 
Wirkungsform ?, en verder, konden de Kretenzers hun gedachten en gevoelens zóó 
klaar in vormen uitdrukken, dat eerst hun tijdgenooten en later nog wij hun be¬ 
doelingen kunnen begrijpen ? 

Bestudeert men een aantal Oud-Kretenzische kunstwerken met eenige aandacht, 
dan bespeurt men onmiddêllijk, dat zij volgens een bepaald systeem zijn tot stand 
gekomen. Zij bezitten een eigen stijl; zij vertoonen een eigen gevoel voor vormen; 
zij getuigen voor een zeer bijzonder voorstellingsvermogen. Dat wil zeggen: zij hebben 
het karakter van ware kunst. Het voorstellingsvermogen is daarbij wellicht de be¬ 
langrijkste factor. Want voor het ontstaan van een kunstwerk is de manier, waarop 
de kunstenaar zich een voorstelling van de wereld maakt, beslissend. Deze voorstelling 
is in verschillende tijden en verschillende streken niet de zelfde. Zij is anders bij 
verschillende individuen, maar ook bij verschillende groepen van menschen, die te 
zamen tot een vorm van cultuur behooren, in verschillende perioden. 

In dit verband is het wellicht goed te herinneren aan de these, waarvan Dago- 
bert Frey bij zijn beschouwingen is uitgegaan: de grondslag voor de geschiedenis 
van het geestelijke leven der menschen is de geschiedenis van hun vermogen om 
zich voorstellingen te vormen. Deze voorstellingen weerspiegelen zich in de werken, 
die door de menschen worden voortgebracht; zij beheerschen het denken eener 
periode. Het vermogen om zich voorstellingen te vormen ontwikkelt zich; dat wil 
zeggen, het wordt krachtiger en helderder. De voorstellingen worden scherper en meer 
gedifferentieerd. De trappen in de ontwikkeling van het geestelijke leven gaan samen 
met de trappen in de ontwikkeling van het voorstellingsvermogen. Wie dit ontwik¬ 
kelingsproces niet kan medevoelen, is niet in staat de ontwikkeling van het weten¬ 
schappelijke denken te volgen. Evenmin kan hij de kunst in de vormen van haar 
ontwikkeling waardeeren. 

De ontwikkeling van de Oud-Kretenzische kunst hangt zonder twijfel samen met 
de ontwikkeling van het voorstellingsvermogen der Kretenzers. Heeft men dit ingezien, 
dan begrijpt men, dat de Kretenzische kunst alleen met volwaardige kunst mag 
worden vergeleken. De verwantschap, die men heeft meenen op te merken met de 
‘kunst’ van menschen uit het palseolithische tijdperk, van kinderen en van zwak¬ 
zinnigen kan dus slechts een beperkte beteekenis hebben om de Oud-Kretenzische 
kunst te begrijpen. Het is de groote verdienste van Snijder, te hebben duidelijk 
gemaakt, hoever die verwantschap gaat en wat wij met een vergelijking kunnen be¬ 
reiken. Zijn werk heeft in niet geringe mate er toe bijgedragen ons inzicht te ver¬ 
helderen. In zijn boek heeft hij vooral den weg onderzocht, die het voorbeeld uit de 
natuur, schrijdend door het brein van den kunstenaar, aflegt tot het kunstwerk, dat 
wil zeggen, naar den vorm, die het denkbeeld uit ’s kunstenaars voorstelling door het 
werk zijner handen heeft aangenomen. Daarbij gebruikte Snijder meer de denkbeelden 
der psychologie dan de methode der kunstgeschiedenis. De onmiddellijke betrekking, 
die er zonder twijfel bestaat, tusschen de natuur als voorbeeld en de Kretenzische 
kunstwerken uit den bloeitijd, heeft door deze beschouwingen een zeer aannemelijke 
verklaring gevonden. 


Het zal intusschen noodig zijn, de verhouding van de voorbeelden uit de natuur 
tot de kunstwerken zelf nog nader te onderzoeken J ). Daarbij gaat het om een uit¬ 
eenzetting van den kunstenaar met de natuur, om de vraag, hoe hij zijn voorbeelden 
in zijn eigen vormen heeft overgebracht, maar bovendien, hoe hij zijn eigen over¬ 
tuiging en zijn eigen voelen in het kunstwerk heeft uitgesproken 2 ). Gaat men de 
geschiedenis der Kretenzische kunst na, dan blijkt de verhouding tot de natuur in de 
verschillende perioden niet dezelfde te zijn. Soms staan de kunstenaars zóó zelfstandig 
tegenover de natuur, dat zij de vormen van hun kunst geheel uit de natuur abstra- 
heeren. Dan weer trachten zij zich veeleer in hun voorbeelden in te leven, zich er in 
te voelen, zooals Worringer het heeft uitgedrukt. Bij de ontwikkeling, die de Oud- 
Kretenzische kunst doormaakte, ging zij van een krachtige abstractie naar groote 
natuurlijkheid om weer tot abstractie terug te keeren. Maar zelfs in de periode van 
de grootste natuurlijkheid ontbreekt de abstractie geenszins. De Kretenzische kun¬ 
stenaars hebben nooit de natuur gereproduceerd. Zij kopieeren niet; steeds interpre- 
teeren zij. De voorstelling, die zij zich in hun verbeelding hebben gevormd, is wel 
degelijk aan den eenen kant een vereenvoudiging en aan den anderen kant een 
versterking; zij herhalen en zij ordenen de motieven, die zij hebben aanvaard 3 ). De 
accenten liggen in hun kunstwerken anders dan in de werkelijkheid. 

VIL Elementen van oorsprong. Wij moeten ons nog een oogenblik bezig 
houden met een andere methode om tot een begrip van de Kretenzische kunst 

door te dringen. Het is de methode, die door Matz met zoo veel succes is toegepast 
bij zijn studie van de oude Italische kunst. Bij deze methode gaat men uit van het 
denkbeeld, dat het karakter der kunst in een bepaald gebied duidelijker spreekt bij 
de uitingen dezer kunst uit den oudsten tijd. Men moet dus vragen, uit welke 

elementen de Oud-Kretenzische kunst is voortgekomen, en het karakter van deze 
elementen moet men trachten te bepalen. Voor een onderzoek van dien aard kunnen 
ons een paar studies van Matz en van Kaschnitz-Weinberg behulpzaam zijn. 

Er schijnen in de Kretenzische kunst voornamelijk drie componenten te wezen: 
het inheemsche, het oostelijke en het noordelijke element. Van deze elementen ont¬ 
snapt het eerste aan onze controle. Men kan immers geen nadere verbinding vaststellen 
tusschen den neolithischen tijd op Kreta en de groote kunst van het tweede millennium. 
Toch heeft men soms aan dit element een groote beteekenis toegekend. Men heeft 
de bewoners van Kreta uit de Nijldelta willen afleiden. Ook heeft men gedacht aan 
een verband met Noord-Afrika om over dat gebied een verbinding te construeeren 
met de menschen uit het palaeolithicum in Spanje. Maar zulk een verbinding is vol¬ 
komen hypothetisch. Bovendien kan men opmerken, dat in den tijd niet lang vóór 
het jaar 2000 v. Chr. op Kreta een nieuwe stijl is ontstaan. Het andere gevoel voor 

vormen, dat daarbij blijkt, mag men aan een impuls van buiten toeschrijven. Men 

zal moeten denken aan nieuwe bevolkingselementen, die op Kreta zijn gekomen, 
vermoedelijk van het vaste land en uit Centraal-Europa. 

Wat deze invallers uit het vaste land voor de kunst hebben beteekend, dat leeren 
ons vondsten in het gebied van den Donau en in Thessalië, vooral de ceramiek van 
Dimini (Charbonneaux 61, Matz pl. 11), uit den neolithischen tijd. De ornamentiek 
op deze vazen verraadt inderdaad een dergelijk gevoel voor vormen, als wij in het 
tweede millennium v. Chr. op Kreta aantreffen. Maar de kunst van dien grooten tijd 
kan toch eerst zijn ontstaan door de aanraking met een geheel andere soort van kunst, 
een kunst die belangstelling had voor de vormen der natuur, voor planten, dieren en 
menschen, de kunst van Vóór-Azië en Egypte. Wat de kunst van Kreta aan het 
Oosten ontleende, was intusschen niet veel meer dan het bloote denkbeeld om vormen 
en motieven der natuur toe te passen in de kunst. Slechts enkele motieven zelf 
werden overgenomen, zooals blijkt bij een onderzoek van de gesneden steenen. Maar 
de stijl, waarin de kunst op Kreta zich uitsprak, was nieuw. Daarbij vindt men geen 
wezenlijke verwantschap met het Oosten. Juist zoo heeft de ‘geometrische’ en de 


1) De voorbeelden der Kretenzische kunst uit de plantenwereld zijn onderzocht door Möbius. 

2) De ‘vorm’ en de ‘inhoud’ der kunstwerken, volgens het systeem van Strzygowski. 

3) Volgens de vier ‘principes’ van Nussberger. 



382 


DE BËTEËKENIS DER OÜD-KRETENZiSCHE KUNST 


‘orientalizeerende’ kunst van de 9de tot de 7de eeuw v. Chr. enkele motieven aan de 
kunst van het Oosten ontleend. Maar voor het ontstaan der archaïsche Grieksche kunst 
hebben deze motieven slechts een ondergeschikte beteekenis gehad. Belangrijk is het, 
wat door de Grieken met deze motieven, die wellicht een oogenblik als een stimulans 
hebben gewerkt, is tot stand gebracht. De stijl der Grieksche kunst is geheel en al 
een produkt van den Griekschen geest. 

Op dergelijke wijze kan de kunst van het Oosten voor de Kretenzische kunst 
van het derde millennium v. Chr. als een bevruchtend en opwekkend element hebben 
gewerkt. Haar stijl bleef in karakter gelijk, maar vertoonde een grooter activiteit en 
uitte zich met een krachtiger potentie. Op deze wijze kan men ook het verschil 
verklaren met den stijl van de kunst op het vaste land van Griekenland in het 
tweede millennium v. Chr. In dat gebied zijn omstreeks het begin van dit tijdvak Indo- 
Germaansche stammen doorgedrongen, de voorvaders der latere Grieken. Zij hebben 
in Griekenland, voornamelijk te Mycene en te Tiryns, een groote kunst voortgebracht. 
Deze kunst stond onder den invloed van Kreta, maar vertoont een anderen aard dan 
de Kretenzische kunst. Dat leert ons de bouwtrant der paleizen, dat leert ons vooral 
de andere geest, die de Myceensche kunst kenmerkt. Toen de bewoners van het vaste 
land omstreeks 1400 v. Chr. ook tot Kreta zijn doorgedrongen, nam de Oud-Kreten- 
zische kunst een einde. Blijkbaar verdroeg hun aard zich niet met den eigen Kreten- 
zischen stijl. 

VIII. CONCLUSIE. Tenslotte moeten wij het karakter der Oud-Kretenzische kunst 
nog nader trachten te omschrijven. Met dit doel mogen wij herinneren aan de twee 
principieel verschillende opvattingen van kunst, die men kan onderscheiden. Het 
duidelijkst vindt men deze opvattingen naast elkander in de kunst van Europa gedu¬ 
rende den neolithischen tijd. De eerste is levendig, gevoelig voor het spel van lijnen 
en voor fantastische vormen, onrustig van aard en bewegelijk, ‘dynamisch’, zooals men 
wel zegt. Haar meest kenmerkende vertegenwoordiger is de ‘bandceramiek’. De tweede 
streeft vooral naar orde; zij deelt in en zoekt naar regelmaat. Men kan haar ‘statisch’ 
noemen. De ceramiek der ‘megalithgraven’ vertegenwoordigt dit laatste principe 1 ). 
Deze twee tegengestelde opvattingen zijn wellicht de eenvoudigste vormen van twee 
polen, die men aantreft in de menschelijke verbeelding, in het voelen en het denken 
der menschen. Van een bepaald standpunt uit heeft men gesproken van het ‘Dionysische’ 
en het ‘Apollinische’ element van den menschelijken geest. Daarbij werd vooral 
aandacht gegeven aan de tegenstelling van karakter en temperament, zooals deze door 
den godsdienst in zijn verschillende vormen wordt geopenbaard. Voor de kunst zullen 
wij ons liever houden aan de termen ‘dynamisch’ en ‘statisch’. 

De Oud-Kretenzische kunst is een zeer karakteristieke uiting van het ‘dynamische’ 
temperament. Ja, de Kretenzische kunst heeft wellicht krachtiger dan één andere 
vorm van kunst dit principe in haar voortbrengselen tot uitdrukking gebracht. Het 
bewegelijke, het onrustige, het fantastische, de eigenaardigheid die door Rodenwaldt 
het ‘schilderachtige’ en door Curtius het ‘levende’ werd genoemd, is bij haar het 
meest wezenlijke kenmerk voor den stijl. In haar ideaal is de Oud-Kretenzische kunst, 
als een zuivere vertegenwoordiger van het ‘dynamische’ temperament, vrijwel tegen¬ 
overgesteld aan de klassieke Grieksche kunst, die tot het ‘statische’ type behoort 2 ). 
Ook de kunst van het vaste land van Griekenland, de Myceensche kunst, die voor 
een deel met de Oud-Kretenzische kunst gelijktijdig is, vertoont in haar stijl ‘statische’ 
elementen. De, tegenstellingen, die wij in den vóór-historischen tijd opmerkten, kan men 
dus ook in latere perioden nog duidelijk vervolgen. Maar men vergete nooit, dat 
dergelijke termen slechts hulpmiddelen mogen zijn om eenige eigenaardigheden dui¬ 


1) Terloops moge er hier aan worden herinnerd, dat deze beide vormen van aardewerk, de ^bandceramiek’ 
en het aardewerk der hunnebedden, ook tot ons land zijn doorgedrongen. Een uitlooper van de ‘bandceramiek’ 
vinden wij in Zuid-Limburg. Het hunnebedden-aardewerk is zeer goed vertegenwoordigd in Drente. Op deze 
wijze blijken de twee vormen van cultuur, waarvoor deze vazen karakteristiek zijn, zich tot ons land te hebben 
uitgestrekt. De twee soorten van temperament, die zij vertegenwoordigen, moeten van groot belang zijn geweest 
voor de vorming van het Nederlandsche volk. 

2) In dit verband mag men ook aan enkele der kunsthistorische grondbegrippen van Wölfflin herinneren . 


DE BETEEKENIS DER OUD-KRETENZISCHE KUNST 


383 


delijk te maken. Kunst uit het verleden kan men, als een levende macht in het 
tegenwoordige, alleen uit haar zelf leeren kennen. Men moet zich met volledige 
overgave in haar verdiepen. Dan openbaart zij ten slotte ook haar ware karakter, 
haar aard en haar beteekenis. 

Leiden A. W. Byvanck 


LIJST DER AANGEHAALDE GESCHRIFTEN 

A. Evans, The palace of Minos (1921 —1935); met een register door Joan Evans (1936). 

F. Chapoutier e.a., Fouilles a Mallia (1928 en volg.). 

L. PERNIER, II Palazzo di Bestbs (1935 en volg.). 

Sp. Marinatos, Arch . Anz., 1933, col. 287—314; 1934, col. 245—254; Forsch. und 
Fortschr ., 10, 1934, blz. 341—343. 

G. Rodenwaldt, Der Fries des Megarons von Mykenai (1921). 

D. Fimmen, Die Kretisch-Mykenische Kidtur (2de uitg. 1924). 

G. van Hoorn, De Kretische Kunst (1925). 

G. Karo, Kreta , bij: M. Ebert, Reallexikon der Vorgeschichte , VII, 1926, blz. 63—93. 

L. Curtius, Die antike Kunst , II, 1926, blz. 1—67. 

F. Matz, Die frühkretischen Siegel (1928); Das Kunstgewerbe Altitaliens , bij: 

H. Th. Bossert, Illustrierte Geschichte des Kunstgewerbes , I (1928), blz. 183—249; 
Die Kretisch-Mykenische Kunst , in: Die Antike , XI, 1935, blz. 171—220. 

E. J. Forsdyke, Minoan Art (1929). 

J. CHARBONNEAUX, Kart égéen (1929). 

Nils Aberg, Bronzezeitliche und früheisenzeitliche Chronologie , IV, Griechenland (1933). 

M. MÖBIUS, Pjlanzenbilder der Minoischen Kunst in botanischer Betrachtung , in : Jahrb . 

Arch . Inst., 48, 1933, blz. 1—39. 

Ch. Picard, Manuel d'archéologie grecque: la sculpture> I (1935). 

G. A. S. Snijder, Kretische Kunst (1936). 

G. Kaschnitz-Weinberg, Zur Struktur der Griechischen Kunst , in: Corolla-Ludwig 

Curtius (1937), blz. 45—54. 

H. Th. Bossert, Alt-Kreta (3de u itg. 1937). 

« 

A. HiLDEBRAND, Das Problem der Form in der bildenden Kunst (1893). 

W. WORRINGER, Abstraktion und Einfühlung (2de uitg. 1909). 

H. WöLFFLlN, Kunstgeschichtliche Grundbegriffe (1915). 

J. bTRZYGOWSKI, Die Krisis der Geisteswissenschaften (1923). 

Dagobert Frey, Gotik und Renaissance (1929). 

Max Nussberger, Die künstlerische Phantasie (1935). 

A. W. BYVANCK, De oorsprong van het Nederlandsche volk en de archaeologie van 
Nederland , in: Jaarboek Maatschappij Ned . Letterkunde , 1935—*36, blz. 31—58. 




HET HETHIETISCHE WERELDRIJK EN BESCHAVING 


385 


ARCHEOLOGIE VAN KLEIN AZIË 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS EN BESCHAVING 


Afkortingen: 

AfO = Archiv für Orientforschung 
AJA = American Journal of Archae- 
ology 

AO = Alter Oriënt 
ArO = Archiv Orientdlni 
AU = Die Ahhijawa-Urkunden 
CAH = Cambridge Ancien t History , 
Volume II, The Egyptian and 
Hittite Empires to 1000 B. C. 
JEA = Journal of Egyptian Archaeology 
KF = Kleinasiatische Forschungen 


MAOG = Mitteilungen der Altorienta- 
lischen Gesellschaft 

MDOG = Mitteilungen der Deutsche n 
Oriënt- Gesellschaft 

MV^EG =- Mitteilungen der Vorder asia- 
tisch-AegyptischenGesellschaft 
RHA = Revue Hittite et Asianique 
WVDOG = Wissenschaftliche Ver o ff ent- 

lichungen der Deutschen 
Oriënt- Gesellschaft, 

ZA = Zeitschrift für Assyriologie, 


VI. HET HETHIETISCHE WERELDRIJK 
onder éuppiluliumas en Mursilis (1450—1200) ] ) 

HET ONTSTAAN VAN HET NIEUWE HETHIETISCHE RIJK. De berichten over de 
hernieuwde Hethietische machtsontplooiing zijn uiterst schaarsch. De Egyptische pharao 
Toethmoses I rukte ca. 1536 met zijn legerscharen op tot Kargamis aan den Euphraat 
en richtte daar een overwinningsstèle op. Deze tocht leidde echter niet tot een 
occupatie en het duurde nog tot 1483, voordat de Egyptenaren onder Toethmoses III 
aan een praktische overheersching van Palestina en Syrië gingen denken. Tijdens zijn 
achtste campagne bereikte deze pharao in 1473 Kargamis en richtte daar eveneens 
een stéle op, naast die van zijn voorganger 2 ). Van hem kregen de Mitanni de eerste 
klappen; hij wist hen ver noordelijk terug te drijven en daardoor de Egyptische grens 
beter te beveiligen. Bij deze gelegenheid wordt er ook van de Hethieten melding 
gemaakt. Uit de Egyptische teksten 3 ) weten wij, dat zij evenals de Babyloniërs en 
Assyriërs geschenken aan den overwinnaar hebben gezonden, bestaande uit zilveren 
ringen, kostbare steenen en zeldzaam hout. Toethmoses III schijnt niet tegen de 
Hethieten zelf gestreden te hebben, maar Arzawa, het latere Cilicië, en Mitanni hebben 
meermalen met zijn krijgsmacht te maken gehad, zoodat het begrijpelijk wordt, dat 
de Hethieten het raadzaam oordeelden hem een gezantschap te sturen. Dat de Mitanni 
geducht verslagen werden, blijkt wel uit de Egyptische teksten (bijv. die in het graf 
van Mencheperreseneb te Thebe). Er schijnen in Syrië voortdurend opstanden te zijn 
geweest; de verovering van Kades in 1466 door Toeth*moses III was dan ook het slot 
van één van de expedities der Egyptenaren in het bezette gebied. De blijkbaar steeds 
groeiende macht der Hethietische koningen was echter oorzaak, dat er onder Amen- 
hotep II (1447—14 20 ) een toenadering tusschen Egypte en Mitanni tot stand kwam. 
Een inscriptie in de noordelijke zuilenhal van den tempel van Toethmoses I te Thebe 
maakt er melding van, dat Amenhotep II afgezanten der Mitanni ontving, die hem 
het beschermheerschap over hun land aanboden. Dit was des te belangrijker, omdat 
in dezen tijd het Mitanni-land onder SausSatar zich sterk naar het Oosten had uit¬ 
gebreid en na de onderwerping van Assyrië zelfs tot de Zagros-bergen gereikt moet 
hebben. Daar althans werd in de ruïnes van Nuzi een door hem gezegelde brief gevonden. 

HET TIJDPERK DER EGYPTISCHE HEGEMONIE IN SYRIË EN PALESTINA (1480 — 1380). 
Door de veroveringen van Toethmoses III was Egypte de machtigste mogendheid in 

*) I. Inleiding in Jaarbericht n° 3, 1935, p. ui —117; II — V. in Jaarbericht n° 4, 1936, p. 212—231. 

2 ) A. Alt, Pharao Thutmosis III in Paldstina (Berlin 1914, im Palastinajahrbuch 10, S. 53—99); H. H. 
Nelson, The Battle of Megiddo, Beirut 1913. 

3 ) Voor de historische bronnen zij verwezen naar J. H. Breasted, Ancient Records of Egypt , Chicago 
1906; voor een beschrijving naar diens A history of Egypt front the earliest times to the Persian Conquest ,, 
New York 1910. 


geheel Voor Azië geworden en daarnaast ook het centrum van den wereldhandel. 
De Nijldelta werd het middelpunt van het ceconomische leven van dien tijd; daar 
ankerden de zeeschepen en daar kwamen de karavanen uit Noord, Zuid en Oost 
te zamen. Hierdoor was Egypte in staat zijn voorraadschuren steeds meer aan te vullen 
en zijn rijkdom te vermeerderen. Toen Toethmoses III in 1447 stierf, verzamelde zich 
wel een machtige coalitie tegen zijn opvolger, doch deze, Amenhotep II, wist de op¬ 
standige stammen in Syrië spoedig te onderwerpen en de Egyptische heerschappij tot 
aan den Euphraat in haar vollen om vang te herstellen. Onder Toethmoses IV (1420— 
1411) ging de vriendschap tusschen Egypte en Mitanni blijkbaar zoover, dat Artatama, 
de zoon van Saussatar, een van zijn dochters aan den pharao tot vrouw gaf. Wel 
schijnt Artatama lang geaarzeld te hebben, alvorens hiertoe over te gaan — althans 
Tusratta, kleinzoon van Artatama vertelt er van in een brief (uit de Amarna-corres- 
pondentie) ! ), hoe zijn grootvader eerst aan het zevende aanzoek gehoor gaf. Deze 
prinses was de Egyptische koningin Moetemoeja, de moeder (?) van den lateren 
Amenhotep III. 

Onder Amenhotep III bereikte Egypte het toppunt van zijn macht; in Babylon 
werd zijn souvereiniteit over Kinahhi (= Kanaan), zooals men daar Syrië—Palestina 
noemde, erkend; toen een aantal Syrische vazallen Kurigalzu van Babylon trachtte 
over te halen mede te doen aan een anti-Egyptisch complot, weigerde hij. Alle 
mogendheden zochten de vriendschap van den pharao te verwerven en in de hoofdstad 
der pharao’s kwamen de politieke draden uit alle deelen der toenmaals bekende 
wereld te zamen. Over deze periode zijn wij ingelicht door de Teil el-Amarna tabletten, 
waarin de pharao voor ons staat als een machtig vorst, die zijn gunsten uitdeelt aan 
de groote en kleine vazallen en bondgenooten. Ook hieruit blijkt, dat zijn verhouding 
tot Mitanni van zeer vriendschappelijken aard was geworden. De Syrisch-Palestijnsche 
vazallen 2 ) uit die dagen waren de kleinzonen van de mannen, die Toethmoses III 
had overwonnen; hun alliantie was door de jaren reeds tot een zekere traditie 
geworden en werd nog versterkt door de omstandigheid, dat velen van hen aan het 
Egyptische hof waren grootgebracht. De loyaliteit der meeste vazallen was oorzaak, 
dat beginnende opstanden in de kiem werden gesmoord. Zoo stabiel was de toestand 
in Syrië geworden, dat Amenhotep III nauwelijks genoodzaakt werd zelf ten strijde 
te trekken. Ook de veiligheid der handelswegen moet in die dagen zeer groot geweest zijn. 

tudhalias ii (ca. 1440), hattusilis ii (ca. 1420) en tudhalias III (ca. 1400). 
De eerstgenoemde dezer drie koningen was de eerste na de leemte in de bronnen, wiens 
naam wij uit latere teksten leeren. Hij was zeer waarschijnlijk de stichter van een 
nieuwe dynastie, de derde dus in de rij der Hethietische dynastieën 3 ). Wij weten van 
hem, dat hij een expeditie tegen Halpa (Aleppo) ondernam, doch over den loop hiervan 
is niets met zekerheid bekend. Ook uit latere bron is ons bekend, dat Jiattusilis 
de opvolger van dezen Tudhalias is geweest. Hij was genoodzaakt den strijd in 
Syrië te hervatten, aangezien de koning van Aleppo zich wederom onder de bescherming 
van Mitanni had gesteld. Wij zien dus, dat de eerste koningen van het nieuwe Hethietische 
Rijk reeds in Noord Syrië geïnteresseerd waren en dat de Mitanni-staat, in de plaats 
getreden van het zoo machtige rijk der Hyksos-Hurrieten — zooals wij zagen ook 
machtig in Klein Azië — daarbij de voornaamste tegenstander was. Blijkbaar wist 
Hattusiltë de overhand te behouden, want wij lezen in de teksten, dat hij de onder¬ 
worpenen niet al te hard behandelde. Toch moet zijn overwinning niet volkomen zijn 
geweest; onder zijn opvolger Tudhalias III schijnt het rijk een crisis te hebben 
doorgemaakt. In het begin wist hij met behulp van zijn bondgenooten de orde nog 

*) J. A. Knudtzon, Die El-Amarna-Tafeln (Vorderasiatische Bibl. 2), Leipzig 1915. 

2 ) Een goede beschrijving van deze staatjes in de CAH II, p. 296—351; S. A. Cook, Syria and 
Palestine in the light of external evidence en in het boekje van A. Alt, V'ólker und Staaten Syriens im frühen 
Altertum (AO 34/4), Leipzig 1936. 

3 ) Van het spijkerschriftmateriaal in de archieven van Bogazköy, waarop de geschiedenis van het Hethietische 
Wereldrijk voornamelijk berust noemen wij o. a.: a. facsimiles: Keilschrift-Texte aus Boghazköi (WVDOG, 
XXX en XXXVI) 1916 —1921; Keilschrifturkunden aus Boghazköi , I—XXVIII (Berlin 1921 vlg.); L. W. King, 
Hittite Textsin the cuneiform character from tablets in the British Museum (London 1920) b. transcripties: 
E. Forrer, Die Boghazkói-Texte in Umschrift (in WVDOG XLII), Berlin 1922; zie voor de dynastieën Jbr, 
n° 4, pag. 229. 

Jaarbericht N° 5 


25 








386 SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 

te herstellen onder zijn vazallen, waaronder zich Wilusa bevond, een landstreek, 
die tijdens Muwatallis (ca. 1310) meer bekendheid zou verkrijgen door het verdrag 
met Alaksandus van Wilusa 1 ). Tudhalias moest tijdens zijn regeering op bloedige 
wijze een paleisrevolutie onderdrukken, waarvan de kroonprins, ook Tudhalias geheeten, 
het middelpunt vormde. Deze kroonprins werd gedood en zijn familie verbannen. Bij 
deze samenzwering hadden vooral enkele officieren uit de omgeving van den troon¬ 
opvolger een rol gespeeld, die zich echter op het beslissende oogenblik aan de zijde 
van den koning schaarden. Door deze gebeurtenissen kwam de tweede zoon Suppiluliumas 
naar voren. Tegen het einde van de regeering van Tudhalias III brak er een opstand 
tegen hem uit. Aan alle kanten drongen de vijanden het rijk binnen; de vazallen 
vielen in grooten getale af. De Arzawa-landen in het Zuid-Oosten, Azzi in het Noorden, 
Isuwa in het Oosten en de Gasgas-stammen in het Noordwesten maakten door hun 
gelijkt ij digen aanval den toestand vrijwel hopeloos. Zelfs wisten de Gasgas de hoofdstad 
Hattusas te bereiken en deze te brandschatten. Tot overmaat van ramp werd de 
koning ernstig ziek; op dat oogenblik benoemde de koning zijn zoon Suppiluliumas 
tot mederegent. Het was een geluk voor Hatti, dat deze op het laatste oogenblik het 
bestuur vrijwel geheel in handen kreeg. 

SUPPILULIUMAS ( 1395 — 1 355 )- Suppiluliumas is de grootste koning uit de Hethietische 
geschiedenis 2 ). Door zijn sterken wil, doortastendheid en taai volhouden wist hij de 
militaire situatie, die hopeloos scheen, in zijn voordeel te veranderen. Vanaf het tijdstip, 
dat Suppiluliumas als mederegent optrad, dateerde het militaire herstel van Hatti, dat 
na veertig jaren zou zijn uitgegroeid tot de domineerende mogendheid in Voor Azië. 
De annalen van Suppiluliumas zijn overgeleverd in de redactie van zijn zoon Mursilis II, 
doch slechts ten deele 3 ). Vooral in het begin zijn er groote lacunes. Toch kan 
men er uit reconstrueeren, hoe Suppiluliumas en zijn vader er in slaagden de aanvallen 
terug te slaan. Vooral de strijd tegen de Gasgas, die wij nog dikwijls in de Hethietische 
geschiedenis zullen zien optreden, was zwaar, daar hier een guerilla moest worden 
bestreden. Aangezien de annalen juist hier een leemte vertoonen, wordt onze kennis 
op dit punt aangevuld door een verdrag, dat Suppiluliumas gesloten heeft met Huqqana 
van Hajasa 4 ), den opvolger van Marijas. Deze was door zijn vijanden uit den weg 
geruimd, omdat hij te veel met Suppiluliumas bevriend raakte. Blijkbaar viel het 
overlijden van koning Tudhalias III vóór het sluiten van dit verdrag, want Huqqana 
werd door Suppiluliumas alleen als vazal geïnvesteerd. Hajasa was waarschijnlijk het 
eerste land, waarmede zulk een verdrag werd gesloten: het betreffende land daalde 
daardoor tot den rang van vazal af. Het was het eerste in de rij van vazalstaten, 
die zich langzamerhand rond het Hatti-rijk groepeerden en waarop het rijk der 
Hethieten zijn positie als leidende mogendheid eigenlijk zou laten steunen. 

De vorsten van de omringende landen werden militair onderworpen en daarna door 
middel van een huwelijk met Hethietische prinsessen 5 ) aan het koningshuis gebonden 
en daardoor aan de belangen van het rijk. Zij kregen hun land weer in leen terug 
en verplichtten zich tot militaire ondersteuning en het betalen van schattingen. De 
Hethietische koning als leenheer verplichtte zich daarentegen, bij nakoming daarvan, 
te zorgen voor militaire bescherming en handhaving van de rechten zijner leenmannen. 
Natuurlijk was zulk een systeem slechts mogelijk bij een straffe organisatie van het 
Hethietische rijk. In tegenstelling met het feodale en federale karakter van het 
Hethietische Middenrijk (zie Jrb . n° 4, pag. 226), zien wij nu een meer centrale macht 
naar voren komen, omringd door een beperkt aantal provincies, onder stadhouders, 
die door familiebanden met het koninklijk huis verbonden waren. 

Op het oogenblik, dat Suppiluliumas aan de macht kwam, was de toestand zeer 
ernstig. Van alle kanten bedreigden de vijanden de grenzen en vielen zij zelfs de 
ommuurde steden aan. In het zuiden was de gezamenlijke macht der Egyptenaren en 
Mitanni geconcentreerd, zoodat iedere mogelijkheid op uitbreiding in deze richting 


*) Zie J. Friedrich in: Staatsv er trage des Hatti- Reiches (MV/EG 34/1), Leipzig 1930. 

2 ) E. Cavaignac, Subbiluliuma et son temps , Paris 1932. 

3 ) E. Cavaignac, Les annales de Subbiluliuma , Strasbourg 1931. 

4 ) E. Forrer, Hajasa-Azzi , Caucasia, 9, 1931, p. I —24. 

5 ) Vlg. P. Koschaker, ZA 41, 1933, 1—12. 


HET HETHIETISCHE WERELDRIJK (1450— I 200 ) 387 

vruchteloos leek; de dagen van de periode vóór 1450 dreigden weer terug te keeren* 
Suppiluliumas is de man geweest, die alle gevaren wist te keeren en die de 
schepper is geworden van het eigenlijke Hethietische wereldrijk. Het 
karakter van een barbarenvolk, dat het land te vuur en te zwaard veroverde, zooals 
in de dagen van Mursilis I bij zijn tocht naar Babylon, was verloren gegaan; de 
Hethietische koningen begonnen thans een constructieve politiek te voeren, die tot 
geordende toestanden moest leiden. Juist daardoor konden de Hethieten nog een groote 
rol spelen en konden zij hun domineerende positie een eeuw lang handhaven. 
Suppiluliumas is de eerste Hethietische koning wiens daden voor ons in het heldere 
licht der historie staan. Hij spreekt tot ons in staatsverdragen; hij vertelt in zijn 
annalen (weliswaar, door zijn zoon opgeteekend) van zijn krijgsdaden en regeerings- 
maatregelen l ). 

Tijdens de laatste jaren van Tudhalias III was Noord Syrië w r eer geheel in handen 
van Mitanni gevallen. Het is de verovering van Noord Syrië geweest, dat Hatti in de 
volgende jaren aan de hegemonie in Voor Azië zou helpen. Op de handhaving van 
hun bezit in Syrië richtten vanaf dezen tijd de Hethietische koningen hun politiek. 
Wel waren zij genoodzaakt langdurige en moeizame tochten in Klein Azië te onder¬ 
nemen, maar hier betrof het steeds het herstel der orde onder ontrouwe vazallen; in 
Syrië echter ging het om veel grootere belangen. Deze politiek dateerde vanaf de 
troonsbeklimming van Suppiluliumas en werd twee eeuwen voortgezet. Wij kunnen 
de expedities en veldtochten van dezen koning in vier perioden indeelen 2 ): iste de 
veldtochten, die leidden tot onderwerping van alle ontrouwe vazallen in Klein Azië 
(tot 1393); 2 de de veldtochten, die uitgerust werden ter verovering van Mitanni en 
de bezetting van Syrië tot gevolg hadden (1393—1378); 3 de de strafexpedities tegen 
de afgevallen volken in Klein Azië (1378—1360); 4 de de consolidatie van de Hethie¬ 
tische macht in Syrië en de bevestiging der suprematie in Voor Azië (1360—1355). 
Het is hier niet de plaats een volledige beschrijving te geven van de veldtochten, 
die Suppiluliumas gedurende zijn veertigjarige regeering heeft ondernomen en daarom 
volstaan wij met een korte samenvatting. 

DE VELDTOCHTEN VAN SUPPILULIUMAS. De hoofdtegenstander van de Hethieten 
in Syrië was Tusratta van Mitanni. Deze had zich met de Egyptenaren geallieerd 
en nam zoodoende een zeer sterke positie in. De eerste veldtocht van Suppiluliumas 
tegen Mitanni in het begin van zijn regeering mislukte; wij kennen namelijk een 
brief van Tusratta, waarin deze verhaalt, hoe de Hethieten gevoelig door hem ver¬ 
slagen werden. Suppiluliumas trachtte daarop zijn doel langs diplomatieken weg te 
verkrijgen en zette zijn politiek van verdragen voort. Reeds spoedig bleek Artatama 
van Hurri 3 ) een vazalstaat van Tusratta, die vermoedelijk tot aan het Wan-meer reikte, 
bereid naar zijn kant over te loopen; een daaropvolgende aanval van Tusratta werd 
teruggeslagen. Als tweede staat koos Kizwatna de partij der ‘Hethieten. De toestand 
werd hierdoor veel slechter voor Tusratta, temeer daar in het Oosten Assyrië zich 
onder Assur-uballit begon te verheffen en zoodoende zijn rug bedreigde. Thans vielen 
de Hethieten met een aanzienlijke legermacht Noord Syrië binnen en bereikten daardoor, 
dat vele kleine stammen, die deels vazal van Mitanni waren, deels van Egypte, hun 
zijde in het conflict kozen. Zoodoende kon Suppiluliumas zich van een groot gedeelte 
van Syrië meester maken. Toen Tusratta kort daarna een dezer vazalstaten aanviel, 
was dit een aanleiding voor den Hethietischen koning de vijandelijkheden te heropenen 
en Mitanni binnen te rukken. Uit Egypte kwam ook geen hulp voor Tusratta opdagen; 
daar had namelijk Ichnaton (Amenhotep IV, 1375 —1358) zoojuist den troon bestegen 
en deze had meer belangstelling voor zijn religieuze hervormingen 4 ) dan voor het 


! ) Verdere literatuur over Suppiluliumas: E. Cavaignac, Synchronismes assyriens , égyptiens et hittites , 
XIV e — XlII e siecles , RHA II, 1933, pag. 180—189; dez., Vhistoire politique de VOriënt de 1340 a 1230; 
succession des événements RHA III, 1935, pag. 117 — 126; J. Sturm, Klio 26, 1932, I — 28. 

2 ) Indeeling der veldtochten en uitvoerige beschrijving eveneens bij E. Cavaignac, Subbiluliuma et son temps. 

3 ) A. Götze, Hethiter , Churriter und Assyrer , pag. 79—113, Oslo 1936; dez., Das Problem der Hur- 
ritischen Kultur (Med. E. O. L. I) 1934, zie ook Jaar bericht n° 4, pag. 227—231. 

4 ) G. van der Leeuw, Achnaton , een religieuze en aesthetische revolutie in de veertiende eeuw voor Christus , 
Amsterdam 192 7. 





388 SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 

lot van zijns vaders bondgenoot l ). Van Isuwa rukten de Hethieten naar Alse en 
bereikten zoo via Kutmar en Suta de hoofdstad der Mitanni, Wassugani, welke grondig 
verwoest werd. TuSratta wist zich door vlucht te redden. Op zijn terugtocht rukte 
èuppiluliumas door Syrië en wist daar nu de Hethietische heerschappij voorgoed te 
vestigen. Alle onbetrouwbare vorsten werden gevangen genomen en door leden der 
Hethietisch-gezinde partij vervangen. Zijn gevaarlijke tegenstander werd kort daarop 
in het oostelijk deel van zijn oude rijk door zijn eigen zoon uit den weg geruimd. 
Deze gebieden kwamen toen voor een groot deel aan Assyrië, dat mede door 
de veroveringen van èuppiluliumas een macht van beteekenis begon 
te worden. In het Zuiden reikte het rijk der Hethieten thans tot Amurru (d. i. iets 
noordelijker dan het tegenwoordige Beyrouth), waar Aziru, een voormalig Egyptisch 
vazal koning was. Over dezen hieronder meer. 

Door de vernietiging van deze laatste rest van het rijk der Hyksos-Hurrieten, 
dat eenige eeuwen zulk een domineerende positie had ingenomen, was het rijk der 
Hethieten als tweede groote mogendheid op den voorgrond getreden en het liet zich 
aanzien, dat het zelfs de eerste zou worden, begunstigd als het was door de politieke 
omstandigheden in Egypte. Voorloopig bleef de Libanon de grens. In het Oosten had 
èuppiluliumas daarentegen een zeer gevaarlijken nabuur gekregen in Assur-uballit van 
Assyrië 2 ). — In Klein Azië waren intusschen de strafexpedities tegen de 
Gasgas 3 ) en andere oproerige volken door zijn generalen geleid; door de vele 
lacunes in de annalen is het helaas niet mogelijk hiervan een samenhangende beschrijving 
te geven. Wel lezen wij nog, dat hij in de binnenlandsche politiek van Arzawa in¬ 
greep en een prins van dit land, MashuiluwaS geheeten, tot zijn schoonzoon maakte 
en dezen daarna als vorst over Arzawa aan de bevolking trachtte op te dringen. 

In Syrië waren wrijvingen met de Egyptenaren niet uitgebleven en er was ook 
een opstand in Kargamis uitgebroken. In 1360 rukte èuppiluliumas wederom Syrië 
binnen, Kargamis werd bezet en de incidenten in het Zuiden geregeld. Gedurende 
de jaren van zijn afwezigheid werd de koning in Hattusas door een gouverneur ver¬ 
vangen, tot welke waardigheid hij zijn broeder Zitas benoemd had. Om verdere op¬ 
standen in Noord Syrië voorgoed onmogelijk te maken, ging èuppiluliumas over tot 
de instelling van twee vazal-staten, aan het hoofd waarvan hij twee zijner zonen 
plaatste, nl. Pijasilis in Kargamis en Telepinus in Flalpa. Deze beide staten beheerschten 
de passen over den Taurus en hielden den weg naar de Egyptische grens vrij. 
Zij vormden den oorsprong van de latere Hethietische staatjes in Noord Syrië, die 
zich nog vijf eeuwen na den ondergang van het Wereldrijk hebben weten te handhaven. 

Reeds vóór 1360 had er een toenadering plaats gehad tusschen Assyrië en 
Babylonië, waar in dien tijd Burnaburias koning was. Na den val van den Mitanni- 
staat was een zoon van Tusratta, Mattiwaza, naar Babylonië gevlucht, om daar hulp 
te zoeken, tegen èuppiluliumas, doch de koning der Kassieten (de dynastie die toen 
in Babylon heerschte) voelde zich niet bij machte iets voor hem te doen. Mattiwaza 
wendde zich toen tot èutarna van Hurri, den opvolger van Artatama, doch deze 
wilde hem zelfs gevangen nemen. Tenslotte wendde Mattiwaza zich tot èuppiluliumas. 
Deze had wel ooren naar zijn plannen en ging er ten slotte toe over een nieuwen 
Mitanni-staat voor hem te scheppen, om zoodoende een buffer te krijgen tusschen 
Assyrië en Hatti. Assyrië en Hurri waren blijkbaar niet bij machte zich hiertegen 
te verzetten, hoewel wij toch mogen aannemen, dat deze maatregel voor hen gebieds- 
verlies beteekende. 

ORGANISATIE VAN HET RIJK VAN SUPPILULIUMAS. Oorspronkelijk droeg het Hethie¬ 
tische rijk een feodaal karakter, waarin de koningen alleen vorsten van Hattusas waren. 
Deze kern was omgeven door een aantal leen-, vazal- en bondgenootstaten, waarover 
de koningen het oppergezag uitoefenden. Ook hier wisten zij langzamerhand hun macht 


1 ) CAH II, pag. 297—301; A. Ungnad, Subartu , Berlin 1936; E. A. Speiser, Mesopotaniian Origins 
pag. 120—163: The Kassites and Hurrians , Philadelphia 1930. 

2 ) Sidney Smith, Early history of Assyria , chapter XIV—XV, The Egyptian Empire , The Kings of 
Mitanni and the Liberatioit of Assyria, London 1928; B. Meissner, K'önige Babyloniens und Assyriens, pag. 91— 
iio, Leipzig, 1926. 

3 ) E. Cavaignac, Vextension de la zone des Gasgas a Vouest , RHA 1, 1931, pag. ioi—110. 


HET HETHIETISCHE WERELDRIJK (1450— 1200 ) 389 

uit te breiden en de privileges van den adel en de leenmannen te beperken, zoodat 
aan het eind van deze ontwikkeling de koning in de gebieden der leenmannen zijn 
macht door stadhouders, en in de vazalstaten door prinsen van den bloede uitoefende. 
Deze stadhouders en militaire commandanten (bijv. in Halpa en Kargamis) waren 
echter afzetbaar; alleen in de grensgebieden bleven nog een aantal vazallen bestaan, 
doch hun macht was gering. Bondgenooten kent het rijk van Suppiluliumas niet, 
aangezien het daarvoor een te overheerschende positie innam. Egypte en Assyrië 
kan men toch waarlijk niet als bondgenooten van èuppiluliumas rekenen. Al het 
veroverde gebied in Mesopotamië, Syrië en Klein Azië werd zoodoende afhankelijk 
van den Hethietischen koning; door vernederende verdragen waren de vazallen aan den 
Hethietischen koning gebonden *). De vorsten ervan waren veelal verwant aan het 
Hethietische koningshuis. Wel bleef het Hethietische rijk in de laatste periode van zijn 
ontwikkeling een federalistisch karakter dragen, maar het centrale element was toch zeer 
groot, te meer daar alleen de 'groote koning’ in Hattusas de buitenlandsche politiek leidde 
en het opperbevel over alle troepen had. Tijdens èuppiluliumas was de Hethietische 
invloed overheerschend in het grootste deel van Klein Azië, Boven Mesopotamië, en 
vrijwel geheel Syrië tot Kades. Aan de Syrische kust reikte de Hethietische invloedsfeer 
tot aan het land van koning Aziru, een Egyptischen vazal, die echter was afgevallen en 
een oorlogsschatting aan de Hethieten moest betalen. Aziru was een zeer merkwaardige 
figuur, wiens naam veelvuldig in de Amarna-brieven voorkomt en in de Egyptische 
provinciale geschiedenis een rol van beteekenis heeft gespeeld (zie kaartje op pag. 396). 

EGYPTE EN ZIJN SYRISCHE PROVINCIES. Toen Ichnaton in het 20ste jaar van 
èuppiluliumas aan de regeering kwam, werd zijn souvereiniteit in Voor Azië onmid¬ 
dellijk door Babylonië, Mitanni en ook door Hatti erkend. Het verdere voortdringen 
der Hethietische legerscharen maakte echter, dat deze souvereiniteit ernstig bedreigd 
werd. Bij zijn troonsbestijging ontving Amenhotep IV van Seplel (Egyptische vorm 
voor èuppiluliumas) nog wel een felicitatiebrief en zelfs na de verplaatsing van zijn 
hoofdstad naar Achetaton (Teil el-Amarna) bezocht hem daar nog een Hethietisch 
gezantschap met geschenken en huldebetuigingen, maar dit verhinderde toch niet, dat 
de Hethietische koning de Egyptische invloedsfeer steeds verder terugdrong. Ichnaton 
beschouwde blijkbaar de goede verstandhouding met Hatti niet als een eerste vereischte, 
want èuppiluliumas vroeg hem in een brief, waarom hij de correspondentie staakte, 
die zijn vader zoo trouw onderhouden had. In politiek opzicht zou hij echter reden 
genoeg gehad hebben de diplomatieke betrekkingen af te breken, want in den loop 
van weinige jaren werd Hatti van vriend de meest geduchte tegenstander! Zooals wij 
reeds zagen, verloor Egypte op dit critieke oogenblik eveneens zijn bondgenoot aan den 
Euphraat, het Mitanni-rijk, welks vorstenhuis v sinds de dagen van Toethmoses IV met 
de Egyptische dynastie verwant was. Door èuppiluliumas’ politiek tegenover Mitanni 
en daarna tegenover Mattiwaza kwam het rijk der Mitanni met zijn hulpbronnen aan 
de zijde der Hethieten te staan. Intusschen was ook onder de Syrische vazallen de 
toestand voor Egypte steeds slechter geworden. Onmiddellijk na Ichnaton’s troons¬ 
bestijging begonnen de ontevreden vazallen in opstand te komen, waarbij Abd-Asirta 
en zijn zoon Aziru, de hoofden van het rijk der Amorieten aan den bovenloop van 
den Orontes, de leiding hadden te zamen met Itakama, een Syrisch vorst, die in 
Kades heerschte en de zijde der Hethieten had gekozen. Wel waren er enkele vazallen, 
die de partij van den pharao kozen, doch zij werden door de Hethietische troepen 
teruggedreven en konden bij den pharao slechts een klacht over het optreden van 
Itakama en Aziru indienen, die de. Hethietische troepen in Zuid Syrië hadden ge¬ 
commandeerd. Aziru had zich intusschen van de geheele Hethietische kust tot Ugarit 
(Ras es-èamra) meester gemaakt, waarbij alleen Simyra en Byblos weerstand bleven 
bieden. Inmiddels rukten de Hethieten Nuhasse binnen aan den benedenloop van den 
Orontes en bedreigden thans tezamen met Aziru het land Tunip, welks inwoners een 
dringend verzoek aan den pharao richtten om hulp te verkrijgen. 

Ondertusschen smeekte Rib-Addi van Byblos herhaalde malen den pharao 
een expeditie te sturen om Simyra te ontzetten, aangezien hij maar al te goed wist, 


*) V. Koroseg, Hethitische Staatsver trage ^ Leipzig 1931. 




390 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


dat door den val van deze stad ook Byblus, het laatste bolwerk van de Egyptische 
macht aan de Phoenicische kust, spoedig zou veroverd worden. Het is zeer interessant 
in de Amarna-correspondentie na te gaan, op welke wijze deze Aziru aan het hot 
van den Pharao konkelde en zijn handelwijze trachtte goed te praten door voor te 
stellen, of hij Simyra alleen had ingenomen om het niet in handen van de Hethieten 
te laten vallen. Welk een cynisme en brutaliteit spreken er in deze brieven! Toen de 
pharao hem opdroeg Simyra weer te herbouwen, antwoordde hij, dat hij daartoe geen 
tijd had, omdat hij de steden in Nuhasse tegen de Hethieten moest verdedigen. 
Ichnaton stelde hem tenslotte een termijn van een jaar om naar Egypte ter verant¬ 
woording te komen. Hij ontweek echter den brenger van dezen brief en liet tegelijk 
aan den pharao weten, dat hij door een expeditie in het Noorden tegen de Hethieten 
verhinderd geweest was, zijn bode te ontmoeten. Op het laatst was de toestand in 
Syrië zoodanig, dat de Egyptische gouverneurs niet meer wisten welke vorsten be¬ 
trouwbaar en welke onbetrouwbaar waren. En groot aantal brieven van Rib-Addi 
geven ons een duidelijk beeld van de sluwheid, waarmede Aziru den opstand tegen 
het Egyptische bewind organiseerde. Ook in Palestina scheen het respect voor de 
Egyptische regeering snel te verminderen; in het bijzonder schijnen de strooptochten 
der Habiru Egypte’s positie verzwakt te hebben. Ook daar zijn trouwe vazallen, die 
den pharao om hulp roepen. Doch de pharao kwam niet! De karavanen van Burnaburias 
van Babylon werden geplunderd en protesten van dezen vorst bleven vruchteloos. 
Rib-Addi was eindelijk genoopt naar Beyrouth te vluchten, waar hij hoopte hulp van 
den pharao te krijgen. Tenslotte kwam hij terecht in Sidon, waar hij in de handen 
van Aziru viel, die hem aan de inwoners van Byblos, dat intusschen gevallen was, 
uitleverde. Over zijn einde is niets bekend. Aziru heeft daarna de zijde der Hethieten 
gekozen en ontving van Suppiluliumas zijn rijk als leen terug. Zijn drie opvolgers 
hebben steeds loyaal de politiek der Hethietische koningen helpen verdedigen *). 

VOOR AZIË BIJ DEN DOOD VAN SUPPILULIUMAS. In de laatste regeeringsjaren van 
Suppiluliumas was er een pestziekte in het Hethietische kernland uitgebroken, die 
catastrophale gevolgen aannam. De opstanden der Grasgas en de aanvallen der uit 
Europa opdringende volksmassa’s waren oorzaak, dat Hatti in een moeilijke positie 
kwam te verkeeren. De besmettelijke ziekte ontwrichtte het militaire leven en er 
ontstonden opstanden in Arzawa, Kizwatna en Mitanni. Afgezien van deze ongunstige 
omstandigheden was Hatti onder Suppiluliumas groote mogendheid geworden. Weliswaar 
had het deze positie alleen verkregen door een zekere nalatigheid ten opzichte van de 
provincies in Klein Azië, doch zoolang Suppiluliumas leefde was de roem, die van 
hem uitging voldoende om het rijk te zamen te houden. 

In de teksten, die te Bogazköy gevonden zijn en uit de Amarna-brieven, krijgen 
wij wel een zeer bedroevend beeld van de inzinking, waarin Egypte zich bij den dood 
van Ichnaton (1358 v. Chr.) bevond. Na een periode van drie zwakke pharao’s komt 
in 1350 Horemheb, de commandant van de Egyptische troepen in Palestina aan het 
bewind. Hoewel hij Ichnaton bij zijn hervormingen had ondersteund, was hij toch 
Realpolitiker en kende hij de zwakke zijden van Ichnaton’s religieuze hervorming 
voldoende om zich door de Amon-priesters tot koning te laten uitroepen. Hij huwde 
daarop met een prinses uit de vorige dynastie. Dat Egypte zelf niet door de Hethieten 
werd aangevallen, was zeer zeker ook te danken aan de energie van Horemheb. 
Hij had op zijn commandopost Palestina voet voor voet verdedigd, zoodat het Karmel- 
gebergte de Egyptische grens bleef. 

Toen Suppiluliumas zich in den loop van zijn laatste expedities in de Orontes- 
vallei bevond, bereikte hem een brief van de weduwe (Nefertete! ?) van pharao Piphu- 
rurias (Ichnaton), die hem schreef: Mijn man is dood , en ik heb geen zoon , maar men 
vertelt mij , dat gij omringd zijt door tallooze zonen . Indien ge mij één van Uw zonen 
zoudt zenden , zou hij 7 nijn man kunnen worden. Ik zou wel een van mijn onderdanen 
daarvoor kunnen uitkiezen , maar dat schrikt mij af. Een formeel huwelijksaanzoek dus! 

’) Een korte en overzichtelijke uiteenzetting over de verhouding der Hethieten en Egyptenaren brengt: 
G. Roeder, Aegypter und Hethiter , AO 20, Leipzig 1920. 


HET HETHIETISCHE WERELDRIJK (1450— 1200 ) 


39 1 


Suppiluliumas vond dit blijkbaar wel zeer ongewoon, want hij zond eerst een gezant¬ 
schap naar het Egyptische hof om te vragen, of de zaak ernstig bedoeld was. 
Intusschen bereikte hem een nieuw aanzoek. Dit alles kostte veel tijd en toen hij 
eindelijk besloten had een ‘zoon van Hatti’ te zenden, werd deze bij zijn aankomst 
in Egypte gevangen genomen en gedood. De priesters van Amon hadden toch liever 
geen vreemdeling als hun meester! — Het feit echter, dat een Egyptische koningin 
een vreemd vorst te hulp roept, is toch wel teekenend voor den binnenlandschen toestand ! ). 

ARNUANDAS II (1355 — 1353) EN MURSILIS II (i 353 — 1325). Suppiluliumas is blijkbaar 
te velde gestorven. Hij werd opgevolgd door Arnuandas I die spoedig een slacht¬ 
offer van de pestziekte is geworden. Zijn broeder Mursilis II kwam daarna aan de 
regeering 2 ). Het machtige rijk van Suppiluliumas dreigde ineen te storten. Maar de 
zoon was zijn vader waardig en slaagde erin het rijk in zijn vollen omvang te 
handhaven; dat wil bij een Oosterschen staat haast nog meer zeggen. De jeugd van 
den koning was mede een oorzaak den afval aan te moedigen. Mursilis reageerde 
echter dadelijk zeer krachtig op deze inbreuken op zijn souvereiniteitsrechten en wist 
dan ook vrij spoedig de orde te herstellen. Gedurende vrijwel zijn geheele regeering 
moest hij te velde trekken tegen de Gasgas-stammen en daarop is zijn geheele militaire 
macht geconcentreerd. Wij zijn over zijn regeeringsdaden vrij goed ingelicht door 
zijn annalen 2 ) in het bijzonder over de eerste tien jaren, welke periode vrijwel uit¬ 
sluitend in beslag genomen werd door zijn veldtochten in Klein Azië. Over zijn latere 
regeeringsdaden verhalen ons verder de uitvoerige annalen zij het met groote leemten. 
Alvorens zich ten strijde te rusten, vierde Mursilté op plechtige wijze het feest van de 
Zonnegodin van Arinna en het is dan ook voornamelijk deze godin, aan wier 
bijstand hij zijn geluk in den krijg toeschreef. 

DE VELDTOCHTEN VAN mursilis II. Mursilis trok v zelf tegen de Gasgas te velde, 
doch liet de beveiliging van Syrië aan zijn broeder Sar-sm-ah over, die intusschen 
koning van Kargamis geworden was. Aan dezen ervaren krijgsman kon hij het opper¬ 
bestuur over de Syrische landen rustig opdragen. Als tegenstander kwam Egypte daar 
voorloopig niet in aanmerking. Egypte had wel in Horemheb een krachtig vorst 
gekregen, doch deze moest de binnenlandsche toestanden eerst regelen, hetgeen door 
de wederinvoering van den Amon-dienst noodzakelijk was geworden; ook in zijn latere 
jaren beperkte Horemheb zich er uitsluitend toe de orde in Palestina te handhaven. 
In dit verband moeten wij verwijzen naar het verdrag, dat ca. 1370 gesloten moet 
zijn tusschen Hatti en Egypte, en waarbij reeds gepoogd was de invloedsferen 
vast te stellen; door sommigen wordt deze overeenkomst echter later geplaatst. 
Gedurende den geheelen regeeringstijd van Mursilis bleef de vrede tusschen Hatti en 
Egypte gehandhaafd; dit blijkt ook uit het verdrag, dat Ramses II en Hattusilis III in 
1278 zouden sluiten. Pas onder den opvolger van Mursilis begonnen de vijandelijkheden 
weer. Dat dit naast de binnenlandsche toestanden in Egypte ook gelegen zal hebben 
aan het feit, dat de Hethieten al hun aandacht moesten besteden aan de pacificeering 
van Klein Azië is aan geen twijfel onderhevig, doch ook de opkomst van Assyrië 
zal hierin wel een rol gespeeld hebben. 

HETHIETEN EN ASSYRIËRS. Sedert het vertrek der Assyrische kooplieden uit 
Klein-Azië (ca. 1950) is er nauwelijks reden aan te nemen, dat de Hethieten met de 
Assyriërs in aanraking zijn gekomen, of het moest zijn, dat tijdens de heerschappij 
der Hyksos-Hurrieten (1650—1450) Assyrische hulptroepen in Klein Azië waren, doch 
hierover is geen enkele mededeeling tot ons gekomen. Reeds tijdens de eerste pharao’s 
van de XVIII ste dynastie was Assyrië onder zijn vorsten Puzur-Assur (1486—1460), 
Assur-nirari (1425 —1407) en AsSur-nadin-ahhë (1396—1390) meer op den voorgrond 

1) H. Zimmern en J. Friedrich, Die Briefwechsel zwischen Subbiluliuma und die Witwe des Bib(p)hururias 
(d. i . Amenophis IV\ ZA 35, 1923, pag. 37—43; E. Cavaignac, P iphuhuriash = Ai^ Kemi I, 1930, 
pag. 33—38. 

2 ) A. Götze, Die Annalen des Mursilis (MV^EG 38), Leipzig 1933; verder over de verdragen van 
Mursilis II en Suppiluliumas in J. Friedrich, Staatsvertrdge des ILatti-Reiches in hetkitischer Sprache I—II 
(MV^EG 31 en 34), Leipzig 1926—1930. 



39 2 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


HET HETHIETISCHE WERELDRIJK (1450—-1200) 


393 


getreden. De laatst genoemde koning ontving zelfs geschenken van Amenhotep III voor 
zijn nieuw paleis in Assur. Het is echter AsSur-uballit (1380—1340) geweest, die Assyrië 
tot een mogendheid heeft gemaakt, die in de Amarna-periode medetelde en waarmede 
de groote Suppiluliumas wel rekening moest houden. Hij correspondeerde geregeld 
met den pharao, hetgeen oorzaak was, dat Burnaburias II, de Kassietische koning van 
Babylon (1395 —1371), hiertegen in Thebe protesteerde, omdat hij Assyrië eigenlijk 
nog als een vazalstaat van Babylonië beschouwde. Belangrijk voor den internationalen 
toestand is nog, dat een dochter van Assur-uballit met een zoon van Burnaburias 
huwde, waardoor later een achterkleinzoon van den Assyrischen koning, Kurigalzu 
geheeten, den troon van Babylon beklom. Wij hebben hierboven reeds gezien, hoe 
Assur-uballit profiteerde van de vernietiging van de Mitanni door Suppiluliumas en 
hoe hij later weer lijdelijk moest toezien, hoe Suppiluliumas een nieuwe vazalstaat 
Mitanni voor Mattiwaza in het leven riep. Het is wel zeker, dat bij deze gelegenheid 
de Assyrische troepen teruggeslagen werden door de Hethieten. De Hethietische koning 
heeft met het nemen van dezen maatregel zeer verstandig gehandeld | iedere uitbreiding 
van Assyrië naar het Westen moest het prestige van Hatti schaden. 

Toen Mursilis de regeering had overgenomen, traden de Assyrische legers dreigend 
aan den Euphraat op. Assur-uballit, die zich in zijn opschriften sar kissati, koning 
der landen noemt, hoopte uit de verwarring in Hatti munt te kunnen slaan. Sar-SlN-ah 
kon de Assyriërs echter in bedwang houden en vanaf dien tijd wisten de Hethieten, 
een eeuw lang alle pogingen der Assyriërs naar den Euphraat op te dringen, te ver¬ 
hinderen. In Syrië slaagden de generaals van Mursilis erin het land om Kades en 
Nuhasse te onderwerpen, terwijl de opvolgers van Aziru hun alliantie met de Hethieten 
hernieuwden. Assur-uballit besteedde in de laatste jaren van zijn lange regeering zijn 
krachten aan de onderwerping van Babylonië. De oorlogen van Mursilis betroffen in 
hoofdzaak slechts de pacificeering van in opstand gekomen gebieden en hadden dus 
hetzelfde terrein tot achtergrond als tijdens de expedities van Suppiluliumas 1 ). 

In 1352 ondernamen Hethietische legers een expeditie vanuit Kargamis in Noord 
Syrië tegen Assyrië. Van 1352—1350 waren er oorlogen tegen Ishupitta in het Noorden 
van Klein Azië. De bloedige oorlog van Mursilis tegen het Arzawa-land 
in het Zuid-Westen vond van 1350—1348 plaats. De koning van Arzawa Uhha-LÜ-is 
was hier zijn voornaamste tegenstander. Om zijn rug echter vrij te houden bracht 
Mursilis er eerst bij de Gasgas den schrik in; zijn tegenstander sloot intusschen een 
bondgenootschap met Manapa-Dattas, den vorst van het land van de Seha-rivier. De 
wijze, waarop van dezen oorlog in de kortere redactie der annalen, de z.g. tienjaar- 

annalen verteld wordt, laat duidelijk uitkomen, hoeveel er voor de Hethieten op het 
spel stond. De Hethietische troepen waren versterkt door een contingent hulptroepen 
uit Kargamis. In deze annalen lezen wij, dat Uhha-LÜ-is spoedig ziek is geworden 
en het bevel werd opgedragen aan zijn zoon SUM.MA-kal. Hij leverde slag tegen 

Mursilis bij Walma aan de Astarpa-rivier, doch werd teruggeslagen. Zoo kon Mursilis 
het Arzawa-land binnenrukken en zonder tegenstand tot aan de hoofdstad doordringen. 
De vijandige koning was echter met een deel van zijn manschappen'over zee’gevlucht 
en kwam vermoedelijk in Cyprus terecht. De rest der Arzawa-troepen vond een 
toevlucht in de bergvestingen Arinnanda en Puranda. Hoewel Arinnanda als een 
vrijwel onneembare vesting wordt voorgesteld, slaagde Mursilis er toch in haar na een 
lang beleg te veroveren. De winter noodzaakte hem bij de Astarpa-rivier winter¬ 
kwartieren te betrekken; hij keerde dus niet naar Hattusas terug. In het voorjaar 

rukte hij het Arzawa-land weer verder binnen en sloeg het beleg voor Puranda, waar 
intusschen een zoon van Uhha-LÜ-is, Tapalazanaulis, het bevel op zich had genomen. 
Zeer levendig wordt dan verteld, hoe de jonge vorst zijn tegenstand niet verder kan 
voortzetten, bij zijn poging door te breken zijn geheele leger verloor en tenslotte een 
goed heenkomen zocht bij den koning der Ahhijawa. Blijkbaar hoopte hij hier op adem 
te kunnen komen, om later den strijd weer voort te zetten; toen Mursilis echter aan¬ 
stalten maakte naar het land der Ahhijawa op te trekken, oordeelde de koning hiervan 
het toch raadzamer het niet op een conflict te laten aankomen en leverde den 


9 Zie voor de chronologie van Mursilis de meeningen van E. Cavaignac in RHA II, pag. 193—198, La 
date et Vordre des campagnes de Mursil en van A. Götze in Die Annalen von Mursilis , pag. 1 —13. 


vluchteling uit. Na de vernietiging van den hoofdtegenstander was de nadering van 
het Hethietische leger reeds voldoende de overige Arzawa-vorsten tot onderwerping 
te brengen; ook Manapa-Dattas van het land van de Seha-rivier en Targasnallis van 
Hapalla onderwierpen zich als vazal van Hatti. Op den terugweg uit Arzawa regelde 
hij tenslotte nog de toestanden in Mira en legerde er Hethietisch garnizoen. Zoo was in 
1348 de Hethietische heerschappij in het geheele Zuid-Westen van Klein Azië hersteld. 

Van 1348—1346 hadden oorlogen in het Pala-land in het Noorden en Noord- 
Oosten plaats; in deze jaren ondernamen de generaals van Mursilis een expeditie in 
Syrië. De expedities tegen Hajasa, den machtigsten tegenstander in het Oosten van 
Klein Azië (1346—1342) leidden in het 9de jaar van de regeering van Mursilis tot 
een ernstigen strijd op twee fronten; ook uit Syrië kwamen berichten over den 
afval van vazallen. De situatie werd nog ernstiger door den plotselingen dood van 
’s konings broeder Sar-SlN-ah, gouverneur van Kargamis. In de annalen lezen wij, hoe 
de koning overlegde op welke wijze hij de verschillende gevaren kon bezweren. Hij 
besloot de verdediging van de noordelijke grens aan Nuwanzas op te dragen, tegen 
de opstandige Syrische vazallen zijn veldheer KAL-as te laten uitrukken, diens terug¬ 
keer in Astata af te wachten en dan gezamenlijk naar Halpa en Kargamis te trekken. 
De generaals voerden hun opdrachten voorbeeldig uit en de koning installeerde daarop in 
Halpa en Kargamis wederom twee leden der koninklijke familie als militaire gouverneurs. 

In de uitvoerige annalen alleen wordt melding gemaakt van de volgende krijgs¬ 
bedrijven: 1341 —1340 Expeditie van Mursilis tegen Tawagalawas; 1340—1338 
Oorlogen met Timmuliala en Daggasta. Hierbij stak Mursilis de Halys in 
het Westen over en overwinterde in Ancyra (?). Deze veldtocht bracht hem vermoedelijk 
aan de oevers van de Zwarte zee en daarmede op terrein, dat nog nooit door 
Hethietische koningen betreden was. 1337—1332 Oorlog met Kal as ma. In de 
laatste jaren van zijn regeering moet Mashuiluwas van Mira zijn afgevallen, waarop 
Mursilis dezen verving door zijn neef Kupanta-KAL. Over de jaren vanaf 1341 is ons 
veel minder bekend, dan over de voorafgaande tien jaren. Zoo weten wij ook niet 
met zekerheid het jaartal van Mursilis’ dood. Door vergelijkende chronologie kunnen 
wij opmaken, dat het ongeveer 1325 geweest moet zijn, op zijn laatst moet hij echter 
in 1319 gestorven zijn, want een jaar daarop begint de regeering van pharao Seti I, 
die een expeditie ondernam naar Syrië en Palestina en daarbij stootte op de Hethieten 
onder Mu wat al lis, den zoon en opvolger van Mursilis II. 

HETHIETEN EN AHHIJAWA. Zooals wij hierboven beschreven, werd de laatste 
vorst van Arzawa door een koning van Ahhijawa aan Mursilis uitgeleverd. Het land 
Ahhijawa verschijnt hiermede voor het eerst in de geschiedenis. Over de ligging ervan 
is reeds veel geschreven en gedisputeerd, doch ondanks een volledige bronnenpublicatie 
uit de Hethietische archieven is men nog niet tot een bevredigende oplossing gekomen. 
Men heeft de bewoners van dit land willen identificeeren met de Achseers {A%oufoi) 
en zoekt het geographische centrum ervan in het Westen van Klein Azië. Het moet 
ten tijde van Mursilis II een zekere beteekenis hebben gehad, want het trad tegenover 
de Hethieten met eischen op, die alleen een machtig land zich kon veroorloven te stellen; 
het verlangde in de teksten op voet van gelijkheid met Hatti behandeld te worden. 
Zeker is, dat het in die dagen een aanzienlijk gedeelte van het Westen van Klein 
Azië beheerscht heeft. 

Het Ahhijawa-probleem begon in 1924 met de publicatie van Forrer’s (vermeende) 
ontdékkingen l ). Deze had in het bijzonder die Hethietische teksten, die op de 
Ahhijawa betrekking hebben, bestudeerd en was daarbij tot de ontdekking gekomen, 
dat met den koning der Ahhijawa een Achseische koning gemeend was en dat het 
rijk der Ahhijawa op het Grieksche vasteland en in Pamphylië was gelegen. In de 
namen Antarawa , Tawagalawa en Antarissia wilde hij ''Avïïpevs, 'EtsÓkLvjg en V A rpsv; 
der Grieksche heldensage zien. Hoewel zijn artikelen grooten indruk maakten, begon 
reeds spoedig de critiek los te komen, onder meer die van Lehmann-Haupt 2 ), Bilabel 3 ), 


9 E. Forrer, Vorhomerische Griechen in den Keilschrifttexten von Boghaz-Köi , MDOG 63, 1924; id., 
Die Griechen in den Boghaz-Köi Texten , OLZ 27, 1924, kol. 113—118. 

2 ) In Klio 19, 1925, pag. 244 vlg. 

3 ) F. Bilabel, Geschichte Vorderasiens und Agyptens I, pag. 276 vlg. 







394 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


Friedrich ! ) en Götze 2 ). In 1929 bleek Forrer nog niet bereid te zijn de juistheid 
van zijn hypothesen op te geven 3 ). Er waren ook vele geleerden, die het voor Forrer 
opnamen, doch dan meestal niet met zijn geographische conclusies genoegen konden 
nemen. Zoo Götze, E. Mëyer 4 ), P. Kretschmer 5 ) en Hrozny 6 ). De laatste localiseerde 
de Aljhijawa op Rhodos. De groote publicatie van de teksten in transcriptie en vertaling 
door F. Sommer, Die Ahhijawa-Ur kimden, (München 1932) is voor den historicus uiterst 
belangrijk, omdat het bronnenmateriaal daar volledig gegeven wordt. Van de historische 
constructies van Forrer bleef bij Sommer niet veel meer over, doch over het algemeen 
is Sommer in zijn negatieve critiek te ver gegaan. Dit werk vond veel instemming 
bij Friedrich (OLZ 38, 1934, 21 vlg.), Götze (Gnomon 8, 1934, 177 vlg.), Cavaignac 7 ) 
en Sturtevant (Language 8, 1934, 299 vlg.). In zijn Kulturges chic hte , pag. 171 vlg. bleek 
Götze echter Ahhijawa toch te willen localiseeren in het Noord-Westen van Klein 
Azië in tegenstelling dus met de opvatting van Sommer, die het in Cilicië zocht, in 
1934 zette Sommer zijn meening noch eens uiteen in zijn Ahhijawa und Sprach- 
wissenschaft, waarbij hij de opvatting van Kretschmer over de oudste Grieksche 
kolonisatie in Cilicië bestreed. 

In 1935 publiceerde F. Schachermeyr het resultaat van zijn onderzoekingen 8 ); 
hij kwam tot de conclusie, dat het rijk der Ahhijawa waarschijnlijk zijn basis op het 
Grieksche vasteland (in Mycene?) had en dat het mogelijk was, dat dit door zijn 
handel invloed in Klein Azië bezat. In zekeren zin werd dus ten slotte Forrer 9 ) toch 
weer in het gelijk gesteld, met terzijdestelling van alle gewaagde theorieën echter. 
De meeningen zijn momenteel de volgende: dat Ahhijawa een Klein Aziatische staat 
is, verdedigt Prentice (AJA 33, 1929, 206 vlg.); het dichst hierbij staan de opvattingen 
van Sommer en Friedrich. Ed. Meyer (Pamphylië), Kretschmer (Cilicië) en Götze 
(N.W. Klein Azië) vatten Ahhijawa op als een Achseisch-Klein Aziatischen staat. 
Hrozny sprak zich voor Rhodos uit; Bilabel vindt het Zuid-Westen en Zuiden van 
Klein Azië het waarschijnlijkst; Forrer en Schachermeyr (de laatste onder voorbehoud) 
kozen het Grieksche vasteland. De behandeling van het probleem rust op het oogenblik 
weer, aangezien het door het uitblijven van nieuwe teksten is doodgeloopen. 

De betrekkingen tusschen Hatti en Ahhijawa vallen van circa 1365 —1200 v. Chr. 
Reeds ten tijde van Suppiluliumas werd een vrouwelijk persoon, vermoedelijk de 
gemalin van Suppiluliumas naar Ahhijawa verbannen [AU XIII, kz.). Ten tijde van 
Mursilis II (ca 1353—1325) werden de betrekkingen nauwer. Dat echter de verhouding 
tusschen de Hethieten en de Ahhijawa vrij goed geweest moet zijn, bewijst de uit¬ 
levering van den zoon van Uhha-LÜ-is en het gezantschap van de ‘Godheid van Ahhijawa’ 
naar den zieken koning der Hethieten. In den Tawagalabrief (AU I) wordt melding 
gemaakt van een vroeger conflict tusschen beide rijken om het bezit van een stad, 
wier naam niet genoemd wordt. Ten tijde van dezen brief (einde regeering Mursilié II) 
stond Millawanda (Milete ?) onder de souvereiniteit van Ahhijawa, evenals de Lukka- 
landen. De koning der Hethieten bezette daarop wel deze gebieden, trachtte echter 
terstond met de AJjhijawa weer op goeden voet te komen. Ook uit den tijd van 
Hattusilis III (1295 —1260), Tudhalias IV (1260—1230) en Arnuandas II (1230 —1215) 
zijn documenten tot ons gekomen, die betrekking op de Ahhijawa hebben. Onder 
den laatsten koning lezen wij in de teksten van vijandelijke plundertochten van 
Attarissia, den‘man van Ahhija’; hij stookt ook Madduwattas, een vazal der Hethieten, 
tegen hen op. Met den ondergang van Hatti houden ook de berichten over Ahhijawa 
geheel op. Over den rang, dien de koning van het land Ahhijawa innam, weten wij 
alleen, dat hij door den Hethietischen koning met Ses. JA, ‘mijn broeder’ werd aan- 

*) J. Friedrich, Werden in den hethitischen Keilschrifttexten die Griechen erwdhnt, KF 1, 1927, pag. 87—107. 

2 ) A. Götze, Madduwattas , MV 7 EG 32/1, Leipzig 1928, pag. 55 vlg. en 147 vlg. 

3 ) E. Forrer, Für die Griechen in den Boghazköi-Inschriften^ KF 1, 1929, pag. 252—296. 

4 ) E. Meyer, Geschichte des Altertums, II/i 1928, pag. 546 vlg. 

5 ) P. Kretschmer in Glotta 18, 1929, pag. 161 vlg. 

6 ) B. Hrozny, Hethiter und Griechen , ArO 1, 1929, 323—343. 

7 ) E. Cavaignac, Remarques sur les « Ahhijawa-Urkunden» de M. Sommer , RHA II, 1933, pag. 155 — 
i 59 i 177 — 179 . 

8 ) F. Schachermeyr, Hethiter und Achder , MAOG 10, Berlin, 1935. 

9 ) Deze kreeg gelegenheid zijn meening nog eens uiteen te zetten in het Reallexikon der Assyriologie I, 
1932, pag. 53: Ahhijawa. 


HET HETHIETISCHE WERELDRIJK (1450—120o) 


395 


gesproken, waaruit misschien te concludeeren valt, dat Ahhijawa als een groote 
mogendheid erkend werd. 

Bij het onderzoek van het Ahhijawa-probleem is het belangrijk, dat er slechts één 
koninkrijk van dien naam bestaan heeft. Over de geschiedenis is ons behalve het 
materiaal uit Bogazköy verder niets bekend. Wat de ligging betreft, kunnen wij het 
volgende vaststellen: i° Ahhijawa lag aan de kust en dreef handel ter zee; 2° geen 
enkele Hethietische koning is in het Ahhijawaland geweest; stedennamen ervan zijn 
ons eveneens onbekend; 3 0 Ahhijawa lag vrij ver van het centrum van Hatti; 
hetzij in, hetzij buiten Klein Azië; 4 0 in Millawanda, een soort bufferstaatje, kruisten 
elkaar de invloedsferen van Ahhijawa en Hatti. Millawanda moet aan de kust gelegen 
hebben, gezien het scheepsverkeer, waarover in de verhalen over vluchtelingen en hun 
lotgevallen telkens sprake is. 

Het Ahhijawa-probleem is in de eerste plaats een historisch vraagstuk en moet 
daarom door middel van historisch onderzoek opgelost worden. ‘Es kommt mehr darauf 
an, ob sich Ahhijawa irgendwie mit den Achaern deckt, als ob der Name Ahhiavas 
von dem Achaernamen befriedigend ableiten lasst. Die Bedeutung des sprachlichen 
Problemes gehort in den Rahmen der Gesamtuntersuchung und fordert daher auch in 
einer historischen Betrachtung Beachtung und Raum’. Het is voor de oplossing van 
dit probleem echter belangrijk, dat het getal der mogelijkheden begrensd is. Wij 
weten, dat Ahhijawa aan de zee lag en dat het op de West-, ev. op de Zuidkust van 
Klein Azië en op de Oostkust van Griekenland lag. 

De Hethietische teksten bevatten honderden land- en stedennamen, waarvan slechts 
zeer weinige kunnen worden gelocaliseerd. Reis- en grensbeschrijvingen zijn schaarsch 
in de Hethietische teksten, de namen staan steeds zonder nadere geographische explicatie. 
Voor een nadere preciseering van de geographie van Klein Azië hebben zich vooral Götze 
en Forrer verdienstelijk gemaakt. Hun meeningen loopen echter ver uiteen. Het gaat 
hierbij voornamelijk over de ligging van Kizwatna en Arzawa, die Forrer in het 
Noorden, Götze in Cilicië plaatst. Ook de localiseering van Mira, Wilusa, Seha-rivierland, 
Millawanda is uiterst moeilijk. Die Hethieten hebben er steeds het grootste belang 
bij gehad de Zuidkust van Klein Azië in hun macht te hebben en deze kustgebieden 
zullen steeds een belangrijk deel van het Hethietische Rijk hebben uitgemaakt. De 
politieke invloed der Hethieten heeft zelfs gereikt tot ver aan de kust van Syrië. Bij 
een onderzoek naar het optreden der Achaeers in de Hethietische wereld en hun 
identificeering is het dus noodig alle kuststreeken en de ervoor liggende eilanden in 
het archseologisch onderzoek te betrekken. Schachermeyr heeft dit op voortreffelijke 
wijze gedaan. Hij gaat alle in aanmerking komende gebieden na: Lesbos, Ionië, Chios, 
Rhodos, Milete, Colophon, Cyprus en de zuidkust van Turkije en Syrië. Zijn 
conclusie omtrent Cyprus verdient in het bijzonder vermeld te worden: ‘Wir können 
mit ziemlicher Sicherheit feststellen, dass die Insel in der Zeit um oder nach 1400 
von den Achaern nicht erobert wurde, sondern in der Hand der bodenstandigen 
Machte blieb.’ Op grond van de Myceensche ceramiek kunnen wij echter wel aannemen 
dat zich Achaeers op Cyprus hebben bevonden en wel als handwerkers; hun aantal 
is vermoedelijk niet gering geweest. 

Nauw verbonden met het Ahhijawa-probleem is de opvatting, die wij ons maken 
moeten over het Myceensche element in U ga rit. 

De vraag echter of dit Ugarit, het tegenwoordige Ras es-Samra, een Myceensche 
kolonie geweest is, meent Schachermeyr te moeten ontkennen. Wel schijnt er op groote 
schaal Myceensche ceramiek uit Cyprus te zijn geïmporteerd, maar behalve het binnen- 
loopen van enkele Achaeische schepen en de vestiging van kooplieden kan er op grond 
van archaeologische gegevens van een kolonisatie niet gesproken worden. Op blz. 343 
in dit Jaarbericht vindt men een overzicht over de opgravingen in Ras es-Samra. 
Wij willen hier volstaan met enkele historische conclusies over dit ‘knooppunt van 
beschavingen’ naar voren te halen. Ugarit was ons reeds bekend uit de Amarnabrieven 
en de Egyptische inscripties. De opgravingen, die daar sinds 1928 in Ras es-Samra 
en de havenplaats Minet el-Beida plaats vinden, laten zien, dat deze plek reeds circa 
2500 v. Christus bewoond moet zijn geweest. Doordat het handelsverkeer van Egypte 
naar Syrië, veiligheidshalve met het oog op de piraten, veelal over zee gegaan zal 
zijn, waarbij eerst Cyprus werd aangedaan, zullen reeds in het begin van het tweede 




396 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


millennium Egyptische kooplieden en goederen in Ugarit zijn gekomen. In de 15de 
eeuw onder Toethmoses III kreeg Egypte hier eerst politieken invloed. In de jaren 
na 1400 behoorde de stad tot het gebied waar Egypte, Mittani en Hatti elkaar hevig 
bestreden, Tijdens Suppiluliumas werd de vorst van Ugarit afhankelijk van den 
Hethietischen suzerein en is in deze positie gebleven tot den ondergang van het 
Hethietische wereldrijk. Ook het rijk der Amorieten ten Zuiden van Ugarit, waar 
zooals wij zagen, circa 1350 Aziru koning was, behoorde nog tot het Hethietische rijk. 
Na 1400 treedt het Egyptische element in Ugarit, dat in die dagen een aanzienlijke 
stadsmet sterke muren moet zijn geweest, op den achtergrond en komt in cultureel opzicht, 
naast den bescheiden Hethietischen invloed vooral het Myceensche element naar voren. 



Fig. 7. Het Nabije Oosten in den Teil el-Amarna tijd A. K. des. 

Schachermeyr schrijft in zijn conclusie: ‘Wenn wir uns nun die Frage vorlegen, 
ob die Hethiter mit den Achaern in nahere Berührung traten, so müssen wir dieselbe 
durchaus als positiv beantworten. Wie immer wir auch die hethitische Geographie 
wenden und drehen, so steht doch fest dass sowohl Kilikien wie Pamphilien noch zur 
hethitischen Interessenzone gezahlt hat. Da andererseits die hethitische Herrschaft in 
Syrien etwa bis zum Nahr el-Kelb gereicht haben dürfte, so machte die Küstenstrecke, 
welche den hethitischen Bereich begrenzte, wenigstens 1000 KM aus. Falls aber wie 
wahrscheinlich, auch Lykien und etwa noch weitere Gebiete des südwestlichen und 
westlichen Kleinasiens zur hethitischen Einflusszone gehörten, so war die hier in Frage 
kommende Küstenstrecke noch betrachtlich langer. Entlang der gesamten Küstener- 
streckung fuhren achaische Schiffe welche sicherlich des öfteren auch landeten, entlang 


HET HETHIETISCHE WERELDRIJK (145O—1200) 


397 


dieser ganzen Strecke wurde von den Achaern auch die Mykenische Keramik 
verhandelt. Verschiedentlich werden sich in den Hafenstadten (so zu Ugarit) auch 
einzelne Achaer niedergelassen haben. Besonders zahlreich waren die Achaer vor 
allem aber auf Kypros, welche Insel zeitweilig ja ebenfalls unter hethitischer Ober- 
hoheit stand’ ( Hethiter und Achaer , pag. 118—120). 

De Hethieten hadden dus aan de kusten van Klein Azië en Syrië vanaf ongeveer 
1400 met de Achaeers te maken. De invloedsferen moeten elkaar dus gesneden hebben. 
Op bijgaand kaartje is gepoogd aan te geven hoe de algemeene politieke geographie 
van Klein Azië er tijdens ëuppiluliumaè zou hebben kunnen uitzien. De Hethieten 
moesten zich dus tegen twee Achseische expansies verweren. Ten eerste tegen de 
kooplieden, die zich overal aan de kusten hadden gevestigd; ten tweede tegen territoriale 
aspiraties der vorsten van Ahhijawa. Het is niet mogelijk uit de archaeologische vondsten 
in Klein Azië te weten te komen, of er inderdaad groote spanning door deze aspiraties 
is ontstaan. 

In zijn conclusies verwerpt Schachermeyr de identificaties van Ahhijawa met 
Cyprus, Cilicië, Pamphylië, Ionië en Rhodos, als zijnde momenteel niet te bewijzen 
en ook onwaarschijnlijk, hij neemt echter op grond van het bestaan van een groot 
Achaeisch rijk in Mycene en Tiryns — tijdens welk tijdvak de groote bouwwerken 
aldaar tot stand gekomen zouden zijn, de paleizen op Kreta verwoest werden en 
Rhodos werd gekoloniseerd — aan, dat een verdere politieke macht van Mycenae en 
in het bijzonder in het Westen van Klein Azië, waar de Hethieten nooit invloed 
bezeten hebben, wel niet definitief bewezen kan worden, maar dat de archeologische 
gegevens de mogelijkheid hiervan zeer waarschijnlijk maken. 

Uit de teksten kunnen wij geen bewijs putten, dat het land der Ahhijawa in 
Klein Azië gelegen heeft, noch dat het ergens anders lag. Wel weten wij, dat het 
aan de kust gelegen moet hebben — want wij lezen van de zee en schepen — en 
dat het door de Hethieten met eerbied behandeld werd. Het onderhield betrekkingen 
met Millawanda, Cyprus, Ugarit en Lukka (?). Door de Aqaiwasa, één der volkeren 
die Egypte binnenvielen tijdens Merneftah (1225 —1215), schijnt het optreden van de 
Aljljijawa ook in Egypte bewezen. Hoewel dus zoowel de theorie die de Ahhijawa in 
Klein Azië zoekt, als die hen op het Grieksche vasteland localiseert, te verdedigen is, geeft 
Schachermeyr toch de voorkeur aan de identificatie Ahhijawa = Mykenai 
en niet aan een identificatie van Ahhijawa met één der Klein Aziatische gebieden. 

VIL VOOR AZIË IN DEN TELL EL-AMARNA-TIJD ») 

Zooals wij reeds boven hebben uiteengezet, is de periode, waarin de Hyksos- 
Hurrieten over Voor Azië heerschten, de donkerste in de geheele oosterschegeschiedenis 2 ). 
Wat wij over de Hurrieten weten, berust voor het grootste deel op documenten, die 
bij andere volken zijn gevonden. De archaeologie heeft in dit opzicht nog een belang¬ 
rijke taak, door ons het materiaal te verschaften, waaruit wij de bijzonderheden van 
de geschiedenis der Hurri-Mitanni-landen kunnen leeren kennen. Het hoogtepunt van 
hun macht was reeds voorbij, toen zij zich met de Egyptenaren tegen de Hethieten 
verbonden. Deze houding was ook voor Assyrië van het grootste belang, omdat dit 
de vruchten kon oogsten van de toenemende militaire macht der Hethieten en de 
verzwakking van Mitanni. De veldtochten van Suppiluliumas tegen de Mitanni ver¬ 
schaften aan Assyrië de nationale onafhankelijkheid. Zoo kon Assur-uballit er in slagen 
zijn land op te werken tot een mogendheid, waar de Hethieten voortdurend rekening 
mee moesten houden. De verdere loop der geschiedenis stelt Suppiluliumas in het 
gelijk wat zijn maatregel betreft, waarbij hij een Mitanni-staat, met een koning als vazal 
van de Hethieten, instelde als bufferstaat tusschen Assyrië en Hatti; eerst Salmanassar I 

*) H. R. Hall, Egypt and the external world in the time of Akhetiaten , JEA 7, 1921, 65 —104); A. T. 
Clay, The Empire of the Amorites , New Haven 1919; A. Götze, Hethiter , Chnrriter und Assyrer , Oslo 1936, 
pag. 114—132. 

2 ) Over het rijk der Hyksos-Hurrieten verscheen in Af O 11, 1937 } 3 2 5—335 een artikel van F. W. 
Freiherr von Bissing, Das angebliche Weltreich der Hyksos , waarin de schrijver concludeert, dat er geen vol¬ 
doende gegevens zouden zijn een dergelijk rijk te construeeren. De zooeven verschenen dissertatie van 
P. C. Labibs, Die Herrschaft der Hyksos und ihr Sturz , Glückstadt, 1937, schijnt dit ook te bevestigen. 


























39 ^ 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


VOOR AZIË IN DEN TELL EL-AMARNA-TIJD 


399 


(1280—1256) wist tijdens den strijd tusschen Egypte en Hatti Assyrië ook invloed te 
verschaffen in Boven Mesopotamië 2 ). 

De periode 1450—1200 was in geschiedkundig en sociaal opzicht zeer verschillend 
van de voorafgaande eeuwen. In het derde millennium hadden de landen van het 
oude Oosten naast elkaar bestaan. Er waren wel aanrakingspunten geweest, maar het 
leven aan den Nijl speelde zich af zonder beïnvloed te worden door dat bij den 
Euphraat en Tigris en in het hoogland van Anatolië. De oorlogen, die gevoerd werden, 
waren plaatselijk en zelden van verstrekkende politieke gevolgen voor geheel Voor Azië. 

Dit werd anders, toen de zoogenaamde ‘bergvolken’ en de Indo-Europeanen, die 
in het tweede millennium Voor Azië binnenstroomden in het verloop der geschiedenis 
begonnen in te grijpen. Door hun toedoen en langdurige expedities ontstond een 
systeem van verdragen en statenblokken, dat zijn stempel op de gebeurtenissen in 
dit tijdvak heeft gedrukt en in het eerste millennium niet alleen behouden bleef, doch 
zijn bekroning vond in de geweldige rijken der Assyriërs en Perzen. 

Noord Syrië is van de i6 de tot de 13de eeuw het centrum geweest, waar de 
belangen der oostersche volken elkaar raakten en waar ook het wrijfvlak van het 
wereldgebeuren gelegen was. Het had deze positie voornamelijk te danken aan het 
feit, dat het een oeconomisch centrum was; vandaar is het ook te verklaren, dat 
steden als Halpa (Aleppo) zulk een rol konden spelen en als politiek en oeconomisch 
bolwerk een begeerd bezit waren voor de omringende rijken. Van alle zijden kwamen 
daar de karavaanwegen te zamen en een levendige handel had zich hier sinds eeuwen 
ontwikkeld. De reiziger, die het tegenwoordige Aleppo bezoekt en daar het vertier, 
gedrang, lawaai en het zakendoen van de vele duizenden uit alle oorden van het 
Nabije Oosten gadeslaat in de schilderachtige en volgepropte soukhs, kan zich eeniger- 
piate een idee vormen, hoe het daar in de oudheid moet zijn toegegaan. Over Halpa 
liep voor de Assyriërs en Babyloniërs en later voor de Perzen een der kortste wegen 
naar de Middellandsche zee. Vele producten (vooral hout en lood, naast de oostersche 
specialiteiten) werden daar opgeslagen en verhandeld, hetzij bestemd voor Egypte, 
hetzij voor Klein Azië, hetzij voor Mesopotamië. Gezien het oeconomisch belang van 
dit land, kan men opmaken hoe gewichtig het bezit ervan voor de naburige volken 
moet zijn geweest en hoe verbitterd en langdurig erom gestreden kon worden. De 
Mitanni-staat, die in de onmiddellijke nabijheid van Noord Syrië lag en er een tijd 
lang den grootsten invloed had, moest op den duur wel in de verdrukking komen. 
De pharao’s der XVIII de dynastie zwaaiden hier dan eerst den schepter, later waren de 
Hethieten bijna twee eeuwen lang de gelukkige bezitters en van daaruit wisten zij dë 
Egyptenaren steeds verder naar het Zuiden terug te drijven. Ook Assyrië trachtte, 
zij het dan ook voorloopig nog tevergeefs, er vasten voet te krijgen. 

Syrië en Palestina waren de traditioneele gewesten voor vazalstaten, die in dezen 
tijd ondanks hun geringe macht toch een rol van beteekenis konden spelen. Meermalen 
zijn het Syrisch-Palestijnsche hulptroepen geweest, die den doorslag hebben gegeven. 
Welk een waarde vooral de Egyptenaren aan hun expedities naar Syrië hebben ge¬ 
hecht en hoe trotsch zij waren op hun overwinningen, kan men op de Egyptische 
monumenten zien. Zij teekenden hun daden niet op in annalen, maar gaven er de 
voorkeur aan, die te vereeuwigen op de wanden van hun tempels en op de voetstukken 
van hun reusachtige beelden. Zij brachten er lijsten aan van de Syrische en Palestijnsche 
steden uit den tijd der XVIII de , XlXde en XXste dynastieën, doch ook van latere 
pharao’s zijn lijsten bekend. Hoe belangrijk deze lijsten voor de topographie van 
Voor Azië zijn, blijkt o.a. uit de twee publicaties, die in het afgeloopen jaar daarover 
verschenen *) (zie p. 298-9). Een naar de bevolking der landen karakteristieke kop (Syriërs, 
Libyers, Negers enz.) draagt op zulke reliefs op de borst een rond naamplaatje, waarop 
de veroverde stad of het land in Egyptische hiëroglyphen is aangegeven. Wij komen 
hier vele namen tegen, die uit andere bronnen reeds bekend zijn. Zeer belangrijke 
problemen van de Syrisch-Palestijnsche geschiedenis worden hier op eigenaardige wijze 

*) A. Jirku, Die Agyptischen Listen Palastinensischer und Syrischer Ortsnamen in Umschrift und mit 
historisch-archdologischem Kommentar , Klio, 25. Beiheft, Leipzig 1937; J. Simons S. J., Handbook for the Study 
of the Egyptian Topographical Lists relating to Western Asia , Leiden 1937, zie dit Jaarbericht blz. 298 en 299; 
zie ook M. Noth, Die Wege der Pharaonenheere in Palastina und Syrien , Z. d. Deut. Pal. Verein. 60, 1937, 
183—239. 


belicht (bijv. het verband tusschen de lijst van Sjesjonk, n° XXV met I, Kon. 14 25 
vlg.). Ook de opgravingen in Palestina komen ons bij de vaststelling der topographie 
te hulp ! ). 

Het spreekt vanzelf, dat er aan twisten tusschen de Syrische staatjes onderling 
nooit gebrek is geweest en dat het ingrijpen der grootere staten den politieken toestand 
nog wel verwarder zal hebben gemaakt; immers deed zich bij het wisselen der invloed¬ 
sferen telkens een prachtige gelegenheid aan de vazallen voor, over te loopen naar 
de partij, die in de toekomst de leiding zou kunnen krijgen en zich van te voren 
bij den ‘coming man’ in de gunst te dringen. Het ontstaan van — wat wij met een 
modernen term statenblok zouden noemen — en de noodzakelijkheid, de macht door 
middel van vazalstaten in evenwicht te houden, had ook tot gevolg, dat wij in Voor 
Azië in dezen tijd een meer verfijnd systeem van diplomatieke betrekkingen aantreffen, 
waarbij de groote mogendheden o. m. onderhandelden over kwesties die uit grens- 
ongeregeldheden ontstaan waren. ‘Der Kampf um die reale Macht wird langst nicht 
mehr ausschliesslich mit den Waffen geführt; der diplomatische Krieg nimmt einen 
wachsenden Umfang ein. Vertrage und Bündnisse sind an der Tagesordnung. Es gibt 
eine ganz bestimmte Etikette des diplomatischen Verkehrs; ja es bildet sich mehr 
und mehr ein Völkerrecht heraus, das die Formen bestimmt, unter denen man 
juristisch genau formulierte Vertrage abschliesst’ 2 ). 

Een duidelijk beeld van de gebeurtenissen, die van circa 1425 tot 1350 plaats 
grepen, krijgen wij uit het archief van Teil el-Amarna 3 ), waar Amenhotep IV zijn 
residentie vestigde en waar de diplomatieke correspondentie van zijn vader Amenhotep 
en hem zelf werd teruggevonden. Deze correspondentie kwam daarna terecht in 
de musea te Berlijn, Londen, Kairo, Oxford en Parijs. In 1910 verscheen de beste 
vertaling en bewerking van deze spijkerschrift-tabletten van de hand van Knudtzon 4 ), 
met een commentaar van Weber. Geen van deze brieven bevat een nauwkeurigen datum ; 
wel is bekend, waar zij vandaan komen en voor wie zij bestemd waren; de grootste 
helft dateert echter uit de periode van Amenhotep IV (Ichnaton). Een belangrijke 
aanvulling van deze correspondentie zijn de spijkerschrift-tabletten, die in de jaren 
vanaf 1907 te Bogazköy gevonden werden, waar nog steeds belangrijke stukken voor 
den dag komen. Deze zijn door Weidner bewerkt, voor zoover het de staatsverdragen 
in de Akkadische taal betreft; aan de publicatie van de overige documenten, zoowel 
in het Hethietisch als in andere talen wordt nog steeds door het Museum te Berlijn 
gewerkt. Door de documenten uit de archieven van Amarna en Bogazköy kan men 
van de Amarna-periode een vrij nauwkeurig beeld ontvangen. Deze brieven laten ons 
een geest van internationalisme en een zeker gevoel van cosmopolitisme zien, over 
welks eigenlijke strekking wij ons nog geen duidelijk beeld kunnen vormen. In deze 
periode, die naar de vindplaats der tabletten in Egypte, de Amarna-periode 
wordt genoemd, waren de groote mogendheden voortdurend in schriftelijk contact 
met elkaar; zij kondigden elkaar hun regeeringsmaatregelen en Troonsbestijging aan; 
zij sloten verdragen en huwelijkten hun dochters aan eikaars zoons uit. Er werden 
geschenken gevraagd — vooral aan het rijke Egypte vroeg men goud — en een brief 
zonder geschenk beteekende een diplomatiek incident. De kwaliteit en hoeveelheid 
der geschenken, alsmede de uitrusting moesten steeds in overeenstemming zijn met 
de waardigheid van den ontvanger. Gewapende escorten vergezelden deze ambassades, 
waarbij zich veelal groote karavanen aansloten. 

De taal, die bij dit diplomatieke verkeer gebruikt werd, is het Babylonisch, het 
schrift, het spijkerschrift. Hieruit kan men opmaken, dat al was Babylonië in politiek 
opzicht achterop geraakt, het in cultureel opzicht nog steeds grooten invloed uitoefende. 
Het spijkerschrift was in dit tijdperk der wereldgeschiedenis de bindende factor. Er 
ontstond hierdoor ook een uitwisseling van geestelijke goederen, waardoor Babylonische 


9 P. Thomsen, Palastina tmd seUie Kultur i?i fünf Jahrtausenden, AO 30, Leipzig 1931; C. Watzinger, 
Denkmaler Palastinas, I—II Leipzig 193 ; F. M. Th. Böhl, Palestina in het licht der jo?igs(e opgravingen en 
onderzoekingen , Amsterdam 1931. 

2 ) A. Götze, Hethiter, Churriter und Assyrei\ pag. 131, Oslo 1936. 

3 ) J. D. S. Pendlebury, Teil el-Amarna , London 1935; H. Schafer, Amarna in Religioti und Kunst , 
Leipzig 1931. 

4 ) Zie ook F. M. Th. Böhl, Die Sprache der Amarna-Br iefe^ Leipzig 1909. 





400 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


OPGRAVINGEN IN KLEIN AZIË IN DE JAREN I93 6 —1937 


401 


mythen in Klein Azië, Syrië, ja zelfs in Egypte bekend werden en de góden van het 
eene volk ook bij het andere ingang vonden. De dynastieën van de Hethieten, Mitanni, 
Egyptenaren, Assyriërs en Babyloniërs raakten door huwelijk aan elkaar verwant, 
waardoor de bijzondere dynastieke belangen af en toe in elkaar overgingen en een 
‘gemeinsames Weltgefühl’ ontstond. ‘Durch die gemeinsamen Grundlagen und den 
immer wachsenden gegenseitigen Austausch von Kulturgütern entstand unter der allein 
massgebenden Oberschicht geradezu eine Art W e 1 1 z i v i 1 i s a t i o n” l ). 

Leiden A. A. Kampman 


OPGRAVINGEN IN KLEIN AZIË IN DE JAREN 1936—1937 

BogazköY-Hattusas; Archaologisches Institut des Deutschen Reiches en Deutsche 
Orient-Geseilschaft\ leider: D r K. BlTTEL; vanaf 1931 2 ). In de campagne van 
1936 werden de opgravingen op Büyük Kale, den burcht der Hethietische hoofdstad, 
voortgezet. Onder het archiefgebouw (i4 de — I3 de eeuw v. Chr.) in den Z.O.-hoek werd 
een bouwwerk uit de i8 d e — ió de eeuw gevonden, het eerste gebouw dat vóór het 
Nieuwe Rijk gedateerd kan worden. De onderbouw der muren was tot een hoogte 
van één meter van kalksteen, de rest van gebakken tichels; bij de poorten waren de 
verkoolde houten balken nog zichtbaar en in den binnenhof, waar een groote recht¬ 
hoekige Tonkasten gevonden werd, werden gemetselde geleidingen voor den afvoer 
van het water zichtbaar. De ceramiek, vertoonde slechts weinig verschil met die van 
het Nieuwe Rijk. Aan de Westzijde van Büyük Kale werden twee gebouwen uit het 
Nieuwe Rijk blootgelegd, onder één ervan trof men een aantal voorwerpen, bij den 
cultus in gebruik, aan, zooals flesschen, schaaltjes, idolen, van het model van dat uit 
Mari en Assur. Ten Noorden daarvan werd een magazijn van 40 m lengte ontdekt, 
dat een aantal lange nauwe ruimten bevatte, toegankelijk vanaf een gang, zuidelijk 
gelegen. In dit gebouw bevonden zich 280 gezegelde bidlae , waaronder 90 konings¬ 
zegels, die naar hun inhoud in de volgende groepen uiteenvallen: a) koningszegels 
met spijkerschrift en hiëroglyphen; b) koningszegels met spijkerschrift; c) zegels met 
hiëroglyphen; d) zegels met hieroglyphen en voorstellingen. De Hethietologie heeft 
hierdoor materiaal gekregen, dat in het Nieuwe Rijk te dateeren is en waardoor men 
tot de samenstelling van een omvangrijke teekenlijst kan komen; een gedeelte der 
inscripties der koningszegels is zelfs phonetisch te lezen. Bovendien kwamen 800 spijker- 
schrifttabletten aan den dag, met historische en ritueele teksten, brieven, omina , vletten. 
Ook Hurrietisch en Luwisch werden aangetroffen; verder fragmenten van een brief van 
den koning van Arzawa aan den ‘Grooten Koning’ en een stuk van de annalen van 
Mursilis II. Belangrijk is ook een tekst, waarin gezinspeeld wordt op crematie der 
dooden. In de campagne van 1937 (Augustus—October), waaraan schrijver dezes 
door de gastvrijheid van D r Bittel heeft mogen deelnemen, werd een groot deel van 
den ‘Grooten Tempel’ in de benedenstad blootgelegd; vóór dien tijd was alleen 
de bouw op de fundamenten zichtbaar. Dit bouwwerk, dat vooral opvalt door zijn 
reusachtige uit de rots gehouwen blokken, bestaat uit een ingang, binnenhof, hoofd- 
vertrek voor den eeredienst en het heiligdom. Een breede gang omgaf het hoofd¬ 
gebouw, waar magazijnen, schatkamers en dienstvertrekken omheen gegroepeerd waren. 
In deze magazijnen worden vanaf 1907 de tabletten gevonden, die met die van Büyük Kale 
de mogelijkheid schiepen de geschiedenis der Hethieten pas voor ons te reconstrueeren. 
In 1937 werd de binnenhof geheel vrijgelegd, alsmede de bovenvermelde gang en 
een aantal magazijnen. Ook werden er spijkerschrifttabletten gevonden, o.a. een aan¬ 
vullend stuk van het z.g. AnittaS-verhaal, waaruit volgens de heeren Bittel en Otten 
waarschijnlijk nadere gegevens over de oudste Hethieten verkregen worden. 


!) id. pag. 132. 

2 ) K. Bittel en H. G. Güterbock, Bogazköy^ Neue Untersuchungen in der Hethitischen Hauptstadt, Berlin 1935. 
Kurt Bittel, H. Ehelolf, H. G. Güterbock, W. Witter, Vorldufiger Bericht über die Ausgrabungen in 
Bdgazh'öy 1936 (MDOG 75) Berlin 1937. 


Alaca HüYÜK ; Türk Tarih Kurumu (Turksch Geschiedkundig Genootschap); 
leider: D r Hamit Ziibeyr Kosay. In Alaca Hüyük, 22 km ten Noorden van Bogazköy, 
wordt vanaf 1935 door een Turksche expeditie gegraven 1 ). Een dorp ligt hier op de 
ruïnes, hetgeen bij de opgravingen steeds moeilijkheden met zich mede brengt. Men 
groef hier tot 10 m diepte. Na 2 meter kwam men op de Hethietische laag, die 
3.5 m dik bleek te zijn. Bij de Sphinx-poort (reeds daarvoor bekend) vond men 
op 2.5 m een bouwwerk, waar zegels en ceramiek aangetroffen werden. Op 7 m 
stootte men op de praehistorische laag, met een aantal graven. Deze graven 
bevatten lange steenen kisten, waarop schedels en beenderen van dieren en over¬ 
blijfselen van doodenoffers lagen. De dooden waren op hun zijde en in kromme houding 
bijgezet, het gezicht naar het Westen gekeerd. Fraai waren de gouden en zilveren 
grafgeschenken: een gouden getuite kan, een gouden beker met ooren en hengsel. 
Voorts bronzen dierenbeeldjes, ten deele met edel metaal ingelegd, die ter versiering 
van een paardenhalster zullen gediend hebben; een menschelijke figuur in brons met 
een kind op den arm en een bronzen zwaard in houten schede. Een bijzonder graf 
was dat van Li/#’. Het gezicht van den doode was versierd met een diadeem, twee 
gouden oorspiralen, paarlen enz. Een groot aantal gouden sieraden en gebruiksvoorwerpen 
bevonden zich in de kist. Men neemt aan, dat deze graven gelijktijdig met de konings¬ 
graven van Ur waren. 

ClLlClË; Neilson Expedition of the University of Liverpool ; leider, Prof. John 
Garstang. Deze expeditie onderzocht in den winter van 1936/^37 groote deelen van 
Cilicië 2 ). Bij Sirkeli, het antieke Pyramos, ontdekte men een Hethietisch reliëf, een 
koning voorstellende, zooals op de rotsen van Yazili Kaya bij Bogazköy. Het baardige 
gezicht is naar het Zuiden gewend; hij draagt een lang kleed en houdt een schepter 
in de hand. Achter zijn hoofd worden de ‘emblemen van de moedergodin, — daar¬ 
onder een zonneschijf, waarvan stralen uitgaan — door een goddelijke hand vastgehouden’. 
Zijn naam staat vermeld in Hethietische hiëroglyphen; vermoedelijk is het de afbeelding 
van een koning uit het Nieuwe Rijk. Garstang houdt het niet voor onmogelijk, dat hier 
de ruïnes van Arzawa gevonden kunnen worden. In het Westen ontdekte men een 
ruïneheuvel, waar men met 7,5 m op een praehistorische laag stootte van 3 m dikte, 
met gladde en beschilderde ceramiek, alsmede werktuigen uit obsidiaan en vuursteen. 

Gözlü Kule-TarsüS; Bryn Mawr College, Archceological Institute of America, en 
Fogg Museum of Harvard University ; leidster, Hetty Goldman 3 ). Op een diepte van 
4 m trof men een goed geconserveerd gebouw aan, dat veel Myceensch vaatwerk bevatte. 
Daaronder op 4,5 m diepte vond men aardewerk, waarbij Hethietische invloed aan 
te wijzen is. Merkwaardig zijn ook twee platte bijlen, met zijdelingsche uitsteeksels, 
Aemchen Beil genaamd, een type, dat in Anatolië en Megiddo gewoon is. Voorts 
dolken, een bronzen buis gelijk aan één van Teil Asmar en drie looden ringen. 
Verderop vond men ceramiek van Cyprisch karakter. In een afvalput uit de 13de eeuw 
werden Myceensche scherven aangetroffen, een fragment van een Hethietisch 
spijkerschrifttablet, een armband van faience kralen en bullae met Hethietische hiëro¬ 
glyphen. Hieronder was belangrijk een met een tweetalige inscriptie van Pudu-Hepa, 
de gemalin van Hattusilis III (1298—1260). In een andere laag trof men in een woon¬ 
vertrek een gave bronzen sikkel aan, zooals er ook in Ras es-Samra aangetroffen zijn. 

Dr. Kurt Bittel, Bogazköy, die Kleinfunde der Grabungen, 
1906—1912. 72 S., 43 Tafeln und 30 Abb. im Text, 1 Karte, 
fol., Leipzig 1937. WVDOG Nr. 60, 

Vijf en twintig jaren na de verschijning van het eerste deel van de resultaten 
der Duitsche vooroorlogsche opgravingen in Bogazköy, waarin O. Puchstein 5 ) de 

! ) Hamit Zübeyer Rosay, Alaca Hüyük in La Turquie Kamaliste. N° 15, October 1936, pag. 2—8, met 
13 illustraties; AfO II, 5/6, pag. 394 — 395 - 

2 ) AfO 11, 5/6 (1937), pag. 396—397; Illustr. London News , 3i-7-’37, pag. 210 vlg.; London Times , 3-5-’37. 

3 ) Zie het voorloopig bericht hierover in The Oriental Institute Archeological Report on the Near East 
2 n ü Quarter 1937, 81—82; meer uitvoerig: Hetty Goldman, Excavations at Gözlü Kule, Tarsus 1936, AJA 
41, (April—June 1937) 262—286. 

4 ) I, J. Gelb, Queen Puda-Hepa, AJA 41, 1937, 289—291. 

5 ) O. Puchstein, H. Kohl, D. Krencker, Boghasköidie Bauwerke (WVDOG Nr. 19), Leipzig 1912. 
Jaarbericht N° 5 


26 



402 


SCHETS DER HETHIETISCHE GESCHIEDENIS 


Bauwerke zoo voortreffelijk behandeld heeft, verscheen in het afgeloopen jaar van de 
hand van Kurt Bittel, den leider der Duitsche Bogazköy-expeditie sedert 1931, als 
tweede deel een uitvoerige en overzichtelijke beschrijving der Kleinfunde . In de in¬ 
leiding geeft Bittel een samenvatting van de opgravingen van 1907 tot 1913 en 
opgave van de musea , waar zich de gevonden voorwerpen thans bevinden. Voor 
Nederland is belangrijk, dat naast het Museum van Oudheden te Istanbul, waar zich 
het grootste deel der voorwerpen bevindt, ook de Assyriologische Werkkamer te 
Leiden genoemd wordt, waar zich een bronzen stier bevindt, dien Böhl reeds in de 
Festschrift Oppenheim gepubliceerd heeft. 

De ondankbare taak der bewerking werd Bittel iets gemakkelijker gemaakt, doordat 
hij sedert 1931 zelf de opgravingen te Bogazköy leidt. Door gebruik te maken van 
een notitieboekje van S. Loeschke en teekeningen van Puchstein en Loeschke was het 
hem mogelijk menig stuk te identificeeren. Bovendien kon hij verschillende mondelinge 
inlichtingen inwinnen. Het nu verschenen deel behandelt alleen de vondsten uit de 
Hethietische periode. Belangrijk is het eerste hoofdstuk (blz. 4—19), waar Bittel die 
reliëfs beschrijft. Uitvoerig bespreekt hij de beteekenis en dateering van het reliëf aan 
de Koningspoort. Volgens hem is het reliëf gelijktijdig met de afbeeldingen in de 
tweede galerij van Yazili Kaya, die te dateeren zouden zijn in de I4 de of de eerste 
helft van de 13de eeuw. Damit ist freilich lediglich über die kulturelle Zugeköngkeit 
etwas gesagt , ohne das es möglich ware diesen ganzen Denkmdlerkreis in sic/t zeitlich 
zu gliedern und Entwickelungen innerhalb des jüngeren Hattireiches aufzuzeigen. In 
verband met den helm van het reliëf aan de Koningspoort wijst Bittel ook op de 
opgravingen in Ras es-êamra, waardoor de vele Egyptisch aandoende voorstellingen 
op Hethietische monumenten voor ons begrijpelijker zijn geworden. Vast staat echter, 
dat dit reliëf een echt Klein Aziatisch product is, dat sterk verwant is met die in 
Yazili Kaya. Bittel behandelt dan verder de Sphinxen van Yer Kapu, waar hij een 
zekere verwantschap met de monumenten van den Teil Halaf wil zien, de Leeuwen 
van de Leeuwenpoort en de andere stukken sculptuur. Zijn meening over het ontstaan 
en de afkomst van deze monumenten hebben, door hun zakelijkheid, toch in ieder 
geval meer waarde dan de gewaagde theorieën van Herzfeld. 

In de volgende hoofdstukken worden dan de gebruiksvoorwerpen en wapens 
(blz. 20—26), sieradiën (27) zegels (28—34) en vaatwerk (35 — 56) behandeld. Sieradiën 
zijn in Bogazköy zeer weinig gevonden, terwijl onder de vondsten van vóór 1914 
geen origineele rolzegels waren, maar alleen afdrukken op lood, stempels op vaatwerk 
en kruiken. Belangrijk is ook het hoofdstuk over het vaatwerk, waar op systematische 
en duidelijke, maar bovenal begrijpelijke wijze het vervaardigen van het vaatwerk 
beschreven is. Misschien is het toch mogelijk op grond van de beschildering van het 
vaatwerk een meer nauwkeurige dateering van het vaatwerk vast te stellen ! Het 
hoofdstuk, waaruit men Bittel’s methode van historie-onderzoek en reconstructie der 
gebeurtenissen kan leeren kennen, is evenwel het zesde: Ergebnisse . Hier kiest hij 
op zeer duidelijke wijze positie tegen theorieën en meeningen, die over het begrip 
Hethietisch menigmaal geheerscht hebben en af en toe nog steeds ingang vinden. 
Hier is de ervaren archaeoloog op zijn best! Hij komt tot het resultaat, dat het tegen¬ 
woordig aanwezige materiaal ons nog niet in staat stelt het Proto-hattische en het 
Nesietisch-Indo-europeesche element van elkaar te scheiden. Ten tijde van het Nieuwe 
Rijk waren deze elementen reeds ten nauwste met elkaar verbonden, zoodat het niet 
goed mogelijk is, dan nog een scheidingslijn te trekken. Wanneer de tijd van 2000— 
1400 duidelijker voor ons staat, zal ook de oorsprong van deze vermenging, die on¬ 
miskenbaar is, historisch duidelijker worden. Tegen BittePs meening over het langzaam 
indringen der Indo-Europeanen, speciaal met zijn suggestie als zouden zij ook uit 
andere deelen van Klein Azië naar het gebied binnen de Halys-bocht zijn gekomen, 
zou men bezwaar kunnen inbrengen, de wijze echter, waarop hij het resultaat van zijn 
studies over de oudste Hethietische geschiedenis neerschrijft en baseert op het thans 
aanwezige archseologische materiaal, is magistraal te noemen. 

Leiden A. A. Kampman 


HET WESTEN VAN KLEIN AZIË 

Naast Lydië *) onderscheidt men in Klein Azië gewoonlijk een beperkt aantal 
groote landstreken. Langs de kust liggen dan in het noorden van oost naar west: 
Paphlagonië en Bithynië; langs de westkust: Mysië, Lydië en Karië (de strook van 
Grieksche koloniën buiten beschouwing gelaten); aan de zuidkust: Lycië, Pisidië en 
Cilicië. De westelijke helft van het door deze landen ingesloten gebied heet Phrygië; 
de oostelijke helft wordt verdeeld in Galatië en Lykaonië, twee landstreken, die voor 
ons geringe beteekenis hebben, daar zij voor een goed deel uit de vrijwel onbevolkte 
Lykaonische woestijn bestaan. Ook gebieden als Paphlagonië, Bithynië en Pisidië 
hebben nog geringe waarde: wij kennen er nauwelijks iets van. Hoofdzaak van Klein 
Azië is dus — wanneer wij de niet-Hetietische volken willen zoeken — het zuid¬ 
westelijk deel. 

Karië 2 ) is ons zeer slecht bekend, en een enkel woord daarover kan hier volstaan. 
Wat wij uit de Grieksche schrijvers weten is in hoofdzaak Herodotus’ mededeeling 3 ), 
dat de Kariërs oorspronkelijk de eilanden bewoonden, maar later naar het vasteland 
verhuisden; verder, dat door hen enkele dingen (helmbos, schildhandvat, e.d.) uitge¬ 
vonden waren (Hdt. ibid.). De vraag is echter op wat voor Kariërs deze mededeelingen 
betrekking hebben: het volk dat in historischen tijd het land bewoonde, of een oudere 
bevolkingslaag. De taal helpt ons voorloopig nog niet veel verder, want zij kan, ook 
na de jongste pogingen, nog als onontcijferd gelden 4 ). In het geheel bezitten 
wij 76 zeer korte teksten 5 ), in een schrift, dat nog eenige moeilijkheden biedt, 
maar samengesteld is uit twee elementen: een letterschrift en een syllabisch 
schrift; het vermoeden ligt voor de hand, dat, waar de Karische letterteekens, evenals 
het schrift der Lydische en Lycische inscripties 6 ), uit Griekenland afkomstig zijn, het 
syllabische schrift epichorisch is. Inderdaad schijnt dit schrift op eenige punten ver¬ 
wantschap te vertoonen met het Kretensische 7 ) en het Cyperische. De ons bewaarde 
Karische inscripties komen grootendeels uit Egypte, en zijn graffiti van Karische huur¬ 
lingen van een Psammetichus (den eersten 663—609, of den tweeden 593—588). — 
Archeologisch is het land nog slechter bekend: het voornaamste danken wij aan de 
reizen van Paton en Myres 8 ), en dit is te weinig om ons een beeld van de archseo¬ 
logische gesteldheid te geven. 

Van Lycië 9 ) is ons iets meer bekend. Evenals Lydië heeft dit land tot in 
historischen tijd als staat voortgeleefd, en het was het eenige gebied van het westelijk 
gedeelte van Klein Azië, dat niet door Alyattes en Kroesus van Lydië werd veroverd. 
Slechts met moeite konden de Perzen een eind aan dit bestaan maken (545) 10 ). De 
Grieken hebben zich met de Lyciërs veel minder ingelaten dan met de Lydiërs, reden 
waarom zij ons slechts zeer weinig over hen weten te vermelden. Nog hooren wij n ), 
dat de Lyciërs uit Kreta afkomstig zouden zijn, en zich Termilen noemden. Het laatste 
klopt, want dit is de eenige naam voor het volk, die in de epichorische inscripties 
voorkomt (Trmmili). Ook de kolonisatie vanuit Kreta is aannemelijk, wanneer wij de 
vindplaatsen van de Lycische inscripties overzien: langs de kust, of gemakkelijk van¬ 
daar te bereiken 12 ). Daar de eigenlijke Lyciërs oorspronkelijk elders in Klein Azië ge¬ 
woond moeten hebben, zou het wel kunnen wezen, dat onze inscripties in het geheel 
niet Lycisch zijn, en dat wij Lyciërs en Termilen goed moeten onderscheiden 13 ). 

Met de Lycische inscripties staat het beter dan met die van eenig ander Klein 
Aziatisch land (nog steeds afgezien van de Hetietische volken): wij bezitten 150 steen¬ 
inscripties, die dank zij den goeden zorgen van de Oostenrijkers reeds voor dertig jaren 
uitmuntend werden uitgegeven 14 ), en nog een 49 kleinere op munten, die door Friedrich 
in zijn uitgave aan de andere teksten werden toegevoegd 15 ). De laatste groep bevat 
alleen eigennamen, de eerste bestaat vrijwel geheel uit grafschriften. Een hiervan, de 
bekende Stele van Xanthos (TL 44), staat op de vier zijden van een grooten pilaar 
gebeiteld, en telt meer dan 250 regels. Hij wijst ons het graf van een zekeren Korris, 
zoon van Harpagos, die een beschrijving geeft van zijn krijgsdaden in Griekschen 
dienst. De (nog niet goed verstaanbare) inhoud is dus historisch en heeft betrekking 



404 HET WESTEN VAN KLEIN AZIË 

op gebeurtenissen tusschen 430 en 412 v. Chr. De tekst bestaat uit drie gedeelten: 
de zuid- en oostzijde, en een gedeelte van den noordkant (totaal 130 regels) zijn in 
gewoon Lycisch (A) gesteld, dan volgt een Grieksch epigram van 12 verzen, tenslotte 
de rest van de noordzijde en de geheele westzijde (totaal 105 regels) in het ‘Milyisch’ 

(Lycisch B). Dit Lycisch B, waarin verder alleen nog TL 55 (uit Antiphellos) gesteld 
is, is niet zoozeer, gelijk men vroeger meende, een dialekt, dan wel een archaïstische 
taal, hier blijkbaar in poëtische teksten gebruikt. Het laat ons iets, al is het weinig, 
zien van de ontwikkeling van het Lycisch. Zoo wordt de intervokalische sibilant ver¬ 
zwakt tot een h , evenals dus in het Grieksch en het Hetietisch (de genitiefuitgang 
luidt in het Milyisch -esi, in Lycisch A -ehi). 

Lycische teksten waren reeds ruim een eeuw geleden (sinds 1820) bekend en 
bestudeerd, maar de eerste schreden op het pad der ontcijfering werden pas na 1880 
gedaan o.a. door den numismaat Six. Belangrijker zijn de vorderingen sinds de uit¬ 
gave van de Tituli Lyciae , maar speciaal eerst in het laatste decennium. Daarbij hebben 
Bork en Meriggi veel licht gebracht 16 ). — Over de verwantschap der taal zijn, zooals 
steeds bij Klein Aziatische talen, de meeningen verdeeld: Torp, Pedersen, en later 
Sturtevant meenden een indogermaansche taal te herkennen; beide laatsten zochten 
verwantschap met het Hetietisch. Bugge wees overeenkomsten met het Armeensch 
aan; anderzijds verklaarden Kluge en Bork het Lycisch voor een Kaukasische taal, 
terwijl Kretschmer het rekent tot de niet-indogermaansche ‘Klein Aziatische’ taal¬ 
familie. Thans heeft Meriggi 17 ) het Lycisch weer voor indogermaansch verklaard; 
ondubbelzinnige indogermaansche elementen heeft hij zeker aangetoond, maar alleen 
verder onderzoek zal moeten leeren of deze elementen al dan niet aan vreemde in¬ 
vloeden toe te schrijven zijn 18 ). > 

De oogst van het archeologisch onderzoek blijft ook hier klein. Toch is het aantal 
graven legio 19 ). Soms vrijstaand, maar meestal half in de rots uitgehouwen, vertoonen 
zij duidelijk hun ontleening aan de houten blokhuizen, zooals er thans nog wel zijn. 

Soms staat bovenop zulk een tombe een zware vierkante zuil, oorspronkelijk met 
beeldhouwwerk bekroond; zulk een zuil is de Stele van Xanthos. De verdere 
exploratie van Lycië door de Oostenrijkers heeft geen buitengewoon belangrijke 
resultaten opgeleverd 20 ). De munten (vanaf de 6 de eeuw) hebben ook nog eenig belang, 
vooral omdat er talrijke bekend zijn 21 ). De Grieksche en Latijnsche inscripties zijn 
thans verzameld en gepubliceerd 22 ). Niet zonder belang, tenslotte, is het bestaan van 
het matriarchaat in Lycië tot in de eerste eeuwen onzer jaartelling; ook in andere 
streken van Klein Azië vindt men er sporen van terug. Deze zede, waarmee de 
Magna-Materkultus samenhangt, wordt beschouwd als een characteristicum der “Klein 
Aziaten” 23 ). 

Van de aangrenzende Pisidiërs heeft men wellicht een zestiental uiterst korte 
grafschriften over; de taal schijnt indogermaansche elementen te bevatten, maar het 
beperkte materiaal laat slechts ongegronde vermoedens op dit punt toe 24 ). 

De geschiedenis der Phrygiërs 25 ) in Klein Azië kunnen wij geheel vervolgen: 
na de ^Egaeische volksverhuizing (± 1200) 26 ) duiken in Klein Azië de Musken (Moschoi) 
op. Dit volk verbreidt zich (samen met de Kasken) over het schiereiland en wordt 
oorzaak van den val van het Hetietische rijk. Tot in het noorden van Mesopotamië 
dringen zij door, en Tiglatpilesar I (± 1100) beroemt er zich op de Musken, die zich 
daar omstreeks 1150 gevestigd zouden hebben, te hebben vernietigd. Ook bedreigden 
zij Egypte (de ‘Zeevolken’). Verder hooren wij van beide stammen in centraal Klein 
Azië; daarbij wordt gesproken van een Mita van Musku , dien Winckler identificeerde 
met Midas van Phrygië. Nadat zij zich nl. in Assyrië het hoofd gestooten hadden, 
bleven zij in Klein Azië en stichtten een rijk, dat zich op grond van archeologische 
gegevens laat terugvinden 27 ), en het binnenland besloeg (de latere landschappen 
Phrygië, Galatië, Lykaonië en de helft van Kappadocië). Dit gebied zou volgens Bittel 
weer in twee deelen te onderscheiden zijn, waarvan de grens ter hoogte van het Tatta- 
meer ongeveer in noord-zuidelijke richting verloopt. Sindsdien orienteerden de 
Phrygiërs zich meer op het westen en knoopten connecties aan met Delphi, terwijl 
een hunner koningen zich een Grieksche vorstendochter (uit Kyme) tot vrouw koos. 

Het rijk stortte ineen onder de Kimmerische invallen (begin 7de eeuw), waarna de bevrijding 


HET WESTEN VAN KLEIN AZIË 405 

kwam van de zijde der Lydiërs 28 ), die sindsdien Phrygië beheerschten, tot Lydië 
op zijn beurt weer Perzië ten offer viel. 

Van de Phrygiërs zijn inscripties over 29 ), en wel 19 zeer korte Oud-Phrygische 
(van de 7de en 6de eeuw v. Chr.) in het Phrygische letterschrift, dat evenals het Lydische, 
Lycische enz. aan het Grieksche alfabet ontleend is, en 83 inscripties uit het begin 
onzer jaartelling, die Grieksche teksten met Nieuw-Phrygische vloekformules bevatten, 
thans in Grieksch schrift. Over het karakter van de taal 30 ) verkeeren wij ditmaal niet 
in onzekerheid: het is indogermaansch, en waarschijnlijk de moedertaal van het 
Armeensch (in overeenstemming met de klassieke traditie: Hdt. VII 73); daarbij kan 
men nog opmerken, dat het Phrygisch verwant is met het Thracisch en Illyrisch, 
hetgeen de antieke mededeelingen bevestigt, dat de Phrygiërs uit Thracië afkomstig 
waren. Zij zijn in de ZEgaeische volksverhuizing over den Hellespont gekomen (eind 
van Troje IV en vervolgens Vila), met zich meenemend een aantal andere volks¬ 
stammen, zooals het volk dat na deze gebeurtenissen de bovenlaag vormt in Mysië, 
evenals de aangrenzende Bithyniërs. Van de eersten is waarschijnlijk een inscriptie 
over 31 ), waarin naast Phrygische ook Lydische elementen aan te wijzen zijn, hetgeen 
in overeenstemming is met de mededeeling, van den Lydiër Xanthos afkomstig, dat 
het Mysisch een Lydisch-Phrygische mengtaal was 32 ). 

In het oog loopende resten van het oude Phrygië bezit het land nog: in de eerste 
plaats rotsgraven en tumuli , en vervolgens vele in de rots uitgehouwen altaren of 
‘Godentrappen’, die blijkbaar in verband staan met de Moedergodin (Myryp 'Opehj), 
maar hun volledige verklaring nog wachten 33 ). In Gordium zijn enkele tumuli , met 
een tempel, onderzocht door de gebroeders Korte 34 ). Deze graven, die eerst uit de 
8ste eeuw en later dateeren 35 ), leeren ons iets van de jongste geschiedenis van het land, 
en toonen ons dat de Grieksche invloeden in de 7de eeuw duidelijk merkbaar waren. 
De oudste tumulus (III) laat zien dat de voor-Phrygische beschaving zich eveneens 
nog zeer duidelijk deed voelen. De tumulus wordt als specifiek Phrygische grafvorm 
beschouwd, daar hij ook aan de overzijde van den Hellespont voorkomt; van welken 
aard het verband met de Lydische koningsgraven op Bin Tepe 36 ) mag zijn, is nog 
duister. — Naast deze tumuli komen, zooals gezegd, rotsgraven voor met zeer imposante 
gevels. Het vermoeden ligt voor de hand, dat, wanneer het gebruik van tumuli met 
de Phrygiërs uit Europa is gekomen, de rotsgraven kenmerkend zijn voor de bevolking 
die voordien het land bewoonde. Inderdaad vinden wij dergelijke rotsgraven elders 
in Klein Azië, terwijl zij ook uit Lycië en Lydië bekend zijn 37 ). 

De Phrygiërs hebben naast hun eigen godsdienst ook die der voorbevolking over¬ 
genomen, die in hoofdzaak voor geheel Klein Azië gelijk is. Daar zijn dus de Magna 
Mater en Attis 38 ), van Klein Aziatisch origine (al ontbreekt nog steeds een strikt 
bewijs), en anderzijds in de eerste plaats Sabazios, de Phrygische Zeus of Dionysos, 
die ongeveer met Attis gelijkgesteld werd. De orgiastische kultus, waarvoor Phrygië 
later bekend stond, is grootendeels uit Europa meegekomen, ten deele evenwel zal 
hij ook reeds in Klein Azië hebben bestaan; de bloedige excessen worden door Hepding 
aan invloeden van semietische zijde toegeschreven 38 ). 

De Phrygiërs maken den indruk — ook de archseologische vondsten wijzen in 
die richting — in tegenstelling tot de Lydiërs een eenvoudig boerenvolk te zijn ge¬ 
weest, toen zij zich eenmaal in Klein Azië hadden gevestigd. De herdersfluit met de 
Phrygische wijzen waren in Griekenland bekend. Overigens dient men er wel op te 
letten, dat de klassieken veel op rekening van de Phrygiërs schreven, wat algemeen 
Klein Aziatisch gebruik was; verwarring speciaal met Lydië komt vaak voor. 

Het voorgaande heeft betrekking op de voornaamste volken van het westelijk 
gedeelte van Klein Azië, die den Grieken nog bekend waren 39 ). Maar ook van vroeger 
tijden is ons een en ander, zij het slechts in groote lijnen, bekend, hoofdzakelijk 
dank zij het archseologisch onderzoek. Bij het beschouwen van de resultaten hiervan 
moet men echter wel in het oog houden, dat de westelijke helft van het schiereiland 
slechts op enkele punten onderzocht is, zoodat het fundament onzer kennis nog steeds 
wankel blijft. De voornaamste bronnen van archaeologisch materiaal zijn hier na T r o j e : 
Yortan (even ten oosten van Pergamum) en Thermi op Lesbos, die aanvullen 





406 het westen VAN KLEIN AZIË 

wat Troje nog openlaat, terwijl Troje zelf als het ware de portier is, bij wien ieder 
volk, dat van deze zijde Klein Azië binnenkomt, zijn kaartje afgeeft. — Vatten wij 
kortweg de resultaten samen, waartoe men thans is gekomen 40 ). 

In het begin van het derde millennium zijn er stammen uit het Balkangebied 
gekomen en via Troje (I) Klein Azië binnengedrongen. Thermi 41 ) en Yortan (iets 
later dan Troje I) zijn de volgende belangrijke stations. Langzamerhand verbreidden 
zij zich verder over Mysië en noord-Phrygië, anderzijds naar het zuiden langs de kust 
en de zuidhelft van Klein Azië: Lycië, Pisidië en Lykaonië, vandaar naar Cyprus. 
De expansie zou zich, bij te grooten tegenstand in het oosten (waar de Protochatten 
woonden), hebben voortgezet naar het westen: Kreta, de eilanden, en midden-en zuid- 
Griekenland. Ook in Macedonië woonden leden van deze Troje-Yortan kuituur, hetzij 
een achtergebleven rest, hetzij uit Klein Azië teruggekeerd. Dit alles, dat op grond 
van ceramiekvondsten is gereconstrueerd, heeft zich ongeveer in de 28 ste eeuw afge¬ 
speeld. Aan deze voorstelling van zaken verbindt Götze (p. 54 sq.) de plausibel lijkende 
hypothese, dat de dragers van deze Troje-Yortan kuituur de Luwiërs geweest 
zouden zijn, het eerste indogermaansche volk, dat Klein Azië binnenkwam, en dat 
ongeveer in dezen tijd 42 ) deze landen — althans een deel ervan — bewoonde. 

Deze lokaliseering berust voor een goed deel op de verbreiding van de ‘voor- 
Grieksche’ of ‘Klein Aziatische’ plaatsnamen. Sinds Fick en Kretschmer staat het vast, 
dat Griekenland, de eilanden en een groot deel van Klein Azië bewoond zijn geweest 
door één volk: in deze gebieden komen voor-Grieksche plaatsnamen voor, die ontegen¬ 
zeggelijk één taalgebied aanwijzen. Steeds is het de vraag geweest welk volk de drager 
was van deze taal, en in welken tijd dit volk gedateerd moest worden. Kretschmer 43 ) 
wees alles toe aan een door hem gepostuleerd ‘Klein Aziatisch’ substraat, waarvan de 
Lyciërs, Kariërs etc. de uitloopers geweest zouden zijn. Langen tijd heeft deze theorie 
alle andere overheerscht, eerst in de laatste jaren is men de juistheid ervan gaan 
betwijfelen. Speciaal oefenen de Luwiërs groote aantrekkingskracht uit, omdat zij in 
het zuidwestelijke deel van Klein Azië woonden, waar de ‘Kleinaziatische’ namen het 
meest voorkomen, en later de mysterieuse volken der Lydiërs, Kariërs en Lyciërs 
overblijven. Het voornaamste argument was evenwel, dat de Luwiërs het ‘Klein 
Aziatische’ suffix van den intervokalischen sibilant kenden, dat eveneens karakteristiek 
is voor de ‘Klein Aziatische’ plaatsnamen: -avcrog, -otvtroq, luw. - issas , - assas . Daarbij 
kwam, dat men gaarne in de Lyciërs afstammelingen der Luwiërs zag: hier luidt dit 
suffix -ezi ; evenwel komt het ook in andere talen van westelijk Klein Azië voor 44 ). 
In het Hetietisch werd het suffix: -^-> - h - 45 ), zooals y,v 7 nx,(r( 7 iq-*kupahis. Dat het Hetietisch 
hetzelfde suffix kent, bewijst echter reeds dat het in het geheel niet tot het Luwisch, 
of althans tot het westen, beperkt blijft, dus door beide talen aan een substraattaal 
ontleend kan zijn 46 ). 

Nu is men met de identificatie Luwiërs-Lyciërs verder gegaan: Ungnad 47 ) heeft 
in A vjcioi de vergrieksching van den naam der Luwiërs willen zien, die ‘wolfs-menschen’ 
zou beteekenen 48 ). Afgezien van den twijfel, die ten aanzien van de beteekenis van 
URBAR bestaat (volgens sommigen zou het “jakhals” beteekenen 49 )), treft het ongelukkig, 
dat de stam luk- wel degelijk ‘Klein Aziatisch’ is. K. Ostir 50 ) is nog verder gegaan 
door ook Trmmili met ‘wolfs-menschen’ te vertalen. Het klinkt te mooi; bovendien 
is m. i. de waarschijnlijkheid zeer groot, dat Termilen en Lyciërs niet identiek zijn 
(zie boven). — Voeg aan het voorgaande toe, dat Lycië en omgeving in (1300 jaar 
jongere) Hetietische teksten nog een anderen naam: Arzawa heeft, dat Herodotus 
(I 174) nog de namen Milyai en Solymoi opgeeft, en men zal inzien dat de zaken 
daar niet zoo eenvoudig kunnen liggen als men heeft gewild. 

De identificatie van de Luwiërs met het Troje-Yortan-volk laboreert nog aan 
een andere zwakheid : men neemt er stilzwijgend bij aan, dat het gebied der ‘Klein 
Aziatische’ plaatsnamen zich beperkt tot de genoemde gebieden. In het bizonder wil 
men het oostelijk gedeelte van Klein Azië buiten dit gebied laten vallen, hetgeen — 
al mogen de namen daar sporadischer gezaaid zijn — niet juist is. Bovendien breidt 
het gebied dezer namen zich veel verder uit dan men over het algemeen denkt 51 ); 
dit verzwakt Götze’s hypothese, al behoeft het er nog niet noodzakelijkerwijs den 
grond aan te ontnemen 52 ). 


HET WESTEN VAN KLEIN AZIË 407 

Dit is Götze's Luwiërtheorie; geheel anders ziet Brandenstein 53 ) de strati¬ 
ficatie van volken en talen. Volgens hem zouden in het oosten de Protochatten, 
in het westen de gepostuleerde ‘Klein Aziaten’ (die hij ‘^Egaeers’ noemt) wonen, twee 
niet-indogermaansche volken. Vervolgens zou er (in het derde millennium) door een 
volksverhuizing een protoindogermaansche bevolkingslaag zijn gekomen, die de indo¬ 
germaansche elementen in sommige Klein Aziatische talen zou moeten verklaren. 
Daar deze lieden archaeologisch niet zijn aan te wijzen, zouden het nomaden moeten 
zijn geweest. De Hetieten en Luwiërs, die omstreeks 2000 Klein Azië tegelijk zouden 
binnengekomen zijn, zouden een tweede indogermaansche laag vormen. Dan neemt 
Brandenstein nog een derde indogermaansche laag aan, en wel van Grieken, waartoe 
het Ahhijawa-v olk zou behooren (zie onder) en de voorvaderen der Lyciërs. — Deze 
theorie heeft het voordeel ingewikkelder te zijn dan die van Götze, want dat de 
stratificatie van volken en talen in Klein Azië gecompliceerd is, mag men zeker ver¬ 
wachten. Daar staat tegenover, dat deze theorie zoo weinig vasten grond onder de 
voeten heeft, dat zij vooralsnog een weinig fantastisch klinkt. 

Na deze uitweiding over de Luwiërs en hun vermeende identiteit met de voor- 
Grieken volgen wij verder den draad der geschiedenis. — De sterke verbreiding en 
machtsvergrooting van het Troje-Yortan-volk ging met verhoogde welvaart gepaard, 
waarvan Troje II getuigenis aflegt 54 ), met zijn zware muren en metaalrijkdom. Dit 
Troje gaat door verwoesting ten onder (tegen 1900), evenals andere steden in Klein 
Azië: het zijn de Hetieten (Nesieten), die het schiereiland binnendringen. Dit 
volk vestigt zich in de oosthelft van Klein Azië, en maakt daar historie, terwijl de 
geschiedenis van het westelijk gedeelte een lacune vertoont; alleen weten wij, dat de 
Kasken, die later in verbinding met de Musketi (Phrygiërs) optreden, nu reeds aan¬ 
wezig zijn en zich aan de noordkust in Paphlagonië {Kaska) hebben gevestigd. De 
Luwiërs stichten later (tegen 1300) een aantal staten, de Arzawa-landen, die in 
en om Lycië gelegen zijn. De uitbreiding van het (Nieuw-) Hetietische rijk naar het 
westen, in denzelfden tijd ongeveer, volgde de groote handelswegen, en drong waar¬ 
schijnlijk tot dicht bij de zee door 55 ). Aan de westzijde schijnt Kreta weinig of geen 
invloed uitgeoefend te hebben, Mycene daarentegen heeft enkele kolonies gesticht: 
Milete en vooral Troje VI (1400—1200), de Homerische stad. Aan Troje VI gaan 
drie steden vooraf, die tusschen 1900 en 1400 vallen; het zijn plaatsen zonder beteekenis, 
en weerspiegelen de passieve rol, die deze gebieden in het tweede millennium blijk¬ 
baar hebben gespeeld. Vanaf ongeveer 1350 duikt in de Hetietische teksten het land 
Ahhijawa op, dat met den naam ’A %xiol in verband wordt gebracht; men is er echter 
nog niet in geslaagd dit land definitief te lokaliseeren 56 ). Omstreeks 1200 valt dan 
Klein Azië aan de ALgaeische Volksverhuizing ten prooi, waaruit de Musken 
en verwante volken te voorschijn komen 57 ); 4 tot 7 eeuwen verloopen daarna nog 
voordat de Grieksche traditie ons inlichtingen verschaft. Dan blijken daar de 
volken te wonen die wij hierboven noemden, met nog vele andere stammen van 
tweede grootte. 

De geschiedenis van westelijk Klein Azië vertoont hier dus een lacune van op 
enkele punten ongeveer 5, op andere punten ongeveer 13 eeuwen. De groote moeilijk¬ 
heid is nu deze lacune te overbruggen, en de historie en praehistorie elkaar de hand 
te laten reiken. Men heeft Lycië met de Luwiërs in verband willen brengen, maar 
dit is niet geslaagd, al blijft de mogelijkheid bestaan, vooral nu Meriggi in het Lycisch 
op zijn minst genomen sterke indogermaansche elementen heeft aangewezen (zie boven). 
Daarnaast staat een volk als dat der Kariërs, die van de eilanden zouden zijn ge¬ 
komen, maar anderzijds weer verwantschap vertoonen met de andere Klein Aziatische 
volken; en de Lydiërs zweven ethnologisch — strikt genomen — nog steeds in de 
ruimte, want zij zijn niet met eenige zekerheid aan een ander volk vast te koppelen. 
Wanneer men bij dezen stand van zaken zich toch, bij wijze van ‘working hypothesis ’ 
grond onder de voeten wil kiezen, zal men nog de oude theorie van Kretschmer 58 ) 
de meest verkieslijke vinden: Mysiërs (het substraat nl. van voor 1200), Lydiërs, 
Kariërs (of hun substraat), en waarschijnlijk ook een zekere oude bevolkingslaag van 
Lycië, behooren, evenals nog wel enkele andere bevolkingslagen in Klein Azië, tot 
een volk, dat bij gebrek aan beter nog steeds ‘Klein Aziatisch’ mag heeten 5Ö ). 



408 


HET WESTEN VAN KLEIN AZIË 


Hiermede blijft men in overeenstemming met de antieke traditie, dat Lydiërs, Mysiërs 
en Kariërs nauw verwant waren 60 ); tot nu toe is de theorie, ondanks den grooten 
groei van het gegevenmateriaal, nog steeds niet gevallen. 

Bussum J. JONGKEES 


1 Jbr. 4 p. 231 sq.; daarin zijn op p. 235 enkele fouten blijven staan: de troonsbestijging van Alyattes 
valt in 610, niet in 605, zooals er tweemaal staat; r. 10 van ond. te lezen: “. .. Cyaxares, den koning der 
Meden leidden, waarna de Halys als grensrivier Alyattes’ rijk . . de tweede helft van noot 3 vervalt. — 
2 Bürchner RE X 1917 kol. 1940 sq ., 1943 sq. — 3 Hdt. I 171, cf. Thuc. I 8,1; overigens noemden de 
Kariërs zichzelf autochthoon. — 4 F. Bork Af O 7 1931 p. 14—23; W. Brandenstein RE Suppl. VI 1935 
kol. 140 sq. — 5 Voor het eerst gezamenlijk uitgegeven door J. Friedrich Kleinasiatische Sprachdenkmaler 

(Kleine Texte uitgeg. door Lietzmann 163, 1932) p. 92 sq. met facsimile’s. — 6 Gardthausen Kleinasiatische 

Alphabete RE XI 1921 kol. 601 sq.; F. Bork Archiv für Schreib- und Buchivesen 4 1930 p. 18 sq. — 
7 A. Evans Scripta Minoa p. 66. — 8 W. Paton en J. Myres Karian Sites and Inscriptions JHS 16 1896 
p. 198 sq ., W. Paton Sites in E. Karia and S. Lydia JHS 20 1900 p. 57 sq .; zie ook Perrot-Chipiez Hist. 
de VArt V 1890 p. 309—336, Hist. of Art in Phrygia etc. 1892 p. 302—330. — 9 RE XIII 1927 

kol. 2270 sq .: Ruge behandelt de geografie en geschiedenis, G. Deeters de taal. — 10 Hdt. I 176. — 

ll Hdt. I 173. — 12 Een kaartje o. a. in Tituli Lyciae I p. 10. — 13 ‘Lyciërs’ ( Lukki ) komen reeds in 

de Amarnabrieven, het Lukka -land in texten uit Bogazköy voor, maar dit land is niet identiek met het latere 
Lycië (A. Götze Kulturgeschichte Kleinasie?is , Handb. d. Altertumswissenschaft uitgeg. door I. von Müller III 
i III 3 I, 1933 p. 170). — 14 E. Kalinka Tituli Lyciae lingua Lycia conscripti Tituli Asiae Minoris I 1901. — 

15 Kleinas. Sprachdenkm. p. 54 sq. — 16 F. Bork Skizze des Lükischen 1926; P. Meriggi Indogerm. Forsch. 

1928 p. 151 sq .; dez. Kleinas. Forsch. I 1930 p. 414 sq.; dez. Rendiconti d. Accad. R. d. Lincei Classe di Sc. 
Mor . 6 IV 1929 p. 410 sq ., waarvan een vervolg thans aangekondigd is. Overzichten geven J. Friedrich RV 
I 1924 p. 138 sq.; G. Deeters RE XIII 1927 kol. 2282 sq.; W. Brandenstein RE Suppl. VI 1935 kol. 165 sq. — 

17 Festschrift f. Hermann Hirt (H. Arntz Germanen undIndoger?7i., Indogerm. Biblioth. 3 XV 1936) II p. 257. — 

18 Veel minder sterk staat Meriggi, wanneer hij ibid. p. 283 ook het Lydisch een indogermaansch karakter 

wil geven; met Brandenstein ibid. p. 44 geloof ik nog steeds dat de verwantschap van het Lydisch niet vast¬ 
staat, maar dat de ‘Klein Aziatische’ theorie nog altijd het waarschijnlijkste is (zie slot). Blijkens dagbladbericht 
deelt Prof. van Ginniken in een mededeeling voor de Kon. Akademie verscheidene Klein Aziatische talen, 
waaronder het Phrygisch, het Kaskisch, het Muskisch en het Lydisch, bij de Kaukasische talen in; de verhandeling 
is echter nog niet verschenen op het moment van schrijven. — 19 Nog steeds Perrot-Chipiez Hist. de VArt 

V P- 339 — 4 oc b Hist. of Art in Phrygia etc. p. 331—400; verder: E. Brandenburg Die Denkmaler der Fels - 

architektur und ihre Bedeutung für die vorder as. Kultur geschichte AO 29, 3 (1931). Een archeologische kaart 
van Lycië door R. Heberdey vindt men achterin TL. — 20 O. Benndorf en G. Niemann Reisen in Lykien 

und Karien (1884); E. Petersen en F. v. Luschan Reisen in Lykien , Milyas tind Kibyratis (1889); R. Heberdey 
en E. Kalinka Be7'icht über zwei Reisen im südl. Kleinasien Denkschr. Akad. Wien XLV 1896. — 21 J. Six 
Les Monnaies lyciennes Rev. Num. (de Fransche) 3 IV 1886 p. 101 sq ., 141 sq ., 421 sq ., V 1887 p. 1 sq. \ 
G. Hill Cat. of Greek Coins in the British Museum. Lycia , Pamphilia , and Pisidia (1897); E. Babelon Traite 
des Momiaies 2 è nie série I en II, met bijbehoorende platen in de 3 è me série (1907 en 1910). — 22 E. Kalinka 
Tit. Lyc. linguis Graeca et Latina conscripti Tit. As. Min. II, wordt in afleveringen gepubliceerd. — 
23 E. Kornemann Die Stellutig der Fr au in der vorgriech. Mittelmeerkultur Oriënt u. Antike 4 1927 p. 23 sq .; 
J. Frazer Golden Bough IV passim. — 24 De inscripties zijn verzameld bij Friedrich Kleinas. Sprachdenkm. 

p. 142 en Brandenstein Die Sprache der Pisider AfO IX 1934 p. 52 sq., waar zij bevredigend verklaard zijn. — 

25 A. Götze Kulturgesch. Kleinas. p. 188 sq. — 26 A. Kampman Jbr. 3 p. 117; zie boven. — 27 K. Bittel 

en H. Güterbock Abh. Akad. Berlin Phil. Hist. Klasse 1935, 1 Plaat 4. — 28 Jbr. 4 p. 235. — 29 Voor 

het eerst verzameld uitgegeven door Friedrich Kleinas. Sprachdenkm. p. 125 sq. — 30 N. Jokl RV X 1927 

p. 141 sq. — 31 Cox-Cameron Klio 1932 p. 34 sq.; Friedrich Kleinas. Sprachdenk77i. p. 140 sq .; Kretschmer 

Glotta XXII 1934 p. 201 sq. bespreekt deze inscriptie. — 32 Ap. Strab. XII 8, 3. — 33 Een en ander 

bij Perrot-Chipiez Hist. de VArt V p. 1—235, Hist. of Art in Phrygia etc. p. i—231 — 34 G. en A. Korte 

Gordion Jahrb. d. Deutschen Arch. Inst., Erganzungsh. 5, 1904. Op het oogenblik is in Kuzura bij Afyon een 
opgraving gaande onder leiding van Miss W. Lamb; het geldt een dorp uit het 3 de en 2de millennium. De 
resultaten zijn nog niet gepubliceerd, maar voorloopige mededeelingen vindt men: JHS 1936 p. 156, en Arch. 
Anzeiger 51, 1936 kol. 406—411 (van Miss Lamb zelf). — Van een Fransche opgraving onder leiding van 
Mej. Dn C. Haspels is nog niets bekend. —- 35 Deze dateering wordt betwist: speciaal Prof. Frankfort 

dateert ze zeer vroeg (2de millennium). — 36 Jbr. 4 p. 233. — 37 E. Brandenburg Phrygien und seine 

Stellung im kleinas. Kulturkreis AO 9,2 (1910); dez. Die Denkmaler der Felsarchitektur AO 29, 3 (1930); 
dez. AOF 6 1931 p. 287 sq. — 38 Zie Jbr. 4 p. 234 noot 10. — L. Franz Die Muttergöttinim vorderen 
Oriënt und in Europa AO 35, 3 (1937) geeft een overzicht van de idolen uit Europa en Voor Azië, die, naar 
men mag aannemen, de Moedergodin voorstellen; hij concludeert, dat het type — en dus de kultus — tot in 
den Europeeschen ijstijd teruggaat. Wanneer men Frazers verklaring van den kultus, als gevolg van matriarchaat, 
in het oog vat, ligt het ontstaan van dezen kultus in beschavingen van lagen trap vrijwel voor de hand 
[Golden Bough (1936) IV 2 p. 201 sq.]. Dat wij elders den kultus aantreffen en is dus niet verwonderlijk, wel 
is het interessant te zien, dat de idolen zoo een groot verspreidingsgebied hebben. —- 39 Behalve deze 

volken zijn er nog talrijke kleinere stammen, waarvan weinig of niets bekend is; een catalogus geeft Hdt. VII 
72 e.v. — 40 H. Frankfort Asia , Europe , \and the HSgean , and their Earliest Interrelations (Studies in Early 
Pottery II) R. Anthropological Inst., Occasional Papers 8, 1927 (ook als Leidsche dissertatie verschenen); 




HET WESTEN VAN KLEIN AZIË 


409 


A. Götze Kulturgesch. Kleinasiens (Müllers Handbuch III 1 III 3 I, 1933); K. Bittel Prdhistorische Forschung 
in Kleinasien (Istanbuler Forsch. 6 1934). Kortere studies, speciaal op de talen betrekking hebbend: W- Brandenstein 
Kleinas. Ursprachen RE Suppl. VI 1935 kol. 165 sq. ; dez. Die Sf7'achsc Inch ten im Bereich der Agdis Festschrift 
Hirt (1936) II p. 29 sq. ; J. Friedrich Das erste Auftreten der Indogermanen in Kleinasien ibid. p. 215 sq. 
(Dit artikel bespreekt en verwerpt de meeningen van Götze en Brandenstein RE). — 41 Thans: W. Lamb 

Excavations at Thermi in T.esbos (1936). — 42 “Ongeveer”, want doorgaans dateert men den inval der 

Luwiërs op omstreeks 2500; zie ook A. Kampman Jbr. 4 p. 217. — 43 Einleitung in die Geschichte der 

griechischen Sprache (Göttingen 1896), speciaal hoofdstuk X. — 44 Brandenstein Festschr. Hirt II p. 37. 

Ook is er een suffix -xvS- in voor-Grieksche namen, in Klein Azië vaak - nt - of - nd -, dat men van Protochattisch 
- anad(a) pleegt af te leiden. De in Griekenland voorkomende suffixen -/vS- en -vv&- onderscheidt men gewoonlijk 
van doch of dit terecht geschiedt blijft zeer twijfelachtig. — 45 Kretschmer Kleinas. Forsch. I 1927 

p. 9 sq. — 46 Brandenstein Festschr. Hirt p. 36 denkt aan Protochattisch -s suffix. — 47 ZA NF I 

1924 p. i sq. — 48 Luvili ‘Luwisch’ wordt ideografisch urbarra/z geschreven, waarin urbar ‘wolf’ zou 

beduiden. — 49 Brandenstein Festschr. Hirt II p. 37. — 50 K. Ostir Kleinasiatisch Te7'milai u die 

Wölfischen ” Razprave 1930 V—VI (Ljubljana), dat ik alleen uit Brandensteins bestrijding ken ( Festschr. Hirt 
II p. 32, op zuiver taalkundige gronden). — 51 Ch. Autran Introduction a Vétude C7'itique des no7ns propres 

grecs (zonder jaar, maar ongeveer tusschen 1925 en ’28 uitgegeven; onvoltooid; geweldig veel, maar zeer vaak 
dubieus materiaal; breeder opgezet dan vorige studies over het onderwierp, maar al te vaak fantastisch; tenslotte, 
mede door het ontbreken van registers, zeer duister en moeilijk te hanteeren, vandaar ook vrijwel nooit gebruikt). — 

52 Misschien is meer te zeggen voor Brandensteins vermoeden {Festschr. Hirt II p. 29 sq.f dat het gezochte 
voor-Grieksche volk het Protochattische is; echter zweeft ook deze stelling nog volkomen in de lucht. — 

53 RE Suppl. VI. — 54 Indien men aanneemt, dat de Luwiërs eerst omstreeks 2500 zijn binnengekomen, 

zoo zou men verband kunnen zoeken met Troje II, welks begin men tusschen 2600 en 2400 dateert; er ligt 

een lacune tusschen I en II, onderbreking w T elke in Thermi niet voorkomt: het zou mogelijk zijn dat de 

Luwiërs wel in Troje, maar niet op Lesbos zijn geweest (Troje I behoeft daarom nog niet door brand verwoest 
te zijn; brandsporen ontbreken nl.); in ieder geval zou hun binnendringen dan in den kultureelen toestand 
weinig verandering hebben gebracht. — 55 Jbr. 4 p. 235. — 56 Dit Jbr. p. 393—7. — 57 Zie boven. 

Brandenstein wil de Chalden (Urartseers) onder den drang van dezen inval uit westelijk Klein Azië naar hun 
woonplaatsen aan het Van-meer laten verhuizen {Festschr. Hirt II p. 42. De Chalden zijn van onbekende 
herkomst en stichtten in de negende eeuw een rijk in Armenië, dat zich + 640 aan Assurbanipal onderwierp). 
Dit berust op zijn stelling, dat de Etruriërs in laatste instantie uit Lydië afkomstig zouden zijn, en verwant 
waren met de Chalden, die dan ook in het westen van Klein Azië moeten hebben gewoond {Die Herkunft 
der Etrusker AO 35, I 1937). Deze stelling mist echter iederen grond, en blijft mij onaannemelijk. — 
58 Einleitung in die Geschichte der griechischen Sprache (1896). — 59 Brandenstein Festschr. Hirt II p. 42 

brengt de komst der Termilen in Lycië (tegen de getuigenis van Herodotus in) in verband met den Kimmerischen 
inval. Evenzoo de Lydiërs: de naam K ^diaoc, zou de onlydische diphthong bevatten; de Grieksche transcriptie, 
die zeer vrij kan zijn, geeft echter geen reden in de taal van herkomst ook een diphthong aan te nemen. — 
60 Hdt. I 171, VII 74; Xanthus ap. Strab. XII 8,3; Menekrates ap. Strab. VII 2,3. 

TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 

Met figuren 8—io 

Tot het begin dezer eeuw is de voorstelling van den tempel in Mesopotamië als 
een heiligdom op groote kunstmatige hoogte, welhaast algemeen verbreid geweest , ). 
Zij schijnt nog niet geheel prijsgegeven 2 ), ofschoon sedert lang de ziqqurat*) de ‘tempel- 
toren’ als onderdeel van een tempelgebied werd onderkend 3 ) en verscheidene op 
normaal niveau gebouwde tempels goed bekend zijn geworden 4 ). Mèt deze juistere 
kennis aangaande den tempel in Mesopotamië, rees nu evenwel de vraag naar de 
bestemming der ziqqurat, den tempeltoren, wel oerbeeld 5 ) van alle kerktorens genoemd. 
Ook heden wordt deze vraag nog niet eenstemmig beantwoord. 

De tempel zelf heeft eveneens problemen gesteld en wel betreffende den vorm 
en den oorsprong der cella 6 ). Drie typen komen voor, aangeduid als Breitraum> 
Langraum en Herdhaus 7 ). In navolging van Andrae houdt men het eerste type voor 
Babylonisch, de laatste twee typen voor Assyrisch 8 ). Hierbij is echter de Sumerische 
tempel welhaast geheel buiten beschouwing gebleven 9 ). Toch kan met zeer groote 
waarschijnlijkheid de Herdhaustempel Sumerisch worden geacht 10 ), zoodat de drie 
typen resp. ‘Sumerisch’, ‘Babylonisch’ en ‘Assyrisch’ kunnen worden genoemd. Daar¬ 
naast worden in het volgende overzicht van den tempelbouw in Oud-Mesopotamië u ) 


* Van het werkwoord zaqdru, hoog zijn. zik(k)üratu is de Babylonische ^'sikküratu de Assyrische vorm. 
Vgl. Meissner, Studiën zur assyrischen Lexicographie , III (== M.A.O.G. XI, 1/2, 1937) 22/23 [&•]• 




4io 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


de termen geknikte as -(Herdhaus), (vgl. Reuther, Innenstadt, p. 142), korte as- 
(Breitrauni) en lange as -cella toegepast. 

I. Praehistorische PERIODE. A. Beneden Mesopotamië. Uit de vroegste 
periode ( c Obaid) is geen tempelbouw of monumentale bouwkunst in het algemeen 
bekend 12 ). Daarentegen is belangrijke bouwkunst, ook tempelbouw, uit den Uruk- en 
den Djemdet Nasr-tijd aan het licht gekomen 13 ). Te Warka (Erech, Uruk) is de z.g. 

Witte Tempel opgegraven (Uruk-periode), doch de bestemming ‘tempel’ is onwaar¬ 
schijnlijk en de naam Witte Hal voorloopig beter 14 ). Als tempel mogen te Erech 
zeker worden opgevat de z.g. kalksteenen tempel en de tempel C (beide Uruk- 
periode I5 ). Het planelement, ook der Witte Hal, bestaat uit een rechthoekige ruimte 
of hof met aan de langszijden een rij ondiepe vertrekken. Het totaal-plan der tempels 
(rechthoekig van vorm; tempel C ± 22 X 54 m) bestaat uit twee planelementen van 
ongelijke grootte en dwars tegen elkaar geplaatst. De cella, toegankelijk vanuit de 
binnenhof (in tempel C ± 36 m lang en ± 8 m breed), heeft een korte as. Tempel C 
was uitgevoerd in kleisteen. De buitenarchitectuur van den kalksteenen tempel ken¬ 
merkte zich, evenals de binnenhof, door oplossing van het muurvlak in decoratieve 
muurverzwaringen. Levendige kleurwerking (stiftenmozaiek in wit, zwart en rood) 16 ) 
was der bouwkunst van Erech in deze periode eigen en is ook aan tempel C vast¬ 
gesteld 17 ). 

De Witte Hal stond op de oudste bekende ziqqurat in Mesopotamië. Zij is 
in kleilagen, met toepassing van asphalt en kleisteen, opgebouwd (ruim 12 m hoog) 
en had hellende, ribvormig bewerkte, vlakken 18 ). Opvallend, vooral in vergelijking 
met het strenge plan der tempels en der Witte Hal, is haar minder regelmatige vorm. 

B. Boven Mesopotamië. Te Arpachiyah (nabij het oude Niniveh) werd uit 
de vroegste periode (Teil Halaf) rondbouw van cirkelvormig plan opgegraven, doch 
heiligdommen (Mallowan 19 ) kunnen hierin moeilijk worden gezien 20 ). De volgende 
periode (Tepe Gawra) leert met zekerheid tempels kennen. De planvorming is geheel 
verschillend van die te Erech: het planelement is de enkelvoudige, rechthoekige 
ruimte 21 ). Door de groepeering der ruimten in drie rijen toont evenwel het plan 
eenige overeenkomst met de Witte Hal 22 ). De cella heeft een lange as, die bovendien 
het geheele plan beheerscht. 

C. Ontstaan en Herkomst. De veel verbreide meening, dat het godshuis 
overal als een woonhuis-type is ontstaan, komt niet overeen met de bijzondere beteekenis 
welke in primitieve en ook ontwikkelde culturen dikwijls den koning wordt toegekend 23 ). 

De opvatting n. 1 . van den koning als een god, doet vermoeden, dat in verschillende 
gevallen de troonzaal oercel van den tempel is geweest 24 ). Na ontwikkeling der 
religieuze voorstellingen kan de tempel als zelfstandige architectonische schepping, 
met als kern de ^//«z-troonzaal, zijn gewrocht. Betreffende de tempels te Erech kan 
misschien, ofschoon elk archeologisch bewijs ontbreekt, aan deze origine worden gedacht. 

Daarentegen kan in de cella van den tempel te Gawra het type van een woonhuis * 

worden vermoed. 

De ziqqurat in Mesopotamië wordt welhaast algemeen van Sumerische herkomst 
beschouwd. De tempels te Erech toonen echter een regelmatigen planvorm, die waar¬ 
schijnlijk in de echt Sumerische bouwkunst niet is voorgekomen. Indien ook de ziqqurat 
te Erech een regelmatigen planvorm toonde, zou zij misschien niet-Sumerisch kunnen 
worden geacht 25 ). 

De herkomst van * r de bouwkunst te Erech staat niet vast, doch de plattegrond 
en de opbouw der gebouwen wijzen misschien op een voorafgeganen rietbouw en 
derhalve op inheemsche origine en ontwikkeling. De Djemdet Nasr bouwkunst schijnt 
uitheemsch te zijn geweest 26 ). De tempel te Gawra toont verwantschap met gebouwen 
in het ‘Noorden’ 27 ). 

II. Historische Periode. A. Sumerische Tempelbouw. Sumerische 
tempels waren tot onlangs niet opgegraven of niet als zoodanig onderkend. De oudste 
Istar tempel te Assur ( H-G) ontstond tijdens een hier overheerschende Sumerische 
cultuur en kan nu, blijkens de tempels te Eshnunna (Teil Asmar) en Akshak (Chafadje) 


411 

met zeer groote waarschijnlijkheid in hoofdzaak Sumerisch worden genoemd 28 ). Deze 
tempels dateeren uit de Oud-Sumerische periode. De tempelbouw der Nieuw-Sumerische 
periode stond bijna geheel onder Babylonischen (Akkadischen) invloed, doch deze kan 
ook in de Oud-Sumerische periode reeds van beteekenis zijn geweest. Als echt Sumerisch 
mag, behalve de geknikte as-cella, het ontbreken van een hof en misschien de toe¬ 
passing van poort-torens 29 ) worden beschouwd. Ook de twee schachten terzijde van 
den tempelingang mogen wel Sumerisch worden genoemd 30 ). 

De tempels der Oud-Sumerische periode, door vorsten als Urnanse, Eannatum, 
Entemena in de religieuze of politieke centra van Sumerië (Nippur, Lagas, Ur, Eridu, 
Erech) voor de góden Enlil, Ningirsu, Ea en zoovele anderen gebouwd, zijn, door 
verwoestingen en weeropbouw in gewijzigden vorm, voor ons verloren gegaan. Goed 
bewaard is het platform van den Nincharsag-tempel te ‘Obaid (nabij Ur), gebouwd 
door A-anni-padda (iste dyn. Ur). Van den tempel zelf is weinig bekend, doch toe¬ 
passing van monumentale bronzen reliëfs en decoratief-bewerkte kolommen (mozaïek) 
staat vast 31 ). 

Goed bekend zijn de Sin-tempel 
te Akshak en de Abu-tempel te Esh¬ 
nunna 32 ). De jongste Oud-Sumerische 
Abu-tempel (fig. 8) bestaat uit een, 
waarschijnlijk overwelfde, cella van ± 

3 X 12 m en een vermoedelijk als 
keuken op te vatten aanbouw 33 ). De 
tempelingang heeft de bekende torens. 

De cella heeft de geknikte as, die ook 
ten grond ligt aan de cellae van den 
ouderen Abu tempel (‘S^z/dtfV-tempel), 
waarin de prachtige groep statuetten 
werd gevonden 34 ). De geknikte as heeft 
eveneens genoemde tempel te Ak¬ 
shak, die verder opmerkelijk is door 
een vóór -cella en een aangebouwde 
voorhof 35 ). Het cultusbeeld stond in deze Oud-Sumerische tempels op een verhoogd 
postament. 

Dat in de Oud-Sumerische periodej ziqqurati werden gebouwd staat vast. Over¬ 
blijfselen zijn o.a. te Kis 30 ) en Nippur 37 ) gevonden, doch omtrent den opbouw ontbreken 
gegevens. Het materiaal, evenals van de tempels (althans tot op Entemena), was de plano- 
convexe kleisteen 38 ). 

De (Semitische) Periode van Akkade, op de Oud-Sumerische volgend, is, 
behalve voor de religie en den cultus 39 ) en op artistiek terrein de plastiek 40 ), ook 
voor den tempelbouw van beteekenis geweest. Sedert de Akkadische periode zijn de 
tempels, ook die der Nieuw-Sumerische periode, Baby Tonisch van aanleg. Echter 
bestaat de Sumerische cella voort in [de huiskapellen, alsmede in de kapel van Bur- 
Sin in het Giparku-complex te Ur 41 ). Doch ook de tempels zélf toonen, ongeacht de 
poort-torens, in verschillende gevallen invloed van den Sumerischen tempel. 

Uit een beschrijving van Gudea bekend en misschien op een zijner statuen in 
omtrek afgebeeld, is de door dezen vorst herbouwde Ningirsu-tempel Eninnü te Lagas 42 ). 
Bedoelde plattegrond herinnert aan de hoofdlijnen van den jongsten Oud-Sumerischen 
Abu-tempel te Eshnunna. 

Door de Engelsch-Amerikaansche opgravingen, onder leiding van Woolley, werd 
het tempelgebied Egtésirgal van Ur (lilde dyn. en later) goed bekend 43 ). Het omvatte 
o.m. een ziqqurat op het ziqquratterras, een ruime tegen dit terras gebouwde doch 
lager gelegen hof, verder de tempels Edublalmach en Enunmach en tenslotte het 
groote reeds genoemde Giparku-complex. De dubbel -cella van Enunmach vormt met 
twee nevenvertrekken een in den tempel‘vrij staanden kernbouw. Hierin mag zeker 
invloed van den Sumerischen tempel worden gezien. Het Giparku-complex (± 76 X 79 m) 
bestond in hoofdzaak uit twee tempels, elk bestaande uit een hof met rondom liggende 
vertrekken en een cella met vóór -cella, De cella van den zuidoost-tempel is goed 



Fig. 8. Abu-tempel te Eshnunna; oud-Sumerisch 
(O/C, 17, Fig. 36) 



412 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAM 1 Ë 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


4Ï3 


Babylonisch, die van den noordwest-tempel verraadt invloed van den Sumerischen 
tempel 44 ). Geheel Babylonisch is de, voor den vergoddelijkten koning Gimil-Sin van 
Ur (lilde dyn.), te Eshnunna gebouwde tempel 45 ). De zeer dikke muren wijzen misschien 
op toepassing van het gewelf. 

Van de ziqqurati der Nieuw-Sumerische periode is de ziqqurat van Ur ( + 43 X 65 m), 
gebouwd door Ur-Nammu, het best bewaard en door de reconstructie van Newton 46 ) 
(welke echter herziening behoeft) 47 ) algemeen bekend. Wanneer de opbouw inderdaad, 
in tegenstelling met de gangbare voorstelling der regelmatige tempeltorens, asyme- 
trisch is 48 ), spreekt hier misschien het minder strenge karakter der echt Sumerische 
bouwkunst. 

De tempels en ziqqurati dezer periode zijn evenals die der vorige periode in 
kleisteen gebouwd; een bekleeding met baksteen is o.a. aan de ziqqurat van Ur 
vastgesteld. Voor verankering werden dikke touwen in de ziqqurati ingemetseld 49 ), 
terwijl ook de toepassing, van rieten matten in het metselwerk is vastgesteld 50 ). De muren 
hadden de zoogenaamde lisenen-geleding (slechts weinig uit het vlak naar voren komende, 
pilastervormige versterkingen) en waren steeds bepleisterd; het steenverband had geen 
decoratieve of architectonische beteekenis 51 ). Evenals het dak zal de overdekking der 
ruimten in het algemeen plat zijn geweest, doch zeker zijn overwelfde ruimten voor¬ 
gekomen. Toepassing van hoog geplaatste lichtopeningen (basilicale verlichting) is 
waarschijnlijk 52 ). De binnenafwerking der cella was misschien minder sober dan met 
het oog op de eenvoudige buitenarchitectuur der tempels zou worden vermoed. In 
de mausolea der lilde dyn. van Ur is een decoratie met goud en lapislazuli en 
misschien ook toepassing van een wandbetimmering vastgesteld 53 ). 

B. Babylonische Tempelbouw. De oudste ons bekende Babylonische cella 
ligt in de Akkadische verbouwing van den reeds genoemden Abu-tempel te 
Eshnunna 54 ). De Sumerische cella werd door een binnenmuur Babylonisch gemaakt 
in dien zin, dat de ingang recht tegenover en op betrekkelijke korten afstand vóór 
het cultusbeeld werd geplaatst. De nieuwe cella is geen Breitraum , doch mag zeker 
als korte as-cella worden opgevat. Men kan vermoeden, dat in de korte as, méér 
dan in de breedte der cella, het wezen van het Babylonische cultus-vertrek moet 
worden gezien 55 ). 

Buiten Babylonië is te Mari een (door Hammurabi verwoest) paleis opge¬ 
graven, waarvan de paleistempel als geheel herinnert aan den tempel C te Erech, 
terwijl de planelementen resp. een Babylonischen en een Sumerischen (of Sumerisch 
beïnvloeden) tempel toonen 56 ). De Sumerische cella treedt hier evenwel op als hof, 
welke door een rondom aangebrachte luifel gedeeltelijk was overdekt 57 ). 

In den tijd waaruit deze paleistempel dateert (ca. 2000 v. Chr.) werden in 
Babylonië (Isin-Larsa periode) verschillende tempels der Nieuw-Sumerische periode 
herbouwd. De vrije ligging der cella bleef, waar aanwezig, behouden 58 ). Bij het ziqqurat- 
terras te Ur werden door Warad-Sin kolommen naast een ingang toegepast 59 ), hetgeen 
herinnert aan de kolommen Jachin en Boaz van den (veel lateren) tempel van 
Salomo. De toepassing van kolommen kan misschien Sumerisch worden genoemd 00 ), 
doch zij is reeds uit Uruk IV (ofschoon in een bijzonderen vorm) bekend G1 ). 

Uit 'the golden age of Hammurabï zijn geen tempels bewaard, hoewel de groote 
koning vele tempels heeft herbouwd 62 ). De hoofdtempel van Babylon, Esagila, werd 
een eeuw na Hammurabi door de Hethieten verwoest, waarbij het beeld van Marduk 
en Zarpanitum werd geroofd. Agumkakrime (ca. 1700 v. Chr.; dyn. der Kassieten) 
beroemt zich erop de beelden te hebben teruggehaald en den tempel te hebben ge¬ 
restaureerd en verfraaid. Hij bericht verder de uitvoering van bronzen paneelen, met 
afbeeldingen der door Marduk overwonnen chaos-monsters, bestemd voor de deuren 
van Esagila 63 ). 

Een eigen kassietische tempel, te Warka opgegraven (Innin-tempel van Karain- 
dasch, 15de eeuw v. Chr.) 64 ), verschilt geheel van de bekende Babylonische tempels, 
doch toont overeenkomst met het plan van den besproken tempel te Gawra. Opmer¬ 
kelijker nog dan het plan is de buitenarchitectuur: een fries van ongeveer levensgroote, 
in nissen geplaatste godenfiguren, uitgevoerd in baksteen, vormt het benedendeel 
der muren 65 ). 


Het hoogtepunt van den Babylonischen tempelbouw en der Babylonische bouw¬ 
kunst in het algemeen, althans wat omvang der bouwwerkzaamheid betreft, valt in 
de Nieuw-Baby Ionische periode 66 ). Vooral Nebukadnezar II heeft in Babylon, 
Kis, Ur, Sippar en elders, vele tempels herbouwd, gebouwd of verfraaid 67 ). Zij zijn 
zeer verschillend van grootte en ook uiteenloopend in plan, doch de hoofdelementen : 
korte as-cella, binnenhof met rondom liggende vertrekken, poort-torens aan tempel- en 
cella-\ ngang, hebben zij gemeen. (Fig. 9). In de meeste gevallen heeft de cella een vóór-cella. 

In verschillende tempels te Babylon 
(o.a. Ninurta-tempel en Istar-tempel) her¬ 
kent men de oorspronkelijke zelfstandige 
ligging der cella van den Sumerischen 
tempel, de cellae der drie grootste tempels 
daarentegen (Esagila te Babylon; Ezida 
te Borsippa; Chursagkalamma te Kis) 
zijn vast in den bouw opgenomen. Ge¬ 
noemde tempels te Kis en Borsippa ken¬ 
merken zich door de verdubbeling der 
vóóv-cella . Misschien kan in de aldus 
ontstane drie-deeling invloed van de 
Assyrische cella worden gezien. Waar¬ 
schijnlijker is echter, dat de verdubbeling 
verband houdt met de groote afmetingen 
dezer tempels 68 ). Een religieus of aan 
den cultus ontleend motief zal er ver¬ 
moedelijk niet aan ten grond liggen 69 ), 
wijl immers deze voorbeelden op zich¬ 
zelf staan. Ook de nevencella in den 
Nebo-tempel (Ezida, Borsippa), met eigen 
binnenhof, mist de verdubbeling der vóór- 
cella. Bovendien ademen de groote tempels 
meer een profanen dan gewijden geest: 
de gevels werken niet meer als omsluiting 
van het ‘heilige’, doch als scheppingen 
voor zichzelf. Zoo is dan ook in Kis 
(Chursagkalamma) en Babylon (Esagila) 
elke gevel door een monumentalen ingang 
tot pronk-fagade geworden 70 ). 

Esagila te Babylon en Ezida te Bor¬ 
sippa zijn wel de meest beroemde tempels 
der Nieuw-Babylonische periode, beroemd 

vooral door het steeds terugkeerende epitheton ‘Verzorger van Esagila en Ezida’ der 
Nieuw-Babylonische koningen. Met den grond gelijk gemaakt door den ‘woesteling’ 71 ) 
Sanherib, den ‘grooten hater van alles wat Babylonisch was’ 72 ), werd Esagila (waarvan 
de vroegste vermelding teruggaat tot Zabum, iste dyn. van Babel) 73 ) door Assarhaddon 
en Assurbanipal weer opgebouwd en door de Nieuw-Babylonische koningen hersteld 
en verfraaid. De tempel bestond uit twee tegen elkaar gebouwde complexen, waarvan 
het west-complex (de eigenlijke tempel; ± 80 X 86 m) behalve de cella van Marduk 
nog minstens twee cellae (van Nebo en Ea), alsmede een groot aantal vertrekken van 
onzekere bestemming bevatte, het geheel gegroepeerd rondom een binnenhof van 
± 31 X 3 8 

Evenals alle Babylonische tempels was ook Esagila in kleisteen, met toepassing 
van kleimortel (ook asphaltmortel) en klei- of kalkpleister uitgevoerd. De (buiten 
steeds met enkele of samengestelde lisenen bewerkte) muurvlakken der tempels waren 
wit gesaust, soms echter in wit-zwart afgewerkt 74 ). Glazuursteen (reliëfs), toegepast 
aan paleizen, stadspoorten en de processiestraat Aibursabu te Babylon, werd in 
Babylonië eerst in den tijd der Seleuciden aan tempels verwerkt 75 ). Stierkolossen 
(bekend uit den Assyrischen tempel) schijnen aan den ingang van den Nebo-tempel 
te Borsippa te hebben gestaan 76 ). Het dak van den Babylonischen tempel was zeker 



Fig. 9. Ninmach-tempel te Babylon; Nieuw-Babyl. 
Periode (Koldewey, Wiedererst. Bab : 4 , Abb. 38) 






414 TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 

steeds plat, doch evenals in den Sumerischen tempelbouw zijn overwelfde vertrekken 
niet uitgesloten. Dat de lisenen steeds als torens tot boven de daklijn zijn opgetrokken 
(Koldewey) 77 ), mag worden betwijfeld. 

Van de ziqqurati der Nieuw-Babylonische periode is de Toren van Babel, 
waarvan echter slechts geringe resten zijn bewaard, algemeen bekend. Over zijn vorm 
is veel gedisputeerd 78 ), doch Koldewey’s reconstructie kan heden, omdat zij door 
Andrae werd prijsgegeven 79 ), verouderd worden genoemd. Een duidelijk getrapte 
opbouw wordt nu wel door alle gezaghebbenden aangenomen. In dien vorm werd 
de toren sedert lang, aan de hand der beschrijving van Anubelsunu, door Thureau- 
Dangin, Weissbach en anderen, gereconstrueerd en wel als een bouw van 7 (het top- 
heiligdom inbegrepen) etageblokken 80 ). Deze reconstructie kan in hoofdzaak juist 
worden genoemd, terwijl de nieuwe reconstructie van Andrae 81 ), mede omdat zij met 
de acht etageblokken van Herodotus 82 ) niet overeenkomt, moet worden verworpen. 
Voor deze acht etageblokken werd tot heden geen aannemelijke verklaring gegeven 83 ). 
Zij kan worden gevonden in de bijzondere hoogte van het top-heiligdom (15 m). 
Deze hoogte is veel grooter dan de hoogte der tempels in Mesopotamië 84 ), weshalve 
mag worden aangenomen, dat het sahuru (het top-heiligdom) een onderbouw heeft 
gehad, welke architectonisch bij het heiligdom behoorde en daarom door Anubelsunu 
niet behoefde te worden vermeld, terwijl hij op den beschouwer den indruk van een 
etage moet hebben gemaakt. 

Het grondvlak van den toren was ± 90 X 90 m, de hoogte eveneens + 90 m. 
Drie tegen het eerste etageblok gebouwde trappen (waarvan één loodrecht ertegen) 
zijn uit de ruïne vastgesteld. Ook de volgende etageblokken hadden zeer waarschijnlijk 
gewone trappen en geen schroefopgang 85 ). 

C. Assyrische Tempelbouw. De Assyrische tempelbouw is vooral bekend 
uit Assur, Kar-Tukulti-Ninurta, Kalach (Nimrud), Dur-Sargon (Chorsabad) en Niniveh 8G ). 
Ofschoon een eigen Assyrische cella reeds ontstond in de eerste helft van het 2<ie 
millennium 87 ), zijn toch later nog tempels met een Sumerische cella gebouwd. Een 
verwant verschijnsel komt voor in de glyptiek, die buiten Babylonië langer dan in 
Babylonië zelf het Sumerische karakter heeft behouden 88 ). 

De cella van den oudsten tempel te Assur (Istar-tempel H-G ; ca. 2800 v. 
Chr.) had den Sumerischen aanleg en was waarschijnlijk oorspronkelijk een vrijstaande 
bouw, zonder hof 89 ). Dit geldt eveneens, met meer zekerheid, den Istar-tempel E 
(ca. 2400 v. Chr.) 90 ). Deze tempel bevat in totaal vier vertrekken, waarvan de cella 
domineert. De ingang heeft de uit den Sumerischen en Babylonischen tempelbouw 
bekende poort-torens, welke minstens vanaf dezen tijd aan alle tempels in Assyrië 
worden toegepast. Bijzondere beteekenis moet worden toegekend aan het allerheiligste 
der tempels H-G en E , wijl hierin de eerste schrede naar een eigen Assyrische 
cella kan worden gezien. Door het allerheiligste wordt n. 1 . de langsrichting der cella, 
welke in de Sumerische cella slechts momentane beteekenis heeft, actief: de nieuwe 
ruimtevorm (cella met allerheiligste) moet in de richting der langsas worden beschouwd. 

De oudste tempel met Assyrische cella is de Sin-Samas-tempel te Assur (midden 
2de mill.). Het plan 91 ) heeft aanmerkelijk geringer diepte dan breedte en toont hierin 
wel invloed van den dwarsliggenden Sumerischen tempel. Een monumentale, krachtig 
uitgebouwde ingang voert in den centraal gelegen binnenhof, die toegang geeft tot de 
ter weerszijden gelegen cellae , elk met vóór -cella. Ouder dan deze tempel, is de oude 
Asur-tempel te Assur, waarvan de cella zeer waarschijnlijk niet Assyrisch, doch 
Sumerisch was 92 ). In de binnenhof van deze tempels (ook de Asur-tempel heeft n. 1 . 
een binnenhof) mag zeker invloed van den Babylonischen tempelbouw (Hammurabi- 
dyn.) worden gezien; de hof der latere tempels heeft niet het karakter van binnen¬ 
hof, doch van aangebouwden voorhof. Het zelfstandige karakter der cella blijft in den 
Assyrischen tempelbouw niet alleen in het plan, maar waarschijnlijk ook in den 
opbouw herkenbaar. 

De tot hiertoe besproken tempels dateeren uit de Archaïsche- (ca. 2800—2000 
v. Chr.) en uit de Oud-Assyrische (ca. 2000—1380 v. Chr.) periode. Eveneens uit de 
Oud-Assyrische periode dateert de Enlil-Asur-ziqqurat te Assur, welke evenals de 
Asur-tempel door èamsi-Adad I (ca. 2000 v. Chr.) werd gebouwd of herbouwd. Van 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 415 

den opbouw is weinig bekend, doch het plan (+ 62 X 62 m) kon worden vastgesteld 93 ) 

Uit de Midden-Assyrische periode (1380—722 v. Chr.) zijn tempels bekend 
te Assur, Kar-Tukulti-Ninurta en Kalach. De Istar-Dinitu tempel van Tukulti-Ninurta 
(ca. 1250 v. Chr.) te Assur, had twee Sumerische cellae (de hoofdcella, van Istar, met 
vóór -cella), verder eenige bijvertrekken, doch geen hof 94 ). In beide cellae stond het 
cultusbeeld op het hooge postament, dat karakteristiek Assyrisch, doch ook Sumerisch, 
kan worden genoemd. 

Een door Andrae’s reconstructie algemeen bekend geworden tempel dezer periode 
is de Anu-Adad-tempel te Assur, waarvan echter de oudste aanleg (einde I2 de eeuw v. 
Chr.) slechts in funda¬ 
menten is bewaard 95 ). 

Hij bestond uit twee 
naast elkaar gelegen 
Assyrische cellae (met 
allerheiligste en vóór- 
cella) een dwars daar¬ 
voor gelegen hof en 
twee, terzijde tegen de 
cellae gebouwde, ziqqu¬ 
rati. De reconstructie 
dezer ziqqurati met 
schroefopgang heeft 
Andrae later wel te¬ 
recht prijsgegeven 96 ). 

In de 9 d e eeuw v. Chr. 
werd detempel(Fig.io) 
door SalmanassarlII op 
kleiner schaal( vooral de 
torens zijn kleiner) en 
in iets andere verhou¬ 
dingen, herbouwd 97 ). 

Te Kalach zijn uit 
deze periode bekend 
de reeds door Layard 
opgegraven tempels B 
en C, de eerste met 
Assyrische, de tweede 
met Sumerischen//# 98 ) 

De bij tempel B behoorende ziqqurat is merkwaardig door de erin voorkomende 
galerij (lang ± 30 m, breed + 1.80 m, hoog ± 3.70 m). Behalve deze ziqqurat en de 
beide van den Anu-Adad-tempel, is uit de Midden-Assyrische periode nog bekend 
de ziqqurat van den Asur (Marduk)-tempel te Kar-Tukulti-Ninurta (ca. 1250 v. Chr.)"). 
Ziqqurat en tempel vormen in deze periode, althans te Assur en Kar-Tukulti-Ninurta, 
een totaal-compositie van monumentale werking. Ofschoon misschien Babylonisch van 
origine 10 °), is deze totaal-compositie toch eerst in Assyrië, wel niet uit religieuze of 
uit den cultus voortgekomen, doch uit architectonische motieven, bewust nagestreefd. 

Uit de Laat-Assyrische periode (722—612 v. Chr.) zijn sedert lang bekend 
de tempels bij Sargon’s paleis te Dur-Sargon 101 ). Drie tempels (van Sin, èama§ en 
Ningal) en drie kapellen (van Adad, Ninurta en Ea) zijn met drie binnenhoven tot een 
complex samengevoegd. Tempels en kapellen zijn Assyrisch van aanleg, slechts één 
kapel is Sumerisch. De cellae hebben een (verhoogd) allerheiligste en een vóór-ceila. 
De Sin-tempel werd in recenten tijd volledig opgegraven en is nu een van de meest 
indrukwekkende monumenten van Iraq 102 ). In recenten tijd ontdekt, werd de Nabu- 
tempel te Dur-Sargon; hij is eveneens Assyrisch van aanleg 103 ). 

Te Assur werd in deze periode de oude Asur-tempel door Sanherib herbouwd, 
met wijziging der Sumerische cella in een Assyrische 104 ). Bij Assur bouwde Sanherib 
het Nieuwjaarsfeesthuis (bit akiti ) met babylonische (!) cella en daarvóór gelegen 
binnenhof; langs de zijkanten loopt in de hof een pijlergalerij 105 ). 



Fig. 10. Anu-Adad tempel te Assur; 9de eeuw v. Chr. (Naar Andrae, 10, 
WVDOG Taf. V) 



4i 6 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


417 


Uit Laat-Assyrische periode tenslotte dateert de ziqqurat bij bovengenoemd 
tempelcomplex te Dur-Sargon. Zij is door Place in teekening gebracht, beschreven en 
gereconstrueerd, doch plan en reconstructie komen niet overeen 106 J, waardoor zekerheid 
omtrent den opbouw (elk spoor der ziqqurat is heden verdwenen) ontbreekt. Place 
teekende den toren met schroefopgang 107 ): voor ziqqurati op vierkanten of recht- 
hoekigen grondslag is echter de schroefopgang minder practisch voor de uitvoering 
en eveneens voor het bestijgen (de af te leggen weg wordt buitengewoon lang) 108 ), 
terwijl er stellig geen bouw van monumentale werking mede wordt bereikt. — 

Evenals in den Sumerischen en Babylonischen tempelbouw werd ook in Assyrië 
de tempel in kleisteen uitgevoerd; toepassing van eenige lagen natuursteen (water- 
keering) 109 ) in de fundatie was echter regel. De vloer was in het algemeen van bak¬ 
steen, soms van natuursteen. Het dak was wel algemeen plat, maar toonde misschien 
vaker dan in Babylonië hooger opgetrokken partijen. Als muurbekroning dienden, 
althans in later tijd, de kanteelen. De muren waren bepleisterd en meest vlak, zonder 
voorspringende lisenen; toepassing van rillen en rondstaven, vooral aan het front 
der tempels, staat echter vast. Stier- en leeuwkolossen stonden, in den bouw opge¬ 
nomen, aan den ingang. Ook het bekende reliëf uit Nimrud no ) (Asur strijdend met 
een chaos-monster ?) is van een tempelingang afkomstig. De Asur-tempel te Assur kreeg 
in de Laat-Assyrische periode in de buitenarchitectuur glazuursteen-reliëfs van profane 
strekking nl ). — 

Het architectonisch karakter van den tempel in Assyrië en den tempel 
in Babylonië (de Sumerische tempel blijft hier buiten beschouwing) was stellig meer 
uiteenloopend dan gewoonlijk wordt aangenomen 112 ). Reeds het plan der tempels 
toont (ongeacht de formeele verschillen) een uiteenloopende vorming: in Assyrië 
worden de planelementen tot een ongedwongen compositie aaneengevoegd, in Babylonië 
wordt het welhaast mathematische planoppervlak in tallooze elementen verdeeld. De 
buitenarchitectuur werkt daardoor in Assyrië door de tegenstelling der massa’s, in 
Babylonië door het omsluitende muurvlak. Iets van het dynamische en statische karakter 
der bouwkunst kan hier reeds worden waargenomen, niet slechts in de buitenarchi¬ 
tectuur, maar ook in de cellae : de cella in Babylonië toont het statische ruimteblok, 
de cella in Assyrië heeft iets van de dynamische ruimtemassa 113 ). Men herkent in deze 
tegenstelling misschien den in een kosmisch-harmonische sfeer levenden Babyloniër 
en den kosmogonisch-bewogen Assyriër. — 

ORIËNTATIE. De meeste tempels in Mesopotamië zijn, naar de oude uitdrukking, 
‘volgens de hoeken georiënteerd’ 114 ). Dat echter deze oriëntatie slechts bij gebouwen 
van vierkant grondplan exact mogelijk is, ligt voor de hand. Een betere verklaring 
voor de ligging der tempels gaf Unger: de oriëntatie geschiedde naar de windrich¬ 
tingen waaruit de góden zich openbaren 115 ). Martiny daarentegen heeft de astrono¬ 
mische oriëntatie willen vaststellen 110 ), doch deze poging wordt wel terecht niet 
geslaagd geacht 117 ). Het vraagstuk der oriëntatie kan overigens nog niet als opgelost 
worden beschouwd. Er kan echter op worden gewezen, dat de tempels een gunstige 
ligging hebben voor schaduwvorming (in Mesopotamië van veel beteekenis), terwijl 
geen enkel muurvlak verblindend licht (de muren waren gewit) weerkaatste. Boven¬ 
dien kwam in Babylonië door de ‘hoekoriëntatie’ de muurgeleding het best tot 
uitdrukking. 

Ontstaan en Beteekenis. Het ontstaan van den Babylonischen en Sumerischen 
(Herdhaus)-tempe\ uit de stadspoort, door Reuther 118 ) aangenomen en door Andrae, 
althans voor den Babylonischen tempel, onderschreven 119 ), kan door archeologisch 
materiaal niet worden gestaafd; terecht heeft men erop gewezen, dat de tempel 
eerder uit het Babylonische oerhuis, hetwelk volgens Reuther den tempel heeft 
beinvloed, kan zijn voortgekomen 120 ). Nu de praehistorische tempels van Erech, met 
Babylonische cella en binnenhof, bekend zijn, ligt het voor de hand, den Babylonischen 
tempel met de tempels te Erech in verband te brengen. Zeker mogen zij eerder 
Babylonisch dan Sumerisch (Andrae) 121 ) worden genoemd. Bestaat inderdaad een 
verband, dan mag waarschijnlijk worden geacht, dat de tempel niet uit het woonhuis 


is voortgekomen. Echter kan de tempel later door het woonhuis zijn beïnvloed; 
hiervoor is misschien van beteekenis, dat de Sumerische tempel (die vermoedelijk 
reeds de oudste ons onbekende Babylonische tempels heeft beïnvloed) zeer waarschijn¬ 
lijk uit het woonhuis is ontstaan. 

Dat de Assyrische tempelbouw aanvankelijk welhaast geheel onder invloed van 
den Sumerischen tempel stond, werd reeds aangegeven. De churritische, hithietische 
en mitannische invloeden, waarop heden zoozeer wordt gewezen 122 ), zijn althans voor 
het tempeltype nergens bewezen. Stellig kan de Assyrische cella onder vreemden 
invloed tot stand zijn gekomen 123 ), maar zeer waarschijnlijk zou deze cella ook door 
eigen ontwikkeling zijn ontstaan. 

Over het ontstaan en de beteekenis der ziqqurat loopen de meeningen 
nog uiteen, doch de populaire beschouwing der ziqqurati als nabootsing der bergen 
van het Sumerische oorsprongsland, waarop de góden wonen of worden vereerd, mag 
worden verworpen. Wanneer góden op bergen wonend worden gedacht, is deze voor¬ 
stelling met een bepaalden berg verbonden en ‘translocatie’ uitgesloten. Verder werd 
de cultus in Mesopotamië wel overwegend, indien niet uitsluitend, in niveau-tempels 
uitgevoerd, zoodat de idee: vereering der góden op bergen of hoogten, hier nauwelijks 
beteekenis kan hebben gehad. Vast staat, dat de ziqqurat later als godsgraf werd 
opgevat 124 ). Mogelijk is dit haar oorspronkelijke beteekenis, terwijl er dan later ook 
verschillende kosmische voorstellingen mee werden verbonden 125 ). 

Een diepzinnige gedachte over het wezen der ziqqurat (juister: over het wezen 
van den Hoek - en Tieftempel ) heeft Andrae uitgesproken: de tempel op de ziqqurat 
zou woontempel, de niveau-tempel verschijningstempel der godheid zijn geweest 120 ). 
Echter wordt deze opvatting nóch door het archeologische materiaal, nóch door de 
opschriften in spijkerschrift bevestigd, doch veel meer weerlegd 127 ). Zij is dan ook 
door Möhlenbrink en ook door Furlani wel terecht verworpen 128 ). 

Batavia Th. A. Busink 


AFKORTINGEN 


AJ = The Antiquaries Journal . 

AJA = Afnerican Journal of Archceology. 

Antiq = Antiquity. 

AO = Der Alle Oriënt . 

ArO == Archiv Orientdlni. 

ERV = Ebert, Reallexikon der Vorgeschichte. 

FuF = Forse hungen und Fortschritte . 

JRAS = Journal of the Royal Asiatic Society. 
MAOG == Mitteilungen der Altorientalischen Ge- 
se Ilse haft. 

MDOG = Mitteilungen der Deutschen Oriënt - 

Gesellschaft. 

MKM = G. Martiny, Die Kultrichtung in Me- 
sopotamien f 1932 (uitvoerige recensie van 
P. V. Neugebauer en A. Schott, ZA 42, 

1934, pg-198—217). 


OIC = Oriental Institute Communications ( Uni - 
versity of Chicago). 13, 1932; 16, 1933; 
17, 1934; 19, i935> 20 , !93 6 - 

OLZ = Orientalistische Literaturzeitung. 

UWVB = I—VII. Vorldufiger Bericht über die von 

der Notgemeinschaft der deutschen Wis- 
senschaft in Uruk - Warka unternommenen 
Ausgrabungen (Jordan-Nöldeke-Hein- 
rich-Schott; in Abh. Ak. Berl. Phil. 
Hist. KI. Jhrg. 1929 ff.). 

WVDOG= Wissenschaftliche Ver'öffentlichung der 
Deutschen Oriënt-Gesellschaft. 

ZA = Zeitschrift für Assyriologie. 

ZDMG = Zeitschrift der Deutschen Morgenldn- 

dischen Gesellschaft. 


1 ''die babylonischen Tempel waren künstliche Berge ’ (Delitzsch, Wo lag das Paradies , 1881, p. 120). 
De voorstelling is vooral door de reconstructies van Chipiez (Perrot-Chipiez II, 1884, p. 379 vv., PI. III) 
verbreid. Een minder juist oordeel over deze reconstructies geeft Andrae (. Anu-Adad-Tempel , WVDOG , 10, 1909, 
p. 24). — 2 Zie Fabri in Journ. Asiat ., 232, 1930, p. 301. — 3 Wel het éérst duidelijk door Tiele, De 
Hoofdtempel van Babel en die van Borsippa (Versl. Med. K. A. Amst. afd. Lett., 3de reeks, 3de deel, 1887, 
p. 103—132). — 4 Bewaard is van de tempels zooals bekend dikwijls niet meer dan fundaties en geringe 
resten van den opbouw. Martiny (MHM) geeft vele plattegronden, niet steeds exact; zie ZDMG , 91, 1937, 
p. 52 v. — 5 Schneider, Kulturleistungen I, 1927, p. 102, 152. — 6 Deze benaming is zooals bekend aan 
den klassieken tempel ontleend. De Sumerische en Babylonische cella heeft géén, de Assyrische als regel wei 
een allerheiligste. Een \6óv-cella kan zoowel de Sumerisch-Babylonische als de Assyrische tempel hebben. 
Andrae gebruikt voor de Assyrische cella wel de benamingen van den tempel van Salomo: Ailam , Hekal en 
Debir ( OLZ , 30, 1927, k. 1042; Die jüngeren Ischtar-Tempel , WVDOG , 58, 1935, p. 126). — 7 Heinrich 
beschouwt de praehistorische tempels van Uruk als een nieuw type: Langhoftempel (UWVB VI, p. 19); vgl. 
Andrae in ZDMG , 91, 1937, p. 49. Ik meen in dit type veel meer het oorspronkelijke Babylonische, niet door 

Jaarbericht N° 5. 2 7 




418 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 


419 


den Sumerischen tempel beïnvloede, type te herkennen. — 8 Zie hierover, Andrae, Haus-Grab-Tempel ( OLZ , 
30, 1927, k. 1033—43); dezelfde, Das Gotteshaus , 1930, p. 14 vv. Martiny, Gegensatze im babylonischen und 
assyrischen Tempelbau, 1936, p. 3 vv. (Abh. f. d. K. d. Morgenl .). — 9 S. Lloyd ( Mesopotamia, 1936, p. 89) 
meent dat Andrae den Sumerischen tempel heeft onderscheiden van dien van Akkad en Assyrië. Is onjuist: zie 
lit. n. 8. Eveneens onjuist bij Speleers,' Les Arts, p. 123, § 540, n. 117. — 10 Gronden: a. de Herdhaus- 
tempel H-G in Assur ontstond tijdens een hier overheerschende Sumerische cultuur; b. de Herdhaus temp el in 
Eshnunna en Akshak eveneens, bovendien is hier de plano-convexe kleisteen gebruikt; c. het Herdhaus -type 
komt voor als huiskapel, zie AJ 11, 1931, pl. XLV 1 I, o. a. huis no. III in Straight Street ; d. het Herdhaus- 
type heeft ook de kapel van Bur-Sin in Giparku te Ur, zie AJ 5, 1926, pl. XLIV; e. de cella A 18 van den 
N.W. tempel in Giparku herinnert duidelijk aan den Herdhaus-vor7n. — 11 Mesopotamië hier Babylonië in¬ 
begrepen. Th. Nöldeke schreef hiertègen ZA il, 1897, p. 108 n. 1, zonder veel succes. Zie echter 
Möhlenbrink, Der Tempel Salomos, 1932, p. 156. Over Mesopotamië: ERV , art. Mesop., C (Unger) en Pauly- 
Wissowa, Bd. XV, k. 1105—63 (Schachermeyer). — 12 Zie Woolley, Development of Sumeria?i art, 1935, 
p. 29 vv. — 13 Zie UWVB I—VII; Heinrich, Schil/ und Lehm , 1934, p. 20 vv. Woolley, o.c., p. 29 vv., 
49 vv. Andrae, Story of Uruk ( Antiq . 10, 1936, p. 133—45; translated). — 14 Een cultusvertrek is in de 
WH niet aan te wijzen. De „hof” der WH is m. i. overdekt te denken: de dubbelingangen dienden wel mede 
voor lichttoevoer. — 15 Plan, UWVB II, Taf. 4; VII, Taf. 2. — 16 Zie UWVB III, Taf. I. — 17 Echter 
niet in situ , zie UWVB VII, p. 8. — 18 Over de (Anu)ziqqurat: UWVB III, p. 22—3; Heinrich, S. u. L., 
p. 21 vv. De terracotta kegels waren wel inderdaad onzichtbaar (tegen Woolley, Development, p. 42). — 
19 Mallowan-Cruikshank Rosé, Prehistorie Assyria , 1933, p. 34. — 20 Vgl. W. von Soden, OLZ 39, 1936, k. 
509. — 21 Plan in Jaarb. EOL 3, 1935, hg. I, p. 122, naar Speiser, Tepe Gawra (niet binnen bereik). Zie 
over Gawra: AJA 36, 1932, p. 29—35 (Speiser); p. 333—34 (Arch. News); p. 564—68 (Speiser); 39, 1935, 
p. 185—88 (Bache). Antiq. 10, 1936, p. 441—47 (Mallowan). — 22 Van Proosdij ( Jb. EOL 3, 1935, p. 
122—23) schijnt overeenkomst tusschen het plan te Uruk en Gawra te zien. Heinrich (UWVB VI, p. 19) 
heeft echter gelijk ze niet samen te brengen. Maar de overdekking is zeker van weinig beteekenis, zie aanm. 
14. — 23 Zie hierover Frazer, The Golden Bough , Part I, Vol. I, 1933, p. 44, passim. — 24 Vgl. Möhlen¬ 
brink, o. c. p. 67, over den hithietischen paleistempel. — 25 Dat zij door den onregelmatigen vorm Sumerisch 
is, kan niet worden gezegd. Een ‘dieper’ onderzoek is nog geboden. — 26 Zie Woolley, Development, p. 5 2 , 
67. — 27 Vgl. de megara Troje II 3 (Dörpfeld, Troja und Ilion , 1902, fig. 23), 2500—2000 v. Chr. — 
28 Zie aant. 10; ‘in hoofdzaak’: H-G heeft een allerheiligste, de Sumerische tempel niet. Over de Sumerische 
cultuur in Assyrië, zie S. Smith, Early History of Assyria , 1928, p. 60 vv. Een Sumerische bevolking in 
Assur aan te nemen (zoo o.a. Oppenheim, Teil Halaf\ 1931, p. 48 ) acht Smith niet noodzakelijk. De toe¬ 
passing van een allerheiligste komt hiermee overeen. — 29 Afgebeeld op zegels uit het 4de mill. Zie Weber, 
Siegelbilder (AO 17—18, 1920), Abb. 430. — 30 Idem . Het zijn de z.g. ‘ Bügelschaften\ Andrae’s uit¬ 

eenzetting (WVDOG 58, p. 59 vv.) bevredigt niet. Apotropeïsche bestemming is waarschijnlijk. Zie Witzel, 
Texte , 1932, p. 46—7. — 31 Hall-Woolley, Ur Excavations , Vol. I, ANUbaid (niet binnen bereik). Over 
den tempel, Hall, A Season's Work at Ur, 1930, p. 229 en figg. Woolley, Development , p. 72 v. en fig. 31 a. 
De reconstructie staat niet buiten twijfel. — 32 OIC 13, 16, 17, 19, 20, opgravingen onder leiding van 
Frankfort. Zie ook S. Lloyd, Mesopotamia , 1936, p. 27 vv. en AJA 37, 1933, p. 529—537 (Frankfort). — 
33 OIC 17, fig. 36. S. Lloyd, o.c. fig. 3 c. Reconst. der cella'. O IC 17, titelplaat (S. Lloyd). — 34 OIC 19, 
fig. 9. S. Lloyd, o.c. fig. 5. De statuetten, OIC 19, fig. 63 vv. en Jrb. EOL 2, 1934, Platen V—VIII. — 
35 Plan: OIC 19, fig. 45. S. Lloyd, o.c. fig. 3 a. — 36 Excavations at Kish, Vol. III, 1930, p. II. — 
37 Hilprecht, Die Ausgrabungen im Bel-Tempel zu Nippur, 1903, Abb. 15. Over de groote beteekenis van 
Nippur als religieus centrum, zie Kugler, Stemkunde und Sterndienst II, 1909/10, p. 144 v.; Ungnad, Religion 
der Babylonier und Assyrer, 1921, p. 4; ERV , art. Nippur (Unger). — 38 De mortel was kleimortel, asphalt 
of kalkmortel, zie Delougaz, Plano Convex bricks , 1933, p. 14. Vgl. Forbes, Bitumen, 1936, p. 53 vv - ^Iet 
ontstaan van den planoconvexen steen is ook door Delougaz niet verklaard. — 39 Zie Jean, La Religion 
Sumérienne , 1931, p. 8 vv. — 40 Vgl. Ed. Meyer, Sumerer und Semiten , Abh. Ak. Berl. 1906, p. 39, die 
terecht de kunst van Gudea met de oudere van Naram-Sin in verband brengt. — 41 Zie aant. 10. — 42 Zie 
King, History of Sumer and Akkad, 1923, p. 265 v. en fig. 65. Een populair art. over Gudea, echter op ver¬ 
ouderde vertalingen berustend, in Hermeneus, 9, 1937-1 P- 100—108 (van Prins de Jong). — 43 Lit. aant. 31. 
Verder: AJ 2, 1923 vv. (slechts gedeeltelijk binnen bereik). Plan tempelgebied lilde dyn., AJ 10, 1930, pl. 
XXIX. Verder: Gadd, History and Monuments of Ur , 1929, p. 108 vv.; Woolley, Ur und der Sintflut, 1931, 
p. 71 vv.; Contenau, Manuel II, 1931, p. 766 vv. — 44 Plan, AJ 5, 1926, pl. XLIV; Contenau, Manun 
II, fig. 543. De Sumerische invloed spreekt uit den cella -ingang en het ‘allerheiligste’A 19.— 45 Plan, OIC 16, 
fig- 3 i reconstructie ibid. titelplaat; ook in S. Lloyd, Mesopotamia , fig. 6. — 46 Hall, Season's Work , fig. 70; 
Woolley, Ur und der Sintflut , Taf. 27. — 47 Woolley in AJ 12,1932, p. 370. — 48 Hall, SeasoKs Work , 
p- 85 - 49 UWVB I, p. 21 en Abb. 9. Vgl. Koldewey, Tempel von Babylon und Borsippa (WVDOG 15), 
1911, p. 57. — 50 UWVB I, p. 22. Vgl. Reuther, Innenstadt von Babylon (WVDOG 47), 1926, p. 58, 129. 
Meissner, Babylonien und Assyrien I, 1920, p. 245.— 51 Vgl. Reuther in OLZ 29, 1927, k. 154—55 (recensie 
Wachtsmuth, Der Backsteinbau , 1925). — 52 S. Lloyd neemt reeds in de Abu tempel (oud-Sum.) deze ver¬ 
lichting aan (OIC 17, titelplaat). Voor de gansche bouwkunst in Mesopotamië zal zij waarschijnlijk mogen 
worden geacht. In Egypte: Chephren tempel (Hölscher, Grabdenkmal, 1912, BI. V, VI). — 53 AJ 11, 1931, 
p. 347 v. Voor de wandbetimm. vgl. Reuther, Innenstadt , p. 130—131. — 54 OIC 17, fig. 20, beschr. op 
p. 40. S. Lloyd, Mesopotamia, fig. 2. — 55 Zie de cellae in den Ninurta-tempel te Babylon (Koldewey, 
Wiedererst. Babylon 4 , 1925, Abb. 142 en MKM , Taf. 10). Ook de plaatsing van het cultusbeeld uit het 
midden (vooral Nebo t. Borsippa, Koldewey, Tempel von Babylon , Taf. XII; MKM , Taf. 11) wijst hierop. — 
56 Parrot, Mari, 1936, p. 157. — 57 ibid., p. 173. — 58 AJ 10, 1930, pl. XXX (Enunmach, Ur), pl. 
XXXVII (Enki-tempel). — 59 AJ 12, 1932, p. 376 en pl. LXV—LXVI. Woolley, Development, fig. 57 b. — 
60 Vgl. de kolommen in c Obaid; ook in Kis (Langdon, Ausgrabungen, AO 26, 1927, Abb. 9). — 61 UWVB 
IV, Taf. 4 en Taf. 8 en p. 12 v., Pfeilerhalle. Heinrich, Schilf und Lehm, Abb. 13, 15 en Taf. 6). — 


62 Bekend uit de Inleiding van zijn Wetcode, zie Eilers, Die Gesetzesstele Chammurabis, AO, 31/3, 4, 1932, 
P . 12 v. - 63 Labat, Poerne Babylonien de la Création, 1935, p. 25. De echtheid van het inschrift wordt 
echter betwijfeld, zie Labat, p. 26 n. 25. — 64 UWVB I, p. 30 vv. en Abb.; MKM, Taf. 6. — 65 UWVB 

I, Taf. 15 —17. Moortgat, Bildwerk und Volkstuin, 1934, Abb. 12. — 66 De meeste der bekend geworden 

tempels zijn door Koldewey (D.Or. Gesellschaft) opgegraven. Zie MDOG 1, 1898 vv.; Koldewey, Tempel von 
Babylon und Borsippa (WVDOG 15), 1911. Reuther, Innenstadt, 1926, p. 123 vv. Verder: Unger, Babylon 
die heilige Stadt, 1931, 122 vv.; Weissbach, Stadtbild von Babylon (AO 5/4,1904), p. 19 vv. — 67 Langdon, 
Buildinginscriptions of the Neo-Babylonian Empire, Part I, 1905, p. 63, passim. — 68 Hierbij is verondersteld, 
dat de buitenomtrek vast stond en een groote binnenhof werd vermeden. Zie het plan, Excavations Kish, III, 
1930, Pl. II (MKM, Taf. 11), Koldewey, o.c. Taf. XII (MKM, ibid.). — 69 Zie echter Andrae, Gotteshaus , 
1930, P- 25. — 70 Slechts de hoofdingang volgt uit het plan, de overige voeren a. h. w. in een cul-de-sac. — 

71 Tiele, Hoofdtempel van Babel, p. 108. Dergelijk oordeel zal wel niet meer onderschreven worden. — 

72 Furlani, La Civilta Babilonese e Assira, 1929, p. 86. — 73 Weissbach, Stadtbild, p. 20.— 74 Tempel Istar 

van Akkad te Babylon (Reuther, Innenstadt, p. 130). — 75 Toegepast aan den Zuidbouw te Erech, UWVB 
VI, p. 28—29. — 76 Zie Tiele, Hoofdtempel, p. 122.— 77 Tempel von Babel und Borsippa, p. 39; Koldewey 

schijnt dit wel inderdaad te bedoelen. — 78 Lit., Koldewey, Der bab. Turm (MDOG 59, 1918, p. 1—38); 

Dombart, Der babylonische Turm (Jhrb. Deutschen Arch. Inst. 34, 1919, p. 40—64); Andrae, Der babylonische 
Turm (MDOG 71, 1932, p. 1 —11); Koldewey, WB 4 , p. 179 vv.; Dombart, Babyl. Turm (AO 29, 2, 1931); 

Unger, Babylon, p. 191 vv. — 79 MDOG 71, 1932, p. 1 vv. — 80 Thureau-Dangin in Journ. Asiat., 10e 

Serie, t. XIII, 1909, fig. tegenover p. 110. Weissbach, Stadtbild, p. 23. Tekst en vert. Tafel Smith (Anubelsunu) 
MDOG 59, 1918, p. 2 vv., Unger, Babylon, p. 237 v., 246. — 81 MDOG 71, 1932, Abb. 1—6. — 82 I, 
181. — 83 Zie Koldewey, MDOG 59, 1918, p. 35; Unger, Babylon, p. 199; Dombart, Jhrb. D. Arch. Inst. 
34, 1919, p. 54; Gressmann, The Tower of Babylon, 1925, p. 13. — 84 Geen enkele tempel is tot volle 
hoogte bewaard, maar gegevens wijzen op een hoogte van 7—11 m.; zie Exc. Kish, III, p. 11; Andrae, Die 

jüngeren Ischtar-Tenipel (WVDOG 58, 1935), p. 54 v. — 85 Dombart (AO 29/2, 1930, Taf. I—II; Der 

Sakraltunn, 1920, titelpl.), Unger (Babylon, Taf. 20, 21) en anderen nemen een schroefopgang aan. Zeker ten 
onrechte. De kolossale trap by Andrae (MDOG 71, 1932, Abb. 6) moet echter evenzeer worden verworpen.— 
86 Assur: MDOG 16—18, 1903 vv.; Andrae, Der Anu-Adad-Tempel (WVDOG 10), 1909; Die Archaischen 
Ischtar-Tempel (WVDOG 39), 1922; Die jüngeren Ischtar-Tempel (WVDüG 58), 1935; Unger, Stadtbild v. 
Assur (AO 28/3, 1929). Kar-Tukulti-Ninurta: MDOG 53, 1914, p. 41 — 57. Kalach'. Layard, Discoveries 
in Niniveh and Babylon, 1853, p. 123 vv., 348 vv. Dur-Sargon : Place, Ninive (niet binnen bereik). Frankfort, 
OIC 16, p. 80 vv.; 17 p. 81 vv.; 19 p. 89 vv. Ninive : Campbell Thompson-Hutchinson, A Century of Ex- 

ploration at Nineveh, p. 72 vv. — 87 De meening van Martiny (Gegensatze, p. 14 vv.) over den Sin-êamaè 

tempel, zal geen bijval vinden; zie ZDMG 91, 1937, p. 49—57 (Andrae-Haller). — 88 Zie Contenau, 
Civilisation des Hittites et des Mitanniens, 1934, p. 107. — 89 Andrae, Die jüngeren Ischtar-Tempel, p. 3. 
Plan en beschr. in Archaischen lschtar- T., p. 16 v., 27 vv., Taf. 6, 10, 11. Plan ook MKM Taf. I. De terra¬ 
cotta altaren uit den H-G tempel houdt Andrae stellig ten onrechte voor huisafbeeldingen, zie Furlani, Sugli 
Altarini Fittili (Rend. R. A. dei Lincei, serie sesta, vol. VIII, 1932, p. 405—21). Zie ook Galling, Der Altar 
i?i den Kuituren des alte?i Orients, 1925, p. 22 v., 32 v. — 90 Archaïsche lschtar Tempel, p. 24 v., 97 v. 
en Taf. 7 a; MKM, Taf. I. — 91 ZDMG 91, 1937 achter p. 56 (no. 1). Daar ook het plan naar Martiny 
(no. 2 en 3) MKM, Taf. 5 en Gegensatze, Abb. 4; de onnauwkeurigheid bij Martiny wordt in het licht gesteld. 
Over de opgraving, MDOG 54, 1914 p. 1 vv. — 92 Plan, MKM, Taf. 2. Over de opgraving, MDOG 44, 
1910, p. 40—48. Het ‘waarschijnlijk’ bij Andrae (ZDMG 91, 1937, p. 50) mag toch wel ‘zeer waarschijnlijk’ 
heeten. — 93 MDOG 25, 1904 p. 53—54; de vlakken hadden vertikale driedeelige rillen. Volgens de Stad- 
beschrijving was de ziqqurat aan Enlil gewijd; zie hierover Unger, Stadtbild, p. 33 v.; anders: W. von Soden, 
OLZ 36, 1933, k. 421. — 94 Andrae, Die jüngeren lschtar Tempel, p. 15 vv. en Taf. I; Martiny, Gegensatze, 
Abb. 3; MKM, Taf. 5. — 95 Andrae, Aitu-Adad T., p. 3 vv. en Taf. IV; MKM, Taf. 4; reconstructie, 
torens met schroefopgang, Andrae, Taf. VIII. De tempel afgebeeld: Curtius, Antike Kunst I, 1923, Abb. 177 
(oudere tempel); Lamer, Altorient. Kultur 2 , 1923, Abb. 108 (jongere t.); Woermann, Geschichte der 
Kunst 2 , I, 1915, Taf. 15 (jongere tempel). — 96 MDOG 64, 1926 p. 53—54, Abb. 25 en Propylden-Kunst- 
gesch. II, 1925, Abb. p. 494. — 97 Anu-Adad Tempel, p. 39 v., Taf. V; MKM, Taf. 4. — 98 Layard, Dis- 
coveries, p. 348 vv. en plan tegenover p. 123; MKM, Taf. 6. — 99 MDOG 53, 1914, p. 41 — 57; MKM 
Taf. 7; Andrae, Gotteshaus, Abb. 10. De cella van dezen tempel is Babylonisch en wordt wel terecht als een 
bepaald type beschouwd (Martiny, Gegensatze, p. 25 v.), doch het heeft verder geen beteekenis voor den 
tempelbouw gehad. — 100 In Erech zijn ziqqurat en tempel tegen elkaar gebouwd, zie UWVB III, Taf. 
14—15; de tijd is onzeker, p. 33. — 101 Vroeger als harem opgevat. Hanno noemde in 1881 dit complex 
reeds ‘tempel’ (Les villes retrouvées, p. 147). Het plan: OIC 16, fig. 57 (naar Place); MKM Taf. 7. — 
102 OIC 17, p. 81. Deze opgraving onder leiding van Frankfort; zie OIC 16, p. 80 vv.; 17 p. 81 vv. en 
fig- 73 - — 103 OIC 17, fig. 74, 75; 19, p. 89 vv. en figg. — 104 Plan, MKM, Taf. 3.— 105 Andrae, Das 
Festhaus (MDOG 33, 1907, p. 24—32 en Abb. 9); Delitzsch, Das “ Neujahrsfesthaus ”, ibid. p. 34—37; op 
de poortdeuren was AsSur in kamp met Tiamat afgebeeld. Het plan ook: MKM, Taf. 5. — 106 Koldewey, 
Tempel von Babylon, p. 65. — 107 Plan: bij Perrot-Chipiez II, fig. 193 (bestaande toestand); bij Frankfort, 
OIC 16, fig. 57 (reconstructie). Opstand: bij Speleers, Les Arts, Pl. XIV, 316 (reconstr.). — 108 D.w.z. bij 
de hier betreffende etagehoogte, juister ‘spoed’; vgl. de toren van Samarra (Diez, Kunst der Islam. Völker, 
Abb. 52) met de Minaret van de Ibn-Tulun Moskee te Cairo (Diez, Abb. 57). — 109 Andrae, Die jüngeren 
lschtar Tempel, p. 122. — 110 Propylden-Kunstgesch., II, fig. p. 503; Delitzsch, Babel und Bibel , 1921, Abb. 
40 Der Engel des Lichts im Kampf mit dem Drachen. — 111 AJA 30, 1927, p. 101 —102 (Weidner, AFO 
III, 1926, p. I—6, niet bb.). MDOG 44, 1910, p. 45 v. — 112 Martiny (Gegensatze, p. 31 v.) wijst op de 
tegenstelling, doch blijft bij details (bouwceramiek, poortstieren etc.). — 113 Vgl. schrijvers Prothuron, 1936, 
p. 46—47. — 114 Perrot-Chipiez, II, p. 324 v. — 115 FuF 4, 1928, p. 343—344 (oriënteering naar de wind¬ 
richtingen); FuF 5, 1929, p. 270—271 (waaruit de góden zich openbaren). Verder: Babylon, p. 24, passim; 




T 


420 TEMPELBOUW IN OUD-MESOPOTAMIË 

Antiq. 9, 1935, P- 3 l 9 * — 116 MKM , passim. — 117 Weissbach in OZZ, 37, 1934 (k. 218—232, ree. 
MKM\ 232. Andrae (Die jüngeren Ischtar Tempel^ p. 130) neemt de astron. oriëntatie aan. — 118 Innenstadt , 
p. 141 v.; MDOG 64, 1926, p. 30 v. — 119 OLZ 25, 1927, k. 1038 v.; Die jüngeren Ischtar Tempel , p. 8 v.; 
vgl. Martiny, Gegensdlze , p. 5 v. — 120 Furlani, La Religione Babilonese-Assira , II, 1929, p. 380 noot 3. — 
121 ZDMG 91, 1937, p. 49. — 122 Churritisch-Mitannisch : Moortgat, Die bildende Kunst des alten Orients 
und der Bergvölker , 1932, p. 96 v.; dezelfde, Bildwerk und Volkstuin Vorderasiens , 1934, p. 26 vv. (zie ree. 
Hrozny in ArO 7, 1935, p. 221); Wachtsmuth in FuF 7, 1931, p. 170—71. Zie over Churri en Mitanni, 
ArO 1, 1929, p. 91 —110 (Hrozny). Hethietisch: Möhlenbrink, o. c., 64 vv. (afleiding Herdhaus- tempel van 
paleistempel in Bogazköy; reeds chronologisch onmogelijk). — 123 Vgl. Andrae, ZDMG 91, 1937, p. 56 over 
de kassietische lange as -cella van den Innin-tempel te Erech (15de eeuw v. Chr.). — 124 Inschrift van Nabo- 
nidus (Jeremias, Das Alte Testament, im Lichte des Alten Orients , 1906, p. 282). — 125 Zie hierover, Jeremias 
o. c., p. 51, passim \ dezelfde, Handbuch der altorientalischen Geisteskultur 2 , 1929, p. 32, passim. Over de 
beteekenis der ziqqurat ook: Dombart, Sakralturm , I, 1920; S. Smith, A Babylonian Fertility Cult ( JRAS , 
1928, p. 849—68; over de 4 gigunu' ). — 126 OLZ 30, 1927, k. 1035; Gotteshaus , p. 2 v., 14 v. — 127 Uit 
opgravingen staat vast, dat slechts een klein aantal tempels een ziqqurat had; de bekende ziqqurati liggen 
bijna steeds gescheiden van den tempel; de groote tempel van Kis werd door Nebukadnezar herbouwd, zonder 
uitvoering der ziqqurati . De inschriften: i Es werden ndmlich , wie es scheint , nur Tieftempel (bitu) oder ihre 
Cellen (papahu) als Wohnsitze von Gottheiten bezeichnet ’ (Schott, ZA 40, 1931, p. 10, ook p. 14). [Dat ik van 
Schott’s artikel kon kennis nemen, dank ik aan de welwillendheid van Ir. Forbes, Amsterdam]. Zie ook de 
weerlegging door Möhlenbrink, o. c., p. 133 v. — 128 Möhlenbrink, /. c.; Furlani, Religione Babilonese II 
1928, p. 382 noot 7 Qnon credo'\ La Religione degli Hittiti , 1936, p. 407 noot 4 QÈ inammissibile ’). — 


DE OPGRAVINGEN IN 1936—1937 EN HUN BETEEKENIS VOOR DE 
KENNIS DER PERIODE VAN 3000—1400 V. CHR. 
zie platen XXXV—XXXVI 

Door het nieuwe materiaal is het nu mogelijk een ontwerp te maken van de 
geschiedenis der beschavingen van drie perioden, waarvan wij er een in groote lijnen, 
ja zelfs gedeeltelijk in bijzonderheden meenden te kennen, terwijl wij van de twee 
anderen slechts door intuïtie ons een beeld konden maken. 

De periode die wij meenden te kennen was die waarin het 3de in het 2de millennium 
overgaat, de periode van Babel en Hammurabi. Een rijke hoeveelheid van inschriften, 
een overvloedig archeologisch materiaal (evenwel niet uit Babel zelf) lieten zeker 
lacunes open, maar deden toch soms het idee rijzen dat nieuwe gezichtspunten daar¬ 
omtrent uitgesloten waren. Dat dit slechts een waan was, bewezen de opgravingen te 
Mari onder Parrot; van de nieuwe geschiedkundige gegevens door hemzelf aan de 
gevonden brieven ontleend, geeft de Heer Dossin in zijn artikel (blz. 360) een duidelijk 
beeld, maar ook van zuiver archaeologisch standpunt komt de eene verrassing na de 
andere. Bij de ontgraving van het paleis, waarvan nu tweederde gedeelte, 2 ha, met 
220 kamers en hoven aan het daglicht gebracht zijn {AfO 12, 1937, 86) vonden de 
Franschen muurschilderingen, die ons dwingen zullen het geheele probleem der antieke 
schilderkunst opnieuw aan de orde te stellen. Het zijn niet alleen geometrische 
figuren in rood en zwart, maar ook grootsch opgezette scenes in het midden van den 
wand, ingelijst door apotropaeische fabeldieren te midden van wuivende palmen. De 
afbeeldingen zijn ontleend aan het hofleven zelf: ontvangst ten hove, een offerstoet 
van den koning en zijn hofdignitarissen, en van belang vooral, een afbeelding van de in¬ 
vestituur van den koning met de teekenen van zijn waardigheid, scepter en ring, door 
Istar. Zij wordt geassisteerd door drie góden, terwijl onder dit tafereel godinnen met 
het stroomende water en de tak der vruchtbaarheid de welvaart verzinnebeelden, die 
onder den nieuwen vorst met zijn koninklijke helpers heerschen zal (ILN 3o/io-’37).— 
De nieuw gevonden ziggurat met den tempel, waar het heilige huwelijk gevierd kon 
worden, verdedigd door 14 leeuwen in brons geeft bovendien een beeld van het 
karakter van den godsdienst der bewoners. 

Brengen de schilderingen onze gedachten vanzelfsprekend naar Kreta, dan zijn 
wij midden in het probleem dat de onderzoekingen naar de tweede periode: de jaren 
van 1500 v. Chr. kenmerkt. Ras es-ëamra had veel Myceensch aardewerk gebracht, 
zelfs graven met hun bogenbouw van Myceensch karakter. De vraag rees nu of dit 
een geisoleerd iets in Syrië was, of dat ook verder langs de kust en in binnenland sporen 
van Myceensch karakter te vinden waren. Sir Leonard Woolley heeft zich tot taak 


DE OPGRAVINGEN IN 1936—1937 421 

gesteld hier nader licht te brengen. Hij groef daartoe op verschillende plaatsen o. a. 
reeds in 1936, in Teil Athana, aan den Orontes, gelegen tusschen de kust en 
Aleppo. De bouwgeschiedenis van een terrein kon hij in vier stadia die de eeuwen 
van 1600—1200 omvatten, nagaan: Cyprisch en Myceensch aardewerk wijzen 
in de eerste plaats weer naar het Westen; naast dit terrein werd een paleis met een 
fraaie ingang uit de 16de eeuw blootgelegd ( Times 12/Ó- 9 37). — Veel verder schijnt 
toch die infiltratie niet gekomen te zijn, althans in Teil sagr Bazar, in het gebied 
van het Habür gebied + 85 km van Teil Halab, vertoont de cultuur van de stad 
uit deze peiode een geheel eigen karakter; deze stad is uit de periode der Mitanni, 
zooals blijkt uit een spijkerschrifttablet waarop naast Mitanni- Semietische namen 
voorkomen (M. E. L. Mallowan, ILN 27/3-37). 

Maar ook gedurende het 3de millennium was deze stad bewoond; met de 
Sumerische- beschaving stond zij in contact, al was het misschien alleen maar langs 
den weg van den handel (bulla met Sumerisch opschrift). — Ook v voor dit tijdsbestek 
en de eeuwen daaraan voorafgaande, de z.g. vroegdynastische en Gemdet Nasr periode 
brengt Mari nieuwe gegevens. De nieuw blootgelegde lagen van den Istar-tempel 
gaan in hun oudste formatie tot ± 3000 v. Chr. terug. Zij wijzen ook nu weer naast 
verschillen op de eenheid van de ‘Mesopotamische’ beschaving; drie graven met 
hoogbouw, sporen van menschenoffers doen ons Ur in de gedachte komen. Een dezer 
graven kan men door middel van vergelijking met de ‘second archaic shrine’ uit Teil 
Asmar zelfs op 3100 dateeren. — Prof. Frankfort sloot de opgravingen van het 
Oriental Institute ... van Chicago af. Teil Agrab en Hafadje waren de opgravings- 
terreinen, resp. aan den naderen zorg van S. Lloyd en P. Delougaz toeve y rtrouwd. In 
Teil Agrab werd de vroegdynastische tempel nader onderzocht. De Gemdet-nasr 
periode was door een aantal fragmenten o.a. van steenen vazen met dierenfries ver¬ 
tegenwoordigd, maar ook de vaas (Plaat XXXVI d) wijst niet alleen door haar techniek 
(type: ‘ scarlet ware), maar ook door de wijze van afbeelding van het hoofd der aan 
den tempelritus verbonden vrouw in die richting terug. Een van de koperen beeldjes 
(c), ook vroegdynastisch, heeft ook dien vogelkop. Van dezelfde techniek is het model 
(± 7,5 cm hoog) van een vierspan met strijdwagen. Door deze vondst is nogmaals 
bewezen, dat het paard in Mesopotamie in deze oude tijden een onbekende is (a, b) 
{ILN 6,-11-’37). — In Hafage v werd in den Sin-tempel de onderzoekingen verder 
voortgezet; vijf lagen uit de Gemdet Nasr periode bleken de oudste te zijn; als illu¬ 
stratie van het artikel van den Heer Busink brengen wij op plaat XXXV eenige 
afbeeldingen, in de hoop dat deze ‘vakman’ ook dezen tempel nog eens nader bespreken 
zal. De Uruk-periode was door een paar zegels met mooie voorstellingen van leeuwen 
en andere dieren vertegenwoordigd {ILN 13-11 -’37). 

Tot slot Uruk/Warka. De opgravingen van de 8 s te en 9de campagne munten 
door de zuiverheid waarmede het detail-onderzoek ingesteld werd, uit (Achter vor- 
Idujiger Bericht ... Uruk\Warka , APAW 1936, n° 13 (Berlijn 1937), 9 de camp. AfO 12, 
1937, 87—89). Daar de hier bereikte resultaten slechts in grooter verband kunnen 
behandeld worden, hopen wij ineen afzonderlijk artikel hier later op terug te komen.— 
Wijzen wij tenslotte^ nog op het feit dat de opgravers Uruk bij het karteeren van den 
omtrek in Redan Sarki een terrein vonden, waar de oudste beschaving van zuidelijk 
Mesopotamië, die van Teil el c Obaid, haar sporen achtergelaten heeft. 

Naschrift . Zie nu ook M. E. L. Mallowan, The excavations at Tall Chagar Bazar 
and an archaeological survey of the Habur region, second campaign 1936 Iraq 4, 1937, 
91,—178 (de Sumerische bulla, pl. XIII B). — C. J. Gadd, Tablets from Chagar Bazar 
{Iraq 4, 1937, 178—185). Van de 26 namen zijn er 8 Hurrietisch, 3 Amorietisch. De 
tabletten wijzen in de richting van de eerste dynastie van Babel. 

Leiden B. A. van Proosdij 





ELAM 


423 


ELAM 

I. DE HISTORISCHE ROL VAN ELAM 

De studie van de geschiedenis, de taal en de cultuur van Elam is, zooals de ont¬ 
wikkeling van onze kennis van het oudste Vóór-Azië aan de hand der archeologische 
vondsten dit medebracht, steeds ondernomen door hen, die als archeoloog, als 
Assyrioloog of Sumeroloog, als Iranist, als Oud-Testamenticus, en later als linguist 
met dit gebied in aanraking kwamen, en die begrepen, dat dit kleine land en zijn 
bewoners aan hun studie onmisbare elementen leverde, zonder dat het ooit in het 
middelpunt der algemeene belangstelling kwam te staan. Elam bleef door zijn geo 
graphische positie en zijn nooit overwegend politiek belang op den achtergrond. 
Evenwel, het blijft deze bescheiden plaats hardnekkig innemen tot in het verste 
verleden; het vergezelt ons van de historische tijden door de schemertijden terug tot 
in de praehistorie. Anders dan zoo vele volken en gebieden, die eerst in den loop 
der geschiedenis aan de peripherie van Babylonië of van Egypte komen opzetten, 
doen Elam en de Elamieten van den vroegsten aanvang af hun aanwezigheid in min 
of meer sterke mate voelen. Daarbij is het een van de oude gebieden, die het langst 
hun nationale eigenheid en hun taal bewaard hebben; ondanks de nabijheid van het 
cultuurland in het Westen en later van de zich op de hoogvlakten in het Noorden 
ontwikkelende beschavingsvormen, baant het eigene zich met taai conservatisme voort¬ 
durend weer een weg, totdat eerst in den Mohammedaanschen tijd de taal als laatste 
overblijfsel van een traditie van minstens 4000 jaren verdwijnt. 

Zoo is de oudste geschiedenis van Vóór-Azië ondenkbaar zonder het bestaan van 
Elam. Maar ook onze kennis zelf van die geschiedenis zou zonder wat in Elam 
gevonden is bedenkelijk meer fragmentair zijn. In Elam zijn immers documenten te 
voorschijn gekomen, zooals de wetten van Hammurabi en andere, die van essentieele 
beteekenis zijn voor ons inzicht in de historische en sociale ontwikkeling van Babylonië 
zelf. Voor het meerendeel zijn die monumenten op plundertochten meegevoerd naar 
Susa, vanwaar sommige dan in veel later tijd weer naar Babylonië zijn teruggebracht. 
Telkens wanneer in het tweestroomenland de politieke macht gedaald was, had Elam 
niet alleen een eigen dynastie of eigen dynastieën, maar gelukte het ook aan onder¬ 
nemende aanvoerders uit dit gebied hun macht over Babylonische steden uit te breiden. 
Zoo vinden wij bijv. in de eeuw vóór Hammurabi, dus omstreeks 2150, Elamieten 
als heerschers in de steden Larsa en Isin. En toch schijnen althans in historische 
tijden Elamietische taal en cultuur nooit naar het Westen te zijn verbreid. Nergens 
in Babylonië en Assyrië zijn Elamietische inscripties gevonden en de Elamietische 
góden komen alleen maar voor in teksten, waarbij Elamieten betrokken zijn. 

Elam’s voornaamste vindplaats van archeologisch materiaal is Susa. Op geen 
andere plaats is er verder gegraven dan in het oostelijker gelegen Mal-Amir, en bij 
Bender Busjir, waar op het eiland Rêsjir in den ouden tijd de stad Liyan lag. Bij 
toeval zijn hier de eerste vondsten gedaan door den Franschen reiziger Jean-Baptiste 
Tavernier (1605—1689), later gepubliceerd door F. Lenormant in 1871. Later is hier 
van 1909 tot 19 ii gegraven door Pézard *). De eerste publicatie, waarin Elamietische 
teksten (uit Persepolis) voorkomen, n. 1 . de reizen van Chardin, is in Amsterdam in 
17 ii verschenen. Het lijdt geen twijfel, dat nog op veel andere plaatsen van Elam 
belangrijke vondsten te doen zouden zijn, want niet alleen in de Assyrische documenten 
worden talrijke Elamietische steden genoemd, maar de Elamietische teksten zelf 
geven nog vele stedennamen, waarvan de ligging onbekend is. 

Susa, de oude koningsstad, is sedert Loftus in 1851 er de eerste opgravingen 
deed, allengs van grooter archeologisch belang geworden dan de meeste plaatsen in 
Vóór-Azië. Na Loftus’ en Williams’ bezoek bleef het arbeidsveld weer braak liggen 
tot de expedities van Dieulafoy in 1885 —1886, waaraan het Louvre o.a. de uit ge¬ 
ëmailleerde tegels bestaande muurversiering van het Achemenidenpaleis te danken 
heeft. Daarna begonnen in 1897 de opgravingen van de c Dêlégation en Perse 0 , die 


! ) Public, de la Mission Archéologique de Perse , Tomé XV, Mission a Bender-Bouchir , par M. Pézard, Paris 1914. 


sindsdien tamelijk regelmatig zijn voortgegaan, behalve dat van 1914 tot 1921 ten 
gevolge van den oorlog het werk heeft stilgelegen. In dien tijd zijn de ruïnes zelfs 
geoccupeerd geweest door de kwartieren van een eskadron sepoys ! ), wat ongetwijfeld 
niet bevorderlijk was voor de goede conserveering van de overblijfselen. De epigra- 
phische resultaten zijn meegelegd in de door V. Scheil bezorgde monumentale uit¬ 
gaven der c Mémoires de la Dêlégation de Perse 3 2 ). 

De ruïnes van Susa liggen daar, waar de rivier de Kercha (Choaspes) en de in 
den Karun stroomende rivier van Dizful (Coprates) elkander het dichtst naderen, tot 
een afstand van ongeveer 4 km. Langs den westelijken voet van de ruïnes stroomt 
bovendien de èawur, welke door Loftus is geïdentificeerd 3 ) met den in de Alexander- 
campagnes genoemden Eulaeus (Ulay), die toenmaals met de Kercha in verbinding 
moet hebben gestaan. Maar het is vooral van groot belang vast te stellen, dat Susa 
niet in eigenlijk alluviaalland ligt, maar reeds op de uitloopers van de randbergen, 
die hier in N.W.-Z.O. richting het Iraansche plateau begrenzen. Het ligt dus in een 
geheel andere geographische omgeving dan de oudste Sumerische steden, die alle op 
het alluviaalgebied langs de oevers van den ouden Tigrisloop lagen. Geen ander punt 
vereenigde zoo volmaakt als Susa de nabijheid zoowel van de zee als van de bergen 
en tegelijk de ligging aan een eenigszins belangrijke rivier. De afstand van de zee in 
Z.W. richting kan in de oudste historische tijden weinig meer dan 60 km hebben 
bedragen, misschien niet verder dan het tegenwoordige Ahwaz. Dit beteekent, dat 
Elam toenmaals een betrekkelijk smalle kuststreek was, zich uitstrekkend van weinig 
benoorden Susa in zuid-oostelijke richting en allengs smaller wordend tot aan de 
streek van Busjir (Liyan); alles te zamen een lengte van + 500 km. Het cultuurcentrum 
was evenwel in het Noorden, waar steeds de belangrijkste steden van het latere Chuzistan 
zooals èuster en Dizful (Djundai-Sjapur) gelegen hebben. Waarschijnlijk was Elam ook 
reeds in die oudste tijden van het Sumerische land gescheiden door woestijnen, al 
is het mogelijk, dat deze nog meer een moeraskarakter hadden. 

Deze geographische feiten maken begrijpelijk, dat, zooals uit de archeologische 
vondsten en uit de historie blijkt, Elam altijd veel afhankelijker is geweest van het 
bergland in het Noorden en Oosten dan van het cultuurland in het Westen, en ook 
dat, wanneer van Elam zelf invloed uitging, dit alleen mogelijk was door den rugge¬ 
steun van de ten deele waarschijnlijk rasverwante bergvolken. Hüsing heeft terecht de 
volken van den Zagros in zijn studie van Elam betrokken 4 ). 

Maar nooit is in historischen tijd Elam’s invloed naar het Westen lang en over¬ 
wegend, gelijk reeds werd opgemerkt. Mogen wij in praehistorischen tijd zulk 
een invloed aannemen? De vondsten schijnen te bevestigen, dat Elam reeds in ouder 
tijden cultuurland is geweest dan Babylonië. Tot die oudere tijden zou behooren de 
beschavingsvorm, waarbij de archeologisch Susa I genoemde ceramiek behoort. Deze 
vondsten zijn sedert 1907 door de Morgan gedaan, die ook een jonger cultuurstratum 
Susa II onderscheidde, tusschen welke beide dan nog een intermediair stratum, aangeduid 
als Susa F>is, scheen te moeten worden aangenomen. Na 1927 zijn de opvattingen eenigs¬ 
zins herzien ten gevolge van de voortgezette opgravingen van de Mecquenem in Susa 
en van Contenau in Nihawend; de stijl Susa I bi s wordt nu beschouwd als te behooren 
tot een oudere beschaving, die aan het gansche Iraansche hoogland eigen was en 
waarvan Susa I een volmaaktere voortzetting was 5 ). Susa II daarentegen is reeds het ge volg 
van cultuurvermenging met het oude Sumerische gebied, waar, zooals vooral in Lagas, 
ceramiek van hetzelfde type gevonden is. Ook al kunnen wij over den absoluten datum 
weinig zeggen, zoo valt toch te constateeren, dat Elam in zijn oudste cultuurphase 
samengaat met het hoogland en zich daardoor zelfstandig tegenover de Sumerische 

*) Revue d'Assyriologie , XIX, 1922, p. 109. 

2 ) Publicaties van 1900 tot 1933 door V. Scheil in de Mémoires de la Délégation de Perse . 

3 ) W. Kennett Loftus, Travels and Researches in Chaldaea and Susiana , Londen 1856, p. 427. Ook de 
Karun zelf, waarin het water van dezen stroom ten slotte terecht komt, heet Eulaeus. 

4 ) G. Hüsing, Der Zagros und seine V'ölker (Der Alte Oriënt, IX 3/4, 1908). 

5 ) Volgens een mondelinge inlichting van Sir Aurel Stein zijn de vondsten van de Susa I-ceramiek gedaan 
onder omstandigheden, die het twijfelachtig maken, dat deze ceramiek werkelijk van de oudste bewoners van deze 
plaats afkomstig is. Al deze overblijfselen lagen slechts op één plek bij elkander en kunnen zeer goed van een 
verder afgelegen plaats hierheen gebracht zijn. Direct verband tusschen de oudste bewoners van de plaats Susa 
en de over de geheele Iraansche hoogvlakte verbreide ceramiek van het type Susa I is dus nog niet aangetoond. 



424 


I. DE HISTORISCHE ROL VAN ELAM 


ELAM 


425 


beschaving plaatst ! ). Een tweede element van cultuurzelfstandigheid is de taal. Daar 
komt nog een derde element bij, n. 1 . het schrift, want het z.g. proto-Elamietjsche 
beeldschrift toont, gelijk bekend, geen overeenkomst met het oudste Sumerische 
beeldschrift. Wij weten, dat dit proto-Elamietische schrift gebruikt is door den te Susa 
heerschenden Koning ba-sa -su-si-nak, die gedateerd moet worden in den tijd van het 
machtsverval van het rijk van Sumer en Akkad, dus kort na 2500 v. Chr. Genoemde 
koning schreef Akkadisch en waarschijnlijk Elamietisch in proto-Elamietisch schrift, 
wat wegens het aanwezig zijn van tweetalige teksten al tot eenig succes in de ont¬ 
cijfering geleid heeft 2 ), maar het is niet te zeggen uit welken tijd de oudste proto- 
Elamietische inscripties stammen. In ieder geval is het feit van haar bestaan iets origineels. 
Het blijkt, dat de proto-Elamietische teekens zich, evenals de Sumerische teekens, tot 
een syllabisch alphabet van dezelfde structuur hadden ontwikkeld. Het zou dus 
mogelijk zijn aan te nemen, dat het proto-Elamietische schrift een voorlooper van het 
Sumerische schrift is geweest en zelfs een geestelijke vader. 

Indien dus van Elam belangrijke cultuurinvloeden naar het Westen zijn uitgegaan, 
dan moeten zij in de vóór-historie gezocht worden. De zeer onzekere veronderstellingen 
over de rassen, die oudtijds Elam bevolkten en met name het probleem of in die 
zeer oude tijden Semieten daar al een bevolkingsgroep uitmaakten is in dit opzicht van 
minder gewicht 3 ). Want het schijnt wel te mogen worden aangenomen, dat de vreemde, 
elementen steeds na korter of langer tijd geassimileerd en geëlamiseerd werden. Mogen 
al in de oudste tijden Semietische theophore namen in Elam optreden, steeds weer 
handhaaft het oude Elamietische eigen pantheon zich met groot conservatisme in den 
cultus en in de naamgeving 4 ). Maar anderzijds vinden de Elamietische góden geen gast¬ 
vrijheid in Babylonië, gevolg van de geographisch-politieke onmogelijkheid de militaire 
macht van Elam voor langeren duur naar het Westen uit te breiden. 

De historie van de betrekkingen tusschen Elam en Babylonië toont 
eeuwenlang een zich herhalende opvolging van gebeurtenissen: plunderingen door 
Elamieten, expedities tegen hen door de stadkoningen, onderwerping van Elam, wan¬ 
neer in Babylonië een belangrijk machtscentrum ontstaat, vrijmaking van het juk 
wanneer die macht vervalt, en opkomst van zelfstandige dynastieën in Elam zelf. De 
binnenlandsche geschiedenis van Elam is minder duidelijk, ten gevolge waarschijnlijk 
van de omstandigheid, dat alleen van de dynastieën in Susa door de opgravingen iets 
meer bekend is, terwijl toch wel mag worden aangenomen, dat Elam soms gelijktijdig 
verscheidene heerschers in de verschillende steden gekend heeft. Bovendien moeten hier 
de betrekkingen tot de volken in het noordelijke en oostelijke bergland een belangrijke 
rol gespeeld hebben. Wij weten hierover niet veel, al is het wel waarschijnlijk, dat de 
politieke toestand van het achterland voor Elam van veel vitaler belang is geweest dan 
die van Babylonië. Verscheiden dynastieën schijnen door hoofden van bergstammen 
te zijn gesticht 5 ). En men mag ook niet vergeten, dat het met de eigen cultuur van 
Elam pas voor goed gedaan was, nadat zich door de vorming van het Achaemeniedenrijk 
een zoo sterke politieke macht aan de N.-O. grens had ontwikkeld, dat deze nu, ondanks 
de traditioneele verovering van de Elamietische kuststreek, voor het eerst er in slaagde 
haar eigen Iraansche cultuur in de stroomgebieden van Choaspes en Eulseus te brengen, 
zij het ook niet zonder ook Elamietische beïnvloeding te hebben ondergaan. 

De eerste historisch-zekere verovering van Elam van uit Babylonië is die door 
S argon en zijn opvolgers (28ste eeuw v. Chr.). Van Naram-Sin’s verdragsverhouding 
tot Elam legt een kleitablet getuigenis af, waarop voor de eerste maal een archaïsche 
vorm van spijkerschrift voor de taal der Elamieten gebruikt wordt. In dezen tijd 
begint de Semietische invloed in Elam, die ook uitkomt in de Akkadisch (en Proto- 
Elamietisch) geschreven documenten van den reeds genoemden koning BA-sA -su-si-nak. 
Na hem moet de politieke afhankelijkheid van Babylonië, in den [tijd van Dungi, 
weer grooter zijn geweest, hoewel ook dan een dynastie in Susa bekend is, n. 1 . die 


! ) Vgl. ook A. Moortgat, Die Bildende Kunst des Alten Orients und die Bergvölker , Berlijn 1932. 

2 ) F. Bork, Die Strichinschriften von Susa , 1924. De documenten zijn bekendgemaakt door V. Scheil in 
Tomé VI (1905) en XVII (1927) van de Mémoires de la Miss. Arch. de Perse. 3 ) E. Meyer, Geschichte des 
Altertums , I, p. 508. 4 ) C. van Gelderen, Elamietische góden en koningen^ Stemmen des Tijds , 1924. 

5 ) Zoo de dynastie van Kutur-Nachunte + 2280, vgl. Meyer, Gesch. des Alt .,1 602. 


van Hutrentepti. Weer later, in de 23ste eeuw, valt de inval van den Elamiet Kutur- 
Nachunte in Isin en Uruk, gevolgd door overheersching van Babylonische steden door 
Elamietische heerschers, terwijl in Susa zelf een niet geheel onafhankelijke (maar 
afhankelijk van wien ?) dynastie heerscht, die als voorvader Silhaka heeft. Van enkelen 
dezer vorsten zijn inscripties over ! ). Deze tijd is waarschijnlijk zeer belangrijk voor 
Elam’s inwendige geschiedenis, maar een bevredigende coördinatie van de bestaande 
gegevens stuit nog op groote moeilijkheden. Tijdens de dynastie van Babel, 
onder Hammurabi en zijn opvolgers, wordt Elam dan weer onderworpen; in dezen 
tijd treden de Kassieten of Kossseers reeds op het antieke wereldtooneel 2 ). In de 
18de eeuw veroveren zij zelfs Babylonië en zullen zij ook tegelijkertijd wel weer 
groote politieke veranderingen veroorzaakt hebben. In ieder geval komt Elam nu 
politiek geheel los te staan van Babylonië, waarvan het zuidelijk deel meer en meer 
in verval was gekomen, terwijl het Noorden onder de heerschappij der vreemde over- 
heerschers een voor de wetenschap nog vrij duister tijdperk ingaat, dat eerst eenigs- 
zins wordt verlicht wanneer de Assyrische macht opkomt. 

Eerst omstreeks 1300 v. Chr. treedt dan in Susa een inheemsch Elamietische 
dynastie op, die na de Kassietenperiode aan Elam politieke zelfstandigheid schijnt 
te hebben gegeven. De stamvader schijnt te zijn Ike-Halki en de vorsten noemen 
zich ‘koningen van Ancan en èusun’, beide in dezen tijd reeds oeroude namen, evenals 
de landsnaam Hatamti , die de inheemsche vorm van het Semietische Elamtu schijnt 
te zijn 3 ). De meest op den voorgrond tredende figuren uit deze dynastie zijn Hum- 
bannumenna, kleinzoon van Ike-Halki, en later in de eerste helft der 12de eeuw Sutruk 
Nahunte, die Babylon veroverde, hoewel ook in dezen tijd van werkelijk politieke 
machtsuitbreiding buiten Elam geen sprake schijnt geweest te zijn. Wel is het een 
tijd van opleving van eigen cultuur; de koningen der genoemde dynastie, beginnend 
met Humbannumenna, schrijven hun eigen Elamietisch met een eigen karakteristieken 
vorm van het Babylonische spijkerschrift en hun inscripties toonen ons de oude 
Elamietische góden in eere. 

Na deze Elamietische renaissance is weer tamelijk weinig over Elam bekend. 
Enkele inscripties (zooals die van Mal-Amir) bewijzen, dat nog steeds de litteraire 
traditie gehandhaafd bleef. Maar dan komt Elam plotseling weer voor het voetlicht 
als tegenstander van het Assyrische wereldrijk. Evenals steeds, wanneer 
aan Tigris en Euphraat een centrum van macht was, moest Elam het onderspit 
delven. In 648 v. Chr., onder Assurbanipal, vielen de Assyriërs na veel wederwaardig¬ 
heden Elam binnen en verwoestten Susa. 

In dezen tijd was de macht van Assyrië reeds van alle zijden bedreigd. De 
voornaamste vijanden waren de Iraansche Mediërs, die als heeren van het 
Iraansche plateau nu op hun beurt de historische missie van inbezitneming van Elam 
zouden vervullen. Deze verovering is evenmin zonder wapengeweld gegaan en moet 
omstreeks 593 v. Chr. hebben plaats gehad 4 ); zij vindt haar weerklank in de profetieën 
der profeten Jeremia en Ezechiel. Toch zal dit op lange na niet de eerste maal zijn 
geweest, dat Elam van uit het Noorden bedwongen werd. Alleen waren nu de toe¬ 
standen in zoover veranderd, dat de verovering niet van stamverwante bergvolken 
uitging, maar vanuit een veel verder noordelijk gelegen centrum, door een politieke 
macht van eerste grootte. Aan de verovering door het nieuwe rijk der Iraniërs waren 
echter gebeurtenissen voorafgegaan, die evenmin in de historie van Elam ongewoon 
zullen zijn geweest. Een deel der Iraniërs had zich n. 1 . reeds veel vroeger op hun 
randgebieden gevestigd. Dit waren geen anderen dan de latere Perzen, die onder den 


!) De beste Elamietische bronnen voor deze en de vólgende periode zijn in transcriptie samengesteld door 
G. Hüsing in Die einheimischen Quellen zur Geschichte Elams (Assyriologische Bibl. XXIV. Band) I Teil, 
Leipzig 1916. Textenuitgave, hoofdzakelijk berustend op Scheil’s publicaties, in Co 7 'pus Inscriplionum Elami - 
carum door F. W. König, I Die altelamischen Texte , Hannover 1932. 

2 ) De taalverwantschap tusschen Kassieten en Elamieten, waaraan Hüsing zulk een groote beteekenis 

hechtte, evenals aan die met bepaalde Kaukasische talen ( Mcmnon , Band IV, 1910, p. 22) behoeft in dit 

historisch overzicht geen rol te spelen. 

3 ) De bezwaren van Hüsing tegen de door Scheil voorgeslagen lezing ha-tam-ti in plaats van ha-pir-ti 

(Die einheimischen Quellen , p. 89) schijnen m. i. nog niet voldoende weerlegd te zijn. 

4 ) Bespreking der hiermede samenhangende historische problemen door J. Prasek, Geschichte der Meder 
und Perser , Gotha 1906, I p. 157 vlg. 



426 


I. DE HISTORISCHE ROL VAN ELAM 


naam Parsuas optreden als bondgenooten van den Elamietischen koning tegen Sanherib 
van Assyrië, dus omstreeks 700 v. Chr. Deze Parsuas moeten kort te voren uit hun 
vroegere woonplaatsen in den Zagros naar het Zuid-Oosten verhuisd zijn. In den loop 
der 7de eeuw moet zich hun politieke macht bevestigd hebben onder de aanvoerders, 
die de stamvaders van het Achsemenidengeslacht zijn geworden : Achaemenes en Theispes. 
Verschillende teekenen wijzen erop, dat deze Perzen niet onbeïnvloed zijn gebleven 
door de hoogere Elamietische cultuur, die zich immers altijd min of meer in de oostelijke 
bergen had uitgestrekt. Dat namen als Cyrus ( Kurus) Elamietisch zijn is nog niet 
bewezen, maar het feit, dat Cyrus en zijn voorvaders zich ‘koningen van Ansan’ 
noemden, bewijst het overnemen van Elamietische traditie, althans in de titulatuur. 
Over de vraag welke streek met Ansan bedoeld wordt is altijd veel te doen geweest; 
in het geval van Cyrus is er nauwelijks twijfel mogelijk, dat Ansan het bergachtige 
gebied ten Z. O. van Elam was, dus Persis ! ). In hoever de uit de Achaemeniden- 
sculpturen bekende typisch Perzische dracht door de Elamietische beïnvloed is zou 
nog te onderzoeken zijn. Herzfeld heeft zelfs getracht aannemelijk te maken, dat ook 
het oud-Perzische spijkerschrift van het Elamietische spijkerschrift zou zijn afgeleid; 
wat de vormen betreft is dit wel zeer onwaarschijnlijk 2 ) en ook in de schrijfgewoonten 
is niet veel overeenkomst te bespeuren. Maar dat de Achsemenidische koningen het 
noodig vonden al hun bekendmakingen ook in een Elamietische versie te geven zegt 
genoeg voor de nawerking van de Elamietische traditie. Ten slotte wijst ook de ont¬ 
wikkeling, die de Iraansche taal in Persis genomen heeft, op beïnvloeding door een 
substraat, dat Elamietisch of een daarmede verwant dialect is geweest (verdwijnen van 
het genus-onderscheid, eigenaardig gebruik der relatieve pronomina). Hierbij moet 
echter opgemerkt worden, dat de Achsemenidisch-Elamietische inscripties zelf ver¬ 
moedelijk in hun syntaxis — evenals in hun woordenschat — sterk door het oud-Perzisch 
beïnvloed zijn (bijv. in het optreden van het genitief-sufhx -na); maar dit Elamietisch 
is waarschijnlijk ook geen juiste weergave meer van de werkelijk gesproken taal. 

Na Cyrus’ overwinning op de Meden (550 v. Chr.) was het ook met de politieke 
zelfstandigheid van Elam spoedig gedaan. Wanneer precies de Perzen aan de daar 
nog heerschende inheemsche dynastie een einde hebben gemaakt is niet bekend, maar 
ongetwijfeld zal de onderwerping van Elam hun minder moeite hebben gekost dan 
van de andere van Medië afhankelijke landen, zooals Armenië en Lydië. Zij waren 
wat hun cultuur betreft zelf half-Elamieten en Cyrus maakte dan ook Susa tot een 
van zijn koninklijke residenties. Hiermede was de politieke rol van Elam uitgespeeld; 
de rebellen, die zich onder Darius als koning van Elam opwierpen, schijnen zonder 
veel moeite bedwongen te zijn. 

Ook de traditioneele cultuurhaard van Elam was uitgebluscht, waartoe de gestadige 
aanslibbing aan zijn kusten en de daardoor veroorzaakte grootere isolatie van zijn 
centrale steden zal hebben bijgedragen. De Iraansche beschavingsvorm, nu vast ge¬ 
vestigd in het Noorden en Oosten, was van nu af aan de sterkere. Het is niet geheel 
duidelijk welke rol hier nog gespeeld is door den vermoedelijk Iraanschen stam der 
Chwaza (Grieksch Qv^ioi), die hier in den Achsemenidentijd optreden en naar wie het 
land later Chüzistan genoemd is; zij hebben in ieder geval nooit politieke beteekenis 
gehad en zijn altijd min of meer afhankelijk van de Achaemeniden geweest. Ook de 
inheemsche taal, het Elamietisch, dat nog in het Pinksterverhaal (Handelingen 2 9 ) 
afzonderlijk genoemd wordt, is later bij de Arabische geographen als Chüzi bekend. 
Herzfeld is van meening, dat dit in dezen tijd niet anders geweest kan zijn dan een 
Iraansch dialect 3 ), maar de bewoordingen, waarin over die taal gesproken wordt, 
wijzen op een van het Perzisch geheel verschillende taal. 

Ten slotte nog een opmerking over de betrekking tusschen Iraniërs en 
Elamieten, die hoewel negatief, niet zonder belang schijnt. Het is deze, dat de 
geheele Avesta-literatuur niets van Elam schijnt te weten. ‘Schijnt te weten’, want 
er komen in den Avesta nog vrij veel land- en plaatsnamen voor, die niet te localiseeren 
zijn. Voor zoover geographische aanduidingen voorkomen, die in het Iraansche land 
zelf thuis hooren, is men vrij zeker omtrent de identificatie, zoo wat betreft de in den 

! ) Aldus laatstelijk Herzfeld, Archceological History of Iran , Londen 1935, p. 24. 

2 ) Jaarbericht n°. 4 van l Ex Oriente Lux’, p. 250. 3 ) Arch. Mitt. Iran , VII (1934), p. 43. 


ELAM. I. DE HISTORISCHE ROL VAN ELAM 


427 


Mihr Vast genoemde landstreken, die Mithra overziet, wanneer hij op de toppen 
van den hoogen Hara verschijnt, en de rivieren van Sïstan, die in het Kansavya- 
meer stroomen, uit Yast XIX. De minder bekende namen behooren thuis in de rand¬ 
gebieden, zooals het land Mazana, d. i. Mazandaran, waar een bepaald soort dsemonen 
woont. Ook Babel wordt een enkele maal genoemd in de Yasts. Op zichzelf behoeft 
het dus niet te zijn uitgesloten, dat de Avesta ook Elamietisch gebied kent. Maar 
geen der landnamen laat vooralsnog identificatie met Elamietisch gebied toe. Deze om¬ 
standigheid schijnt de conclusie te rechtvaardigen, dat zuidelijk Iran zeer zeker niet 
het tooneel van den arbeid der Avesta-compilatoren kan geweest zijn en nog minder 
de plaats van oorsprong van de oudere Avesta-teksten. Dit is nu wel nooit uitdrukkelijk 
beweerd, maar het kan toch geen kwaad in dit verband de afwezigheid van toespelingen 
op Elam te constateeren. De Zoroastrische invloeden, die, na het bekend worden van 
de laatste Xerxes-inscriptie van Persepolis ! ), moeilijk ontkend kunnen worden in de 
omgeving van Darius en Xerxes, zijn in ieder geval uit het Noorden of Noord- 

Oosten in Persis gekomen; of de Parsuas, de latere Perzen, ook nog deel hebben 
gehad aan de vóór-Zoroastrische epische traditie van de Yasts is bij het ontbreken 
van alle gegevens niet uit te maken. 

II. DE ACH^EMENIDISCH-ELAMIETISCHE INSCRIPTIE DAR. SUSA j. 2 ) 

Het volgende is een poging tot reconstructie van den Elamietischen tekst van een 
door V. Scheil in Torne XXI der Mémoires de la Mission Archêologique de Perse , 
Mission en Susiane (Inscriptions des Achéménides de Suse), Parijs 1929, p. 44—47, 
gepubliceerde, drietalige inscriptie, van welke de Elamietische tekst het best bewaard 
is. Deze tekst is ook behandeld door W. Brandenstein in Wiener Zeitschrift für 

die Kunde des Morgenlandes , Band XXXIX, Weenen 1932, p. 44—52 3 ). Zij is vooral 
belangrijk door eenige nieuwe woorden en zinswendingen; de inhoud is een bouw- 

inscriptie, zooals die in verschillende kortere en langere versies voorkomen — al naar 

de beschikbare ruimte het telkens toeliet —: de koning wijst op het onvergelijkelijke 
karakter van de werken, die hij heeft uitgevoerd en dankt dit aan Ahuramazda. 

De Oud-Perzische, Elamietische en Akkadische versies van deze inscriptie komen 
blijkbaar voor op drie zijden van de basis van een zelfde kolom; Scheil geeft eigenlijk 
geen enkele verdere bijzonderheid daarover en vermeldt ook niet de afmetingen, wat 
voor de reconstructie van belang zou zijn 4 ). 

De Elamietische versie is in vijf regels, van welke de geheele rechterhelft en het 
linkergedeelte van de linkerhelft bewaard zijn; op iederen regel behoeft dus slechts 
ongeveer een vierde van het geheel te worden aangevuid. Daardoor moet de Elamietische 
versie de basis zijn van de reconstructie, ook van den Oud-Perzischen tekst, die 
uit zes regels bestaat, van welke een deel van de linkerhelft bewaard is en van den 
uit vijf regels bestaanden Akk. tekst, waarvan ongeveer het linksche derde gedeelte over is. 

Gelijk telkens bij dergelijke reconstructie-pogingen blijkt, kan alleen een graphische 
reconstructie overtuigen wat betreft de mogelijkheid van de voorgestelde vulling der 
ruimte, een methode welker niet-aanwending zooals bekend Scheil soms tot materieel 
onmogelijke reconstructies heeft gevoerd. Vandaar, dat de reconstructie van den spijker- 
schrifttekst hier is bijgevoegd (Fig. 9). 

In transcriptie 5 ) luidt zij als volgt : 

*) Jaarbericht n°. 4 van l Ex Oriente Lux’, p. 253. 

2 ) Deze aanduiding is van Brandenstein in zijn in den text genoemde publicatie en door mij overgenomen 
in L A classificd List of the Achaemeitian Inscriptions ’ (Ann. Bibl. of Ind. Arch. III, 1931). Ik citeer alle El. 
teksten naar de daarin gegeven afkortingen; de regels zijn steeds die van de El. versie. 

3 ) Bovendien zijn punten uit de Elamietische versie besproken door Weissbach in Arch. f. Or. VII, 1933, 

p. 39, 45 en Herzfeld, A.M.I. III, 1931, p. 46 vlg. 4 ) Herzfeld, A. M. I. III, 1931, p. ïo, vraagt zich 

zelfs af of de drie versies wel bijeenbehooren; vermoedelijk staan zij inderdaad bij elkander op dezelfde kolom- 
basis. Uit wat volgt moge ook blijken, dat zij in het algemeen denzelfden inhoud hebben. 

5 ) In het algemeen is Weissbach’s transcriptie uit Die Keilinschriften der Achaemeniden (Vorderas. 
Bibl. 3) Leipzig 1911, gevolgd, behalve dat i. p. v. za , zi; ca , ci geschreven is. De veranderde weergave 
van sommige teekens (bijv. po voor pa , r voor zV, he voor gi\ welke Brandenstein, König en Herzfeld toe¬ 
passen, benadert ongetwijfeld de werkelijke uitspraak beter, maar is slechts fragmentarisch, zoodat het geheel 
der transcriptie er niet door gediend wordt. Deze nieuwere inzichten kunnen bij de niet-lapidaire texttranscriptie 
nog altijd tot hun recht komen. 


428 


II. DE ACH^EMENIDISCH-ELAMIETISCHE INSCRIPTIE DAR. SUSA J. 



r. / ü ! da-m-ya-ma-u-ïs ! c. *) ! ir-sa-[ir-ra ! c. !c.-ip-ir-ra ! c,] - mu- 

ru-un hi uk-ku-ra mi-is-da-as-ba sa-ak-ri ! ha-ak-ka-man- 

2. nu-si-ya a-ak ! da-n-y a-ma-u-ïs [/ c. na-an-ri hi-ma !]ü ap-pa 

hu-ut-da-ra hit-be da-a-ki lu-ra-ka in-ni hu-ut-da 

3. sa-ap ap-pa-na-ka ( an ) u-r a-mas-da ha-\ni-is-da ci-la l]ü (an) 

u-ra-mas-da ! ü-in ka-ni-sa ap-pa lam- 2 )ma hu-ut-da-in hu-be 

4. mar-m-da ü-ca-ra-um-mi a-ak ! r[uh-ir-ra (id .) ca-u-mi-\ in 

! u-ra-mas-da-na ak-ka hi UL-HI (id.) ci-ya-man-ra ap-pa ! ü hu- 

5. ut-da-ra mar-be-ip-da pir-ra-[ is-da ! ü (an) u]ra-mas-da lü-un 

nu-is-gi-is-ni ku-ut-da ! da-a-y a-u-is-mi. 

Stilistische slordigheden in dezen tekst zijn, dat in regel 1 
de verticale ‘spijker’ vóór sa-ak-ri ‘zoon’ ontbreekt en dat op 
regel 4 de naam u-r a-mas-da wordt voorafgegaan door een verticalen 
spijker in plaats van door het determinatief an, zooals behoorde. 
Deze afwijkingen zijn te gering om op rekening van de plaats- 
economie in den regel gezet te worden. 

De reconstructie is ten deele met behulp van de overgebleven 
fragmenten van den Oud-Perzischen en den x^kkadischen tekst 
gemaakt, hoewel de teksten in de drie talen niet in alle details 
aan elkander beantwoorden. Dit gebrek aan volledige overeen¬ 
stemming is steeds het gevolg van het rekening houden met de 
beschikbare plaatsruimte; juist bij een niet zeer lange, maar ook 
niet zeer korte, inscriptie als deze valt de invloed van de plaats¬ 
ruimte goed te bestudeeren. Het Oud-Perzisch namelijk, dat 
wegens het alphabetisch karakter van zijn schrift meer ruimte 
inneemt dan het Elamietisch, beslaat zes kolommen, maar heeft 
daardoor ook gelegenheid iets meer te geven. Of eigenlijk is het 
andersom, want het Oud-Perzisch moet gelijk overal als het 
origineel beschouwd worden. 

De vertaling van den Elamietischen tekst luidt: ‘Ik ben 
Darius, de groote koning, de koning der koningen, de koning 
op deze aarde, zoon van Hystaspes, de Achaemenide. En Darius 
de koning spreekt: Wat ik hier gedaan heb, dat heb ik niet 
op andere wijze (?) gedaan. 

Zooals het Ahuramazda behaagde, zoo heeft Ahuramazda 
mij vriendelijk behandeld. Wat ik bedacht te doen, dat is alles 
ten goede. En de mensch — door den wil van Ahuramazda — 
welke dit paleis ziet, dat ik gemaakt heb, die is onder allen 
bevoorrecht. Moge Ahuramazda mij beschermen en mijn land.’ 

De invulling op regel 1 is geheel zeker, aangezien het hier 
een tientallen malen voorkomende vaste protocolaire formule 
betreft, die ten overvloede nog door den Oud-Perzischen tekst 
wordt bevestigd. Met Brandenstein is c.-ip-ir-ra gelezen en niet 
c.-ip-in-na, omdat in de Susa-inscripties verder alleen de uitgang 
ir-ra in deze formule wordt aangetroffen. Gelijk door Hüsing’s 
onderzoekingen vaststaat is -ir-ra een oudere correctere vorm, 
waarin het r-element een soort klasse-suffix is, dat de klasse 
van cunkir weer opneemt. De uitgang -in-na is een in het 
Achaemenidische Elamietisch vaak optredende genitivus-achtige 
uitgang, die in het oude Elamietische systeem met zijn klasse- 
suffix-systeem 3 ) niet past. In ieder geval komt door deze zekere 

*) Weergave van het ideogram, dat hier waarschijnlijk cunkir is te lezen. 

2 ) Op het voetspoor van Hüsing, Die Einheimischen Quellen , p. 92 vlg. i. p. v. el. 

3 ) Hierover G. Hüsing, Über die Sprache Elams in Schles. Ges. für vaterl. 
Cultur , Jahresbericht 1908, IV Abh. b., p. II vlg. 


ELAM 


429 


reconstructie de lengte van den regel vast te staan. Wij kunnen er namelijk niet aan 
twijfelen, dat de twee door Scheil gegeven helften van de inscriptie inderdaad tot één 
exemplaar behooren, want regel 2 sluit precies bij het eind van regel 1 aan; zoo is 
het ook met alle volgende regels. 

De uitdrukking mu-ru-un hi uk-ku-ra is de kortste vorm, waarin deze juist in 
het Elamietisch tegenover het Oud-Perzisch zoo gevarieerd optredende formule *) kan 
voorkomen 2 ). ra is hier nog altijd het op cunkir betrekking hebbende klasse-suffix. 

In de lacune van regel 2 zijn de teekens / c . na-an-ri protocollarisch zeker. Er 
blijft dan eigenlijk nog maar ruimte voor twee teekens, waarvoor ik op Scheil’s voet¬ 
spoor hi-ma ‘hier’ zet; het is duidelijk, dat er voor het da-a-ya-u-is, dat Scheil hierop 
laat volgen, in het geheel geen plaats is. Hierop heeft Brandenstein al gewezen (p. 45), 
maar diens mar-ri-da hi is eveneens te lang. Wel zou men kunnen overwegen of er 
wellicht - su-sa-an ‘in Susa’ heeft gestaan, zooals in Dar. Sus. f. 20 3 ); er zijn daar 
echter vier teekens noodig, wat te veel lijkt; ook voor het Oud-Perzisch schijnt fïïsaya 
te lang, tenzij men de langere regels van Kent accepteert. 

da-a-ki lu-ra-ka op regel 2 is nog niet volkomen duidelijk. Het eerste woord komt 
voor in Bis. III 69 en Xerx. Pers. h. 35 met het suffix da ‘ook’ en beteekent daar telkens 
‘iets anders’ of ‘andere dingen’, lu-ra-ka is in het Elamietisch verder onbekend 4 ); de 
lezing ra schijnt echter zeer onzeker (zie Schels afschrift), en zoo men mocht aan¬ 
nemen, dat lu eigenlijk ci moest zijn (de drie liggende keilen moeten dan vóór de 
drie staande komen), zou men kunnen lezen ci-la-ka ‘wijze, manier’ en zou dus de 
heele uitdrukking beteekenen ‘op andere wijze’. In ieder geval zal ka, evenals ki in 
da-a-ki, het veel voorkomende individualiseerende klasse-suffix k zijn. Ook Kent recon¬ 
strueert in den Oud-Perzischen tekst: \aii\iya%a ‘otherwise’, waarin ik hem gaarne zou 
volgen, liever dan Brandenstein’s [ paruv]iyaSra . Het bezwaar is alleen, dat de hier 
bewaarde Akkadische tekst mim-ma-sa la ap-pi-it-ti[e-pu-us-su ] biedt, wat volgens 
Prof. V. Christian (geconsulteerd door Brandenstein) beteekent ‘davon habe ich nicht 
sofort gemacht’. Scheil vertaalt eveneens ‘d’emblée’. De eenige mogelijkheid van 
combinatie der verschillende uitdrukkingen zou zijn aan te nemen, dat ‘niet anders’ 
een idiomatische uitdrukking is, te vergelijken met ‘niet zoo maar’, ’nicht von ungefahr’. 

De reconstructie van de lacune in regel 3 schijnt mij vast te staan door ver¬ 
gelijking met N R. a. 31, waar staat sa-ap lü ha-ni-ra ci-la, Oud-Perzisch yaSrd mam 
karna üha ‘zooals het mij behaagde’. Hetzelfde moet gestaan hebben in den geschonden 
tekst van Bis. III 63. In plaats van sa-ap staat in onzen tekst het ook in Dar. Susa 
i. 4 voorkomende uitvoeriger sa-ap ap-pa-na-ka, dat misschien een meer generaliseerende 
beteekenis heeft en identiek is met sa-ap ap-pa-an-ka , dat verder herhaaldelijk voor¬ 
komt (Bis. I 48, 52, 56). Verder behoeft men ha-ni-ra slechts in den derden persoon 
om te zetten, wat ha-ni-is-da geeft (relatieve vorm van ha-ni-is); dit vult juist de 
lacune. Dezelfde vorm heeft waarschijnlijk gestaan, maar zonder ci-la, in het begin 
van reg. 15 van Dar. Susa f.: (an) u-r a-mas-da 15 [sa-ap ha-ni-is-da - mu-ru-u\n hi. . .. 

ap-pa lam-ma hu-ut-da-in op regel 3 wordt door Weissbach (Arch. f. Or . F. VIII 1930, 
p. 39) verklaard met ‘was ich dachte: ich mache es’. Brandenstein, hoewel met de ver¬ 
taling in het algemeen instemmend, vindt deze grammatische verklaring blijkbaar te sim¬ 
plistisch. Inderdaad schijnt hu-ut-da-in niet te moeten worden opgevat als een iste persoon 
enkelvoud, maar eerder als een infinite ww.-vorm op n, die Hüsing gerundium noemt 
en die wel is waar ook aan de praesensconjugatie ten grondslag ligt, maar toch in 
veel gevallen zijn infiniet karakter behoudt, vooral na een vervoegden ww.-vorm als 
in dit geval. Ik zou de constructie op één lijn willen stellen met de in de Bisutun- 
inscripties vaak voorkomende uitdrukking si-in-nu-ik . .. sa-par-rak-um-me hu-ut-ti-man-ra 
(Bis. I 75 ; II 51; III 13, 14) ‘hij kwam aan... om slag te leveren’ of si-in-nu-ip sa- 
pa-rak-um-me hu-ul-ti-nu-un-ü-ba ‘zij kwamen aan om slag te leveren’ (Bis. I 25, 29, 

!) Vgl. Herzfeld, A.M.I. III, 1931, p. 78 vlg. 

2 ) R. G. Kent, in zijn reconstructie van den Oud-Perzischen tekst ( Journ . Am. Or. Soc. LI, 1931, p. 214) 
maakt in het Oud-Perzisch de formule langer door er vazrkaya bij te voegen; daardoor wordt de hypothetische 
lengte van alle regels van den Oud-Perzischen tekst langer. Ik kan hem daarin niet volgen. 

3 ) Scheil, M. M. A. P. XIV, 1933, PI. III: [hi — UL-HI ap-pa ! ü-s\u-sa-an hu-ut-da-ra. 

4 ) In het Oud-Elamietisch komt een stam lu voor, die f eeuvvig’ schijnt te beteekenen; vgl. o. a. F. W. 
König, Drei altelamische Stelen ( M. V. A. G. deel 1) Leipzig 1925, p. 47. Dan ware de beteekenis van het 
duistere woord misschien ‘ooit’. 




430 


II. DE ACHiEMENIDISCH-ËLAMlETISCHE INSCRIPTIE DAR. SUSA J. 


33, 41, 46). Ook hii-ut-ti-man en hii-ut-ti-nu-un zijn hier dergelijke gerundia, waarvan 
voorloopig in het midden gelaten worde of zij met hu-ut-da-in identisch zijn. Het 
verschil is alleen, dat in onzen tekst geen klasse-suffix (als in de voorbeelden ra en 
u-ba) achter het gerundium staat. Aangezien het hier een relatieve zin is, zou men hier 
eigenlijk nog eerder - ra verwachten. Intusschen heerscht in het Achaem. El. nooit 
groote regelmatigheid in het al of niet plaatsen dezer suffixen, en misschien hebben 
hier overwegingen van ruimte-economie gegolden. In den Oud-Perzischen tekst heeft 
hier blijkbaar eenvoudigweg akunavam gestaan. 

In regel 4 heb ik mij door de vertaling van ü-ca-ra-um-mi met „ten goede” aan¬ 
gesloten bij Herzfeld’s l zu ver geiten, zie A. M. /. III, p. 117 vlg. 

In de lacune van regel 4 kan natuurlijk niet da-ri-ya-ma-us ! c.na-an-ri staan, zooals 
Scheil aanvult, daar dit veel te veel plaats in zou nemen. Ook Brandenstein heeft 
dit reeds opgemerkt; hij laat de lacune open. Nu staat in den Oud-Perzischen tekst 
inderdaad [&atiy d\drayavaus Xs.; hier was meer plaats. Van het eerste teeken van 
de lacune is de eerste helft over; deze eerste helft kan inderdaad op da wijzen, maar zij 
is ook het begin van het Elamietische ideogram ruh , „mensch” dat evenals de eigen¬ 
naam Darius door een verticalen keil wordt voorafgegaan. Reconstrueert men dus 
! r\uh-ir-ra (j id)] f dan blijft daarachter nog juist plaats voor de blijkens het vervolg 
absoluut vereischte teekens [ca-u-mi]. Ook in N. R. a. 46 en Xerx. Pers. h. 42 (dit is de 
nieuwe Xerxes-inscriptie, die Herzfeld in A. M. I. VIII 1936, p. 56 vlg. gepubliceerd 
heeft) wordt mensch in dezen algemeenen zin gebruikt. 

Dit ! ruh-ir-ra moet dan subject zijn van het op regel 5 gereconstrueerde pir- 
ra-[is-da], welke reconstructie berust op het in den Oud-Perzischen tekst bewaarde 
frasta . Ook Brandenstein heeft zoo gelezen, maar voor \a-ak\ dat hij erop laat volgen, 
is geen plaats. In het Elamietisch staat dus, dat de mensch, die het paleis ziet , frasta is. 
In Darius Susa a, waarvan alleen de Oud-Perzische tekst bestaat, noemt Darius zich¬ 
zelf frasta (frasta £ )adayamaiy ‘ik verschijn als fr.’). De scherpzinnige verklaring, die 
Brandenstein p. 21 van Oud-Perzisch frasta geeft en die hem doet vertalen: ‘einer 
der es erreicht hat’ weet ik door niets beters te vervangen. Alleen zou men wel 
gaarne etymologischen samenhang met frasam ! ) (in Xerx. Pers. f. regel 37 staat 
frabram) willen aannemen. Ik vertaal dan ook ‘bevoorrecht’, en aangezien degeen, 
die het paleis ziet, deze kwaliteit heeft, moet in het Oud-Perzisch Sadaya- eerder als 
3 de pers. dus 3 'adayataiy aangevuld worden. In het Elamietisch ontbreekt het ww. 
Verder beteekent mar-be-ip-da ‘allen’. In Bis. II 56 en Dar. Pers. f. 13/14 en 21 is 
het telkens appositie n. 1 . van tas-su-ib ‘volk’ en van nap ‘góden’. Hier staat het zelf¬ 
standig en kan het als tot het volgende woord in genitief-relatie staande worden 
opgevat, dus ‘de bevoorrechte van allen’ of ‘onder allen bevoorrecht’. Het Oud- 
Perzische visahya frasta beantwoordt daar volkomen aan, evenals in Dar. Susa a. 

Het laatste deel van regel 5 is de bekende formule, waarin Ahuramazda’s bescherming 
wordt ingeroepen. Zooals overal moet deze formule met ƒ ü beginnen, waarvoor inder¬ 
daad juist plaats is in den tekst vóór het begin van den naam [(an) u\ra-mas-da . 

In aansluiting op het voorafgaande moge hier ten slotte mijn reconstructie van 
den Oud-Perzischen tekst volgen, voor de rechtvaardiging waarvan naar het bovenstaande 
verwezen moge worden. 

1. [adam djarayavaus Xs. vazrka Xs. X§.yana[m Xs. ahyaya B.ya vistaspahya 

2. puga ] haxamanisiya 3 atiy dafrayavaus Xs. ida tya adam akunavam 

3. ava an]iya 3 a naiy akunavam ya 3 a[ auramazdam 2 ) karna aha ava- 

4. - 3 a ma]m A M. dausta aha tya aku[navam ava visam hucaram akunavam 3 a- 

5. atiy djarayavaus Xs. vasna AM.ha hya[ ima hadis vainataiy tya mana ka- 

6. rtam] vïsahya frasta 3 adaya[taiy mam AM. patuv utamaiy D.m.] 

‘Ik ben Darius, de groote koning, de koning der koningen, de koning van deze 
aarde, zoon van Hystaspes. Darius de koning spreekt: Wat ik hier gedaan heb, dat 
heb ik niet op andere wijze gedaan. Zooals het Ahuramazda behaagde, zoo heeft 
Ahuramazda mij vriendelijk behandeld. Wat ik deed, dat alles deed ik ten goede. 
Darius de koning spreekt: Door den wil van Ahuramazda, wie dit paleis ziet, dat ik 
gemaakt heb, die moge onder allen bevoorrecht schijnen. Moge Ahuramazda mij 
beschermen en mijn land.’ 

Leiden-Oegstgeest J. H. Kramers 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 

Af kortingen: 

SL = Deimel, Sumerisches Lexikon (zie Jbr. n°. ], pg. 7, n°. 5, pg. 363 v.) 

B — Burrows, Archaic Texts from Ur (zie Jbr . n°. 4, pg. 207) 

F — Falkenstein, Archaïsche Texte aus Uruk (zie Jbr. n°. 4, pg. 207) 

Wanneer Thales van Milete betoogt, dat het „Water” is, „datgene, waaruit al 
het geschapene bestaat, waaruit het in den beginne is voortgekomen en waarin [het 
uiteindelijk zal ondergaan”, dan spreekt hij daarmede een waarheid uit, die zelfs de 
meest eenvoudige mensch van zijn tijd op grond van eigen waarneming van het 
natuurgebeuren om hem heen zou onderschrijven, al had hij daarbij ook de wijsgeerige 
bedoeling van Thales’ woorden niet begrepen. 

Immers 72 °/ 0 van de oppervlakte van onze aarde wordt door water ingenomen 
en het is een zoo belangrijke factor in het natuurgebeuren van verleden en heden, 
dat dit wel niemand zal ontgaan. Zeeën, rivieren, sneeuw, hagel, ijs en regen hebben 
ieder op hun manier bijgedragen tot de vorming en vervorming van onze aardkorst, 
ze bepalen levensmogelijkheid en levensvorm van de menschen in hooge mate. Dat 
het water daarom ook bij den primitieven mensch reeds een voorname rol speelde, 
spreekt wel vanzelf. De beteekenis, die het in diens gedachtenwereld innam, kan men 
nog eenigszins peilen, als men nagaat, welke rol aan het water in mythe en godsdienst 
werd toegedacht. Dit is o.a. door Ninck (96) nader toegelicht. 

Uiteraard heeft de mensch reeds vroeg pogingen in het werk gesteld het water 
evenals zoovele natuurelementen te dwingen hem bepaalde diensten te bewijzen. 
Beperken wij ons hier, evenals in ons verdere betoog, tot het stroomende water, 
dan kon de mensch het water verschillende functies doen verrichten. 

Allereerst kon het water als zoodanig onmogelijk gemist worden in de menschelijke 
huishouding; evenals de dieren was ook hij gebonden aan het drinkwater en waar 
dit ontbrak, kon hij slechts tijdelijk blijven. Het spreekt vanzelf, dat het opsporen 
van drinkwater, het slaan van bronnen of putten en de daaruit zich ontwikkelende 
drinkwatervoorziening door middel van waterleidingen, aquaducten, drinkwaterzuivering 
etc. veelal ervaringen opleverde, welke bij het gebruik van water bij irrigatie hun 
nut afwierpen. We zullen echter op het drinkwatervraagstuk niet ingaan, daar het 
een onderwerp op zichzelf vormt, dat door het oudere werk van Corazza (29) en door 
nieuwere publicaties van Richter (104), Ellis (41), Braunlich (13) e.a. wordt behandeld. 

In de tweede plaats kan het water den mensch worden dienstbaar gemaakt als 
medium voor vervoer en transport door middel van schepen en vlotten, een 
gebruik, dat ook reeds uit praehistorischen tijd dateert. 

Ten derde kon het water als energiebron worden gebruikt. Dit geschiedde 
op geringe schaal reeds in de Oudheid, we herinneren slechts aan waterwielen, 
automaten en dergelijke, waarbij van water als drijfkracht werd gebruik gemaakt. 
Tot groote ontwikkeling kon men hier pas sinds de laatste eeuwen geraken en daar¬ 
door de ‘Witte Steenkool’ naast de meer gebruikelijke zwarte brandstof stellen. 

Ten slotte blijft dan over de regeling van ontwatering en bevloeiing, ook 
wel drainage en irrigatie genoemd, door welk middel men het in de hand had 
onvruchtbaren of onbebouwbaren bodem voor de productie van voedingsmiddelen 
geschikt te maken. Men bedoelt immers met irrigatie ‘ the artificial application of water 
to land\ zooals de Encyclopaedia Brittanica het kernachtig uitdrukt. In het algemeen 
zal men irrigatie dus niet toepassen in streken met voldoenden regenval; als grens 
is een hoeveelheid van 15—17" regen per jaar te stellen. Dit is juist in het Nabije 
Oosten zeer vaak het geval en wel in die gebieden, welke vroeg een rol in de cultuur¬ 
geschiedenis spelen. 

De vruchtbaarheid van het Nabije Oosten is onverbreekelijk gekoppeld aan de 
irrigatie; het klimaat dezer streken heeft meestal zeer heete zomers en de regenval 
is veelal onvoldoende voor bebouwing van den grond, hoe vruchtbaar die overigens 
ook moge zijn. Irrigatie is, zooals de definitie het al aangeeft, evenzeer gebonden 


*) Over dit woord Herzfeld A. M. I. III, p. 1 vlg.; zie ook A. I. W. 1006. 

2 ) Hier moet voor de ruimte-economie de volle schrijving van den naam worden aangenomen. 




OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 433 

aan het water als aan den grond. Noodzakelijk is een ruime hoeveelheid zoet water 
voor de bevloeiing; ruim, omdat niet alleen bij de distributie van het water over de 
akkers reeds 50 °/ 0 er van, maar ten slotte van het gebruikte deel nog eens de helft 
verloren gaat voor de irrigatie als overmaat: immers het is onmogelijk het water zoo 
te distribueeren, dat het geheel en al voor de landbouwproducten wordt gebruikt. 
Tenslotte komt dus slechts een kwart van het oorspronkelijk gedistribueerde water 
tot zijn recht. Deze cijfers zijn het resultaat van nauwkeurige moderne metingen (17, 41). 
Wanneer wij thans in de volgende regelen willen onderzoeken, hoe men in prae- 
klassieken tijd deze kunstmatige bevloeiing van het land in het Nabije Oosten 
bewerkstelligde, dan moeten wij voorop stellen, dat zulks nog pas in uiterst vage 
lijnen ons voor oogen staat. In de toekomst zal nog veel bij opgravingswerk en 
tekstonderzoek in deze richting kunnen worden gespeurd. Wij bezitten wat Egypte 
betreft vele papyri uit Hellenistischen tijd, die licht op dit vraagstuk werpen en gezien 
het zeer conservatieve karakter van alle takken van den waterbouw door den geheelen 
loop der geschiedenis, zijn we hier meer dan op eenig ander gebied gerechtigd de 
vormen en verschijnselen uit klassieken tijd als veel vroeger gevonden te beschouwen. 

Alvorens verder te gaan, moeten wij er den nadruk op leggen, dat de gegeven 
definitie in zooverre misleidend is, dat er onvoldoende nadruk is gelegd op de drainage 
van het land. De drainage is echter onverbrekelijk verbonden met bevloeiing, zooals 
uit den loop van ons betoog ook zal blijken. Zoowel aan- als afvoer van het water 
moeten even deskundig worden geregeld. I. We zullen thans eerst moeten nagaan aan 
welke physischgeographische factoren de irrigatie is gebonden en wat hare 
sociale gevolgen zijn (pg. 433); II. dan zullen we de moderne irrigatie- 
vormen kort bespreken om kort in te gaan op het ontstaan der irrigatie en 
hare vroege vormen, de hulpwerktuigen daarvoor gebruikt (pg. 436), III. om ten slotte 
te komen tot een bespreking van de ontwikkeling der irrigatie in de voor¬ 
naamste landen der Ancient East en de bijzonderheden, die we over condities en 
ontwikkeling kunnen verzamelen (pg. 444). Zullen we daarbij soms ook naar verder 
verwijderde streken afdwalen, dan zal dit zijn om te zien, hoe men daar soortgelijke 
condities heeft benut of wel aanverwante systemen ontwikkeld heeft. 

I. Dat zulke analogieën zonder meer mogelijk zijn, behoeft ons niet te verwonderen. 
Immers meer dan eenige andere tak der antieke techniek is de irrigatie erdgebunden . 
In hooge mate worden ontwikkeling en vormen der irrigatie bepaald door materieele 
omstandigheden en voor zoover de menschelijke geest heeft ingegrepen door bepaalde 
systemen toe te passen, worden slechts betrekkelijk eenvoudige waterbouwkundige 
principes toegepast, die door een uiterst simpele waarneming der natuur konden 
worden geleerd. Van berekening of theorie op het gebied der waterbouwkunde zijn 
we in de door ons te behandelen periode natuurlijk nog ver af. Zooals op de meeste 
gebieden der prae-klassieke wetenschap en techniek zijn waarneming, correlatie en 
toepassing nog op zuiver practische basis geschoeid. We mogen in dit verband nog 
eens herinneren aan de volgende uitspraken van Marquardt (79), n.L, dat in iedere 
periode een bepaalde technische daad een functie is van alle in die periode bekende 
technische feiten, en dat tevens diezelfde daad steeds wortelt in de haar voorafgegane. 
Hoe eenzijdig de wetenschap schijnbaar in een bepaalde periode moge uitgroeien, zij 
blijft steeds een onverbrekelijk geheel. 

Welke zijn dan de voornaamste materieele factoren, welke de mogelijkheid 
en den vorm der irrigatie bepalen? 

In de eerste plaats moeten we noemen de geheele geologische structuur van het 
land en wel in het bijzonder afwateringssystemen, loop der rivieren en ligging der water¬ 
scheidingen. Men raadplege voor verdere details het voortreffelijke boek van Prof. Dr. 
G. B. Escher, Algemeene Geologie (4de dr., Wereldbibliotheek Amsterdam, 1934), die 
deze vraagstukken zeer bevattelijk behandelt en de verdere belangrijke literatuur geeft. 

In een geaccidenteerd terrein als het Nijldal heeft de rivier zich een bed gevormd 
in het smalle dal tusschen de hooge woestijnplateau’s. Hoe geheel anders is de situatie 
in het oude Sumer! Daar stroomen de rivieren door een uitgestrekte vlakte en haar 
beddingen liggen hooger dan het omringende land. Telkens treden de rivieren uit 
hun bed en verleggen hun loop. Ook hier evenals in Egypte indijken en regelen van 
Jaarbericht N° 5 28 


434 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


435 


TABEL I 

BEVLOEIINGSOMSTANDIGHEDEN DER OUDSTE CULTUURCENTRA 


CENTRA 

EGYPTE 

MESOPOTAMIË 

HOANGHO- 

VALLEI 

(chjna) 

INDUSVALLEI 
(br. indië) 

Algemeen 

klimaattype 

Subtropisch 

Vasteland type 

Gematigd 

vasteland 

Subtropisch 

Gem. regenval 
per jaar 

00 

1 

M 

8.5" 

20" 

10" 

Gem. zomertemp. 
Gem. wintertemp. 

iio° F. 

53 ° F. 

120° F. 

40° F. 

8o° F. 

23 ° F. 

115 0 F. 

6o° F. 

Overstroomings- 

periode 

Aug. tot begin 
October 

April tot begin 
Juni 

Juli'tot Sept. 

Mei tot Aug. 

Seizoen na 
overstrooming 

Winter 

Zomer 

Winter 

Droge periode 

Herkomst water 

Afrik, meren en 
Abessinië 

Armeensch 

hoogland 

Kunlun gebergte 

Hindukush en 
Himalaya 

Toename aange¬ 
voerd water 
tijdens overstroo- 
ming (gem.) 

4 X 

8 X 

16 x 

3 - 5—4 X 

Stijging rivier 

5—7 m 

S m 

4—7 m 

4—5 m 

Hoeveelheid slib 
per 100.000 water 

170 

755 

1000—2000 

435 

Aard van 
het slib 

Klei met 
max. 20°/o zand 

Leem met veel 
kalk 

Löss 

Zeer fijne klei, 
géén zand 

Profiel van de 
riviervallei 

Concaaf 

Zeer flauw 
concaaf 

Vlak 

Flauw convex 

Helling naar zee 

i : 13.000 

i: 26.000 

i : 35.000 

i : 7.000 

Omliggend land 
langs riviervallei 

Zand en kalk¬ 
steen heuvels 

Zout- en gips- 
houdende mergel 

Löss-vlakte 

Kalk- en zand¬ 
steenformatie 

Irrigatietype 

Bassin irrigatie 

Permanente 

irrigatie 

Permanente Permanente 

irrigatie irrigatie 

i 

Oogsten per jaar 

Één 

Twee 

Drie in 2 jaar 
(door rotatie¬ 
systeem) 

Twee 


den loop der rivieren, doch vooral om het overstroomingsgevaar te keeren. Belangrijker 
is naast dit algemeene karakter het profiel van het rivierdal, zoowel dwars op de 
rivier als in hare lengte, en wel speciaal in verband met de verspreiding en den afvoer 
van het irrigatiewater. Voorts speelt ook de aard van den bodem een belangrijke rol, 
immers, hij moet geschikt zijn voor den landbouw. Welke granen of andere planten 
zullen worden verbouwd met behulp van irrigatie is weer een functie van klimaat en 
flora van het betrokken land. 

Behoudens den regenval, die immers bepaalt óf men irrigatie zal toepassen, is 
beslissend de hoeveelheid van het door de rivieren aangevoerde water. Daarnaast 
spelen temperatuur en verdamping van het water een rol, ook de aard der daarin 
opgeloste zouten en vooral ook jaargetijde en duur van overstrooming of was. Komt 
deze immers op een ongunstig moment, dan zou irrigatie niet baten; komt ze op een 
gunstig oogenblik, dan bestaat er kans, dat méér dan één oogst per jaar kan worden 
binnengehaald. 

Tenslotte kan, indien de overstroomde bodem niet zelf van groote vruchtbaarheid 
is en alleen water noodig heeft, van belang zijn het zand- en slibgehalte der rivieren, 
samenstelling en fijnheid der korrels van deze vruchtbaarheidbrengende laag. 

Uit dit korte overzicht ziet men, hoezeer de oudste landbouwculturen van het 
Nabije Oosten aan de rivierdalen gebonden waren. In Tabel I zijn de bovengenoemde 
condities (zoover bekend) vastgelegd, wat betreft eenige der belangrijkste oude 
cultuurcentra. Bij hunne afzonderlijke bespreking zullen we gelegenheid hebben de 
reeds dadelijk in het oog loopende verschillen en hunne gevolgen nader te bespreken. 
Tevens kunnen we thans de vroeger gegeven definitie van irrigatie aanvullen en 
verbeteren. In verband met bovengenoemde factoren en het feit, dat irrigatie toch 
om der wille van de landbouw wordt toegepast, kunnen we met Brown zeggen (17): 
Trrigation is the artificial process of supplying water to crops in countries where the 
rainfall is insufficiënt or comes in the wrong season’. 

Welke zijn nu de sociale gevolgen, welke regelmatig toegepaste irrigatie met 
zich mede brengt? 

We zagen reeds, dat de oudste gebieden, waarin irrigatie in het groot werd toe¬ 
gepast, lagen in de zones met droge halftropische klimaten. Daar moet wel bijzonder 
de tegenstelling met het steppen- en woestijngebied worden gevoeld, als men de zoo 
rijke zegeningen van het bevloeide gebied aanschouwde. Doch zelfs deze minder 
gezegende gebieden kunnen in den landbouw met succes worden betrokken. In het 
algemeen bevatten deze gronden namelijk vrij veel zout, dat door toevoer van over¬ 
vloedig water kan worden uitgewasschen om daardoor aan den landbouw een rijken 
bodem terug te geven. Daartegenover staat, dat de meest eenvoudige vorm van 
kunstmatige irrigatie vereischt het graven van kanalen, latere meer ontwikkelde 
systemen tevens nog dijken, stuwmeren, waterreservoirs enz.; alles werken, die een 
groot grondverzet beteekenen. Een dergelijk werk is ondenkbaar in een kleine 
gemeenschap, tenzij op zeer bescheiden schaal. Het vereischt en bevordert gemeen- 
schappelijken arbeid en kweekt daardoor coöperatiezin en verlangt organisatie, wil 
het althans een grooter gebied omvatten. Irrigatie is dus in de eerste plaats 
mogelijk, wanneer er een voldoende georganiseerd staatsgezag bestaat, doch werkt 
dan ondersteunend voor dit gezag en den opbouw van de organisatie door dit gezag. 
Immers, de groote grondwerken werden oudtijds meestal in den vorm van corvée 
uitgevoerd, waarvoor een uitgebreide arbeidsverdeeling en controle noodig was, wilde 
het werk in den voorgeschreven tijd gereed zijn. Door het geheele land diende het 
werk te worden aangepast aan de organisatie der omgrenzende districten, den tijd 
der overstrooming en de daarop volgende jaargetijden, dit laatste in verband met de 
te verbouwen of uit te planten gewassen. In direct verband staan daarmede de zich 
onder den invloed der irrigatie ontwikkelende landmeting en de daarmede verbonden 
mathematica, die speciaal op het berekenen van bouwlandoppervlakten (meetkunde!) 
en de te heffen belastingen was ingesteld; maar ook het waarnemen der jaargetijden 
had hier bijzonderen zin, omdat het van zoo groot belang was op het juiste moment 
die maatregelen te nemen, die was of daling der rivieren vereischten. Dit laatste was 
weliswaar reeds een functie van den primitieven landbouw, doch juiste tijdmeting 
kreeg door irrigatie een extra stimulans. 








436 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


437 


Belangrijk zijn ook de gevolgen op technisch gebied. In de eerste plaats 
heeft de irrigatie natuurlijk stimuleerend gewerkt op het zoeken en vinden van 
middelen om het bevloeiingswater uit rivier of kanaal verder omhoog te heffen en 
dan over het te bevloeien gebied te verdeelen. Zeer zeker heeft ook de ervaring van 
het verzet van groote grondmassa’s in de ontwikkeling der architectuur een rol 
gespeeld. Dit is vooral in Mesopotamië duidelijk, waar de kunstmatige tempelberg 
zulk een groote rol speelt in het stadsbeeld. Doch ook de oudste Egyptische bouwkunst 
werkt vaak met groote aardmassa’s bekleed met steen. 

Ten slotte moeten we niet vergeten, dat door de irrigatie het rendement van 
den landbouw enorm werd vergroot en de bestaansmogelijkheid voor een dichtere 
bevolking werd geschapen. Het is zeker een opmerkelijk feit, dat de vroegste steden 
in het gebied der oudste irrigatiesystemen zijn ontstaan. Er bestaat zeker verband 
tusschen de oudste steden en grootte en aard der van daaruit beheerschte bevloeiings- 
gebieden. Indirect heeft deze concentratie van groote bevolkingsgroepen in door bevloeiing 
vruchtbaar gemaakte riviervalleien weer een intenser verkeer ten gevolge tusschen 
meer gebieden dan in vroegere primitieve cultuurstadia van den landbouw. Immers de 
meeste riviervalleien waren arm aan hout, gesteenten en ertsen, die de thans opkomende 
bouwkunst en metallurgie begonnen te gebruiken; men was dus gedwongen voor deze 
grondstoffen naar de meer beboschte bergstreken te gaan om de begeerde producten 
in ruil voor landbouwproducten te verwerven. Zoo speelt de irrigatie een belangrijke 
rol in de ontwikkeling van het sociale leven en in de vestiging van een centraal gezag. 

We raken hier tegelijkertijd het kernpunt van de vraag, hoe het verval der 
oude irrigatiesystemen in de gebieden van het Nabije Oosten toch is veroor¬ 
zaakt. Er is over deze vraag veel nagedacht (6), doch zooals het meer met dergelijke 
complexe vraagstukken gaat, is het meestal onmogelijk een bevredigende en eenvoudige 
oplossing te geven, die in alle gevallen past. De oorzaken voor het geleidelijk verval 
der irrigatie kunnen natuurlijke zijn, d. w. z. gelegen zijn in onvoldoende zorg voor 
onderhoud en uitdiepen der kanalen, een minder geschikt bevloeiingssysteem, waardoor 
de bodem verzout en onvruchtbaar wordt; of wel door geleidelijke klimaatswisseling 
van het rivierengebied neemt de beschikbare waterhoeveelheid af; of wel zandver¬ 
stuivingen zijn den landbouwer te sterk en veranderen een eens vruchtbaar gebied 
geleidelijk in een woestijn. Het uitslijten van vroegere stroomversnellingen kan de 
mogelijkheid op eenvoudige wijze water uit de rivieren te tappen afsnijden, zooals 
ons in het geval van den Euphraat bekend is. 

Dit alles kan funest zijn, niettemin bestaat de mogelijkheid, dat de mensch door 
zijn technische vindingrijkheid deze moeilijkheden in sommige gevallen over winnen 
kan. Veel ingrijpender zijn echter sociale factoren: verval van een centraal gezag en 
ontvolking van een irrigatiegebied. Vooral het eerste is, zooals we zagen, een levens¬ 
voorwaarde voor irrigatie. De organisatie der irrigatie is in handen van een kleine 
klasse menschen. Wordt deze door verval van het centrale gezag verstrooid of door 
invallende volkeren vernietigd, dan is de kans op verval der irrigatie groot. Vooral 
bij verovering van een land door invallers zonder begrip van het belang van irrigatie 
kan onherstelbare schade worden gedaan. Sprekende voorbeelden hiervan zijn in den 
loop der geschiedenis in Mesopotamië terug te vinden. 

II. Er zou over deze sociale zijde der irrigatie, waarvan we enkele belangrijke 
gevolgen opsomden, nog veel te zeggen zijn. We moeten ons echter thans wenden 
tot een bespreking der belangrijkste irrigatiesystemen. Het meest eenvoudige 
irrigatiesysteem bestaat hierin, dat met behulp van menschenkracht en eenvoudige 
werktuigen of andere hulpmiddelen het water van bron of rivier naar het bouwland 
wordt gevoerd. Dit beteekent natuurlijk een steeds herhaalde inspanning, welke een 
prikkel moet zijn geweest het werktuig te verbeteren. Deze hulpwerktuigen, die wij 
kennen als schepemmer, shadüf of sakijeh en wier vorm en ontwikkeling we nog 
nader zullen bezien, vormden al spoedig niet meer iets bijkomstig, doch het hulp¬ 
middel bij uitstek. Dit is zeker het geval, zoodra het bevloeien van meer dan 
locaal belang werd. Eerst in het stadium van een grootere sociale organisatie was 
het belangrijk genoeg en ook mogelijk irrigatie op meer permanente basis te schoeien. 
We zagen reeds welk een belangrijke rol de physische geographie van een gebied 


bij de keuze van een irrigatiesysteem vormt. Globaal kunnen we zeggen, dat in het 
Nabije Oosten irrigatie in geaccidenteerd terrein niet vaak werd toegepast. In het 
algemeen vindt men daar terrasbouw, de meest natuurlijke aanpassing van den land¬ 
bouw aan de ongunstige terreinsomstandigheden. Op eenvoudige wijze wordt het water 
van bron of beek door en over deze terrassen gevoerd. Het is b.v. de klassieke 
irrigatievorm in Palestina. Daar zullen we het nader bespreken en vele parallellen 
uit andere streken kunnen aanhalen. Immers de terrasbouw is een zoo natuurlijke 
vorm, dat hier niet aan de diffusie van een bepaald systeem moet worden gedacht; 
we vinden het in Oude en Nieuwe Wereld verspreid in streken, waartusschen contact 
niet waarschijnlijk mag worden geacht, een zelfstandig ontwikkelen van een zelfden 
vorm, zooals dat in den landbouw vaker voorkomt, omdat de natuurlijke mogelijk¬ 
heden slechts zeer beperkt zijn. 

Zien wij af van de streken, waar om het heuvelachtig karakter terrasbouw wordt 
toegepast, dan wordt in de Oudheid irrigatie steeds gevonden in riviervalleien, soms 
in vrij breede vlakten tusschen minder vruchtbare steppen of woestijnen gelegen, 
soms in smalle rivierdalen in heuvelachtig land. De groote cultuurcentra, die ons zullen 
bezig houden, liggen in de dalen van groote rivieren (Nijl, Tigris en Euphraat, Indus), 
welke dalen meestal in dwarsprofiel zwak concaaf tot bijna vlak zijn. Dit is, volgens 
experts als von Eyth, Brown en Willcocks, het gevolg van natuurlijke irrigatie. 
Wanneer op bepaalde tijden door een tamelijk regelmatig wassen der rivieren breede 
strooken land worden overstroomd, dan zou namelijk het volgende gebeuren. Het 
overvloeiende water voert slib mede. Onder bepaalde omstandigheden zet zich vlak 
langs den rivieroever het zwaarste deel van het slib af en bereikt dit deel van het 
slib niet het achter de oevers liggende land. De rivier bouwt dan als het ware haar 
eigen dammen op en het gevolg hiervan kan zijn, dat de overstroomingen in omvang 
verminderen en het slib nu verder zeewaarts wordt gevoerd dan voorheen en zelfs 
z.g. deltavorming optreedt, zooals we dat in Mesopotamië zoo sterk zien. 

Bij de zeer vlakke rivierdalen liggen meestal de beddingen der rivieren boven 
het niveau der omringende vlakte en dijkdoorbraken zijn zeer veelvuldig, de rivieren ver¬ 
leggen daarbij hun bed naar een nieuw, iets lager liggend tracée. Door deze verplaatsing 
der rivieren door de vlakte in den loop der tijden wordt deze laatste geleidelijk opgehoogd. 

Zoo kleven er dus aan natuurlijke irrigatie tal van risico’s voor oogst en leven 
van den primitieven landbouwer. Logisch gevolg hiervan is, dat hij zich van deze 
bedreigingen trachtte vrij te maken en hij daartoe, geleid door zijn waarneming van 
de natuurverschijnselen, methoden koos om het rivierwater in door hèm gekozen 
banen te leiden. Lag de rivier hooger dan de vlakte, zooals in Mesopotamië, dan 
kon hij het overstroomingsgevaar gedeeltelijk bezweren door de oevers der rivieren 
te versterken, door de natuurlijke dijken te versterken. Had de rivier zich hngedamd’, 
dan kon hij de hooge oeverstrook doorgraven en dan het water in de daarachter 
gelegen velden voeren. Was er voldoende rivierwater door dijk of kanaal binnenge¬ 
laten, dan sloot men gat of kanaal weer met aarde, en voerde later het overtollige 
water benedenstrooms weer in de rivier, voor zoover het niet door verdamping of 
opslorping in den grond was opgenomen. Dit eenvoudige schema ontwikkelt zich dan 
tot den eenvoudigsten vorm van bassi n-irri gat ie. Hierbij is het land langs de rivieren 
door dwars daarop staande dammen in bassins verdeeld en uit de rivier wordt naar 
ieder bassin een toevoerkanaal gevoerd, terwijl een spuikanaal, hetzij naar een lager 
gelegen bassin, hetzij direct benedenstrooms naar de rivier voert. Uit het toevoer¬ 
kanaal kan door een reeks kleinere kanalen en slooten het water zoo gelijkmatig 
mogelijk verdeeld worden over het bassin. Doch hiermede ontkomt men niet geheel 
aan dezelfde bezwaren als bij natuurlijke irrigatie. Ook hier krijgen de hooger gelegen 
oeverstrooken minder water, het land daarachter meer water. Water en slib worden 
weer onregelmatig verdeeld over het land. Een verdere vervolmaking van het bassin¬ 
systeem is dan de verdeeling van het land langs de rivier in twee strooken door 
dammen evenwijdig aan den loop der rivier. Men krijgt dan een lager gelegen uiterste 
strook en een langs de rivier gelegen hooge strook. Verhoogt en versterkt men dan 
nog de rivieroevers, dan heeft men twee strooken van bassins gekregen, die men dan 
afzonderlijk door toevoerkanalen van water kan voorzien. Iedere strook heeft dan 
een afzonderlijk te regelen waterstand. 



438 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


439 


TABEL II 

VERGELIJKING DER BEVLOEIINGSOMSTANDIGHEDEN 
IN EGYPTE EN MESOPOTAMIË 



EGYPTE 

MESOPOTAMIË 

Tijd van de overstrooming 

Augustus tot begin October 

April tot begin Juni 

Klimaat 

Gematigd tropisch 

I 

Vasteland klimaat 

Gem. zomertemperatuur 

110° F. 

120° F. 

Gem. wintertemperatuur 

53° F. 

& 

0 

0 

Th 

Seizoen na overstrooming 

Winter 

Zomerhitte 

Oogstmogelijkheden in ver¬ 
band met overstrooming 

Tijdig voor winter- en 
zomergewas 

Te laat voor wintergewas, 
te vroeg voor zomergewas 

Aard van den was en val 

Langzaam, duidelijke teekenen 
vóór was en val 

Snelle abrupte was en val 

Profiel riviervallei 

Concaaf, hellend naar zee 
Geen stagnant water 

Zeer vlak, flauw hellend naar 
zee. Poelen en moerassen 

Omgeving vallei 

Kalk- en zandsteenheuvels 

Verweerde, zout- en gips- 
houdende mergellagen 

Aard en hoeveelheid van 
het rivierslib 

Voldoende en zoutvrij slib 
Weinig verstoppen der kanalen 

5 X zooveel, zouthoudend slib, 
snel dichtslibben kanalen 

Irrigatietype 

Bassin irrigatie 

Permanente irrigatie 
Uitgebreid kanalensysteem 

Gevolgen van de irrigatie 

Als gevolg irrigatie en aard 
van den bodem tendenz voor 
uitloogen zout uit bodem 
Weinig last aanslibbing kanalen 

Tendenz voor ophoopen zout 
en alkali in bodem 

Groot gevaar dichtslibben 
van het kanaalsysteem 


Een laatste verbetering is dan, dat men het water niet achtereenvolgens door 
verschillende bassins voert, doch ieder bassin afzonderlijk voedt uit een langs de keten 
van bassins gelegen lateraal kanaal. Uit een of meer voedings- of laterale kanalen kan 
men dan ieder bassin de juiste hoeveelheid water geven; zoo worden dus als het 
ware een reeks bassins tot een hoogere eenheid samengevoegd en de toe- en afvoer 
van het water gezamelijk geregeld. 

Voor bassinirrigatie is een groote hoeveelheid water noodig, n. 1 . 7500—15 000 m 3 
water per ha, waarbij dan gerekend wordt op een onder water zetten tot een diepte 
van i—2 m. De grootte der bassins is sterk wisselend naar gelang der terreins- 
omstandigheden; tegenwoordig wisselt hun grootte in Egypte b.v. van 1200— 
20 000 ha. Brown meent, dat de bassins in het oude Egypte in het algemeen 
klein waren. 

Tegenover dit bassinsysteem staat de z.g. permanente irrigatie (perennial 
irrigation ). Hierbij wordt het te bevloeien land doorsneden door een veel uitgebreider 
net van kanalen, dat een zeer groot aantal kleine velden besproeit. De hoofdkanalen 
kunnen van de kleinere worden afgedamd of door sluizen worden gescheiden, indien 
de constellatie dit verlangt. In ieder geval is bij dit systeem de bedoeling niet één 
overstroomingsperiode te benutten voor het land, doch het benoodigde water in 
kleinere hoeveelheden met geregelde tusschenpoozen op het land aan te voeren. Men 


laat b.v. slechts 500—1500 m 3 water per ha per keer toe, doch herhaalt dit eenige 
malen per jaar. 

Dit systeem vindt b.v. in Mesopotamië toepassing, waar immers het bed der 
rivieren hoog ligt en dus zelfs gedurende de droge periode water kan worden aan¬ 
gevoerd. Men houdt geen hoogen waterstand op de velden, doch beschermt door een 
doelmatige verdeeling van het water en hooge dijken deze velden tegen de hoog¬ 
gewassen rivieren. In dit systeem past ook het gebruik van stuwmeren of reservoirs. 
In Mesopotamië heeft men zoo b.v. sinds menschenheugenis de natuurlijke depressies 
aan den rand van de woestijn als reservoirs gebruikt en daarin het rivierwater tijdelijk 
opgespaard om het te gelegener tijd door het kanalensysteem over het land te voeren. 
Welk van deze twee belangrijke systemen in een bepaald land wordt toegepast, hangt 
onder meer van de geographische condities af. Ieder der irrigatiesystemen heeft zijn 
voordeelen, zooals uit Tabel II is af te leiden. Men bedenke daarbij, dat daarin 
tevens de physisch-geographische factoren van Egypte en Mesopotamië opgenomen 
zijn en deze dus bovenbedoelde verschillen iets vertroebelen. De voornaamste voor¬ 
deelen van de bassinirrigatie zijn een kort kanalensysteem, eenvoudig onderhoud, 
weinig kans op verzouten en geringere gevoeligheid voor verwaarloozing; de permanente 
irrigatie laat daartegenover meer dan één bogst per jaar toe, waartegenover 
weer groot onderhoud van een veel langer kanalensysteem en kans op verzouten. 
De vermeerderde opbrengst van den bodem is echter dikwijls een te groote 
verlokking en men stapt dan toch maar over de nadeelen heen, zooals bij de invoering 
van permanente irrigatie in Egypte sinds Hellenistischen tijd (en thans in versneld 
tempo!). 

Andere irrigatiesystemen waren in de Oudheid mogelijk geweest, indien men de 
kunst had verstaan stuwdammen door rivieren te leggen en aldus kunstmatig een 
hoog waterniveau te scheppen. Een eenvoudig systeem is b.v. dat der water meadows. 
Het door een dam opgestuwde water wordt bovenstrooms van den dam over het 
land gevoerd en daar verdeeld, hetzij door het zijn natuurlijken loop te laten, hetzij 
door het in een kanalensysteem te voeren. Dit systeem is in de Oudheid zeker 
gebruikt, doch kon, als gezegd, geen groote uitbreiding verkrijgen, omdat men geen 
voldoende sterke dammen kon bouwen om den druk van het rivierwater te weerstaan. 
Bovendien kan men thans door nauwkeurige karteering te voren het nut van een 
bepaalde opstuwing voor een bepaald gebied bepalen en zoo ook de juiste plaats 
voor den stuwdam kiezen. De primitieve stuwen, gemaakt van steenen en takken, 
zooals deze nog in verschillende streken als Zuid Spanje etc. worden gevonden, zijn 
zelden in staat het water hooger dan 1.50—2 m op te voeren. We kunnen dus ermede 
volstaan deze irrigatiemethode te vermelden. In de ontwikkeling der irrigatie speelt 
zij geen rol, evenmin als andere systemen als warping, etc. 

We komen thans tot de vraag, waar en wanneer irrigatie voor het 
eerst is toegepast en welk systeem eventueel het oudste der twee is. 
Omtrent de eerste toepassing van irrigatie zijn reeds vele meeningen verkondigd. 
Daar is in de eerste plaats Perry, die betoogt, dat graanbouw reeds in de vroegste 
tijden aan irrigatie gebonden was. De Nijlvallei was volgens hem hiervoor wel het 
meest aangewezen punt wegens de groote regelmatigheid der overstroomingen, de 
geschiktheid van het daarop volgende seizoen voor den landbouw, de mogelijkheid 
van het daarna uitzaaien onder niet te groote hitte. Hij vermoedt, dat de oude 
Egyptenaren de irrigatie het eerst hebben toegepast en dat ze van uit de Nijlvallei 
aan andere volkeren is geleerd. Deze stelling is in het licht van het huidige bewijs¬ 
materiaal niet meer houdbaar. De meeningen van Willcocks (130) en Brown (18), 
welke door Perry worden aangehaald, zijn niet voor kunstmatige irrigatie bedoeld, zij 
bewijzen uitsluitend, dat de natuurlijke irrigatiemogelijkheden in Egypte bijzonder 
gunstig waren en dat in het oude Sumer en Akkad de strijd tegen de rivieren een 
veel moeilijker taak was. Op dit essentieele verschil der natuurlijke irrigatie in deze 
gebieden komen we nader terug. Voor zoover ons huidig inzicht in deze dingen gaat, 
kunnen we slechts constateeren, dat de kunstmatige irrigatie in het door ons besproken 
gebied zich vrijwel tegelijkertijd in Egypte, Mesopotamië, Noord Syrië en Perzië 
manifesteert. De redenen hiervoor zijn de volgende. 

Gordon Childe, die zeer terecht de meening van Perry bestrijdt door te wijzen 










440 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


441 


op het feit, dat irrigatie der Nijlvallei in de oudste tijden niet zoo eenvoudig was, 
omdat deze toen meer een moeras was en dus de mensch voor de groote taak stond 
dit moeras te draineeren en de wilde dieren, die daarin huisden, uit te roeien, is wel 
al te pessimistisch, als hij vervolgt (25): ‘it is unprofitable to speculate how, where 
and when cultivation of cereals began, slightly less futile to inquire how the primary 
form of food-production was completed and transformed into mixed farming’. Er is 
wèl een periode aan te geven, waarin waarschijnlijk voldoende drang heeft bestaan 
om de natuurlijke irrigatie door het ingrijpen van den mensch uitbreiding te geven, 
een periode, waarin volgens Perry een genie op het idee zou zijn gekomen het water 
door middel van kanalen over de akkers te verspreiden. Zeker kunnen we met 
Gordon Childe en vele anderen aannemen, dat er een lange periode is verloopen 
tusschen den eersten landbouw en de oudste bevloeiing. Dat de mogelijkheden 
irrigatie toe te passen sterk aan de natuurlijke omstandigheden gebonden zijn, hebben 
wij reeds betoogd. Hiervoor bevat het moderne anthropologische materiaal bewijzen 
te over. Ieder volk in primitieve omstandigheden en een bepaald klimaat vindt in 
den loop zijner ontwikkeling zekere voor de hand liggende natuurlijke hulpmiddelen 
om irrigatie toe te passen. Perry zelf wees reeds op het voorbeeld der Hadendoa in 
de oostelijke woestijn en op dat der Arabieren in den Sinaï, welke beiden gebruik 
maken van de zeldzame regens om in de sliblagen, die in de wadi’s door het regen¬ 
water van de hellingen worden gebracht en afgezet, hun graan etc. uit te zaaien en 
dit dan zonder veel bewerking te laten rijpen. Soms wordt daarbij aan het in de 
wadi’s stroomende water door kleine dijkjes of walletjes een zekere geleiding gegeven. 
Het is niet onmogelijk, dat de bewoners der Nijlvallei dit vroeger ook toepasten. 
We moeten daarbij bedenken, dat in het latere Neolithicum algemeen een geleidelijk 
droger worden van het klimaat wordt aangenomen; daarbij komt dat ook het archaeo- 
logisch materiaal ons den indruk geeft, dat vroeger de Nijlvallei veel vochtiger was, 
bovendien de bevolking voornamelijk de randen en de wadi’s bewoonde en pas later 
in de Nijlvallei afgedaald is, toen verdere uitdroging de hooger liggende gebieden on¬ 
bewoonbaar maakte en de mogelijkheid bood de vallei te draineeren. 

Overigens hebben vele volkeren de noodzaak van irrigatie ondervonden. Zoo 
bouwen b.v. de Kazakken in Siberië in den drogen zomer dammen in de rivieren en 
leiden het opgestuwde water door kanalen over hunne velden om na bevloeiing de 
dammen weer door te steken. Hetzelfde doen de Payute in Amerika, die lage dammen 
van steenen en takken construeeren, een eenvoudige vorm van stuwdammen, zooals 
men die nog in Zuid Spanje kan vinden (zie boven blz. 439). In de valleien van de 
Andes zijn zoowel de Inkas als vroegere bewoners van deze streken er toe over¬ 
gegaan het water der rivieren op te stuwen en ook door terrasbouw van dit water 
zooveel mogelijk gebruik te maken. De Hopi- en Yuma-Indianen gebruiken het weinige 
water, dat hun bronnen en beekjes oplevert, in zeer zorgvuldig geconstrueerden terras¬ 
bouw. Bovendien werkt de verbreiding van een bepaalde cultuur van een gewas dikwijls 
sterk de toepassing van irrigatie in de hand. Dit geldt b.v. bij het verbouwen van de 
Taro, welke cultuur zich van uit Zuid-Oost-Azië naar Westen en Oosten heeft verspreid 
tot in Polynesië en in dit laatste eilandenrijk aanleiding was tot het ontwikkelen van 
een irrigatie op terrassen. Deze voorbeelden kan men met de gegevens van Forde(48) 
b.v. nog aanzienlijk uitbreiden. 

We kunnen in ieder geval als vaststaand aannemen, dat in het latere Neolithicum 
in verschillende streken op bescheiden schaal van natuurlijke irrigatie op diverse wijzen 
werd gebruik gemaakt in den landbouw. Er zijn tot nu toe nog geen voldoende be¬ 
wijzen aangevoerd, dat dit een gevolg van dé diffusie van één idee is geweest. Wanneer 
men nu deze natuurlijke irrigatie is gaan uitbreiden door een kunstmatige, en wanneer 
men dus de natuurlijke irrigatie is gaan systematiseeren en mechaniseeren, is in ieder 
geval wel ongeveer aan te geven. Forde stelt voorop, dat de noodzaak voor kunst¬ 
matige irrigatie vooral gevoeld zou worden in een droog klimaat met een beperkte 
distributie van landbouwmogelijkheden, doch met de mogelijkheid van een uitbreiding 
van het natuurlijk overstroomde gebied zonder al te groote beletselen als wilde vegetatie, 
die moest worden opgeruimd. Aan deze voorwaarden voldeden de riviervalleien van 
het Nabije Oosten tegen het einde van het Neolithicum in ieder geval klimatologisch. 
Buitendien woonden in deze valleien stammen, die reeds gedurende generaties een 


regelmatig gemengd landbouw- en veeteelt-bestaan hadden geleid. Belangrijk is nu, 
dat de archeologische onderzoekingen ons hebben geleerd, dat de bevolking, die in 
de oudste tijden vrijwel constant was, tegen het einde van het Neolithicum, dus even 
vóór de praedynastische periodes, sterk begon toe te nemen (in Egypte gedurende 
Naqada //, in Mesopotamië gedurende de Uruk-periode). Een gevolg van deze be¬ 
volkingstoename was, dat de oogst onvoldoende voedsel opleverde en er dus een 
prikkel bestond het bouwland door bevloeiing uit te breiden. Tevens was het door 
kunstmatige irrigatie weer mogelijk meer monden te voeden en werden dus de 
bestaansomstandigheden zekerder. Bovendien zet in dezelfde periode de opbouw van 
een centraal gezag in, welke dan natuurlijk vooral in het laatst der praedynastische 
periode tot de vestiging der eerste groote sociale groepeeringen leidt. We zagen reeds, 
hoe noodig een centraal en sterk gezag is voor het welslagen van een grootsch 
irrigatiesysteem. Het rooien van de overtollige vegetatie in de riviervalleien, de 
constructie van kanalen en dijken, dat alles was over een grooter gebied een te 
moeilijk en omvangrijk werk om in het oude systeem van kleine stammen of clans 
te volbrengen. Pas de eerste rijken in Egypte en Mesopotamië brachten de noodige 
zekerheid en leiding voor het welslagen van deze groote werken. Kortom kort vóór 
het einde van het Neolithicum en het begin van den Kopertijd vinden we vereenigd 
klimatologische omstandigheden, bevolkingsaantal, ontwikkeling van landbouw, sociale 
organisatie, alle factoren dus om kunstmatige irrigatie mogelijk te maken en te 
stimuleeren. Men mag dus met eenige zekerheid de eerste kunstmatige irrigatie 
dateeren in het einde van het vierde millennium voor Christus, en wel 
in de riviervalleien van Nijl, Tigris en Euphraat en Indus (?). Voor de Noord-Syrische 
en Perzische rivierdalen waren de klimatologische omstandigheden waarschijnlijk iets 
gunstiger, doch ook hier moet toen al kunstmatige irrigatie voor een grootere bevolking 
althans plaatselijk zijn noodig geweest. Al hebben we dan de periode van oorsprong 
eenigszins vastgelegd, op de vraag ‘waar?’ meenen we met Gordon Childe het antwoord 
schuldig te moeten blijven, om de eenvoudige reden, dat er geen ‘waar’ is. Men stelt zich 
dikwijls ‘vindingen’ als de irrigatie te veel voor als moderne uitvindingen op technisch 
gebied, waar men in meer of mindere mate een bepaalden persoon en plaats voor de 
uitvinding kan aanwijzen. Wij moeten ons echter bij bewerkingen als irrigatie, de 
meeste bewerkingen in landbouw, metallurgie of mijnbouw niet een voorstelling van 
een dergelijke ‘plotselinge’ vinding maken, doch veeleer moet men irrigatie etc. zien 
als het resultaat van het telkens weer probeeren en experimenteeren van een reeks 
boerenbevolkingen, die ieder zoo goed mogelijk van de natuurlijke omstandigheden 
en hulpmiddelen, om hen heen aanwezig, trachtten gebruik te maken om meer, beter 
en eenvoudiger graan te verbouwen door de natuurlijke bevloeiing uit te breiden en 
te regelen. 

De omstandigheden van zeer verschillenden aard, die wij opsomden, werkten er 
toe mede, dat in de groote zeer oude culturen van het Nabije Oosten overal de 
irrigatie reeds in het begin der werkelijke cultuurperiode in verschillende vormen 
wordt aangetroffen, zonder dat met gegronde redenen is aan te toonen, dat hier van 
prioriteit of ontleening sprake is. Dit geldt dus tevens voor het ‘hoe?’. 

Verder op deze problemen in te gaan heeft geen zin, daar het bewijsmateriaal 
voorloopig nog zeer onvoldoende is; trouwens dit geldt voor de meeste aspecten van 
den vroegsten landbouw. Ongetwijfeld ligt hier nog een rijk terrein van waarneming bij 
opgravingen en tekstonderzoek open. Wij willen echter niet nalaten te wijzen op 
een materiaal, dat ons eventueel nog waardevolle inlichtingen kan opleveren, n.1. 
het schrift in zijn vroegste pictographische vormen. Het zijn vooral de 
Sinologen geweest, die hiervan voor de oudste cultuur van China dankbaar gebruik 
hebben gemaakt. Wij herinneren in dit verband aan verschillende onderzoekingen 
van Karlgren, Wieger en een belangrijke publicatie van Forke (Der Ursprung der 
Chinesen , 1925). Het moge bekend worden geacht, dat het schrift in zijn meest 
primitieven vorm een beeldschrift was, dat hetzij direct het object, dat men bedoelde 
weer te geven, wilde afbeelden, dan wel soms als symbool voor een eigenschap of 
abstract begrip moest dienen. In het afgebeelde nu kan men dikwijls nog duidelijk 
voorwerpen of vormen herkennen, die ons belangrijke inlichtingen kunnen verschaffen 
over de cultuur der periode, toen dit schrift in gebruik kwam. 




442 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


Zoo is b.v. het teeken voor water in vrijwel alle oude schriften weergegeven 
door één of meer golvende lijnen: a: mU; in hieroglyphenschrift moe; 

in het Chineesch ? choei. Vooral in het Chineesch vindt men tal van frappante 
complexe teekens, telkens met het teeken ‘water’ samengesteld. Wij willen hier 
citeeren yjfjj , kanaal (‘vloeiend’, plus ‘water’), ït, moeras (‘aarde’ plus ‘water’). Uit het 
teeken ‘rivier’ )|( y J || y vormt men b.v. pj[|, slooten of kanalen (‘rivier’ plus ‘akker’). 
Weer een ander teeken, dat oorspronkelijk een afgedamde rivier voorstelt, ^ 
wordt later in de beteekenis van ‘ramp’ gebezigd. In het teeken L S . «—« greppel is 
nog duidelijk de oorspronkelijke afbeelding te herkennen. - 

In het oudste Egypte was men al even water-minded . Het teeken voor kanaal 
mr: r=-T (oudste vorm ) schijnt vroeger identiek te zijn geweest met een teeken 
" W dat later als determinatief voor ‘land’ werd gebruikt. Aan het feit, dat de wegen 

in Egypte natuurlijk ondergeschikt waren aan de irrigatiekanalen, herinnert het teeken 
‘weg’ w3t, ( f~jT ), dat een dijk met daarnaast groeiende vegetatie schijnt voor 

te stellen, zooals Ed. Meyer reeds veronderstelde. 

In het oudste pictographische stadium van het spijkerschrift zijn ook verschillende 
teekens, die duidelijk verband houden met water en irrigatie. Behalve het teeken 
voor ‘bron’ DD (&) komt b.v. een oud teeken vóór ‘overstroomen’ & ÖT), 
dat een kanaal schijnt voor te stellen dat om een veld stroomt, terwijl een ander 
teeken ‘kanaal’ i d, eveneens deze combinatie ‘water’-‘veld’ vertoont 

Het is uiteraard onmogelijk hier alle teekens te bespreken van dezen aard. 
Enkele speciaal voor de irrigatie belangrijke worden nog vermeld. Hier zij slechts 
opgewekt, ook langs dezen weg meer bewijsmateriaal te zoeken voor ons onderwerp, 
een zaak, die vanzelfsprekend aan deskundigen moet worden overgelaten. 

Alvorens meer gedetailleerd op irrigatie in verschillende landen in te gaan, rest 
ons nog iets te zeggen over de hulpmiddelen, die men in de Oudheid ter be¬ 
schikking had. Voor zoover daarover gegevens ter beschikking staan, hebben wij deze 
methoden voor het opvoeren van water samengevat in Tabel III. We bespraken 
reeds, dat meer effectieve middelen als stuwdammen, etc. waarschijnlijk eerst in 
Hellenistischen tijd meer werden toegepast en dan nog slechts op bescheiden schaal. 
Vóór dien tijd is schijnbaar wel gebruik gemaakt van een natuurlijke ‘stuw’ als bij 
stroomversnellingen optreedt, doch wij kennen geen positieve berichten over vroege 
stuwdammen van groot formaat. Over de ontwikkeling der overige hulpmiddelen staan 
ons ook nog al te spaarzame en dikwijls foutieve gegevens ter beschikking. Zoo vindt 
men b.v. vermeld, dat d z shadüf eerst door Sanherib (705—68 r v. Chr.) in Mesopotamië 
zou ingevoerd zijn uit Egypte. Daartegenover beschikken we over een onloochenbare 
afbeelding van een shadüf op een veel ouderen zegelcylinder (Delaporte, Cat . Cylindres 
Oriënt . Louvre , Vol. Acquis. No. A-156). Spiegelberg meent b.v., dat zoowel shadüf 
als sakijeh in oud Egyptische teksten vermeld worden, hoewel het groote woorden¬ 
boek van Erman-Grapow hieromtrent niets geeft. Dit alles maakt, dat hier nog veel 
studie noodig is om tot oplossing te komen. Daarbij zal het vooral interessant zijn 
na te gaan, in hoeverre voor deze hulpmiddelen wel nader één land van oorsprong 
is aan te geven. De rol, die Perzië hierin speelt, is voor de geschiedenis der irrigatie 
van groot belang. Noemen de Engelschen niet algemeen de sakijeh Persian ivheell 
Dit slaat vermoedelijk op het feit, dat dit werktuig Britsch Indië heeft bereikt van uit 



OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


443 


TABEL III 

DE BELANGRIJKSTE WERKTUIGEN VOOR WATEROPVOER 

IN DE OUDHEID 



NOMENCLATUUR 

MAX. 

OPVOER- 

HOOGTE 

VOLDOENDE 

AANVOER 

voor ha 

BOUWLAND 

A. Intermetteerende aanvoer, 
gebruik van één vat 

a. met de hand 




1. hoos of waterschep 

2. lederen emmer of vat 

b. met trekdieren (rund of 
kameel) 

( Swipe (Eng.), Wasserschleuder (XS) 

{ Nattal & Nataleh (Arab.) 

Dalu (Arab.), Dell (Hebr.) 

i m 


3. emmer met katrolbeweging 

trekhelling 
zelfledigende emmer 

c. half mechanisch 

Dschird( Arab.), Mhote (Br. Indië) 

Draught plane , Zugbahn , 

Gisd (Iraq), Dschird (Arab.), 
Kabalai (Br. Indië) 

? 

0.4—1.5 

4. schepemmer aan balans- 
stang met contrawicht 

/ Shadoof (Eng.), 

1 Schöpfschwengel (D), 
j Sadïif (Arab.), Dalija (Iraq), 

) Picottah (Malabar), Lat (Br. Indië), 

/ Tolleno (lat.), x,yftiveiov, TpofioXq (?) 

\ Kilön (Laathebr.) 

1V2 m 


balanceerende vorm met 

Per man/dag enkele shadüf 2700 1 

i ] /s m 

O.4—1.5 

menschelijk gewicht als 
contrawicht 

B. Ononderbroken aanvoer. 

„ „ „ 3 traps 1650 1 

chattara (Arab.) 

4V2 m 

O.4— I 

5. Schroef van Archimedes 
schroef zonder einde 

6. Waterrad 

a. aangedreven onder de 
as door waterkracht 

b. met tredmolen aan¬ 
drijving 

kokMois 3 m lang, 30 cm 0 

Waterwheel (Eng ), Wasser rad (D), 

( Undershot wheel (Eng.), 

■ Tiefliegendes Heb er ad (D), 

( ncPüra (Arab.), noria (Lat.) 

daulab , dülctb (Arab.) 

i m 


c. pottenrad 

d. vakkenwiel, velgenrad 

/ Persian wheel { (Eng.), Schöpf- 
^ werk (D), saqija , sakijeh (Arab.), 
j harat (Br. Indië), 'ópyuvov (?), 
v MXMÏ) (?) 

1 ( compartiment wheel (Eng.) 

\ tabïit (Arab.) 

4—5 m 

2—5 








444 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


445 


Perzië. Aan den anderen kant hebben we zekere aanwijzingen, dat een bepaald soort 
waterleiding, de qanat , in Perzië is gevonden. In hoeverre Perzië als bron of als ver- 
bindingsland tusschen Mesopotamië en Indusvallei een rol heeft gespeeld in de ont¬ 
wikkeling weten we niet, doch ook van irrigatiestandpunt is het antwoord op dezelfde 
vraag zeer belangrijk. Dit geldt dan bijzonder voor Noord Perzië, immers zouden 
volgens Pumpelly de vroegste bewoners van Anau reeds irrigatie hebben toegepast 
bij hun graanbouw. Bovendien zegt Sayce (107), dat de aangrenzende streken van 
Centraal Azië (welke direct contact hebben met de voor Voor Azië zoo belangrijke 
toegangspoort Noord Perzië) een voor klimaatsverandering zeer gevoelig gebied is. 
Hier zou volgens hem irrigatie van zeer ouden datum zijn en wanneer ze klimato¬ 
logisch onmogelijk werd, moesten volksverhuizingen het gevolg zijn. Zoo kan ook de 
ontwikkelingsgeschiedenis der hulpmiddelen medewerken die der irrigatie tot een op¬ 
lossing te brengen. 

Deze hulpmiddelen (Tabel III) zijn te verdeden in twee groepen, n. 1 . die welke 
een ononderbroken waterstroom leveren, en die, welke onderbroken werken, meestal 
met één vat. Deze laatste groep is ongetwijfeld de oudste en eenvoudigste; haar 
meest effectieve vertegenwoordiger, de shadüf is ook thans nog wijd en zijd in ge¬ 
bruik, doch reeds vóór onze jaartelling moeten deze werktuigen, die alleen een klein 
oppervlak van water konden voorzien, op den achtergrond zijn geraakt. Ze zijn on¬ 
getwijfeld voor tuinbouw of voor de kleinste onderdeden van het irrigatieschema 
steeds in gebruik gebleven; doch voor het voeden van groote irrigatiekanalen zijn de 
instrumenten van de tweede groep belangrijker en oeconomischer. Enkele details over 
hunne verbreiding in de vroegste Oudheid zijn ons bekend en worden nog vermeld. 
Algemeen verbreid is de opvatting, dat waterrad en pottenwid eerst in Hellenistischen 
tijd in gebruik zijn gekomen. Bewijzen hiervoor ontbreken echter en de groote omvang 
der irrigatie vóór dien tijd maakt dit ook niet al te waarschijnlijk. Wel geldt dit voor 
de z.g. ‘schroef van Archimedes’, waarvan Price (. Proc . Soc. Antiquaries 2e. Series XVI, 
p. 277) werkelijk een exemplaar in Egypte vond. Van den shadüf staat vast, dat hij 
reeds in het Oude Rijk in Egypte voorkomt (Quibell & Green, Hierakonpolis Vol. II, 
1902, PI. 74 & 75). Door drie shadüf s in serie te laten werken, kon men hiermede 
ten slotte een opvoerhoogte bereiken als met de verschillende vormen van waterraderen 
zonder natuurlijk bij benadering een gelijke waterhoeveelheid te kunnen opvoeren. 
Voor zoover dus hydrostatische middelen niet de irrigatie te hulp konden komen, heeft 
men zich vooral in de latere perioden voor groote waterhoeveelheden van instrumenten 
van de tweede groep moeten bedienen. De meeste dezer hulpmiddelen zijn thans nog 
in de wereld van den Islam in gebruik waar reeds in de bloeiperiode van het Khalifaat 
(en waarschijnlijk reeds vroeger tijdens het Hellenisme!) vele mechanische verbeteringen 
der meer primitieve instrumenten zijn uitgedacht, vooral wat betreft de aandrijving 
door tredraderen of door waterkracht. Interessant materiaal is hierover verzameld door 
Wiedemann (129) (zie ook 35 en 40). 

III. Indien wij thans enkele woorden wijden aan de gegevens omtrent de ver¬ 
schillende deelen van het Nabije Oosten wat betreft ons onderwerp, dan zullen we 
ons eerst wenden tot Palestina. Dit is niet zoo zeer, omdat wij over dit gebied 
zoo veel weten of omdat hier vroeger zulk een belangrijk irrigatiegebied lag, verre 
van dat! Want het land Palestina was, in tegenstelling met Egypte en Mesopotamië, 
ja zelfs met Syrië een ‘dor land’ en had dus sterke behoefte aan ‘waterwellingen’ 
(Jozua 15 19 ). Op een heeten, drogen zomer met een gemiddelde temperatuur van 
80—90°F. volgt dan weliswaar een regentijd, die van eind October tot Paschen duurt 
en waarin gemiddeld 28 // regen valt, doch het land, vooral het binnenland, is sterk 
geaccidenteerd. De Jordaanvallei is b. v. sterk convex, ook vroeger moet hier weinig 
mogelijkheid geweest zijn een groot oppervlak te bevloeien. De bronnen zijn spaar¬ 
zaam en slechts door terrasbouw langs de heuvelhellingen kan men het land bebouwen, 
op enkele gunstiger streken na. Hier en daar was het mogelijk eenvoudige stuwdammen 
te maken, de Heilige Schrift noemt b.v. dammen en stuwmeren bij Gibeon (2 Sam. 2 13 ), 
Hebron (2, Sam. 4 12 ) en Jerusalem (Neh. 3 1G ; Pred. 2 6 ). In Syrië was het op grooter 
schaal mogelijk zoo het land te bevloeien, getuige waarschijnlijk zeer oude stuwen bij 
Homs in de Orontes en in de Kuwek bij Aleppo (36, 83, 117). In het algemeen had 


de landbouw in Palestina meer het karakter van tuinbouw (31, 121). Veel genoemd 
worden emmers en kruiken voor het begieten der tuinen, de terrassen werden be¬ 
sproeid uit de gekanaliseerde beekjes (Spreuken 17 14 en 18 4 ), het land is ingedamd 
in smalle, langwerpige strooken en ééns per 14 dagen wordt het water over deze 
bedden gevoerd. In Zuidelijk Judea is het kanalensysteem wat uitgebreider in verband 
met de topographie; bij Samaria zijn b.v. thans nog de bedden zeer klein. Tredrad 
en shadüf zijn lang bekend en gebruikt. Buitendien heeft hier de topographie zeer 
medegewerkt tot het ontwikkelen van waterleidingen als aquaducten, zooals bij het 
meer van Tiberias en de watertunnels, waarvan we de techniek bij de opgravingen 
van zoovele steden als Jerusalem, en Megiddo (75) kunnen bewonderen. In het algemeen 
zal in een geaccidenteerd terrein als Palestina een groote prikkel aanwezig zijn het 
water van grooten afstand door middel van dergelijke kunstwerken naar velden en 
strategisch gekozen woonplaatsen te voeren. Een zelfde ontwikkeling zien we ook in 
Assyrië en andere streken. Geheel onafhankelijk ontwikkelden b.v. de bewoners van 
de Andesvalleien in Zuid Amerika, waar de topographische omstandigheden dikwijls 
nog moeilijker zijn, een uitvoerig systeem van terrasbouw en bouwden in de weinige 
daarvoor geschikte riviervalleien naast de natuurlijke irrigatie een kanalensysteem om 
het bevloeibare gebied uit te breiden. Omstreeks 1400 legt de Inca Viracocha een 
irrigatiekanaal van 3.5 m breedte bij 3.5 m diepte aan van 225 km lengte om het water 
van Pareu naar Cotapampa te voeren. De veroverende Spanjaarden stonden verbaasd 
van de vlijt, waarmede iedere berghelling in terrassen was verdeeld en bebouwd, kleine 
stuwen in bergbeekjes hielpen het water gemakkelijk verdeden (84). Dit alles is na 
de verovering door de Spanjaarden sterk achteruitgegaan, deels door het vervallen 
van het sterke centrale gezag der Incas, die de corvée ook voor irrigatiedoeleinden 
hadden gebruikt. 

Om dichter bij huis te blijven, moet ook in de Oudheid terrasbouw in Zuid 
Arabië een groote rol hebben gespeeld. Volgens Tkatsch (118) is zoowel uit de 
traditie en overblijfselen van deze irrigatiewijze als uit de vele voorbeelden in het 
oude waterrecht een weerklank hiervan te vinden. Op grond van dergelijke berichten 
en de weergave van terrassen voor de teelt van wierookstruiken in het land Punt 
op Egyptische reliëfs vermoedt Schmidl (108) dan ook, dat men het land Punt in 
Zuid Arabië moet zoeken. 

In hoeverre terrasbouw ook in Perzië is toegepast, is onbekend. Het land had 
misschien vroeger een vochtiger klimaat, doch weinig rivieren hebben een zoodanig 
verval, dat zij zich leenen tot het voeden van een irrigatiesysteem. Men hielp zich 
in die streken, waar landbouw meer dan een bescheiden omvang nam, met een merk¬ 
waardig systeem van tunnels, welke water aftapten uit de breuken in de lagen onder 
de voetheuvels en het eerst ver ondergrondsch voerden naar de velden om dan ten 
slotte in kanalen over te gaan. Een dergelijk kanaal [qanat of kariz geheeten) kon 
soms 15—20 km lang zijn, als tunnel gegraven om het water naar vruchtbaren grond 
te voeren. Herodotus vermeldt reeds deze „flauw hellende, met klei bekleede tunnels” 
(III. 9). We weten niet zeker, of deze watertunnels van Perzischen oorsprong zijn, 
doch de natuurlijke omstandigheden doen wel vermoeden, dat ze in dit land zijn 
gevonden. Het is onbekend, of ze reeds in het oude Assyrië zijn gebruikt, hoewel 
thans de stad Arbela door twee zulke qanat s van water wordt voorzien. De qanat 
is thans een verbreid middel voor watertransport van Mesopotamië tot Baluchistan, 
Afghanistan en Turkestan in het Oosten. In de Oudheid schijnt deze vorm reeds 
vroeg naar het Westen te zijn gedrongen, getuige de toepassing in de Daklah Oase 
en el-Kargah. Men meent wel, dat deze verbreiding aan de Perzen zou zijn te danken, 
doch dit wordt weerlegd door een inscriptie uit de tiende eeuw v. Chr. op den 
tunnel in Daklah! [JRGS 1932, p. 382). Hoe dit ook zij, deze vorm van water¬ 
leidingen is ver naar het Westen gedrongen over Egypte. Men vindt ze nu in de 
Sahara (Frobenius, Das unbekannte Afrika , pgg. 60 en 62), Zuid Marokko, Garama en 
Tripolitana onder den naam fogarra . Naar Zuid en Oost Arabië schijnen ze eerst in 
Sassanidischen tijd gebracht te zijn. Daarentegen moet de verbreiding naar Indië 
veel vroeger zijn geschied, indien wij althans de qanat moeten terugvinden in het 
bericht van Strabo ( cap . 707), dat volgens Megasthenes (omstreeks 300 v. Chr.). 
daar het water in ‘gesloten’ kanalen werd getransporteerd. 



44-6 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


447 


Overigens weten we van de irrigatie van het oude Voor-Indië betrekkelijk weinig. 
De streek, die ons het meest interesseert, omdat ze de vroegste beschaving heeft 
gekend en contact had met Mesopotamië, n. 1 . de Indusvallei, heeft men wel eens 
4 Mesopotamia between Sarasvati and Indus ’ genoemd. In hoeverre deze vergelijking 
vroeger opging, weten we niet; thans geldt ze zeker niet. Het Noordelijk deel van 
Voor Indië vindt, wat Rajputana en Centraal Indië betreft, zijn kracht in een enorm 
aantal stuwmeren. Beekjes worden afgeleid of afgedamd, kleine dammen dwars over 
valleien geslagen en zijn deze kleine stuwmeren eenmaal vol slib geraakt, dan wordt 
een nieuwe dam boven- of benedenstrooms geslagen. Het hierdoor voor den landbouw 
bevloeide gebied beslaat niet minder dan 1580 vierkante mijl. In de Punjab en in 
Kashmir bestaat echter een uitgebreid kanalensysteem dat de oppervlakte van ca 
2000000 sq. m bouwland bevloeit. Drie groote kanalen voeden een net van totaal 
4500 km lengte. In hoeverre deze moderne irrigatie op oudere systemen gebaseerd is, 
is nog onvolledig bekend. In de Indusvallei wordt b.v. het onderzoek daarnaar sterk 
vertroebeld, doordat het waterniveau 10—15 voet is gestegen, hoewel daarbij de ligging 
van het rivierbed ten opzichte van het omringende land niet schijnt te zijn gewijzigd. 
In ieder geval is onjuist dat de 4 Aryans de kennis omtrent irrigatie aan de Euphraat- 
vallei zouden hebben ontleend, zooals Havell (62) veronderstelde. Het is zeker, dat 
b.v. een stad als Mohenjo-Daro voor den landbouw reeds veel vroeger afhankelijk 
was van den was van den Indus. Merkwaardig is echter, dat men daar tot nu toe 
nog geen spoor heeft gevonden van kanalen om de irrigatie te verzorgen. De meening 
van Mackay is hierover (80): 4 This apparent lack of any preparation for dry seasons 
together with the representation of forest-loving animals on the seals seem to point 
to the view that the rainfall in Sind and the Punjab must have been much heavier.’ 
De oudste vermelding van irrigatie vinden we in de Rgveda, terwijl de Bralynanas 
bemesten noemen als aanvulling van irrigatie. Duidelijker worden de berichten eerst, 
wanneer we de Maurya periode (3de eeuw v. Chr.) hebben bereikt. Hoezeer de latere 
berichten ook den toestand onder Chandragupta en zijn opvolgers mogen hebben 
geïdealiseerd, een grond van waarheid zullen deze berichten zeker wel bevatten, om¬ 
dat we soortgelijke berichten uit klassieke bron bezitten. We vermeldden reeds, dat 
Megasthenes de qanaf s toegepast vond in Indië en dezelfde reiziger spreekt uitdrukkelijk 
over de vruchtbaarheid van Indië en de twee oogsten, die men daar door irrigatie 
verkrijgt. Deze irrigatie zou volgens hem gecontroleerd worden door de xypévofiot 
(Megasth. XXXIV, 1), een bericht, dat waarschijnlijk als een bewijs mag worden 
geacht voor hetgeen Kautilya mededeelt. Volgens hem zou onder Chandragupta 
irrigatie een staatszaak zijn geweest en was er een speciale organisatie voor aanleg 
en onderhoud van kanalen, sluizen en waterreservoirs of stuwmeren, welke organisatie 
ook belast was met landmeting en kadaster en moest zorgen voor het regelen van 
de waterverdeeling. Dat deze zorg tot uiting kwam in de belasting, verraadt ons een 
passage van Kautilya, waarin gesproken wordt over de belastingen, welke de boeren op 
het Kroondomein moeten opbrengen. Behalve de gebruikelijke 20 of 25 °/ 0 van den 
totalen oogst vinden we nog een extra heffing van 20 °/ 0 op land met de hand besproeid, 
25 °/ 0 als het water wordt gedragen, een derde als het water wordt opgepompt (?) en 
25 °/ 0 als het water door bevloeiing over het land wordt verdeeld. Daarnaast maakte 
men groote waterreservoirs voor drogere tijden, een werk, dat steeds als een voorname 
plicht der vorsten wordt genoemd (Maha-Bharata, Sabha-p. V, 77) en voor een ieder 
als zeer verdienstelijk wordt aangemerkt. Dat dit niet bij vrome wenschen bleef, blijkt 
uit het feit, dat een provinciale gouverneur onder Chandragupta een groot reservoir, 
genaamd Sudarsana, liet aanleggen door bij Girnar de rivier af te dammen. Deze dam 
bestond tot ca 150 n. Chr., werd toen herbouwd en weer gerepareerd in 458. Ook 
onder invloed van het Boeddhisme heeft deze zorg voor de watervoorziening zich 
met het gezag over heel Indië verspreid. De edicten van Agoka vermelden als hoogste 
plaatselijke autoriteiten belast met landmeting, vestiging en irrigatie de rajükas (Bühler, 
ZD MG 47, 4 66) en de Dhammapada (Spreuk 80) noemt ‘kanaalbouwers’ (nettika), 
welke irrigatiewater leiden, ‘waarheen zij willen’. Met de verovering van Ceylon wordt 
op dit eiland een periode ingeluid van intensieve irrigatie en constructie van tal van 
stuwmeren (15). Over het algemeen schijnt men steeds verschillende varianten van 
permanente irrigatie te hebben toegepast. Als hulpmiddelen kende men het waterwiel 


en wel, zooals reeds vermeld is, het pottenrad (Persian wheel). Zoo vermeldt het 
bekende tooneelstuk Het Leemen Wage?itje (Vert. Vogel A’dam 1897, P- 1 62) een 
küpa-yantra of letterlijk 4 put-machine’; verder komt de term ja?a-yantra-cakra (lett. 
4 water-machine-wieF) voor (Böhtlingk, Indische Sprüche , No. 963), terwijl in het Pali 
het waterwiel 4 arghatta ’ wordt genoemd. Dit was in het begin der vorige eeuw nog 
het voornaamste middel tot wateropvoer; tevens maakte men gebruik van natuurlijke 
irrigatie en waar mogelijk, werd in meer heuvelachtige streken het regenwater, dat 
door de valleien naar beneden stroomde, in een kanalensysteem over de velden geleid. 

Vóór wij echter tot de bespreking van de irrigatie van Mesopotamië overgaan, 
zal het nuttig blijken de geschiedenis der bevloeiing in China kort te bezien, en 
wel omdat dit land hydrographisch gesproken sterke overeenkomst vertoont met 
Mesopotamië en de Lage Landen bij de zee. In China is het de HoangHo vallei, die 
onze aandacht vraagt, niet alleen, omdat er juist de irrigatie sterk overeenkomt met 
Sumer, doch, omdat daar de oudste beschavingscentra van China waren. Door deze 
wijde loessvlakte banen zich de HoangHo en hare groote zijrivieren een weg naar 
zee; deze loessvlakte, door diezelfde rivieren geschapen, is nog heden ten dage het 
tooneel van groote dijkdoorbraken en overstroomingsrampen. Deze worden veroorzaakt 
door redenen in Tabel I te vinden, en wel den enormen was der rivieren, gepaard 
gaande met een record hoeveelheid slib, dat uit het achterland wordt medegevoerd. 
Hierdoor gelijken de gezwollen rivieren dikwijls meer op modderstroomen en bereikt 
de vloed niet in zijn volle sterkte de zee, doch zijn de dijken reeds eerder onder den 
grooten druk bezweken. Verscheidene malen heeft de HoangHo zijn monding verlegd 
bij een dergelijke doorbraak. Moge dus het vlakke land en het stroomverval der rivieren 
analogie met Holland vertoonen, noch een dergelijke was noch een zoo hoog slib- 
gehalte der rivieren doet zich bij ons voor. Van ouds was het niet moeilijk uit de 
rivieren, welker bed door het afgezette slib bij de geringe stroomsnelheid in de vlakte 
eenige meters hooger ligt dan het omringende land, door aftakking van kanalen water 
voor bevloeiing te onttrekken. Veeleer was het hier, zooals we ook in Mesopotamië 
zullen vinden, een strijd tegen het water , niet een strijd om het water , zooals in 
Palestina. Vroeg is hier dan ook al sprake van een kanaal van de King-ho naar de 
Lo-ho om het teveel aan water uit de eerste rivier af te leiden (240 v. Chr.). Bij¬ 
zonder veel aandacht wordt besteed aan aanleg en onderhoud van dijken en dammen 
(77, 78). Niet alleen in groote dikte trachtte men meer zekerheid te verkrijgen; boven 
het laagwaterpeil heeft men alle versterkingsmethoden toegepast, die ook de Hollandsche 
waterstaatsingenieur kent. Onder de regeering van Keizer Wu-ti schijnt voor het eerst 
de steenbezetting van den dijkwand te zijn toegepast (ca 100 v. Chr.) (114). Voor 
een bescherming onder water en een degelijke fundeering der dijken vond men in 
China echter geen oplossing en men kon zoodoende het gevaar van dijkbreuk slechts 
gedeeltelijk voorkomen. Het is uit deze feiten althans gedeeltelijk te begrijpen, dat 
men in de oudste perioden vaak hulpeloos stond tegenover dergelijke steeds weder- 
keerende natuurrampen en de groote kosten, die dijkherstel medebrachten. We moeten 
in dit licht ook de overlevering bezien, dat Keizer Yau zijn minister Kun strafte, 
toen hij door het bouwen van dammen de groote overstroomingen van de Hoang-ho 
wilde tegengaan, en wel ‘omdat hij wilde ingrijpen in den natuurlijken loop der dingen’. 
Kun’s zoon Yü, de stichter van de Shia-dynastie, wordt in de Shu King geprezen 
als de eerste, die op groote schaal dijken liet aanleggen en bij een geweldige over- 
stroomingsramp plannen maakte de rivier uit te baggeren. Hij zag zeker juist in, dat 
de groote hoeveelheid slib feitelijk de oorzaak der rampen was. 

Was dus het onttrekken van water aan de rivieren geen probleem en kon men 
door dit water in reservoirs op te zamelen blijkbaar sinds menschenheugenis permanente 
irrigatie toepassen, de grond, die men wilde bevloeien, had eveneens bijzondere 
eigenschappen, die den landbouw ten goede kwamen. Deze vruchtbare aarde komt 
in zeer dikke lagen voor en houdt bijzonder goed water vast. Als hulpwerktuigen 
werden bij de irrigatie naast meer primitieve middelen ook waterwielen gebruikt. 
Terrasbouw komt in meer geaccidenteerd terrein als b.v. in de provincie Shantung 
voor. De landbouw in China is nog dikwijls feitelijk op den voet van tuinbouw 
geschoeid, na het opkweeken uit zaad of anderszins worden de jonge planten stuk 
voor stuk uitgeplant (86). Men krijgt dan ook na moeizaam werk hoog rendement. 





44§ 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


449 


Dit tuinbouwstadium is de landbouw ook in vele landen van het Nabije Oosten 
dikwijls niet te boven gekomen. Ondertusschen staat vast, dat in de vroegste tijden 
evenals nu ook dikwijls zonder irrigatie werd verbouwd. Het klimaat is echter zeer 
droog gedurende herfst, winter en een deel van de lente. Het is daarom ook niet 
verwonderlijk, dat sinds de Shang-dynastie in de tweede en derde maand geregeld 
regenorakels worden gevonden bij de vroegste geschreven stukken. Onder deze oude 
bone-characters zijn er enkele, die ons verraden, dat er in die tijden (sinds de ió d e eeuw 
v. Chr.) reeds irrigatie werd bedreven. Er is een complex teeken, samengesteld uit 
de teekens 'stroomend water’ en ‘veld’ gevonden en ook een, bestaande uit 'water’ en 
'rijst’ (30). Tijdens deze Shang-dynastie (1766—1122 v. Chr.) moet volgens overleveringen 
uit later tijd een eenheid voor bouwland zijn vastgesteld van 1.67 ha, verdeeld in 9 
perceelen. De wegen rekende men administratief onder dijken, een feit, dat we ook 
in het Oude Egypte vinden. We zijn uiteraard beter op de hoogte van de daden van 
de daaropvolgende Chou-dynastie (1122—249 v. Chr.). De broeder van den eersten 
Keizer Wu Wang, n. 1 . Chou Kung, wordt dadelijk genoemd als iemand, die zich voor 
irrigatie zeer verdienstelijk maakte. Onder deze dynastie wordt het toezicht op de 
irrigatie aan ambtenaren opgedragen, wier taak het is om te zorgen, dat de oogst 
zoo groot mogelijk zij. We vermeldden een eenheid van bouwland verdeeld in 9 
perceelen; dit komt niet tot uiting in het teeken 'veld’, gg, |JJ . Drie maal dit teeken 
vormt een nieuw teeken voor ‘platteland’. Evenzoo kennen we een teeken 'grenzen’, 
§ (later ||), dat men interpreteert als twee velden gescheiden door kanalen of, 
zooals er zeggen, door lage dammen (Wieger!). Ook in het teeken voor deze kleinste 
landeenheid geschreven ® (later jg) komt geen indeeling in negen stukken tot 
uiting. Het grondteeken 'akker’ geeft misschien een veld met kruis van greppels weer. 
Het negenvoudig verdeelde veld leidt Mencius af uit het oude teeken 'bron’, M 
(later #) en gebruikt dit als sluitsteen in zijn theorie van staatssocialisme. Het zou 
dan een achttal akkers voorstellen, gegroepeerd om een gezamelijke bron als natuurlijke 
eenheid. In hoeverre dit juist is, is een probleem, dat buiten ons onderwerp staat, al 
zij het ons vergund op te merken, dat dit sterk wordt betwijfeld (30, 77). In ieder 
geval blijkt uit het vroege schrift niet precies welke vorm van irrigatie werd toegepast. 
De Chou-dynastie heeft zich sterk toegelegd op irrigatiewerken. In 540 v. Chr. wordt 
begonnen aan het beroemde Keizerskanaal en tusschen 500 en 350 valt de bouw van 
een reeks groote reservoirs ten behoeve van de irrigatie, waarbij op zeer knappe 
wijze van de natuurlijke omstandigheden is gebruik gemaakt. In de derde eeuw v. Chr. 
volgen irrigatiewerken in de provincie Shantung, terwijl de volgende dynastie, de 
Han-dynastie (202 v. Chr. tot 220 n. Chr.), met het gezag ook de zorg voor bevloeiing 
naar het Zuiden medebrengt. 

Een veel gematigder geographisch beeld vertoont Mesopotamië, hoewel 
verschillende omstandigheden sterk op die der HoangHo vallei gelijken. Het klimaat 
is een droog, uitgesproken vastelandstype; hoewel het zuidelijk gelegen Sumer een 
draaglijker klimaat heeft, hebben b.v. Assyrië en Akkad een kouden, stormachtigen 
winter. Het Tweestroomenland is minder afgesloten en is tevens oeconomisch minder 
zelfstandig als Egypte. De randgebieden bevatten weinig ertsen en bouwmaterialen, 
die men ver uit de bergen moet halen, boomen zijn waarschijnlijk steeds vrij zeldzaam 
geweest. Mesopotamië is veel vlakker dan Egypte en gelijkt daarin op de Chineesche 


loessvlakte; de rivieren voeren een veel grootere hoeveelheid slib aan. Het land moet 
daarom in oorsprong, voor zoover ons huidig inzicht reikt, steeds het karakter van een 
wijde alluviale, boomlooze vlakte hebben gehad, welke tusschen de rivieren zeer weinig 
concaaf is en daardoor de gelegenheid biedt voor de vorming van stagneerende plassen 
en moerassen. Geleidelijk hoogen de rivieren het land op en heeft de monding der 
rivieren zich naar het Oosten verplaatst met een snelheid van 2.5 km per eeuw. De 
oudste overblijfselen van menschelijke nederzettingen liggen diep onder het huidige 
maaiveld (bij Kish bv. 25 voet). Behoudens bijzondere omstandigheden is ook hier 
landniveau in overeenstemming met het waterpeil der rivieren gestegen. Ook hier 
evenals in China vele dijkdoorbraken en verleggingen van het stroombed. Dit is b.v. 
duidelijk geïllustreerd door het feit, dat vroeger Sippar, Nippur, Ur en Uruk aan den 
Euphraat moeten hebben gelegen. Ook hier liggen de rivieren en kanalen boven het 
landniveau. Wilde men de vruchtbaarheid van den bodem, die de klassieke schrijvers 
als Herodotus en Theophrastus (Hist. Plant. VIII, 7.4—5 spreekt van 50—ioo-voudigen 
oogst!) in sterke bewoordingen roemen, benutten, dan is het noodig den loop der 
rivieren te regelen en voor irrigatie en drainage van deze vallei te zorgen. Gezien de 
bovengenoemde hydrographische omstandigheden beteekent dus irrigatie in Mesopotamië 
strijd tegen het water . De oudste bewoners van deze overzichtelijke, symmetrische 
vlakte zijn steeds sterk beheerscht geweest door maat en getal. Zij bonden den strijd 
aan tegen den hydrologischen chaos, die misschien deels in de 'zondvloed’-legenden 
wordt gesymboliseerd, draineerden de moerassen en legden kanalen aan. Getal en maat 
groeiden uit den wil astronomisch den was der rivieren te beheerschen en het land 
na iedere overstroomingsperiode na te meten en te verdeden, grondverzet uit kanaal- 
bouw enz. te meten. In hoeverre hier, in tegenstelling met Egypte, aan het water en 
de góden daarmede verbonden destructieve eigenschappen worden toegeschreven, in 
hoeverre Ea en zijn zoon Ningirsu, god der bevloeiing, Tiamat, etc. veeleer gevreesde 
machten waren, die men moest bezweren door offers, zou het onderwerp eener interessante 
studie kunnen zijn *). 

Reeds de oudste bewoners hebben sporen nagelaten van drainage der moerassen, 
kanaalbouw en fundatie van rieten zinkstukken voor hunne hutten. Irrigatie gaat hier 
zeker terug tot de al- c Obaid-periode. Voor wij tot de geschiedkundige ontwikkeling 
in Mesopotamië overgaan, moeten wij nog enkele topographische details behandelen, 
die van het grootste belang zijn. De Tigris begint eerder te wassen dan de Euphraat 
en voert ongeveer 2.5 maal zooveel water aan, doch de reden, waarom ook in de 
Oudheid slechts de oostoever van den Tigris door deze rivier is bevloeid, schuilt in 
de bijzondere omstandigheid, dat het bed van den Euphraat hooger ligt dan dat van 
den Tigris, zoodat dus het water van den Euphraat, hoewel slechts 40 °/ 0 van dat van 
den Tigris, wordt gebruikt om de vlakte tusschen de rivieren te bevloeien evenals den 
westoever van den Euphraat. Het bed van den Tigris ligt dieper in de vlakte inge¬ 
sneden en deze rivier wordt dan ook slechts op enkele plaatsen, b. v. bij Baghdad 
gebruikt om haar oostoever te bevloeien. Een zeer ongelukkige omstandigheid in 
Mesopotamië is het ongunstige seizoen van den was der rivieren, immers daarna volgt 
onmiddellijk de gloeiende zomerhitte. Hierdoor is het onmogelijk op eenigszins groote 
schaal van de natuurlijke irrigatie gebruik te maken. Men is daarom door de natuur 
gedwongen dezen strijd tegen zomerhitte en water reeds vroeg op te nemen, wilde 
men door landbouw de groeiende bevolking voeden. Over de mogelijkheid en grenzen 
der irrigatie in Mesopotamië zijn vele uiterste meenitigen verkondigd. Willcocks (131) 
heeft indertijd berekend, dat de aangevoerde waterhoeveelheid in Mesopotamië in den 
winter een oppervlakte van 2 800 000, in den zomer (dus na de overstroomingsperiode) 
van i 200 000 ha zou kunnen bevloeien, onder de gunstigste omstandigheden. In zoo¬ 
verre zijn dus de matelooze verwachtingen van Sprenger (116) onjuist, zooals Wagner (123) 
terecht betoogde. 

Daartegenover staat echter, dat met zorgvuldige bevloeiing deze bodem inderdaad 
zeer vruchtbaar is; al zijn ook de klassieke schrijvers al te uitbundig in hun lof, de 
profeten Jeremia (51 13 ; 5 1 42 — 43 ; 51 36 ) en Jesaja (21 1 ) prijzen terecht Babylon, 

dat zoo zeer tegen Palestina afstak in dit opzicht. Het was daarom den Sumeriërs 


*) Vergelijk ook de Jbr. n° 2, pg. 43 genoemde studies. 
Jaarbericht N° 5 


29 



OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


451 


450 

en hunnen eventueelen voorgangers zeker duidelijk, dat hun welvaart afhing van den 
watertoevoer. Men koos (voor zoover wij weten) dadelijk de permanente irrigatie en 
zoo ontstond een uitgebreid systeem van dijken parallel en loodrecht op den loop der 
rivieren, groote kanalen van de rivier afgetakt, stuwen in de rivieren en reservoirs, 
om het verzamelde water op te bergen tot nader gebruik. Van de kanalen werden 
verder een reeks van zijkanalen en slooten afgetakt, welke van de hoofdkanalen waren 
afgesloten door dammen (later misschien door sluizen), die telkenjare enkele malen 
moesten worden geopend en gesloten. Reeds Strabo, die een goed inzicht in de plaat¬ 
selijke omstandigheden blijkt te hebben (XVI. 1.9—14, capp. 740—742) wijst op de 
noodzaak van dammen, die snel geopend en gesloten kunnen worden in belang van 
irrigatie en scheepvaart. Het belang der kanalen voor verkeer is reeds den ouderen 
onderzoekers der topographie van Mesopotamië opgevallen. Zoo merkt b.v. Bewsher (5) 
op, dat alle groote steden aan kanalen lagen. Strabo heeft ook juist het gevaar van 
dit uitgebreide kanalensysteem gezien. Hij zegt n. 1 ., dat de grond in Babylon zacht 
is en gemakkelijk te bewerken, doch even gemakkelijk door het water wordt mede- 
gesleurd, hij had er aan toe kunnen voegen, dat de tamelijk groote slibhoeveelheid 
in het rivierwater in het kanalensysteem door de verminderde stroomsnelheid snel zal 
bezinken. De kanalen moeten dus regelmatig worden uitgebaggerd en het slib werd 
dan op de dijken geworpen, die dus geleidelijk tot geweldige aardmassa’s groeiden. 
Dossin heeft in deze ‘bergen’ wel de oorspronkelijke beteekenis van sadü willen zien, 
dat dan later werkelijk ‘berg’ is geworden (34). In ieder geval doet zich op een 
gegeven oogenblik de toestand voor, dat het te veel arbeid kost het uitgebaggerde 
slib over deze hooge dammen buiten bereik van het water te brengen. Het is dan 
loonend geworden een nieuw kanaal parallel aan het oude te graven. Het oude, aan 
weer en wind prijs gegeven, wordt geleidelijk aan ons onderzoek onttrokken, omdat 
men den grond ook voor bouwland zal effenen. Herzfeld (65) wees er reeds op, dat 
zelfs de allergrootste kanalen om deze reden misschien niet langer dan 1000 jaar 
bestaan. Het verdient dus nog nader onderzoek of inderdaad met Bewsher mag worden 
verondersteld, dat nog een groot aantal oude kanalen van 6—25 m breedte bestaan 
of zijn te herkennen, voerende van den Euphraat naar een arm van deze rivier, naar 
den Tigris of naar zee. De voorbeelden, die hij aanhaalt, zijn van recenten datum; 
de overblijfselen, die hij zag misschien veel jonger dan hij dacht. Zelfs in luchtfoto’s 
zijn oudere kanalen bij Ur moeilijk zonder meer te herkennen van die van oud- 
Arabischen oorsprong bij Basra. Overblijfselen van breede dijken zijn dus niet altijd 
bewijzen voor groote, breede kanalen. We kennen wel de namen van vele kanalen, 
waaronder de Shatt el-Hai, Shatt al-Nil en Naarmalcha wel de grootste zijn; Meissner 
somt een groote lijst op (88, vol. II, 375), doch de juiste topographie is nog niet 
voldoende opgelost. Ditzelfde geldt voor de reservoirs, die men ongetwijfeld in daar¬ 
voor door de natuur aangewezen plaatsen moet zoeken. Ze hadden in verband met 
het vele aangevoerde slib het nadeel, dat, als het water er te lang in bleef staan, dit, 
zooals de Arabieren het zoo goed uitdrukken, ‘dood’ zou worden. Het was dus noodig 
ze op diè plaatsen aan te leggen, waar ze voor de distributie van het water gunstig 
lagen. Evenmin weten we zeker of kunstmatige dammen in de rivieren werden aan¬ 
gelegd. Audebeau Bey (6) vermoedt, dat vroeger van de opstuwing van het water van 
de natuurlijke stroomversnellingen in den Euphraat bij Hit en Anah is gebruik gemaakt 
om daarboven het rivierwater af te voeren. Deze auteur schrijft aan het uitslijten 
dezer stroomversnellingen een deel van het verval der irrigatie in dit land toe, omdat 
hierdoor de mogelijkheid van wateraanvoer aanmerkelijk beperkt werd. Xenophon 
schijnt een stuw te vermelden, 76 m breed en 7.50 m hoog, om de Saklawieh te voeden. 

Behalve dit probleem zal ook nog moeten worden bestudeerd in hoeverre de 
permanente bevloeiing in Sumer en Akkad uit een aantal locale systemen is ontstaan 
en in hoeverre deze eventueel afhankelijk waren van elkaar. Is er verband tusschen 
den voortdurend oplaaienden strijd der verschillende stadstaaten en hun landhonger 
of liever in dit verband gezien ‘waterdorst’ en hoe is het mogelijk geweest, dat een 
dergelijke verdeeldheid van het land door zoovele eeuwen heen slechts nu en dan door 
een sterk centraal gezag werd onderbroken, terwijl juist een centraal gezag zoo noodig 
is voor een doelmatige inrichting van het irrigatiesysteem. Ook hiervoor moet de 
topographie van het oude kanalensysteem nieuw bewijsmateriaal brengen. 


Wat betreft de middelen tot wateropvoer tot in de kleinste kanalen of slooten 
(voor zoover noodig!) weten wij slechts met Herodotus (I. 193), dat dit met de hand 
of met shadnf's geschiedde. De shadïlf wordt niet alleen in jongeren tijd afgebeeld 
(Paterson, Palace of Sennacherib pl. 32 f.), doch, als gemeld, reeds op zegels van de 
archaïsche periode (Ward, Seal Cylinders , 1910, fïg. 397)- Gompertz veronderstelt, dat 
de terrassen van Babylon’s hangende tuinen met de schroef van Archimedes werden 
bevloeid; bewezen is dit niet (55). Wanneer het waterwiel zijn intrede deed in deze 
streken is ook onbekend. Koldewey vermoedt, dat van ouds ook trekbron en de zelf- 
loozende waterzak bekend waren, zooals ze thans nog wijd verbreid zijn in Mesopotamië. 
Bij het nagaan van al deze vraagstukken is het van belang te weten, dat in het 
algemeen een kanaal een strook van ongeveer 600 m breedte ter weerszijden kan 
bevloeien. Dit geldt niet alleen voor Mesopotamië, doch ook voor de streek rond het 
oude cultuurcentrum Susa, waar een gebied van 15 — 20 km langs Kerkha en Karun 
in cultuur is geweest door bevloeiing door een kanalensysteem. 

Het verval der irrigatie moet worden toegeschreven aan het verval van het centrale 
gezag in Mesopotamië, ontvolking door de voortdurende oorlogen vooral na het begin 
onzer jaartelling en de daarmede gepaard gaande verplaatsing van het cultuurcentrum, 
verwaarloozing van het onderhoud der kanalen en uitslijten der stroomversnellingen 
in den Euphraat. De doodsteek is zeker gebracht door de invallen der Mongolen. 

Van de oudste tijden der irrigatie weten we ook in Mesopotamië niet veel. Dat 
ze een belangrijke rol speelde, is zeker, getuige reeds de vele begrippen, die daar¬ 
mede samenhangen en hunne uitdrukking vinden in het schrift. Een serie verwante 
teekens bv. heeft zoowel betrekking op wegen als op kanalen. In de eerste plaats “V, 
>^r (SL 12), dat van ‘tweesprong’ is geworden tot ‘scheiden, splijten, richten, openen’. 
Afgeleid hiervan worden beteekenissen als ‘doorbreken van water, doorbraak, openen 
van sluizen (dammen?)’. Het teeken beteekent oorspronkelijk ‘kruisen’ en dan 

later ‘klein kanaal, sloot, irrigatiekanaal’ (SL 12) (B 126). Dan is er het teeken -Ik 
(SL 83) voor ‘goot’, ‘greppel’, dat vaak naast en voor ‘tak’, ‘twijg’ werd gebruikt. 
Het is duidelijk een beeld van de aftakking van slooten van een kanaal, dus evenals 
de andere twee geïnspireerd door een net van kanalen en de daaraan vastgeknoopte 
begrippen. Een geheele reeks teekens zijn verwant of afgeleid van ‘vat’ (SL 483), 

archaïsch Q □ (B 261), dat zeer vroeg wel wordt gebruikt voor het bijna gelijkvormige 
O 7 53 )’ ^at ec hter het latere ‘3600’ is. Het teeken ‘vat’ beteekent ook ‘af¬ 
sluiten, omsluiten, vasthouden’. We wezen reeds op het verwante teeken ‘bron’ I 0 I . 
daar (blz. 442) is ook het afgeleide ‘rivier’, (SL 484), dat tevens ‘zoetwaterafgrond 
(apsü), oceaan’ kan beteekenen. Deimel leidt deze laatste twee teekens af van een drietal 
vrijwel gelijke archaïsche teekens, o.a. gg [g§) (B 263). Een andere interessante 
groep van teekens fl I 11 I , I II I I (B 61) (F 260) geeft het latere (SL 105. 1 ) 
‘veld, vlaktemaat’. Men moet daarin zien een afgebakend veld met slooten en toe- 
voerkanalen. In combinatie met ‘water’ krijgt men JYJJ, ‘overstroomend land’. Er werd 
verder door de Sumeriërs onderscheid gemaakt tusschen gan-id, d.w.z. land langs 
de rivier gelegen, en gan-ga, daarachterliggend land. Het teeken voor ‘kanaal’ 

(SL 234) wil Deimel terugvoeren tot een archaïschen vorm Jj -J , dien hij als een soort 
visch uitlegt. Thureau Dangin heeft echter betoogd, dat dit eigenlijk beteekent ‘dijk’ 



452 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


453 


(RA XXIX, 1932, 24), men vindt b.v. de uitdrukking iku u palgu voor ‘dijk en 
kanaal’. Dergelijke dijken worden ook als grensdijken tusschen stadsgebieden (Lagas— 
Umma). Daar is ook naast het op blz. 442 geciteerde ‘overstroomen’ (B 273), 
dat Deimel o.i. ten onrechte een afbeelding van een Widderhorn noemt. De ver¬ 
klaring volgens Meissner als veld ornspoeld door een kanaal komt ons veel waar¬ 
schijnlijker voor, ook als men bedenkt, dat dit teeken later ook ‘overstroomen, 
overschrijden, overweldigen, afgrenzen, afteekenen’ beteekende. In combinatie met 
‘aarde’ kreeg men een complex teeken voor ‘moeras’. Interessant is ten slotte nog 

(SL 376) | ( B 195) ( F 385) ‘besproeien’, maar vooral ‘terras, ophooging met 
aarde’. Deimel meent in den archaïschen vorm een houtblok geschraagd door drie 
paaltjes te moeten zien, dat dan den dijkvoet beschermde tegen waterdruk [Orientalia 
VI, 3, 1937, 276). In een combinatie met ‘water’ kreeg men dan m (SL 376) 
xü (B 196). 

Tot zoover dit materiaal, dat nog lang niet is uitgeput, doch hier voldoende 
heeft bewezen, dat de details van irrigatie in velerlei vorm aan de oude Sumeriërs 
van de vroegste periode, die schrift kenden, bekend waren. Het nu volgende historische 
materiaal is onvoldoende om de verdere ontwikkeling te vervolgen. Een viertal bloei¬ 
tijden zijn uit de feiten terug te vinden. De eerste dezer perioden valt in de eeuw 
tusschen 2800 en 2700 v. Chr. Hier noemen de teksten allereerst Ur-Nina of Ur-nanse, 
aan wiens beleid vele kanalen en reservoirs hun ontstaan danken met het doel de 
jaarlijksche overstrooming van den Euphraat te regelen. Eannatum wordt speciaal 
genoemd in verband met een reservoir Lumma-dim-dug. Ook Entemena van Lagas 
en Urukagina moeten vele kanalen hebben gegraven, de eerste zou de schepper van 
de Shatt el-Hai zijn geweest. 

Van den grooten Sargon I is een merkwaardig bericht overgebleven, dat verhaalt, 
hoe hij bij zijn verovering van Ulchu de kanalen om deze stad liet dichtgooien, 
tegelijk met het vernietigen der stad, wel een bewijs, hoeveel waarde men toekende 
aan het irrigatiesysteem voor het bestaan eener stad. 

De tweede periode van bloei valt tijdens de z.g. Derde dynastie van Ur (ca 
2300 v. Chr.), waarin de mededeelingen over nieuwe kanalen en herstelwerken zoo 
veelvuldig worden, dat ze tot de volgende onrechtvaardige verzuchting van Meissner 
hebben geleid (88, vol. 2, p. 368): ‘Es scheint als ob die hohe Herrn von nun an 
geglaubt haben, dass allein ihre Kanalanlagen und sakralen und profanen Bauten für 
die Nachwelt Interesse verdienen’; onrechtvaardig, omdat immers irrigatiewerken een 
levenskwestie voor Mesopotamië waren ! Een interessante bijdrage van Fish (46) heeft 
hierop veel licht geworpen, doch wij moeten met den auteur betreuren, dat de teksten 
weinig technisch inzicht in de oude werkwijzen geven, doch alleen belangrijke philologische 
en topographische details hebben opgeleverd. Bij de opsomming van naar góden per¬ 
sonen of steden genoemde kanalen wordt vaak de nadruk gelegd op den‘mond’(ka), 
welke in vele gevallen een sluis of overlaat (?) schijnt geweest te zijn. Verder is er 
vaak sprake van den ‘staart’ van een kanaal (kun), hetgeen zeer waarschijnlijk een 
basin of waterreservoir voorstelt. Speciale vijvers voor drinkwater gereserveerd, werden 
nag-tar genoemd. Men onderscheidt blijkbaar twee soorten van kanalen (e en pap) 
en daarnaast slooten (£ 7 ; SL 787). Ook Fish ziet slechts een afdoende oplossing 


voor de vele open vraagstukken in het zorgvuldig nagaan van den ouden loop der 
kanalen en hun verband met den Euphraat. 

De derde periode omvat vooral de regeering van Hammurabi (ca 1975 v. Chr.) 
wiens laatste negen jaren geheel waren gewijd aan de verbetering van het kanalen¬ 
systeem, o. a. den watertoevoer van Uruk verbeterende. Hem worden vele groote 
kanalen toegeschreven o. a. het Groote Kanaal van Babylon. Belangrijk is vervolgens 
het feit, dat in zijn bekende code ook reeds codificatie op dit gebied voorkomt. 
Onderhoudsplicht der kanalen, bescherming van den pachter tegen overstroomingen 
(Codex Hamm. §45), garantie van voldoenden wateraanvoer (CH. §48) wijzen op het 
groeiende belang van waterrecht. Ook oeconomische zijden der irrigatie worden duidelijker, 
al geldt dit vooral in latere perioden. Na de eerste dynastie van Babylon komt na 
en door de invallen der Kassieten een belangrijke verwaarloozing, die eerst door de 
Assyrische heerschers weer geheel is ingehaald. Deze hadden zich ook in hun moeder¬ 
land Assyrië op bescheiden schaal aan de irrigatie gewaagd, hoewel dit land door de 
winterregens minder behoefte heeft aan irrigatie, welke van haar kant risico’s uitsluit. 

Vooral Assur-nassir-pal II (883—853 v. Chr.) en dan Sanherib en Assurhaddon 
(680—669 v. Chr.) hebben hier het initiatief genomen. Bij de residenties Niniveh en 
Chorsabad kwamen grootsche tuin- en parkaanleg, welke water ontvingen uit een 
reeks stuwdammen en kanalen, in deze zevende eeuw aangelegd. Enkele dezer kanalen 
hebben geheel het karakter van de latere aquaducten met hunne gemetselde bedding 
en overbruggingen van ravijnen (68) en kunnen de vergelijking met Grieksche water¬ 
leidingen van hetzelfde type met glans doorstaan. In deze latere periode duiken ook 
berichten op over het extra belasten van voor andere dan irrigatiedoeleinden gebruikt 
water {BE IX. 73). 

Het aanleggen van kanalen wordt in Nieuw-Babylonischen tijd zelf speculatie 
voor bankiers en grootgrondbezitters. Zoo hooren we, dat de bankiers van het huis 
Murassu een tarief van 25 °/ 0 heffen voor geleverd water. De belasting van het bouw¬ 
land hield rekening met de ligging ten opzichte van het irrigatiewater, daarnaast had 
het kanalennet nog steeds zijn oude beteekenis voor het transport behouden. Er zijn 
nog vele details, waarop we hier niet kunnen ingaan, in de bibliographie te vinden. 

Als laatste land zullen we kort bespreken Egypte. We gaven voor verschillende 
landen een korte karakteristiek van de plaats, die de irrigatie in het leven inneemt 
en zouden deze voor Egypte willen formuleeren ‘de strijd met het water om 
het land’; een inzicht, dat Strabo had, toen hij opmerkte, dat ‘de Egyptenaren met 
de rivier ijverig trachten de natuur te overwinnen’ (cap. 788). De bevloeiing is in 
Egypte zoo alles overheerschend, dat de seizoenen b.v. achtereenvolgens ‘Overstrooming’, 
‘Tevoorschijnkomen (van het land)’ en ‘Watergebrek’ heeten. Dit is ook zeker niet 
verwonderlijk voor een betrekkelijk klein land, dat toch in Romeinschen tijd een 
bevolking van ca 7 000 000 menschen heeft gevoed, en bovendien nog belangrijke 
hoeveelheden graan exporteerde, hoewel tegenwoordig veel graanbouw heeft moeten 
plaats maken voor katoenbouw. Ook in het hiernamaals bestond voor den ouden 
Egyptenaar irrigatie ( Doodenboek , capp . 6 en 125) en Osiris wordt al in zeer oude 
bronnen met de wateren der overstrooming gelijkgesteld. Curieus is het te lezen, dat 
Achnaton de overstrooming toeschrijft aan natuurlijke oorzaken, geleid door zijn god 
Aton. En als bijzonder krachtige verwensching komt in het graf van Amenophis, 
zoon van Hapu (tijdens Amenophis III) voor: ‘Hem worde geen water uit den was 
der rivieren gegeven !’. 

Wij wezen op de foutieve opvatting, als zou de Nijl geheel Egypte overstroomen 
zonder medewerking van den mensch. Weliswaar is de was bij de eerste stroom¬ 
versnelling nog ca 15 m; bij de Delta ligt hij tusschen 6 en 8 m. Dit maakt, dat 
dus een deel van het land steeds buiten het natuurlijk bereik der rivier ligt en onder 
alle omstandigheden van irrigatie afhankelijk is, de Egyptenaar noemde dit land k 3 t 
(Gr. u(opo%oq yvi : Arab. Sharaki-\dLn&). Het gewone bouwland heette hrw (Gr. <T7ropl{tv} yïj), 
bevloeid land nhb (Gr. fisPpsyfJtévy yïj; Arab. Rai- land). Op 15 Augustus ongeveer 
bereikt het water door de geopende dijken het land en bleef daar ter hoogte van 
-L—2 m ongeveer 6—8 weken staan. Na afloop van dezen tijd zakte de rivier en het 
water werd van de velden afgevoerd. Audebeau Bey (6) heeft gewezen op het belang 
van die periode na den oogst, gedurende welken de grond door de zonnehitte kan 



454 OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 

scheuren, zelfs vrij diepe spleten vormt. Hij achtte dit een voornaam punt, omdat 
hierdoor de grond diep wordt opengewerkt, eventueel zout kan uitzweeten en vooral 
de grond geaereerd wordt. De irrigatie kan dan de zouten uitspoelen en den grond 
goed met water doordrenken. De permanente irrigatie had dit voordeel niet. 

Het is te begrijpen, welk een belang werd gehecht aan het waarnemen van den 
was der rivier, een waarneming, die reeds vroeg met z.g. Nilometers werd verricht 
(9, 10, 11) en in samenwerking met de astronomische waarneming de grondslagen 
voor onzen kalender en jaarindeeling heeft helpen opbouwen. Van dezen was hing af, 
in hoeverre het land voldoende kon worden bevloeid en de nederzettingen op kleine 
‘oerheuvels’ uit den watervloed zouden oprijzen. Het eerst geadopteerde systeem schijnt 
de bassinirrigati e te zij n geweest. Wij mogen dit misschien terugvinden in het feit, 
dat het teeken ]□□□□[ > 3 £EE, dat een complex van akkers gescheiden door kanalen 
schijnt voor te stellen (hoewel Kees (71) hierin een afbeelding van een tuin verdeeld 
in bedden ziet) zoowel voor sp . t 'provincie, nome’ als h sp ‘tuin’ geldt. We stellen 
ons echter voor, dat de oudste agrarische eenheid van hooger orde, wat deze nome 
toch moet geweest zijn, een gebied omvatte met één gemeenschappelijke bevloeiing, 
kortom, wat wij in Holland een waterschap noemen, al gaat het daarbij om drainage. 

Omtrent de grootte dezer bekkens of bassins zijn we niet voldoende ingelicht, 
door verschillende experts wordt deze echter op 12—80 km 2 geschat, d.w. z. ongeveer 
twintig maal zoo klein als tegenwoordig (109). Of ten slotte reeds in het oude Rijk 
permanente irrigatie is toegepast in de omgeving van Memphis en Abydos, moeten 
we voorloopig op gezag van Gompertz (55) aannemen. Tegenwoordig is dit laatste 
systeem zeer verbreid in verband met den katoenbouw als het z.g. systeem. Van 
de groote kanalen willen we vooral het Josefskanaal (Bakr Jüsüf) noemen, waarvan 
te weinig bekend is, dat dit een natuurlijke kronkelende waterloop is, die vroegtijdig 
door den mensch met den Nijl is verbonden en tot in het Fayum doorgetrokken. 
Overigens heeft het smalle Nijldal er niet toe bijgedragen, dat zeer groote kanalen 
werden gegraven, de meeste zijn onbenoemd gekomen en verdwenen in den loop 
der geschiedenis. Over de qanats in de oases van el-Kargah en Daklah en de mogelijkheid 
hunner verspreiding van uit Perzië hebben we reeds gesproken (zie ook Beadnell, An 
Egyptian Oasis , p. 170). Omtrent de geschiedenis van de middelen tot wateropvoer 
zijn we slecht ingelicht. Daar staan aan een zijde verschillende auteurs, die b.v. de 
sakijeh als een Hellenistische vinding beschouwen ; andere weer houden ze voor zeer 
oud, Daressy wil het in enkele passages van het Doodenboek identificeeren evenals 
Spiegelberg (115), zoodat het dus zeker in de IV^e dynastie bekend was geweest. De 
shddüf is zeker zeer oud, in de XVIII de dynastie is hij algemeen in gebruik bij den 
tuinbouw (Erman, AEgypten , Taf. 35. 1). Voor tuinbouw komt anders zeer veel voor 
het begieten met kruiken aan een juk over den schouder gedragen (Newberry, Beni 
Hassan , Vol. I, pl. 11 en 29) (el-Bersheh PI. 26). 

Uiterst belangrijk in de organisatie der bevloeiing was het feit, dat hiervoor be¬ 
lasting in den vorm van corvée aan den koning werd opgebracht. Deze corvée viel in 
de maanden April—Juni en omvatte vooral graafwerk voor het onderhoud van kanalen, 
slooten en sluizen. Dijken werden opgeworpen en versterkt. Ze hadden gewoonlijk een 
talud van 1 : 3 bij een kruinbreedte van 4 m en een hoogte van 1 m boven hoogwater. 
Vooral uit Hellenistischen tijd zijn we over deze details uit papyri ingelicht, verzameld 
in het voortreffelijke werk van Schnebel (109) en de vele artikelen van Boak (7, 8) 
en Westermann (124—128). De sterke detailleering, die we in dien tijd constateeren, 
en de geperfectionneerde techniek zijn zekere bewijzen, dat vele details uit veel vroegere 
tijden moeten dateeren, gezien het conservatieve karakter der waterbouwkundige techniek. 
We zullen dan ook enkele punten in vogelvlucht aan ons voorbij laten gaan. Dammen 
(zoopa) worden onderscheiden in ringdijken (7T£pi%dopa7u) en dwarsdammen (èpa7rXsvpi(7pog f 
'èiü%oopu). Met mand en spade opgeworpen, worden ze versterkt door vlechtwerk of 
palen en soms beplant met boomen. Misschien kende men de steenbezetting, een 
dergelijken dijk noemde men volgens Schnebel spfiXypa. Groot onderscheid wordt in 
de verschillende categorieën van kanalen gemaakt. De Nijl en de grootste kanalen 
noemde men 7 rorapóg f de hoofd aan- en afvoerkanalen noemde men 'èioopvï;, zijkanalen 
voor den toevoer vlpayuyóc, shwyccyóg afvoerkanalen van secundairen rang ef-uyooyéc, 
terwijl nog tallooze benamingen voor slooten en greppels bestonden. Toezicht op de 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 455 

irrigatie was opgedragen aan een college van ambtenaren met een ingenieur; de maanden 
van hoogwater waren speciaal gewijd aan inspectie der dijken en kanalen. In Helle¬ 
nistischen tijd werd het werk vaak door aannemers uitgevoerd, wier taak soms zeer 
omvangrijk was, zooals eenige rekeningen in P . Petr . III, 40 laten zien. Daaruit blijkt, 
dat een aannemer een achttal contracten voor een totaal grondverzet van 292 733 m 3 

( had uit te voeren. Helaas zijn dergelijke interessante details uit vroeger tijden zeer 
zeldzaam. 

We vermeldden, dat vermoedelijk in praedynastischen tijd de irrigatie met kunst¬ 
matige bevloeiing is uitgebreid. De vereeniging van Egypte onder één centraal gezag 
was de sluitsteen voor den bloei der bevloeiing. Reeds op een knotsknop van den 
Koning ‘Schorpioen’ wordt de koning afgebeeld, terwijl hij de kanalen opent voor het 
rivierwater. De Palermosteen geeft de maximum-hoogte van den Nijl, in verschillende 
jaren weer en we hooren, hoe onder de regeering van Zoser zeven jaar achtereen¬ 
volgens de was van den Nijl onvoldoende was en hongersnood in het land heerscht. 
Het woord ‘kanalen’ komt in de Pyramideteksten reeds veelvuldig voor. Sinds de eerste 
dynastie schijnt ook reeds belasting te zijn geheven in evenredigheid met den was 
van de rivier. Een zekere organisatie van de bevloeiing schemert door de officieele 
titels, die we uit het Oude Rijk kennen. Pirenne vermeldt b.v. uit de eerste en tweede 
dynastie een ‘maitre des suivants des canaux’ (cherp sjemsoe meroe) en een ‘scribe du 
lac’ (sesj sje) en dan leefde in de V d e dynastie een zekere Ra-Our, die verklaart 
‘maitre des chateaux de 1 ’Eau’ (cherp het moe ) te zijn geweest. Verder schijnt ook 
tijdens de III de en IV d e dynastie het Fayum in cultuur te zijn gebracht 1 ). 

De volgende tijden brengen geen berichten tot wij uit de IX de en XI d e dynastie 
hooren, dat de locale vorsten van Siut irrigatiekanalen aanlegden en het bestaande 
systeem belangrijk uitbreidden. Een bloeiperiode komt dan met het straffere centrale 
gezag van de XII d e dynastie. Reeds onder Amenemhat I wordt een zekere Chnoemhotep 
belast met de administratie van een provincie en hem tegelijkertijd het toezicht op 
de bevloeiing uitdrukkelijk opgedragen. Amenemhat III is zeer intensief werkzaam op 
dit gebied. Hij schijnt het prototype te zijn van de ‘Sesostris’-sage, zooals Herodotus 
ons die vertelt (II. 4 en 99). Zijn belangstelling is vooral uitgegaan tot het Fayum en 
oudere schrijvers als Brown (18) en Petrie (100) hebben de theorie opgebouwd, dat 
hij door afsluiting van dit dal door een dam een stuwmeer van deze natuurlijke 
depressie heeft gemaakt om na afloop van de overstrooming het opgestuwde water 
voor bevloeiing van de omgeving van Memphis te gebruiken. Niets blijkt na grondig 
onderzoek van Caton Thompson (23, 24, 25), Gardner (51) en Sandford (106) minder 
waar. Hoewel vele details nog niet voldoende opgehelderd zijn, komt de geschiedenis 
van het Fayum toch in groote lijnen hierop neer: het Fayum is een natuurlijke 
depressie door den Nijl gevormd in Post-Palseolithischen Tijd. In het Palaeolithicum 
is het niveau van deze rivier sterk gezakt en het Fayum daardoor vrijwel aan zijn 
lot overgelaten. De verbinding door de Bahr Jusuf is vervolgens door alluviale sedi¬ 
menten dichtgeslibd, waarna het Fayum meer tot het z.g. 20 m niveau is ingedroogd, 
reeds vóór het Neolithicum. In historischen tijd is er dus in de Fayum nooit een 
‘high level Lake’ geweest. Het werk van de XII d e dynastie heeft zich zeer waar¬ 
schijnlijk bepaald tot de uitbreiding van het bevloeide areaal in het Fayum misschien 
met behulp van een stuw en sluizen (?). Overigens is pas in Hellenistischen tijd de 
groote expansie van de irrigatie in het Fayum gekomen onder energieke leiding der 
dynastie der Ptolemseen. Dit blijkt b. v. uit het feit, dat in het Fayum 66 Grieksche 
plaatsnamen voorkomen naast maar 48 oudere. De berekeningen, welke Mehmke (85) 
opstelt over het verband tusschen bevloeid areaal en nationaal vermogen in Egypte, 
zijn dan ook door foutieve gegevens onjuist, hoe interessant overigens zijn poging is. 

Een glimp van de andere zijde van de corvée krijgen we uit een passage van 
het bekende Gesprek van een levensmoede met zijn ziel , waarin gesproken wordt ‘van 
de moede lieden, die op de dijken sterven!’ Dan gaat met de invallen der Hyksos 
en het verval van het centraal gezag het gordijn weer neer. Eerst de XVIIDe dynastie 


J ) De titel, dien iedere vizier droeg, n. 1 . c d mr , beteekent letterlijk ‘hakker van kanalen’, wat niet alleen 
toezicht op zulk een belangrijk werk beteekenen moet, maar misschien letterlijk mag worden opgevat bij een 
ceremonie van ‘de eerste spadesteek’, zooals wij die op bovengenoemde knotskop vonden afgebeeld. 




456 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


en vooral Tothmes III beroemt zich weer op zijn zorg voor de bevloeiing. Onder 
Horemheb wordt aan den Vizier van het Zuiden speciaal het toezicht op water¬ 
voorziening en irrigatie opgedragen. Onder Sjesjonk I (ca 935 v. Chr.) wordt ten slotte 
een speciale ‘directeur der bevloeiingswerken’ benoemd. 

Dit is de magere oogst van gegevens tot we aan de Ptolemaeen komen. Deze 
vorsten hebben zeer veel belangstelling voor de bevloeiing gehad. Een zeer intensieve 
uitbreiding der cultuurgronden in het Fayum geschiedde reeds onder Ptolemseus 
Philadelphos en Euergetes I, Ptolemaeus II legde den nadruk op de wijncultuur in het 
Fayum, Ptolemseus III neemt maatregelen tegen te lagen was van den Nijl en zijn 
gevolgen. Uitvoerige gegevens staan ten dienste in de literatuur, die wij aanhaalden. 
Interessant is nog, dat uit dezen tijd vele ingenieurs, belast met irrigatievraagstukken, 
bij name bekend zijn, zoo ook onder anderen de ‘architecton’ Eleon, verder Petechonsis 
en Theodorus. Deze gegevens vallen echter buiten het onderwerp van dit artikel. 

Er rest nog na te gaan, waaraan het verval der irrigatie in Egypte moet worden 
toegeschreven. Dit verval moet in den laat-Romeinschen tijd geleidelijk zijn ontstaan. 
Schuld zijn in de eerste plaats verval van het centrale gezag en geleidelijke ontvolking 
door slechte ceconomische omstandigheden. Vooral verkeerde belastingpolitiek, met 
name onder de Byzantijnsche keizers is de hoofdschuldige. Slecht onderhoud der 
kanalen en zelfs het voor de Delta zoo ingrijpende verzouten der Bittermeren zouden 
geen beletsel zijn geweest als de eerstgenoemde factoren niet hadden bestaan. 

Dit korte overzicht van het bevloeiingsvraagstuk in de praeklassieke Oudheid 
pretendeert, vooral door gebrek aan juiste gegevens, niet meer te zijn dan een inleiding 
tot de in de bibliographie opgesomde literatuur. Het moge echter den indruk geven, 
hoe uit simpele waarnemingen en gebruik maken van natuurlijke omstandigheden met 
eenvoudige hulpmiddelen in de vroege Oudheid in het Nabije Oosten bevloeiingssystemen 
tot stand zijn gebracht, welker bestaan diep heeft ingegrepen op sociaal gebied en 
ook stimulans is geweest op geestelijk terrein. De irrigatie als moeder der geometrie, 
dat is een nieuwe lezing van de woorden van Kepler: 

tt Wer könne also leugnen, dass die menschliche Natur allein, auch ohne jede 
grübliche rationelle Überlegung, die Grundwahrheiten der Geometrie lehre?” 

Amsterdam R. J. Forbes 


BELANGRIJKE PASSAGES VAN CLASSIEKE AUTEURS BETREFFENDE IRRIGATIE 

IN HET NABIJE OOSTEN 

Arrianus Boek VII, 7. 21 over Mesopotamië 

DiODORUS I. 42. 6; I. 51 

Herodotus II. 14, 19, 93, 97 over Egypte 

II. 149 over het Moeris Meer 

I. 193 over Mesopotamië 

III, 9 over qanats in Perzië 

Hero Alexandrinus Bk. 9 en 10 over middelen van watertransport 

geeft tevens extracten van Philo 
Ktesibios en Vitruvius 

Plinius Hist, Nat . V. 9; XXXVI. 16 

POLYBIUS X. 28 

Strabo XV. I. 50; cap. 707 over qanats in Br. Indië 

XVI. 1. 9—14; capp. 740—742 over Mesopotamië 

XVII. 1. 3—5; capp. 786—790 over Egypte 

XVII. 1. 37; cap. 811 over het Moeris Meer 

Theophrastus Hist, plant. VIII. 7. 4—5 over Mesopotamië 

Vitruvius Boek VIII over het water 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


457 


BIBLIOGRAPHIE 

I Banerjee, N. C., Economie Life and 20 Brunn, W. VON, Neues über eine sehr 


Progress in Ancient India (Vol. I, 

1925, p. 121) 

2 Barnett, L. D., Antiquities of India 
(London, 1913, Warner) p. 102, 107 

3 Barois, J., Irrigation in Egypt (Wash¬ 
ington, 1889) 

4 Berger, Suz., A note on some scenes 
of landmeasurement (J. Egypt. Archaeo- 
logy XX, 1934, 1/2, 54—56) 

5 Bewsher, J. B., On Part of Mesopo - 
tamia (J. R. Geogr. Soc. 37, 1867, 
p. 160—182) 

6 Audebeau Bey, C., Les irrigations dans 
le monde antique (Egypte, Mésopotamie, 
Palestine) (Revue Gén. des Sciences 
XLIII, 1932, 272—282) 

7. Boak, A. E. R., Irrigation and Popu - 
lation in the Fayum (Geogr. Review 

1926, P . 353) 

8 - Notes on canal and Dike-work in 

Roman Egypt (^Egyptus VII, 1926, 3/4, 
215—219) 

9 BORCHARDT, L., Nilmesser und NU - 
standsmarken (Berlin, Akad. d. Wiss., 
2 Hefte, 1906—1934) 

10 - Zu den beim Gebel Silsile neuge - 

fmidenen Nilmesser n (Z, f. aegypt. 
Sprache 72, 1936, 137 “ 1 39 ) 

11 - Nachtrage zu Nilmesser und Nil - 

standsmarken (Sitzber. Preuss. Akad. 
Wiss. phil. hist. Klasse, 1934 11 —13, 
194—202) 

12 Bourdon, Cl., Anciens canaux , an - 
cients sites et ports de Suez (Mém. Soc. 
R. de Géogr. d’Egypte VII, Caire, 1925) 

13 Braunlich, E., The well in ancient 
Arabia (Asia Major Verlag, Leipzig, 
1926,159 pp.). 

14 Bresch, R., L'eau dans le monde romain 
(L’eau XXV, 1932, 3 C) 

15 Brohier, R. L., Ancient irrigation 
works in Ceylon (Colombo, Govt. Press., 
Ministr. of Agric. and Lands, 2 vol., 
1 934/36, 4/6 each) 

16 Brosse, L., Syria IV, 1923, p. 234 

17 BROWN, Sir R. H., Irrigation , its 
principles and practice as a branch of 
engineering (Constable, London, 1920, 
3rd. Edit.) 

18 Brown, R. H. The Fayum and Lake 
Moeris (Stanford, London 1892) 

19 Brunhes, Jean, Lirrigation, ses con - 
ditions gêographiques , ses mondes et son 
organisation dans le pêninsule ibêrique 
et dans VAfrique du Nord (Naud, 
Paris, 1902) 


alte Wohnungs - und Stddtekultur in 
Indien (Technikgeschichte XXV, 1936, 
P . 144—145) 

21 Bryan, K., Floodivater farming in 
Southern New Mexico (Geogr. Review 
XIX, 1929, p. 453) 

22 CALDERINI, A., Ricerche sul regime 
delle acque neW Egitt o greco-romano 
(Aegyptus II, 1920, p. 37 & 189) 

23 Caton-Thompson, G. & Gardner, 
E. W., Recent work on the problem of 
Lake Moeris (Geogr. J. 73, 1928, p. 20) 

24 -The Desert Fayum (Royal 

Anthrop. Instit., London, 1934, 2 vols.) 

25 -Kharga Oasis (Antiquity V, 1931, 

p. 221—226 

26 Childe, V. Gordon, Man makes him - 
self (Watts, London 1936) 

27 - New Light on the Most Ancient 

East (London, 1934) 

28 CONTENAU, G., Manuel d'Archéologie 
Oriëntale I (1927), 66 ff. 

29 Corazza, O., Geschichte der artesischen 
Brunnen , ein Versuch die Geschichte 
dieser Brunnen von den altesten Zeiten 
bis zur Gegenwart darzustellen (Wien, 
1901, 119 p.) 

30 Creel, H. G., The Birth of China 
(J. Cape, London, 1936) 

31 Dalman, G., Arbeit und Sitte in 
Paldstina , Vol. II der Ackerbau , p. 219 

32 Daressy, G., Ueau dans TEgypte an - 
cienne (Mém. Instit. d’Egypte, 1915) 

33 Delattre, A., Les travaux hydro- 
liques en Babylonie (Revue des Questions 
Scientifiques, XXIV, 1888, 451 — 507) 

34 DOSSIN, G., Le dieu Gibil et les in - 
cendies de végêtation (Revue Hist. des 
Relig. janv.—févr. 1934, p. 28 — 62) 

35 Drachmann, A. G., Hero's and Pseudo- 
Hero's adjustable syphons (J. Heil. 
Studies Vol. 52, 1932, p. 116) 

36 DUSSAUD, R., La digue du lac de Homs 
(Monum. et Mém. Vol. 25, 1921/22, 

p-133) 

37 Ebeling & Meissner, Reallexicon der 
Assyriologie (Artt. Bewdsserung , Be - 
wdsserungsmachine , Brunnen) 

38 Eberhard, W., Zur Landwirtschaft 
der Han Zeit (Mitt. Seminars Oriënt. 
Sprachen XXXV, 1932; Ostasiat. Stu¬ 
diën p. 74—105) 

39 Ebert, Reallexikon der Vorgeschichte 



458 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


OVER BEVLOEIING IN DE OUDHEID 


459 


(Artt. Bewdsserung und Wasserversor- 
gung, Kanal ) 

40 Eggers, G., Wasserversorgungstechnik 
int Altertum (Technikgeschichte Bd. 
XXV, 1936, p. i —13) 

41 Ellis, A. J., The divining rod, a history 
of waterwitching. (U. States Geol. Sur- 
vey, Water Supply Paper 416, New 
Edit. 1934, 6) 

42 Etcheverry, B. A. & Harding, S. T., 
Irrigation pr actie e and engineering V ol. L 
Use of irrigation water and irrigation 
practice (Mc Graw Hill, New York 1933) 

43 Eyth, Max, Das Wasser im alten und 
neuen Aegypten (In u Lebendige Kr af te”, 
J. Springer Verlag, Berlin 1905, p. 27-75) 

44 - Das Wasser im alten und neuen 

Aegypten (Bayer, Ind. Gewerbeblatt 
1902, Nos. 6—9) 

45 Feldhaus, Franz, Ahnen des Wasser - 
rades (Die Umschau XL, 1936, Heft 24, 
p. 472—476) 

46 FiSH, T., Aspects of Sumerian Civili - 
sation during the Third Dynasty of Ur m 
IIL Rivers andcanals (Buil. John Rylands 
Libr. XIX, 1935, 98) 

47 FlacHSBART, O., Historische Probleme 
der Wasserwirtschaft. mit einer Vor- 
bemerkung über den Gegenstand tech¬ 
nischer Geschichte (Dtsche Wasserwirt¬ 
schaft XXIII, 1928, 150-153, 169-174) 

48 Forde, C. Daryll, Habitat, Economy 
and Society (Methuen, London, 1934) 

49 Frobenius, L., Das Unbekannte Afrika 
(Beek, München, 1923) p. 60—62 

50 Galling, K., Biblisches Reallexikon 

(1934) 

51 Gardner, E. W., The origin of the 
Fayum Depression (Geogr. J. Vol. 74, 
i 9 2 9) 371—383) 

52 Garis Davies, N. de, The Tomb of 
Nefer-Hotep at Theb es (New York, Me¬ 
tropol. Museum, 1934) 

53 Garrison, F. H., The history of drain¬ 
age, irrigation , séwage disposal and 
water supply (Buil. N. Y. Acad. Medicine 
Vol. V, 1929, 887—938) 

54 GOETZE, A., Kleinasien (Handbuch der 
Altertumswissenschaft III, I, III, 3, 
1933, P . 181) 

55 Gompertz, Maurice, Corn from Egypt 
(Beginning of Things Series, Howe, 
London, 1927) 

56 Gradmann, R., Die Steppen des Morgen- 
landes (Geogr. Abh. Dritte Reihe, Heft 6 ; 
Engelhorn, Stuttgart, 1934) 


57 GROHMANN, A., Südarabien als Wirt- 
schaftsgebiet Vol. II (Schriften Phil. Fak. 
Dtsche Univ. Prag XIII, 1933, 19 ff.) 

58 Guthe, S., Z.D.P.V. , 1881, p. 334 

59 - Z.D.P.V 1915, p. 42 

60 Hartmann, Fernande, Lagriculture 
dans l'ancienne Egypte (Paris, Imprim. 
réunis, 1923) 

61 HAUCK, A., Re al enz. f Prot. Theologie 
(3. Aufl.) (Artt. Euphrat, Paldstina, 
Was s er b anten) 

62 Havell, E. B., History of the Aryan 
Rule in India (Harrap, London 1918) 

63 HERTZ, A., Die Kultur um den per- 
sischen Golf (Klio Beihefte XX, 1930) 

64 Herzfeld, E., Mythos und Geschichte 
(Iranische Forsch. VI, 1934, 42) 

65 - Ueber die historische Geographie 

von Mesopotamien (Petermanns Mitt. 55, 
1909, p. 345) 

66 Hirth, F., The Ancient History of 
China (Columb. Univ. Press, New York, 

1923) 

67 Hommel, Fr., Ethnologie und Geogra- 
phie des Alten Orients (Handbuch der 
Altertumswissenschaft III, I, I, 1926, 
p. 263 

68 Jacobsen, Th. & Seton Lloyd, Sen- 
nacheribs Aquaduct at Jerwan (Oriënt. 
Inst. Publ. Vol. XXIV, 1936, $5.—) 

69 Jastrow, M., The civilisation of Babyr 
lonia and Assyria (Lippincott, London, 

1915) 

70 Johnson, A. C., Roman Egypt (Economie 
Survey of Rome Vol. II; Hopkins Press, 
Baltimore, 1936) 

71 KEES, H., Aegypten (Handbuch der 
Altertumswissenschaft III, I, III, 1 
(1932), p. 27 & 30) 

72 Kenny, E. I. A., The ancient drainage 
of the Copais (Ann. Arch. & Anthr. 
XXII, 1935, p. 189) 

73 Kloess, Aus der Wasserwirtschaft der 
alten Zeit (Z. d. Ges. Wasserwirtschaft 
1912, p. 142) 

74 Kraus, S., Talmudische Archaeologie 
(Vol. I (1910) p. 78; Vol. II (1911) 
p-163) 

75 Lamon, R. S., The Megiddo Watersystem 
XII (Oriënt. Inst Publ. Vol. XX, 1935) 

76 Lehmann-Haupt, C. F., Corp. Inscr. 
Chald . Nos. 34—52 (Mit Komm.) 

77 Li, H., Die Geschichte des Wasserbaus 
in China (Technikgeschichte (Beitr., 


.V 


b 




è 




Gesch. Techn. Ind.) XXI, 1931 — 32, 
P- 59 — 73 ) 

78 - Ueber das Gou-Shue System sowie 

die Reglung des Huang-ho (Wissenschaft 
Bd. X, Heft 4, Verlag Commercial Press, 
Shanghai) 

79 Lozach, J., Le Delta du NU , étude 
de géographie humaine (Paris, 1936, 
304 pp. 8/6) 

80 Mackay, E., The Indus Civilisation 
(Lovat Dickson, London 1935, p. 174) 

81 Marshall, J., Mohenjo Dar o and the 
Indus Civilisation (Cap. X, 1931) 

82 Marquardt, Ueber die geschichtlichen 
Grundlagen unserer Wasserzvirtschaft 
(Dtsche Wasserwirtschaft XXIII, 1928, 
P- 17 — 30 . 35 — 47 ) 

83 Mazloum, S., Uancienne canalisatton 
d'eau d'Alep (Docum. d’Etud. Oriënt. 
Inst. Franc. Damas Vol. V, 1936) 

84 Means, P. A., Ancient civilisations of 
the Andes (Scribners, London, 1931) 

85 Mehmke, R. L., Beitragzur Geschichte 
des Wasserbaus im alten Aegypten (Beitr., 
Techn. Ind. XVI, 1926) 

86 - Arbeitsgesinnung im Wandel der 

Zeiten (Dtsche Psychologie Bd. V, 
Heft 6, Marhold, Halle, 1930) 

87 MEISSNER, B., Lexicographisches IV 
(Mitt. V. A. Ges. XV, 1910, p. 517) 

88 - Babylonien und Assyrien (Winter, 

Heidelberg, 1920—23, 2 vols.) 

89 Merckel, C., Die Ingenieurstechnik im 
Altertum (Berlin 1899) 

90 Merlicek, Ed., Beitrage zur Geschichte 
der Wasserzvirtschaft (Wasserwirtschaft 

xxiv, 1931, 33—35» 89—90, 120— 

122) 

91 MöHLMANN ,Die EntwicklungdesNieder- 
Idndischen Deichwesens im Laufe der 
Jahrhunderte (Z. f. Bauwesen Bd. 80, 
1930, 259—264) 

92 Moret, H. Histoire de VOriënt 1(1929) 
p. 257—258 

93 Morgan, J. de, Miss. Scient. Perse I, 
p. 300 

94 Newman, J., The agricultural life of 
the Jews in Baby lonia between the years 
200 C.E. and joo C.E . (London, 1932, 
pp. 17, 40, 51 and 82) 

95 San-Nicolo, M. & A. Ungnad, Neu- 
babylomsche Verwaltungs - und Rechts- 
urkunden Vol. I, 1935, n° 663. 

96 Ninck, M., Die Bedeutung des Wassers 
im Kult und Leben der Alten (Leipzig, 
1921) 


97 Obermeyer, J., Die Landschaft Baby- 
loniens in Zeitalter des Talmuds und 
des Goanats (Schriften Ges. Förd. Wiss. 
d. Judentums XXX, 1929, p. 52 & 118) 

98 Passa, Jaubert de, Recherches sur 
les arrosages chez les peuples anciens 
(Paris, Vve Bouchard-Huzard, 1846/47, 
4 vols) 

99 Pauly-Wissowa-Kroll, XVI 1441 — 
1449. F. H. WeiszbaCH, Naarmalcha 

100 Petrie, Sir W. Fl., Social Life in 
Ancient Egypt. (Constable, London, 
I 9 2 3 ) 

101 Pochan, André, Note sur le sujet de 
la gorge d’Illahun, dêversoir discutê 
du lac Moeris (Buil. Inst. d’Egypte 
XVIII, 1935/36, p. 131 — 136) 

102 Rathjens, Rathjens-Wissmannsche 
Südarabien-Reise Bd. III, Landeskund- 
liche Ergebnisse (Hamburg, 1934, p. 61) 

103 REULEAUX, Ueber das Wasser (Berlin, 
1870) 

104 Richter, J., Zur vorgeschichtlichen 
Brunnenkunde (Mitt. Anthr. Ges. Wien 
Vol. 53, 1923, p. 49) 

105 Rivers, W. H. R., Irrigation and the 
cultivation of the taro (In “Psychology 
and Ethnology”, London, 1926) 

106 Sandford, K. S. & Arkell, W. J., 
The origin of the Fayum Depression 
(Man, April 1929, p. 578—584) 

107 Sayce, R. U., Primitive arts and crafts 
(Cambr. Univ. Press, 1933, p. 220) 

108 SCHMIDL, M., Die Grundlagen der 
Nilotenkultur (Mitt. Anthr. Ges. Wien 
' 935 . P- 86—127) 

109 Schnebel, M., Die Landwirtschaft im 
hellenistischen zEgypten (Beek,München, 
1925) 

110 SCHNEIDER, A., Die sumerische Tempel- 
stadt (Staatswiss. Beitr. IV, 1920, p. 43) 

111 ScHÖN, Joh. G., Ueber Strassen - und 
Wasserbau der Alten (Wien 1885) 

112 Sethe, K., Untersuchungen III, 1905, 
p. 103 

113 Shu Chung Shu, Irrigation in Ancient 
China (in Chinese) (Buil. Nat. Research 
Inst. Hist. Phil. Acad. Sinica Vol. V, 
Part 2, 1935, 3/6) 

114 SociÉTÉ DES Nations, Rapport des 
Experts sur les Questions Hydrauliques 
et Routier es en Chine (Publ. n°. C 91. 
M. 34. 1936. VIII, Genève, 1936) 

115 Spiegelberg, W., Z wei ^Ausdrücke 
der Bewdsserung (Z. f. agypt. Sprache, 
53, 1917, p. 113) 



460 over bevloeiing in de oudheid 

ii 6 Sprenger, A Babylonien, das reichste in Ptolemaic and Roman Egypt Class.) 

Land der Vorzeit (Samml. Vortr., hg. Philology 1922, p. 21) 

v. Frommel und Pfaff XV, 1886) 125- “Inundated Land ” in Ptolemaic 

117 Thoumin, R., Notes sur Vamênagement and Roman Egypt (Classical Philology 

et la distribution des eaux d Damas 1920, p. 120; 1921, p. 169—188) 

et sa Ghouta (Buil. Etud. Oriënt. IV, 126- The irrigation system of Egypt 

1934, P- 1 —26) (Classical Philology 1919, p. 158) 

118 Tkatsch, J., Realenz . des Is lams (art. 127- Aelius Gallus and the reorgani- 

Saba) sation of the irrigation system tmder 

119 Tresse, R., Uirrigation dans la Augustus (Classical Philology 1917, 

Ghouta de Damas (Geuthner, Paris p. 237) 

1929) 128- Dike corvê in Roman Egypt 

(Aegyptus Vol. VI, 1925, p. 121 —129) 

120 Unger, E., Babylon (1931, cap. XI) 129 Wiedemann, E. & Hauser, F., Ueber 

Vorrichtungen zum Heben von Wasser 

121 VOGELSTEIN, H., Die Landwirtschaft in der islamischen Welt (Beitr. Gesch. 

in Palastina zur Zeit der Misnah( 1894; Techn. Ind. VIII, 1918, p. 121) 

p. 10) 130 WiLLCOCKS, SlR W., Egyptian Irri¬ 

gation (London and New York 1899) 

122 Waddell, G., On Egypt by Aristides 131- Irrigation in Mesopotamia (Lon- 

of Smyrna (Buil. Fac. Arts, Univ. of don, 1917, 2nd. Edit.) 

Egypt Europ. Sect. Vol. II, 1934, 2, 132 Willis, J. C., Agriculture in the 
p. 121 —166) Tropics (Cambridge 1909) 

123 Wagner, Herm., Die Ueberschdtzung 

der Anbaufldche Babyloniens und ihr 133 Yeivin, S., The Ptolemaic System of 
Ursprung (Nachr. Kgl. Sachs Ges. Water Supply in the Fayum (Ann. 

Wiss. Gött. Phil. hist. KI. 1902) Serv. Antiq. Egypte XX, 1930, p. 

124 Westermann, W. L., The dry land 27—30) 


OPENBARE EN PARTICULIERE VERZAMELINGEN 

IN NEDERLAND 

AANWINSTEN VAN HET RIJKSMUSEUM VAN OUDHEDEN 
TE LEIDEN, OVER 1936 

EGYPTISCHE AFDEELING 
Door aankoop werden verkregen: 

1 een groot houten beeld van een vrouw, die naar de markt gaat, vergezeld van een 
kalf, uit het Middenrijk, 

2 een zwart steenen beeldje van een zittenden man, uit het Middenrijk, 

3 een klein steenen koningsbeeldje uit den vóórtijd, 

4 een palet van leisteen in diervorm en eenige terracotten uit den praehistorischen tijd, 

5 eenige Koptische beenen vrouwenbeeldjes en sierplaatjes. 

Ten geschenke werden ontvangen: 

1 van den heer W. Spijer te Amsterdam het onderstuk van een bronzen ceremoni- 
eelen standaard, een bronzen schorpioen, benevens een aantal gietvormen van 
terracotta voor amuletten of zegels uit Teil el-Amarna, 

2 van iemand, die onbekend wenscht te blijven: een halsketen van kralen van faience. 

EGYPTISCH VROUWENBEELDJE UIT HET MIDDENRIJK 

Zie Plaat XXIX 

Tegelijk met den zwart granieten kop, in het vorig Jaarbericht (blz. 262, PI. XVII) 
beschreven en afgebeeld, heeft het Reuvensfonds uit de voormalige collectie Von 
Bissing aangekocht een Egyptisch vrouwenbeeldje uit het Middenrijk om het eveneens 
aan het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden aan te bieden. Het is hoog: 0.155 m en 
stelt een vrouw voor, gekleed in een lang nauwsluitend gewaad, de armen recht naar 
beneden langs het lichaam hangend; op het hoofd draagt zij de lange pruik. Het 
voetstuk met de beide voeten is modern. Het nummer uit den catalogus is F 1937/7 z. 

Leiden W. D. VAN WIJNGAARDEN 


RIJKSMUSEUM VAN OUDHEDEN 

VOOR-AZIATISCHE AFDEELING 

SUMERISCHE EN BABYLONISCH-ASSYRISCHE OUDHEDEN 
Zie Plaat XXXVII—XL 

Met vriendelijke permissie van D r Holwerda vervolgen wij in dit Jaarbericht 
onze publicaties van de aanwinsten der jonge Voor-Aziatische afdeeling, die door mij 
in het voorjaar van 1932 uit Iraq werden meegebracht. Het hier volgend overzicht 
betreft dus niet aanwinsten over het afgeloopen jaar, maar een oudere groep, waarvan 
reeds in dit Jaarbericht N° 1, blz. 12 een beknopte optelling werd gegeven, waarvan 
de enkele stukken echter nog nooit afgebeeld of nader beschreven zijn. Onze bedoeling 
is in deze Jaarberichten op deze plaats doorloopende mededeelingen te doen over 
het bezit van het Rijksmuseum van Oudheden juist ook op dit terrein, zonder dat 
wij aan deze mededeelingen en illustraties reeds een definitief karakter zouden willen 
toekennen. Reeds door gebrek aan plaatsruimte moeten wij de literatuuropgaven, de 
optelling van analoge voorwerpen in andere verzamelingen en de historische en 
archeologische gevolgtrekkingen zooveel mogelijk beperken. 



402 openbare en particuliere verzamelingen 

ASSYRISCH RELIËF UIT HET PALEIS VAN KONING ASSüRNASIRPAL 

Zie plaat XXXVII 

Dit mooie reliëf, dat ik in Baghdad voor het Museum kocht, is blijkbaar af¬ 
komstig uit het paleis van den Assyrischen koning Assurnasirpal (883—859 v. Chr.) 
in Kalhu, thans Nimrud, dus van dezelfde vindplaats als het reliëf van Tiglatpileser 
III in het Museum (vgl. Jaarbericht N° 4, blz. 262 vv.). Het is helaas slechts een 
fragment, waarvan de maten thans zijn: grootste hoogte 42 cm, grootste breedte 
37 cm. In het Britsch Museum (No. 98061, Assyrian Saloon Basement , vroeger Nimrud 
Gallery , 38) vindt men een volledig pendant, gepubliceerd o.a. door H. R. Hall, 
Babylonian and Assyrian Sculpture in the British Museum (1928), pl. XXI a, waarvan 
de maten zijn: hoogte en breedte 76,2 cm. De voorstelling is die van een genius of 
beschermgeest, die de kunstmatige bevruchting van een dadelpalm (in het Akkadisch 
tarkibtum ) verricht (of wellicht eerder van een ceder of pijnboom *). 

In dit verband is wellicht een vraag aan onze Nederlandsche lezers en leden (in 
de eerste plaats aan de directeuren der kleinere musea) geoorloofd. Er zijn plannen 
voor een spoedige samen vattende publicatie van alle Assyrische reliëfs (ook van de 
fragmenten) in Nederlandsch bezit. Deze publicatie zal geschieden in het Archiv für 
Orientforschung en wel op dezelfde wijze als soortgelijke publicaties daar reeds o.a. 
voor Italië en voor Engeland hebben plaats gehad. Mededeelingen hieromtrent stel 
ik op prijs. D r Weidner meende op grond van oude aanteekeningen, dat zich in Den 
Haag nog een stuk van een reliëf en een stuk van de standard-inscription van Assur¬ 
nasirpal moest bevinden. Waar zijn deze stukken? 

SUMERISCHE EN BABYLONISCHE AMULETTEN 

Zie Plaat XXXVIII 

Deze kleine, maar zeer belangwekkende verzameling kocht ik samen van den- 
zelfden persoon. Vermoedelijk zijn alle stukken, op de beide eerste (a en b) na, uit 
de vroegdynastische periode (dus uit de eerste helft van het derde millennium v. Chr.) 
en van dezelfde vindplaats afkomstig. Als vindplaats voor zulke stukken komt in de 
jaren vóór [932 (dus vóór het begin van de opgravingen van het Oriental Institute 
onder leiding van Prof. Frankfort) in de eerste plaats Chafadje of een der omliggende 
heuvels in aanmerking 2 ). 

a) Kopje van een vrouw, uit been; hoogte 5,5 cm. Fijn bewerkt, het gelaat en 
face. Men lette op het kunstige kapsel. Dit stuk is toch wel uit een jongere periode 
afkomstig, evenwel m.i. niet Hellenistisch. 

b) Een der bekende Z^;;^/^-amuletten, uit zandsteen met kwarts, hoogte 5,6 cm, 
breedte 3,7 cm. In de voorzijde is met enkele lijnen op primitieve manier een men- 
schelijke figuur gekrast, waarschijnlijk een afbeelding van den vrouwelijken daemon 
Lamastu (welke naam vroeger verkeerd Labartu werd gelezen). Op de achterzijde een 
lijnen-ornament, waarmede wellicht watergolven bedoeld zijn. Vgl. soortgelijke amuletten 
uit Assur (uit de periode van omstreeks 1100 v. Chr.) bij Ebeling, KAR Heft 3, 
N° 85 en 86. 

c) Duif, in den vorm van een hanger uit kiezel, met een oor op den rug. 
Hoogte 3,5 cm. Een soortgelijk exemplaar, met vleugels, b.v. bij Woolley, Ur 
Excavations , vol. II, pl. 219 (Ur 8397). De duif 0 n Akkadisch summatu ) was een 
der heilige dieren van Istar. De Sumerische naam is tu, eigenlijk tur: een klank¬ 
nabootsend woord, vgl. ons 'tortel’. 


*) Vergel. voor zulke magische handelingen bij den gestileerden heiligen boom echter ook: C. J. Gadd, 
The Assyrian Sculptures (British Museum, 1934), p. 51—53. 

2 ) De stukken werden door mij gekocht in M o s o e 1 , zoodat een Assyrische vindplaats (wellicht 
Kujundjik^.ï) ook niet zou zijn buitengesloten. De nauwkeurige mineralogisché bepalingen zijn te danken aan 
den heer J. Bolman. 


RIJKSMUSEUM VAN OUDHEDEN 463 

d) Vaasje uit zandsteen met kwarts, met de voorstelling van drie olifanten. 
Vgl. de lijnteekening hiernaast (Fig. 13). 

De voorstelling is onhandig, echt ar¬ 
chaïsch ; de slurf kan echter niet worden 
miskend. Hoogte slechts 3 cm. Dit vaasje 
bevat vermoedelijk de oudste voorstelling 
van den olifant, die uit Sumer bekend is. 

Het woord am-si en het gebruik van 
ivoor waren reeds eerder bekend. On¬ 
willekeurig denkt men aan de voorstel¬ 
lingen uit Mohenjo-Daro, vgl. H. F. 

Friederichs in Der Alte Oriënt 32, 3/4, 

1933, p. 18 V. 

e) Leeuwenkop en face, uit kalk-zandsteen. Hoogte 1,6 cm. Hanger, doorboord. 
Vgl. voor soortgelijke voorstellingen van dieren uit versteende schelpen (‘petrified 
shell’) reeds uit de Djemdet Nasr-periode de gegevens bij Mrs Douglas van Buren, 
AfO 11, 1936, 15 v. en fig. 19 v. Waarschijnlijk is dit stuk de kop van een lm- 
dugud-Vogel: het bekende ‘wapendier’ van Sumer, den adelaar met den leeuwenkop. 

f) Schaap (?), uit ivoor; hanger, doorboord. Hoogte 3,4 cm. Analoog b.v.: 
Woolley, a.w.y II, pl. 221 (Ur 17657). 

g) Ram, met gebogen horens, uit kiezel, gedeeltelijk doorboord. Hoogte 3 cm. 

h) Liggende leeuw (?), uit witte kiezel, met opvallend kleinen kop, sterken nek, 
met manen (?). Hanger, doorboord. Hoogte 2,4 cm. 

i) Pad, gevormd uit grijsachtige klei. Lengte 4,5 cm, breedte (met de pooten) 
3,6 cm. Vgl. de gegevens over den kikker en de pad bij Landsberger, Fauna , p. 140 v. 
Wellicht was bedoeld de onhandige voorstelling van een schildpad. De schildpad (in 
het Sumerisch balgi, in het Akkadisch seleppü en raqqu ) was in Sumer welbekend. 

j) Belangwekkend amulet uit lichtgroen mikroklien (Amazonensteen), aan den 
benedenrand doorboord met 7 gaten. Lengte en breedte 2,5 cm. Op de voor- en achterzijde 
is dezelfde voorstelling ingegrift; de koning, die een overwonnen vijand neervelt, en 
achter hem staande een genius of daemon met leeuwenkop. Ter wille van deze voor¬ 
stelling verdient dit stuk later afzonderlijke en duidelijker publicatie. 

k) Amulet uit bruine kiezel, met ingegrifte lijnen, die slechts ornamenteel karakter 
schijnen te hebben. Ruitvorm, doorboord. Lengte 3,5 cm, breedte 2,5 cm. 

l ) Figuurtje van een aap, uit zwarte onyx, vroeger verguld, sporen nog aanwezig, 
fijn bewerkt, hoogte slechts 2,2 cm. Vgl. het geheele materiaal over apen in Sumer 
(die in de Babylonische vlakte alles behalve inheemsch zijn geweest, evenmin als b.v. 
de olifant) bij Mrs Douglas van Buren, AfO 11, 1936, p. 19 f.; vgl. ook Frankfort, 
OIC , N°. 17, p. 71, fig. 61. 

m) Driehoekig stukje roode silex (vuursteen), versierd met ornamenteele lijnen. 
Lengte 1,2 cm. Wellicht stuk van een leeuwenkop, zooals ei 

n) Visch, uit grijze kalksteen. Lengte 8 cm. Belangwekkend, daar mij iets soort¬ 
gelijks uit Mesopotamië niet bekend is. De sacrale beteekenis van de visch is nog 
onvoldoende onderzocht (vgl. o.a. H. Holma Kleine Beitrage p. 28, noot 4). De visch 
was het dier van den god Ea; bepaalde bezweerders droegen bij het ziekbed een 
vischmasker. 

o) Varken, uit roode zandsteen, doorboord. Lengte 5 cm. Vgl. de talrijke 
gegevens bij Mrs Douglas van Buren, AfO 11, p. 24 v.; voorts (ook over de Sumerische 
uitdrukkingen sah en subur) bij Landsberger, Fauna , p. 100 vv. 

BEELDWERKJES VAN TERRACOTTA 
Zie plaat XXXIX en XL 

Dit is een vervolg op ons overzicht in Jaarbericht N°. 4, blz. 265 v. (plaat XXIII 
en XXIV), Wij hopen, dat spoedig door den Directeur in overleg met de autoriteiten 
een weg zal worden gevonden om de voorwerpen in het laboratorium te Berlijn te 






464 


OPENBARE EN PARTICULIERE VERZAMELINGEN 


laten reinigen en branden en tevens het vriendelijk aanbod, dat van Berlijn uit be¬ 
treffende de reproductie gedaan werd, te aanvaarden. De stukken in de Werkkamer zijn 
sedert 1933 met het beste gevolg in het laboratorium van prof. Brittner ‘opgebakken’. 
Evenals bij de kleitabletten is deze conserveering ook bij de terracotta’s noodzakelijk, 
als men de stukken voor den geleidelijken ondergang wil bewaren. Bij voorbaat dank¬ 
baar voor deze verbetering bepalen wij ons weer tot een beknopte toelichting bij de 
photo’s, die ons voor dit doel vriendelijk ter beschikking werden gesteld. 

PLAAT XXXIX, a) Sater met bokspooten en staart en een langen staf in de hand. 
Een eigenaardige tegenstelling met de onderste helft van het lichaam vormt het hoofd 
met den eerbiedwaardigen langen baard en met de hooge tiara en de horens kis het 
zinnebeeld van het koningschap. Hoogte 15 cm, breedte 7 cm. Hetzelfde stuk vindt 
men ook elders: van vele terracotta’s bestaan immers meer exemplaren, daar de matrijs 
meer dan eens werd afgedrukt. Inderdaad vindt men in het werk van Mevrouw Douglas 
van Buren, Clay Figurines of Babylonia and Assyria (1930), p. 109, N°. 1014 en pl. 
LIV, fig. 258 alle noodige gegevens omtrent deze voorstelling, die Enkidu, den 
vriend van Gilgames, moet verbeelden. 

b) Soortgelijke primitieve figuurtjes van vrouwen worden bij alle opgravingen 
gevonden, waarbij de praehistorische lagen worden bereikt. Of men er een sacraal 
karakter aan moet toekennen, is niet geheel zeker, hoewel waarschijnlijk. De hoogte 
en de grootste breedte zijn 5,5 cm. Vgl. voor zulke primitieve borstbeeldjes van 
vrouwen: Mrs D. van Buren, a.w., pl. I—VII. 

c) Nog duidelijker en mooier is het tweede exemplaar, waarvan de vindplaats met 
zekerheid vaststaat: de Teil As mar, dus het oude Asnunna. In dit geval vraagt 
men zich af, of de strepen aan den hals en de kin als een aanduiding van een baard 
moeten worden opgevat. Dan zou de sacrale beteekenis niet twijfelachtig zijn en wij 
zouden hier een der oudste voorbeelden hebben van de (hermaphrodiete) Istar barbata : 
de godin met den baard. 

d) Een fragment van dezelfde voorstelling als a\ de sater Enkidu met de boks¬ 
pooten en den staart. Hoogte 9 cm, breedte 6.5 cm. 

e) Vrouwtje met de handen voor de borst gevouwen, lang haar. Uit rood¬ 
achtige terracotta. Hoogte 6 cm, breedte 4 cm. 

PLAAT XL, a) Hoofd en bovenlichaam van een vrouw, in profiel, met pruik en 
halssieraad. Hoogte 6 cm, breedte 6,5 cm. Bijzonder fijn bewerkt; de photo is hier, 
zooals in andere gevallen, te onduidelijk. 

b) Moeder en kind. Hoogte 7,5, breedte 4,5 cm. Deze overoude voorstellingen 
(o.a. ook pl. XL é) zijn indertijd op de Amsterdamsche tentoonstelling van dien naam 
ingezonden. Hoewel slechts bescheiden kunstwerken, zijn de origineelen aanmerkelijk 
indrukwekkender dan de photo’s. 

c) Dit geldt ook van deze godsdiensthistorisch belangwekkende voorstelling: De 
godin Istar met de goddelijke tiara en met stralen (of zijn het wellicht korenaren?) 
opkomende uit haar schouders. Vgl. voor een soortgelijke (niet identieke) voorstelling: 
Mrs D. van Buren, a.w., pl. XXII, fig. 109. Hoogte 8 cm, breedte 7 cm. 

d) Vrouw met gevouwen handen. Het gelaat is bijzonder fijn bewerkt. Hoogte 
ii cm, breedte 5 cm. Roodachtige kleur. 

e) Moeder met kind (zuigeling). Waarschijnlijk hebben ook deze voorstellingen 
een sacrale beteekenis: Istar met Tammuz; vgl. de zonneschijf (?) rechts boven (even¬ 
als ook in b). Hoogte 12 cm, breedte 6 cm. Het gelaat van de moeder is helaas ver¬ 
minkt. Belangwekkend (op de photo weer onduidelijk) is ook het gewaad: een in vier 
afdeelingen (en waarschijnlijk in verschillende kleuren) om het lichaam gewonden 
plaid (‘Wickelkleid’). Het geheele beeldje heeft den vorm van een stoel, met twee 
pooten op de achterzijde. 

f) Hond, en wel een groote dog. Hoogte 9,5 cm, breedte 8 cm. Ovale vorm, 
kleur roodachtig. Vgl. als analogieën (niet identiek): Mrs D. van Buren, a.w., pl. XL 1 II, 
fig. 208 en pl. XLIV, fig. 212, en verdere gegevens over honden en hondenrassen bij 
dezelfde schrijfster, AfO 11, 1936, p. 11 yv. De hond was het dier van de godin Gula. 

Leiden F. M. TH. Böhl 


ASSYRIOLÓGISCHE WERKKAMER 

Behalve enkele kleitabletten uit Djocha (Umma) en Drehem zijn de belangrijkste 
aanwinst acht kleikegels uit Telloh (Lagas) van den bekenden vorst Gudéa, omstreeks 
2300 v. Chr. Deze stukken moeten nog gereinigd worden; dan zullen de opschriften 
duidelijk aan het licht komen. De vier kleinere (lengte 11 en 10 cm) dragen het wel¬ 
bekende opschrift, dat men bij Thureau-Dangin, Die sumerischen und akkadischen 
Kónigsinschriften (p. 142 t) terug vindt (de beide grootere daarvan in een kolom en 
de beide kleinste in twee kolommen), en waarvan de vertaling luidt: ‘(1) Voor Ningirsu, 
(2) den sterken krijgsman (3) van Enlil , (4) heeft Gudéa , (5) de vorst (6) van Lagas, 
(7) alles zooals het behoort ten uitvoer gebracht; (8) zijn tempel É-ninnü , (9) (waar¬ 
van de naam luidt) De stormvogel schittert, (10) heeft hij gebouwd (11) en hersteld.’ 

De vier groote exemplaren (lengte 16 a 17 cm) dragen een inscriptie, die tot nog 
toe slechts op tichels (in het Louvre) bekend was (Thureau-Dangin, a.w ., p. 140 o): 
‘(i) Voor Nin-dara , (2) den koninklijken heer, (3) zijn koning, (4) heeft Gudéa , (5) de 
vorst (6) van Lagas, (7) zijn tempel in Girsu (8) gebouwd.’ 

Deze kleikegels werden bij wijze van mozaïek bij dozijnen tegelijk tot ornamenten 
gerangschikt. Vandaar, dat zij in bijna even groote hoeveelheden gevonden worden als 
de tichels, die dan ook meestal dezelfde inscripties dragen. • 

Verschillende van zulke kegels uit de 23ste eeuw v. Chr. werden ook gekocht 
door de Universiteit van Pretoria. De belangrijkste daarvan vertoont een nog on¬ 
bekende combinatie der inscripties (Thureau-Dangin, a.w ., p. 140 q en r). 


BIJBELSCH MUSEUM (Stadhouderskade 137. Amsterdam-Zuid) 

Een belangwekkende aanwinst is de collectie modellen van Egyptische voor¬ 
werpen van den Heer Tang, die voor het Bijbelsch Museum kon worden gekocht. Het 
zijn ongeveer 60 stuks, waarvan enkele groote, zooals een model van den tempel te 
Karnak, een doodenkamer, voorts ook nabootsingen van voorwerpen uit het graf van 
Toet-anch-Amoen, die ter bezichtiging tentoon zijn gesteld. 


PRIVÉ-COLLECTIE VAN DEN HEER P. BRANDT, Amsterdam-Zuid 

Behalve het gepolychromeerde houten masker, dat wij in Jbr. n° 4 als plaat XX 
publiceerden, bevat de privé-collectie van den heer Brandt te Amsterdam eenige 
vermeldenswaardige Egyptische Oudheden. In de eerste plaats zij gewezen op een 
staande vrouwenfiguurtje 10,5 cm, uit de praedynastische periode afkomstig, tentoon¬ 
gesteld op de Tentoonstelling van Ant. Voorwerpen, Oct. 1931, Rijksmuseum te Am¬ 
sterdam (Catal. n° 206 A(?)). Twee albasten vazen (0,15 en o, 15 cm) dateeren vermoedelijk 
uit de periode van de Xll^e dynastie, terwijl een zittende bronzen Horus (hoog 8 cm) 
de kunst van het nieuwe Rijk vertegenwoordigt. Van een zevental voorwerpen uit den 
Saitischen tijd zij vermeld een staande bronzen Osiris (0,13 cm hoog), een beeldje 
dat door ruiling met het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden werd verkregen 
(aldaar n° A 683). Louristan bronzen, koptische weefsels en Perzisch aardewerk (uit 
Sultanabad) maken deze collectie tot een veelzijdige. 

F. M. TH. B. 


Jaarbericht n° 5 


30 





466 


OPENBARE EN PARTICULIERE VERZAMELINGEN 


VERZAMELING W. A. VAN LEER**) 

8 * Gedeelte van een grafwand uit Sakkara, waarop waarschijnlijk een reeks 
van voorstellingen, op het dagelijksch leven der Egyptenaren betrekking 
hebbend, aangebracht was. Op dit stuk zijn twee dergelijke scènes door 
een verticale lijn gescheiden; de beelden aan weerszijden daarvan staan geheel 
los van elkaar. Professor W. Freiherr von Bissing, die dit stuk in het 
Bulletin van de Vereeniging tot bevordering van de kennis van de antieke 
beschaving , IX/1, 1934, p. 3/4 beschrijft, zegt onder andere: c für den Agypter 
des Alten Reiches bildet eben eine Wand keine notwendige Einheit\ 

Links ziet men een slagersknecht, die het schenkelstuk van een geslachten 
stier of kalf vasthoudt, terwijl de slager zelf dit met zijn mes van het lichaam 
hakt. Van dezen laatsten persoon is nog juist een spoor van de linkerhand 
aan de linkerzijde van den voet zichtbaar, bij de knie van den gezel komt 
de punt van het mes, waarmede de handeling verricht wordt, zichtbaar. 
Boven den poot bevindt zich eenigszins beschadigd de hiëroglyph daar¬ 
boven ziet men nog sporen van een het woord is dus ndr\ pak aan, 

grijp vast. Blijkens de richting van het schrift wordt het gesproken door een 
meer links staande, nu verloren figuur. Hierop volgt de tekst: —»— |~l ©• 

Deze woorden spreekt blijkens de richting de persoon die de schenkel vast¬ 
houdt. Ze kunnen antwoord op den toeroep van den ander zijn (Ik doe mijn 
best of iets dgl.) of eveneens een imperatief gericht tot den ander (Doe 
maar net zooals ik of iets dgl.) De vertaling moet als zoo dikwijls bij deze 
korte bijschriften onzeker blijven. Deze woorden worden nog versterkt door 
het daarop volgende gezegde: § Y vX een uitdrukking, die volgens 

Erman 1 ) gevoegd wordt bij of na die woorden, die een uitnoodiging tot een 
krachtprestatie bevatten. 

Rechts van de verticale lijn is een fluitspeler, waarschijnlijk zittend, afgebeeld, 
want zijn hoofd komt slechts tot het middel van den slagersknecht. De tekst 
daarboven luidt: fluitspelen voor de *Ka\ dit wil zeggen, voor de ziel van 
den doode. Rechts daarvan staat het woord J schoon , het is niet duidelijk of 
dit op de Ka of op het fluitspel slaat, of bij een andere (verloren) 
inscriptie behoort. 

Kalksteen, Oude Rijk, 43001 breed, 30 cm hoog. 

Eertijds verzameling von Bissing, daarna Museum Scheurleer onder S 11 ji. 

PLAAT XXX 

**) Aanvulling op: W. A. van Leer, Egyptische Oudheden (Mdl. E.O.L. no. 3, 1936) 

l ) A. Erman, Reden , Rufe und Lieder auf Grdberbildern des Alten Reiches , Abhandlungen der Preuss. 
Akad. der Wiss. Jahrg. 1918. Phil. Hist. Klasse no. 15. 


VERZAMELING W. A. VAN LEER 


467 


8 ** Verzonken reliëf, behoorende tot een serie van vijf 1 ) kalksteenen reliëfs uit 
het graf van den opzichter der goudsmeden van het huis van Men-ma-at-re s 

Sai-em-petref p ^ (j (j ^ ^ De gestorvene, in wiens graf 

deze serie de wanden tooide, was verbonden aan den staf van den dooden- 
tempel van Seti I (1313—1292 v. Chr.) te Abydos, zoodat ze volgens Professor 
von Bissing, waarschijnlijk uit Abydos afkomstig is. De reliëfs zijn door 
Prof. Dr H. P. Blok eerst in het Bulletin van de Vereeniging tot bevordering 
der kennis van de antieke beschaving 1, 1926, vervolgens uitvoeriger in de 
Acta Orientalia 10, 1932, beschreven. Onderstaande beschrijving is, behoudens 
eenige kleine wijzigingen, aan de laatste ontleend. 

De voorstelling is in twee vakken verdeeld. In het midden van het boven¬ 
gedeelte is de gestorvene met den cherep- staf 2 ) in de hand afgebeeld, rechts van 
hem zijn zuster, die hem een hand geeft. Zij draagt den zalfkegel en een lotos 
in haar kapsel. Beide personen zijn op lage leunstoelen gezeten, vóór hen staat 
een met brooden beladen offertafel. Links van hen staat hun zoon Amenmose 
als priester kaalhoofdig, hun met de linkerhand een wierookhouder, een zooge- 
naamden arm van [den god] Sjoe reikend. In de rechterhand houdt hij een 

kruik waaruit water loopt, in den vorm van de hiëroglyph || (kbh c koel zijn 3 
c plengoffer brengen 33 ). Boven deze groep staat een Centrifugaal 3 opschrift, over 






£ l> <5 [=m; 


Fig. 10 


14 kolommen verdeeld, hetwelk bij de achtste kolom van links begint en naar 
rechts als volgt leest: 

Wijlen de opzichter der goudsmeden van het huis van Men-ma-at-re , Sai-em-petref 
[en] zijn zuster , de meesteres van het huis , wijlen . . . (onleesbaar), zalig . 

De tekst luidt dan vanaf de zevende kolom naar links: 

Te offeren wierook , rein en koel water , duizend aan broodèn , duizend aan wijn , 
duizend aan [ossen], duizend aan ganzen , duizend aan alle goede en reine zaken , 
van welke leeft de god f aan wijlen Sai\em\-pet\ref zalig], 

De eerste kolom links geeft tenslotte den naam van den priester, die het dooden- 
offer brengt, n.1.: Zijn zoon voortgekomen uit zijn lichaam (= zijn bloedeigen zoon), 

Amenmose . “(L. U ~3 * , - A 



9 Een dezer reliëfs is nu in het bezit van Dr H. C. Jelgersma te Oegstgeest. 

2) J}rp = leiden. 3 ) q van ^er Leeuw, Refrigerium (Mnemosyne III Series, 3, 1936, 125). 




468 


VERZAMELING W. A. VAN LEER 


Het reliëf is op enkele plaatsen beschadigd, waardoor de tekst eenigszins 
geleden heeft. De oneffenheden van den steen zijn in vroeger aangebracht plamuur 
bijgewerkt, zooals in het voorschoot van den priester duidelijk te zien is. Het is 
niet uitgesloten, dat deze bewerking reeds in den aanvang geschiedde; in den 
loop der eeuwen is een kleurverschil ontstaan tusschen den origineelen steen en 
het bijgewerkte gedeelte. 

Het benedengedeelte geeft opnieuw den gestorvene met zijn zuster weer. Zij 
zijn nu op den grond gezeten, de man is kaalhoofdig, zoodat hij waarschijnlijk 
een priesterfunctie bekleedde; de vrouw draagt dezelfde kleeding als in de 
bovenste helft van het reliëf. Zij legt de hand op den rechterschouder van den 

man, haar naam Na-sjait 1 ), ■ ^ j ^ * 1 j , is hier duidelijk leesbaar. Links 

brengen twee zonen en twee dochters hun ouders verschillende offergaven. De 
kinderen schrijden een weinig voorovergebogen voort, zeer gevoelig heeft de 
onbekende beeldhouwer hiermede hun deemoedigheid en eerbied voor hun ouders 
tot uiting gebracht. Zooals op zoovele van deze voorstellingen komt het c Eert 
uw vader en uw moeder 3 hier treffend tot uitdrukking. 

Vooraan staat de reeds genoemde Amenmose, die zijn vader een blad met 
spijzen aanbiedt; vervolgens komt met drie lotosbloemen de dochter Ptah-in-soe , 

^ I Jj ^ ^ * Zij wordt gevolgd door een broeder wiens naam slechts ge¬ 
deeltelijk leesbaar is nl. _ sa.s die een bloem en een puntig offerbrood 

draagt, en door een zuster Kedi-nemkoe\ ^ | ^ , die twee bloemen 

in de hand houdt. De afgebeelde is duidelijk een vrouw, noch de naam, noch 
het determinatief wijzen daar echter op. 

Onder het blad met spijzen staat als tekst: 




I <ÜX 3 

| AMMAA ^ | 


Fig. II 


Het aanbrengen van vruchten , groenten en spijzen door zijn zoon van zijn lijf 
(= zijn bloedeigen zoon), Amenmose. 

Voor de namen Sai-em-petref, Na-sjait, Amenmose, Ptahinsoe, Kedi nemhoe 
zie Ranke, o.c. blz. 299,9; 213,10 (Zusatze XXV); 29,8; 415,19; 337,5 ; 337 > 9 - 

Kalksteen, 57 cm breed, 76 cm hoog. 

Eertijds verzameling VON BlSSlNG, daarna Museum Scheurleer onder nummer S, 523. 
PLAAT XXXI 


J ) Professor Blok merkt op, dat de vrouw van Hoenefer, een Koninklijk schrijver onder Seti I (1313— 
1292 v. Chr.), wiens doodenpapyrus het Britsch Museum bezit, denzelfden naam draagt (E. A. Wallis Budge, 
Facsimiles of the papyri of Hunefer etc., 1899). 

2 ) Professor Blok merkt aangaande dezen naam op, dat de uitdrukking Ked nemhoe'. die de geringen 
opbouwt, voorkomt in een reeks lofprijzingen van Ramses II in de zoogenaamde Inscription dédicatoire 1 . 38 uit Abydos. 


VERZAMELING W. A. VAN LEER 


469 


g*** Verzonken reliëf, den schrijver Ta voorstellend in aanbidding voor den 
god Anoebis. Links op den voorgrond ligt de god als jakhals op een stelling, 
direct bóven hem is het Oedzat- oog als amulet afgebeeld. Rechts van hem 
knielt Ta, de armen ootmoedig tot hem opgeheven. Het gezicht is levendig 
en herinnert eenigszins aan de Hethieten (Chatti), die op reliëfs uit den tijd 
van Ramses II weergegeven zijn; het voorschoot is gedetailleerd en fraai 
bewerkt. Tusschen beide figuren is een groote kruik onder een bloeienden 
lotosstengel afgebeeld. 

Over de volle breedte van het reliëf loopt de tekst, door verticale lijnen in 
zeven gelijke en één breedere kolom verdeeld. De woorden, welke op den 
afgebeelde betrekking hebben, beginnen bij de derde kolom en luiden 
naar rechts lezend: 

Het geven van aanbidding aan de Ka van Anoebis , heer Imjoet (bijnaam 
van Anoebis), hoofd van de raadszaal der góden , heer van het land. 

De titels breken abrupt af midden in den titel, heer van het [heilige] land 
= necropolis. Hierop volgen termen uit het doodenboek: 

Uitgaan en ingaan in de onderwereld [en\ de gestalte aannemen van 
den Benoe 1 ) (de Egyptische vogel Phcenix) voor de ka van den schrijver 
Ta zalig. 

De tekst begint dan opnieuw bij de tweede kolom, terwijl hij nu op Anoebis 
betrekking heeft; hij wordt naar links gelezen en luidt: 

Anoebis op zijn berg , heer van de necropolis , groote god , heer van de 
doodenstad van Gizeh. 

Zoowel de stijl van het reliëf als de naam Ta geven duidelijk aan, dat het 
grafreliëf uit de XIX de dynastie (1350 — 1205 v. Chr.) dateert. Ranke, Per¬ 
sonennamen 376, ii vermeldt o.a. twee Thebaansche graven, n os 23 en 34, 
beide met den naam Ta, het eerste uit de regeering van Ramses II 
(1292—1229 v. Chr.), het andere onder die van Meneptah (1225 —1215 v. Chr.). 

Kalksteen, 62 cm breed, 53 cm hoog. 

Eertijds verzameling VON Bissing, daarna Museum Scheurleer onder S 529. 

PLAAT XXXII 

^De beeldhouwer, die dit stuk vervaardigde, maakte een fout tegen de grammatica, door het mannelijk 
zelfstandignaamwoord Benoe door toevoeging van de letter t vrouwelijk te maken! 





CONGRESSEN 


HET XX STE INTERNATIONALE CONGRES DER ORIËNTALISTEN 

In aansluiting aan het XIX d e congres dat te Rome plaats had (zie Jrb . n° 3, 143) 
zal het XXste congres van 5 —10 September 1938 te Brussel plaats hebben. Het 
secretariaat van ‘E O L’ stelt zich gaarne beschikbaar voor nadere inlichtingen, aan 
hen die dit congres willen bijwonen. 


II E CONGRES MONDIAL DU PÉTROLE 
Parijs, Juni 1937 

Een van de secties van bovengenoemd congres was gewijd aan ‘de geschiedenis 
en archaeologie van de petroleum’. Aan Ir. Forbes, den ‘technicus’ onder onze leden, 
die zoo warm samenwerking tusschen philologen/archaeologen en ‘vakmenschen’ bepleit 
heeft, zal eveneens het feit dat hij tot tweeden voorzitter gekozen werd, groote vol¬ 
doening gegeven hebben. 

Van de verschillende referaten vermelden wij de volgende: 

1. R. I. Forbes: Overzicht van de geschiedenis van de petroleum vóór 1860; 

2. E. Herzfeld: De arische mythe van de naphtha; 

3. A. Séquin: Onderzoek naar de petroleum in de Egyptische oudheid; 4. dez.: 

.... in Westelijk Azië; 5. dez.: .... bij de oudste bewoners van de bekkens 

van Euphraat en Tigris; 6. dez.bij de Phceniciers en Hethieten; 

8. L. Lockhart: De petroleum in Perzië in de Oudheid; 

11. du Mesnil de Buisson: De opgravingen te Doura/Europos en de naphtha. 

Ook dit congres was dusdanig georganiseerd, dat de resumé’s der lezingen van 
te voren den congressisten toegestuurd was, terwijl J. Föntain als rapporteur optrad. 

V. P. 


HET VIJFDE CONGRES VOOR PAPYROLOGIE 
Oxford Augustus—September 1937 

Van 30 Augustus tot 3 September van het afgelopen jaar vond te Oxford het 
tweejaarlijks internationaal papyrologencongres plaats, het vijfde na die van Brussel 
Leiden, München en Florence. Een enkele nabetrachting is ook in het jaarbericht van 
E. O. L., al is de papyrologie voor de meeste lezers een grensgebied hunner belang¬ 
stelling, op zijn plaats. Want het was in alle opzichten een geslaagd congres en enkele 
factoren, die tot dit welslagen bijdroegen, mogen hier kort genoemd worden. 

Allereerst de papyrologie zelve. Voor een bijeenkomst als deze is het een gunstige 
omstandigheid, dat het aantal harer beoefenaren betrekkelijk gering is, zodat dit congres 
met zijn ongeveer 180 leden (echtgenoten en familieleden van deelnemers meegerekend) 
nog enigszins te overzien was en de mogelijkheid bestond, althans met een groot 
aantal der aanwezigen persoonlijk kennis te maken. Ten tweede, wat van veel meer 
belang is, zijn de papyrologen van zeer verschillende terreinen van de studie der 
Oudheid afkomstig; zo bestond het gevaar der al te grote eenzijdigheid bij dit congres, 
dat schijnbaar slechts voor een hulpwetenschap der klassieke studie georganiseerd was, 
niet of nauwelijks. Immers naar de waarde van de papyrologie als zelfstandige tak 


CONGRESSEN 


471 


van wetenschap, zoals Sir Frederic Kenyon in zijn inleidende rede opmerkte, vraagt 
men aan het begin van een papyrologencongres liever maar niet. Maar zij verschaft 
dan toch een gemeenschappelijk uitgangspunt en dat is, blijkens de groeiende be¬ 
langstelling, al ruim voldoende. 

Problemen van conservering en ontcijfering, die eigenlijk de enige gemeenschappe¬ 
lijke zijn, kwamen niet ter sprake (en lenen zich daar ook minder toe); de practische 
quaesties van publicatie der teksten en organisatie der papyrologie slechts weinig. 
Alleen op de laatste dag, in een voordracht: „ Die zukünftige Gestaltung der nicht - 
liter arischen Papyrus - und Ostraka-Pnblikationeri ’, besprak Walter Otto de wenselijk¬ 
heid van meer uniforme publicatie’s, van een centrale voor papyrologie, die op de hoogte 
zou zijn van al het werk, dat in de diverse verzamelingen aan de gang is; ook het 
tere punt der uitwisseling van bij elkaar behorende papyrusfragmenten kwam ter sprake. 
Discussie over deze wensen en voorstellen was door gebrek aan tijd niet mogelijk; 
zij zou helaas echter niet tot grote practische resultaten geleid hebben. Vooral wat 
het laatste punt betreft is het niet de gezindheid van de papyrologen, die de door- 
slag geeft! Desondanks was het verheugend, dat ten minste in deze kleine kring 
werkelijke internationale gezindheid heerste. 

Ook de vraag van de steeds nodiger, maar ook steeds moeilijker wordende syste¬ 
matische catalogus van papyri werd ter sprake gebracht. Voor de Ptolemaeïsche tijd 
mogen wij nu onze hoop vestigen op de C classified hand-list of papyrP waarover C. 
Bradford Welles op de business-meeting aan het slot van het congres sprak. 

Het zou onmogelijk zijn, zelfs van de belangrijkste gehouden voordrachten een 
kort resumé te geven, en gelukkig is het ook onnodig, daar zij, dank zij een edelmoedig 
aanbod van de Fondation Reine Elisabeth , voor zover zij niet elders gepubliceerd worden, 
in boekvorm zullen verschijnen. Ik kan dus hier volstaan met te zeggen, dat zij, be¬ 
halve de verslagen aangaande het werk in verschillende musea en instituten, terecht 
alle gewijd waren aan problemen, waarvoor de papyrologie slechts het bovengenoemde 
uitgangspunt bood; en het is verheugend te kunnen constateren, dat zij zich niet be¬ 
perkten tot de détailquaesties, waarvoor de papyroloog krachtens temperament en 
métier een zekere voorliefde heeft, maar ook verder strekkende historische problemen 
behandelen. 

Anders dan te München (het congres te Florence heb ik niet bijgewoond) was 
geen centraal thema gesteld: het gevolg was, dat de voordrachten, al waren zij naar 
hun karakter in verschillende secties verdeeld, in geen enkel opzicht een eenheid vormden. 
Tijdens de business-meeting kwam ook de inrichting van het programma voor het 
volgend congres (de uitnodiging van de Oostenrijkers, dit te Weenen te houden, werd 
met algemene stemmen aanvaard) ter sprake. Ook hier kwam men niet tot een oplossing; 
er bleken zowel voor de te München gevolgde methode (langere voordrachten om een 
centraal thema; daarnaast korte mededelingen) als van de Oxfordse voorstanders te zijn. 

Hoe belangrijk echter de inrichting van het wetenschappelijk programma ook is, 
andere factoren droegen niet minder tot het slagen van het congres bij. Oxford is een 
congresstad bij uitnemendheid en de inrichting van het programma voor deze dagen 
bood aan de deelnemers ook vele mogelijkheden. De lijst van te houden voordrachten 
was niet al te groot en liet voor andere, niet minder belangrijke dingen, voldoende tijd 
over. De talrijke ontvangsten (namens de Universiteit van Oxford; namens de Engelse 
regering; door Queens ’ College ter nagedachtenis van Grenfell en Hunt, die daar gewerkt 
hebben; in de tuinen van St. Johns’) brachten de deelnemers op ongedwongen wijze en 
veel bij elkaar; de practische combinatie van een genummerde deelnemerslijst met ge¬ 
nummerde insignes maakte vooral den jongeren leden de kennismaking gemakkelijk. 
De bizonder hartelijke gastvrijheid van de Engelse collega’s, die ons op zeer ruime wijze 
lieten genieten van het vele dat Oxford biedt, en de uitstekende organisatie maakten, 
dat ook zij, die Oxford, Engeland en het papyrologencongres voor het eerst bezochten, 
zich volkomen thuis voelden. En dat is het beste, wat men van een dergelijke bijeen¬ 
komst zeggen kan. Want ten slotte komt men toch evenzeer om de papyrologen als om 
de papyrologie; het persoonlijk contact, vaak ook alleen reeds de simpele kennismaking, 
is de grootste winst, die men er van overhoudt. Hiervoor gelegenheid te scheppen, 
de leden vrij maar niet los te laten, is de eigenlijke opgave van de organisatoren. En 
hierin, zoals in andere dingen, zijn onze Engelse gastheren ten volle geslaagd. 




472 CONGRESSEN 

Er rest mij slechts te vermelden, dat Nederland vertegenwoordigd was door Prof. 

Cohen, Prof. en Mevr. Van Groningen, Mej. Wegener en ondergetekende, en dat Prof. 

Van Groningen en Mej. Wegener in het Engels voordrachten hielden, respectievelijk 
over: P. Oxy . 14.16 and the History of the Gymnasiarchy en Notes on the phylai of 
the Metropoleis . 

Amsterdam Elizabeth Visser < 


HET TWEEDE HISTORISCHE CONGRES DER TURKSCHE REPUBLIEK 
(20—26 September 1937 te istanbul) 

Het tweede Turksche Geschiedenis-Congres, georganiseerd door de Türk Tarih 
Kurumu (Turksche Geschiedenis Commissie), werd in tegenstelling met het eerste niet 
te Ankara, doch te Istanbul gehouden. Een groot aantal geleerden uit Europa waren 
tot deelname en tot het houden van voordrachten uitgenoodigd. Na de aankomst der 
buitenlandsche gasten op Zaterdag 18 September werd den Zondag daarop een boot¬ 
tocht gemaakt met het jacht van den President der Republiek ‘ ErtogruV door den 
Bosporus, waarbij aan boord een thé werd aangeboden. 

Aan het congres was een tentoonstelling der Turksche geschiedenis verbonden, 
die in tegenwoordigheid van Kamal Atatürk den 2C s ten September werd geopend. 
Deze tentoonstelling was met veel zorg georganiseerd en kan als zeer geslaagd 
beschouwd worden. De indeeling, entourage, opstelling en catalogiseering konden 
wedijveren met die van tentoonstellingen in West Europa, een succes, dat zeer zeker 
aan den organisator ervan, Prof. D r H. H. von der Osten ! ), en zijn staf te danken 
was. De verschillende perioden der Turksche geschiedenis — wat men daaronder 
verstaat is natuurlijk een der vele aanvechtbare punten der tegenwoordige Turksche 
wetenschap — waren chronologisch gerangschikt. Eerst kwam het palseolithicum (met 
afbeeldingen van rotsteekeningen); daarna photo’s van en voorwerpen uit de archeo¬ 
logische ontdekkingen in Turkistan, Iran, Iraq, Anatolië en Egypte. Wij zagen een 
geslaagde copie van den oorlogsgod aan de zoogenaamde koningspoort van Hattusas, 
de oude Hethietische hoofdstad, een model, dat de uitgestrektheid van deze stad en 
de geraffineerde vestingwerken — de Hethieten waren uitstekende vestingbouwers — 
ten duidelijkste weergaf. Er waren spijkerschrift-tabletten uit de factorijen der Assyrische 
kooplieden, die circa 2000 v. Chr. in Klein Azië den handel grootendeels in handen 
hadden. Bijzonder aardig was de afdeeling met ceramiek uit Alaga-Hüyük, een maquette 
van de citadel van Zincirli, hiëroglyphenschrift uit Djerablous enz., voor het grootste 
deel in bruikleen van het museum te Ankara. Een aantrekkelijk onderdeel was het 
door Prof. Bossert samengestelde paviljoen der Myceensche, Aegseische en Kretenzische 
oudheden, grootendeels uit het museum te istanbul, waar men in een beperkte ruimte 
door een zorgvuldige selectie der voorwerpen een indruk van deze beschavingen kon 
krijgen. De rest der tentoonstelling was gewijd aan de Grieksche, Hellenistische, 
Romeinsche en Byzantijnsche perioden met voorwerpen uit het museum te Istanbul, 
alsmede een groot aantal vitrines met documenten en voortbrengselen uit de latere 
eeuwen tot op heden toe. Het midden van de troonzaal van het Dolma Bahge Saray, 
de plaats van tentoonstelling en congres was geheel gewijd aan de wordingsgeschiedenis 
der Turksche republiek en aan zijn leider: Kamal Atatürk. 

Het congres zelf werd ook in tegenwoordigheid van den President, vele ministers 
en verdere autoriteiten in de ontvangzaal van het Dolma Bahge Saray geopend. De 
voorzitter van de Turksche Geschiedenis Commissie hield een toespraak, waarin hij 
in de Turksche taal het doel en de beteekenis van het congres uiteen zette. De 
minister van onderwijs, Saffet Arakan, wees op het belang van de archeologie voor 
de wetenschap en de noodzakelijkheid de nieuwste gegevens in de Turksche taalstudies 
te verwerken. De secretaris-generaal van de Turksche Taalkundige Commissie betoogde, 
dat de Indo-Europeesche en Semietische talen denzelfden grondslag zouden hebben 


CONGRESSEN 473 

als het Turksch (!). Prof. Pittard, die uit naam der gasten sprak, wees er op, dat de 
Turken vroeger Hethieten werden genoemd en dat de Turksche geschiedenis in zijn 
geheel beschouwd ook Europeesche geschiedenis was! Uit de toespraak van Mevrouw 
Afet bleek wel zeer duidelijk hoe actief Turkije in de laatste jaren aan de opgravingen 
heeft deelgenomen. Jammer, dat wij ook weer de tirade over de bakermat der Turksche 
beschaving te hooren kregen. 

Bij het geven van een overzicht der zittingen van het congres willen wij ons 
beperken tot die voordrachten, die op het terrein van Voor Azië en Egypte liggen. 
W. Andrae, Die monumentale Kunst der Sumerer; K. Bittel, Bestattungsbrduche 
prdhistorischer Zeitin Anatolien; W. Brandenstein, Der Stand des Etruskerproblems; 
W. Dörpfeld, Erforschung von Troja\ H. G. GüTERBOCK, Hethitische Geschichts - 
schreibung; F. H ANC AR, Die neuen dneolithischen Funde Kleinasiens im Lichte kaukasischer 
Urgeschichtsforschung; B. Landsberger, Grundfragen der Geschichte Vorderasiens; 
A. M. Mansel, Die Frage der Achder in der Geschichte des Agdischen Me er es ; A. W. 
PERSSON, Les relations entre la Grece et VAsie Mineure aux temps préhistoriques , 
surtout en vue des fouilles projetêes a Milas en Carie; Y. ZlYA, N onveiles études archêo- 
logiques et les Subars . In het bijzonder willen wij hier naar voren brengen de voor¬ 
drachten van E. Pittard, Les relations anthropologiques entre TAsie Mineure et 
VEurope a la période nêolithique en S. Marinatos, Die Insel Kreta im 2. Jahrtausend 
v. Chr . und die kretisch-anatolische Welt . De eerste liet zich verleiden tot de volgende 
passage: ‘Geheel Europa, geheel de beschaafde wereld moet Anatolië beschouwen als 
heiligen grond, waaruit wij de bestanddeelen hebben ontvangen van onze hedendaagsche 
cultuur. De Europeanen, die hier aanwezig zijn, zijn teruggekomen in het land hunner 
voorvaderen’. De laatste, wiens lezing wij toevallig niet bijwoonden, zou gezegd hebben, 
dat Azië de wieg der menschheid is, doch dat Klein Azië de bakermat der beschaving 
is. Commentaar is hier wel overbodig! Wij willen ten slotte nog twee lezingen vermelden, 
die niet op het bovengenoemde terrein liggen, nl. van I. N. DlLMEN over de plaats 
en waarde van de zonne-theorie in de Turksche geschiedenisopvatting , een allerdwaaste 
voordracht, die echter bij het Turksche publiek zeer insloeg, en daarnaast van R. 
Hartmann, Die neue Türkei im Rahmen der türkischen Gesamtgeschichte , een voordracht 
die niet alleen zeer boeiend was, doch ook wetenschappelijk zeer hoog stond. 

Wanneer wij ons de vraag stellen, of dit congres geslaagd mag heeten, dan is 
het antwoord hierop van Turksche zijde zeker bevestigend. Het niet-uitgesproken doel 
van het congres was toch den Europeanen te laten zien, hoe zelfstandig zich de 
Turksche geschiedeniswetenschap ontwikkeld had en daarin is men volkomen ge¬ 
slaagd. Van het standpunt der Europeesche gasten is het antwoord stellig ontkennend. 
Men had sterk den indruk, dat men zich niet openlijk kon uitspreken en dat er 
concessies werden gedaan aan de nieuwste richting der Turksche wetenschap. Ook 
van vrije gedachtenwisseling was geen sprake, hoewel dit toch een eerste vereischte 
zou geweest zijn. — Rest ons nog te vermelden, dat de Nederlandsche zaakgelastigde, 
Mr B. P. Baron van Harinxma thoe Slooten, zeer veel belangstelling voor het congres 
aan den dag legde en dat er tijdens de congresweek een ontvangst op de legatie 
plaats vond. 

A. A. Kampman 

‘DOORNER ARBEITSGEMEINSCHAFT’ 

De jaarlijksche bijeenkomst op Huize Doorn, van 28 tot 31 October werd ge¬ 
opend met een referaat van Z. M. Keizer Wilhelm over de werkzaamheden van dit 
gezelschap sedert de oprichting in het voorjaar 1925. Naar aanleiding van dit koperen 
feest zal een feestbundel verschijnen, waarvan de bijdragen door de aanwezige leden 
(de hoogleeraren Frobenius, Otto, Vollgraff, Freiherr von Heine-Geldern, Reinhardt, 
Naumann, Lommel, Kerényi, Böhl, voorts Dr. Jensen en Dr. Rhotert) aan den Voorzitter, 
Z.M. Keizer Wilhelm, werden aangeboden. Van de lezingen waren ook voor ons 
terrein belangwekkend die van Prof. von Heine-Geldern (Weenen) over de sacrale 
bouwwerken van Zuid-Oost-Azië, en van Dr. Rhotert (Frankfurt/Main) over de Noord- 
Afrikaansche praehistorie. 


9 Deze hield op het congres een voordracht over de cultureele indeeling van Klein Azië in het 3de millennium. 


F. M. Th. B. 




GEZELSCHAPSMEDEDEELINGEN 


ALGEMEEN OVERZICHT. In 1937 is het aantal contribuanten geklommen van 710 
tot 990, terwijl verscheidene begunstigers hun bijdrage hebben verhoogd, hetgeen ons 
tot groote dankbaarheid stemt. Vooral in het buitenland nam het aantal begunstigers 
belangrijk toe. De financiëele toestand is ook dit jaar gunstig te noemen, zooals uit 
de hierbij afgedrukte winst- en verliesrekening en balans te zien is. Op de statuten 
van het Gezelschap zal de Koninklijke goedkeuring, aangevraagd worden. 

STUDIEKRINGEN EN CORRESPONDENTSCHAPPEN. Het aantal studiekringen bleef 
dit jaar gelijk, echter werden er nieuwe correspondenten benoemd in Amsterdam, 
Haarlem, Leiden, Alexandrië, Pretoria en Batavia. Getracht zal worden in alle be¬ 
langrijke plaatsen een correspondent te verkrijgen. De studiekring te Rotterdam kwam 
te staan o. 1 . v. D r F. K. H. Kossmann. De studiekringen organiseerden tezamen 
29 lezingen, waarvan 7 in samenwerking met andere vereenigingen. Het bezoek aan 
de lezingen is goed te noemen. 

LEZINGEN. In 1937 werden door de studiekringen de volgende lezingen georganiseerd: 

Amsterdam 20 Januari Ir. R. J. Forbes, Metalen in den Amarna-tijd\ 

Amsterdam 5 Februari Prof. Dr J. Simons S. J., Palestina en de Exodus ; 

’s-Gravenhage 11 „ Prof. Dr D. Cohen, Hellenistische Cultuur ; 

Nijmegen 13 „ H. Asselberghs, Over de vervaardiging van reliefs 

in de mastaba's\ 

Nijmegen 20 „ Dr S. Marinatos, Oud-Kretische Cultusplaatsen en 

Heiligdommen; 

Leiden 25 „ Ir R. J. Forbes, Metalen in de Amarna-brieven\ 

Groningen 3 Maart S. Dasberg, Typen van uitspraak van het Hebreeuwsch\ 

’s-Gravenhage 11 „ Dr A. de Buck, Egyptische Praehistorie ; 

Amsterdam 15 „ Prof. Dr D. Cohen, Nieuwe opvattingen omtrent 

Ichnaton ; 

Amsterdam 17 „ H. Asselberghs, Over de vervaardiging van reliefs 

in de mastaba's ; 

Nijmegen 19 „ A. A. Kampman, Hethieten, Assyriêrs en Egyptenaren\ 

Amsterdam 20 April Prof. S. R. K. Glanville, Recent excavations in Egypt; 

Leiden 21 „ Prof. S. R. K. Glanville, The development of building 

in Ancient Egypt ; 

Leiden 22 „ Prof. S. R. K. Glanville, Recent excavations in Egypt ; 

Nijmegen 29 „ Dr A. H. Edelkoort, De opgravingen in Palestina en 

de tijd der koningen van Israël ; 

Amsterdam 4 Mei Ir R. J. Forbes, Antieke geologie en de oudste aard- 

olieindustrie ; 

’s-Gravenhage 4 „ Prof. Dr A. W. Bijvanek, Kretenzische kunst; 

Rotterdam 5 „ Prof. Dr F. M. Th. Böhl > Opgravingen in Mesopotamïé \ 

Amsterdam 18 „ Dr A. H. Edelkoort, De opgravingen in Palestina ; 

’ s - G r a v e n h a g e 29 „ Dr J. H. Kramers, Ne der land-Turkije in de Gouden 

Eeuw ; 

Amsterdam 26 October Dr A. de Buck, Het Egyptische Doodenboek\ 

Nijmegen 4 November Dr A. de Buck, De Egyptische prophetische literatuur 

en haar verhouding tot de propheten van Israël\ 
’s-Gravenhage 8 „ Prof. Dr J. Simons S. J., De steden van het Oude 

Testament ; 

Rotterdam 25 „ Dr A. de Buck, Het Egyptische Doodenboek\ 

Amsterdam 1 December Dr W. van Bemmelen, Pyramiden als koningsgraven; 

Leiden 2 „ Prof. Dr C. U. Ariëns Kappers, De anthropologie van 

het oude Nabije Oosten en in verband met de tegen¬ 
woordige bevolking ; 

’s-Gravenhage 9 „ Ir R. J. Forbes, De aardolie-industrie in de oudheid ; 

Amsterdam 14 „ Prof. Dr C. U. Ariëns Kappers, De bevolking van het 

Nabije Oosten , vroeger en thans ; 

Nijmegen 16 „ Dr J. H. Kramers, Godsdienst en mythe bij de oude 

Perzen ; 


GEZELSCHAPSMEDEDEELINGEN 


475 


SAMENWERKING MET ANDERE INSTELLINGEN. Het meerendeel dezer lezingen 
werd door de studiekringen zelf georganiseerd. Bij de volgende bijeenkomsten werkten 
wij op aangename wijze samen met zustervereenigingen: Lezing Dr S. Marinatos 
(20-2) met de Societas Classica ; Lezing Prof. Dr D. Cohen (15-3) met de Vereeniging 
Nederland-Egypte\ Lezing Prof. S. R. K. Glanville (20-4) met Nederland-Egypte en 
het Genootschap Nederland-Engeland en op 22-4 met het Oostersch Genootschap ; Lezing 
Ir R. J. Forbes (4-5) met de Geologische Vereeniging ; Lezing Dr J. H. Kramers 
(29-5) met de Nederlandsch-Turksche V r ereeniging\ Lezing Prof. C. U. Ariëns Kappers 
(14-12) met den Leeskring Hedendaagsche Cultuur . 

PUBLICATIES. In 1937 verscheen Jaarbericht n° 4. In de Rondschrijvens nrs 26—43 
werden de inleidingen tot de lezingen onzer sprekers opgenomen. Het overzicht over 
de Opgravingen in Medinet Habu ging dezer dagen ter perse. In voorbereiding is een 
voorwerk voor de eerste vijf Jaarberichten, alsmede indices en chronologische tabellen . 
Het aangekondigde werk van F. Thureau-Dangin, Textes mathématiques babyloniens 
zal binnenkort van de pers komen. Ook dit jaar konden wij aan onze contribuanten 
tegen een geringe vergoeding een aantal speciale boekjes aanbieden; het bleek dat 
hiervoor veel belangstelling bestond, zoodat wij hiermede zoo mogelijk zullen voortgaan. 


Winst - en Verliesrekening over het vereenigingsjaar 
i September 1936—31 Augustus 1937 

Verliezen Winsten 


i. Contributie aan het O.G. 

/ 250.— 

17. Subsidie van het O.G. . 

ƒ 225.— 

2. Herdruk Jaarbericht n° 1 

- 100.— 

18. Subsidies lezingen . . . 

- 127.50 

3. Publicatie Jaarbericht n° 4 

-1350.— 

19. Contributies 1936—1937: 


4. Publicatie Egyptische 


a. Leden ƒ 347.08 


Oudheden (eerste termijn) . 

- 50.— 

b. Donateurs - 212.50 


5. Verzending en bindwerk. 

- 379-05 

c. Begunstigers - 1934.94 


6. Organisatie der lezingen. 

- 376-14 


- 2494-52 

7. Druk- en stencilwerk . . 

- 247.58 

20. Contributies 1937—1938. 

- 260.— 

8. Abonnementen en 


21. Advertenties. 

- 116.50 

lidmaatschappen. . . . 

21.85 

22. Verkoop publicaties 


9. Porti en propaganda . . 

- 145-70 

a. Publicaties E.O.L. ƒ 5 11.85 

10. Onkosten der redactie . 

- 71-70 

b. Commissie-boeken 76.25 

11. Reiskosten. 

- 32.10 


l 

Ln 

OO 

00 

O 

12. Afrekening commissie- 


23. Diversen. 

9-75 

boeken . 

4.25 

24. Saldo vorig vereemgingsjaar - 9.58 

13. Kantoorbehoeften . . . 

- 56.58 



14. Algemeene onkosten . . 

- 49-43 



15. Afdracht Reservefonds . 

- 687.03 



16. Voordeelig saldo . . . 

9-54 




/ 3 830.95 


/ 3 830.95 

Debet Balans per 31 Augustus 19 37 

Credit 

1. Kas en giro. 

ƒ 9-54 

6. Crediteuren. 

/ 683.15 

2. Reservefonds. 

- i 545-03 

7. Kapitaal. 

- 2987.07 

3. Debiteuren. 

- 285,65 



4. Voorraad publicaties . . 

- i 750 .— 



5. Bibliotheek. 

- 80.— 




ƒ 3 670.22 


ƒ 3670.22 

De kas-commissie: 


Leiden, 18 December 1937 



(w. g.) R. J. Forbes . De secretaris-penningmeester: 

(w. g.) J- Janssen ( w -§•) A - A - Kampman 











STAAT VAN LEDEN 


477 


STAAT VAN LEDEN ENZ. 


Commissie van Advies : Prof. Dr F. M. Th. Böhl, Groenhovenstraat 18, Leiden 
Dr A. de Buck, De Mey van Streefkerkstraat iA, Leiden 

Bestuur: B. A. van Proosdij, voorzitter, Roodborststraat 16, Leiden 

A. A. Kampman, secretaris-penningmeester, Roodenburgerstraat 41, Leiden, gironummer 229501 
J. M. A. Janssen, 2de secretaris, Hooigracht 15, Leiden. 

Secretariaat en Administratie: Roodenburgerstraat 41, Leiden; Assistente: Mej. H. M. Bleyie 

Studiekringen: Leiden: o.l.v. B. A. van Proosdij, Roodborststraat 16, Leiden 
Groningen: o.l.v. D. H. Groen, Nieuwe Kerkhof 37, Groningen 
Nijmegen: o.l.v. Prof. J. Cools O.P., Driehuizerweg 145, Nijmegen 
Amsterdam: o.l.v. Ir R J. Forbes, Haringvlietstraat u, Amsterdam-Z. 

’s-Gravenhage : o.l.v. K. C. A. Collette, van Pabstlaan 36, Voorburg 
Rotterdam : o.l.v. Dr F. K. H. Kossmann, Nieuwe Markt 1, Rotterdam-C. 

Utrecht: o.l.v. Prof. Dr Joh. de Groot, Willem de Zwijgerlaan 3, Utrecht 

Correspondentschappen : Alexandrië: DrW. Doorenbos, Rue Ekbal 5, Alexandrië 

Amsterdam (Sted. Univ.) : S. Simons, Schagchelstraat 28, Haarlem 

Amsterdam (Vrije Univ.): H. H. Grosheide, Amsteldijk 85, Amsterdam 

Arnhem: Dr J. J. Koopmans, Boulevard Heuvelink 122, Arnhem 

Batavia: Dr A. J. Bernet Kempers, Museum, Koningsplein, Batavia 

Bergen-op-Zoom: Dr. A. N. Borghouts, Auvergnestraat ió 

Dordrecht: Dr J. Nat, Cronjéstraat 2 rood, Dordrecht 

Haarlem: J. P. Lettinga, Clivialaan 27, Heemstede 

Kampen: S. J. Ridderbos, Vloeddijk 61, Kampen 

Luik : Prof. Dr G. Dossin, Wandre bij Luik 

Maastricht: Ir F. B. J. M. Moubis, Tongerschestraat 8, Maastricht 
Pretoria : Prof. Dr B. Gemser, Universiteit, Pretoria 


Leden-Medewerkers : 

Alexandrië: Dr W. Doorenbos 
Amsterdam: Mej. H. Boas, Ir R. J. Forbes, H. 

H. Grosheide, I. L. Seeligmann, Mej. C. E. Visser 
Amstelveen: Mevrouw Dr A. N. Zadoks- 
Josephus Jitta 

Berkenwoude : Ds P. A. H. de Boer 
B 1 ij a : Ds Kr. Strijd 

’s-G ravenhage: L. G. Leeuwenburg, Prof. Dr C. 

W. Lunsingh Scheurleer, Dr Th. C. Vriezen 
Groningen: Dr M. A. Beek 
H a a r e n: Prof. Dr W. Grossouw 
Haarlem: H. de Greeve Pr. 

Hooge Zwaluwe: Ds A. R. Hulst 
Jerusalem : Prof. Dr J. Simons S.J. 

Leiden : Mej. L. R. van den Bergh, Th. Folkers, 
J. M. A. Janssen, A. A. Kampman, C. Los, B. A. 
van Proosdij 

N ij m e g e n: Prof. Jos. Cools O. P. 

Oxford: Mrs. N. Griffith, Prof. Dr E. van der 
Meer O.P. 

Rome: Mrs Dr E. Douglas—van Buren 

Steggerda: DsK. Roubos 

Voorburg: Kw C. A. Collette 

W e e r s e 1 o : Ds H. A. Brongers 

Wichmond: Ds J. M. Gerritsen 

Zandvoort: A. E. Thierens 

Zeist : J. G. Guttling Jr, Mej. Dr A. Roes 

Leden-Begunstigers : 

Amsterdam : W. C. Brezisinska Smithuijzen, G. 
A. Dunlop, H. van den Eerenbeemt, R. Kan, H. K. 
van der Kolk, W. J. G. van Meurs, M. Odewald, 
J. Oderwald, Dr G. Oorthuijs, A. M. v. d. Zanden 
Arnhem: Dr J. J. Koopmans 
B a a r n : J. L. Pierson 

Batavia: J. F. L. Blankenberg, Th. A. Busink 
Bergen-op-Zoom: A. N. Borghouts 
Bloemendaal: Ir W. L. Brocades Zaalberg 


Bussum : Mevr. A. G. de Meester—Kollewijn 
Dordrecht: Ds A. J. W. van Ingen 
Ginneken : V. C. ÉL J. Baron de Constant Re- 
becque 

Gouda : Openbare Leeszaal en Boekerij 
’s-G ravenhage: I. Hartog, Mr Dr C. Huysman, 
L. Levisson, C. C. van Slooten 
Groningen: Rijksuniversiteitsbibliotheek 
H e i 1 o : P. A. de Lange 
Hilversum: Prof. P. van der Wielen 
Leiden : Rijksuniversiteitsbibliotheek, Jhr Prof. 

Dr W. J. M. van Eysinga 
Naarden: IrH. Eilers 
O s s : Ds Mr F. C. M. Boenders 
Potchef stroom : Prof. S. du Toit 
Pretoria: Lector Dr A. van Selms 
Rotterdam : R.K. Lyceum voor Meisjes, Mr G. 
H. Lambert 

Schiedam: N. C. Eijsbergen 

Utrecht : Mevr. Jhr R. Schorer—van Eijsinga 

CORRESPONDEERENDE LEDEN : 

Ankara: Prof. Dr B. Landsberger 
B e r 1 ij n: Prof. Mr Dr Paul Koschaker 
L e i p z i g: Prof. Dr Johannes Friedrich 
P a r ij s: F. Thureau-Dangin 
Praag: Prof. Dr Bedfich Hrozny 
Utrecht: Henri Asselberghs 

Donateurs : 

Amsterdam: D. H. van Dam, W. A. van Leer, 
Edwin vom Rath 

Bennebroek: Mevr. Cat. Bar.esse von Pannwitz 
Brussel : Fondation Egyptologique „Reine Elisa- 
beth” 

Doorn: Hofmarschallamt Haus Doorn 
Eindhoven: Dr A. F. Philips 
’s-Gravenhage: Z. E. Nikolas G. Khalil Bey, 
Mevr. H. van den Bergh-Ornstein, Jhr Mr C. H. 


J. van Haeften, Koninklijke Luchtvaart Maat¬ 
schappij 

Heemstede: Mr J. Enschedé 
Leiden: Assyriologische Werkkamer, Prof. Dr 
F. M. Th. Böhl, Dr A. de Buck 
Londen : Prof. Dr H. Frankfort 
Monaco : Dr A. Bredius 
P a r ij s : Dr S. van den Bergh 
Rotterdam : Mr K. P. van der Mandele 
Uithoorn : Dr G. A. H. IJsselmuiden 
Wassenaar: S. van den Bergh Jr 

Buitenland 

Alexandrië : Dr W. Doorenbos (lid) 
Algiers: Prof. Mr G. H. Bousquet 
Ankara : Dil-Tarih-Cografija Fakültesi 
Antwerpen : Hoofdbibliotheek der stad, Dr W. 
Couvreur 

Athene : Archaologisches Institut des Deutschen 
Reiches 

Bazel : Schriftleitung der Ciba-Rundschau, J. W. 
Beijen 

B e r 1 ij n : Aegyptologisches Seminar der Universi¬ 
tat, Archaologisches Seminar der Universitat, Bi- 
bibliothek der Staatlichen Museen, Preussische 
Staatsbibliothek, A. C. Bakels, Prof. Dr M. Frei- 
herr von Oppenheim, Frau Geheimrat B. Strauss— 
Springmann, Dr E. F. Weidner 
B h a v n a g a r: A. Arensen 

Bonn a. Rh.: Prof. Dr A. Baumstark, Orienta- 
lisches Seminar 

Bourgh-la-Reine; IrJ. Jannette Walen 
Bratislava : Knihovna univerzity Komenshého 
B r n o : Zemska u universitm knihovüa 
Brussel : Fondation Egyptologique „Reine Elisa- 
beth” (donateur) , Koninklijke Bibliotheek van Bel¬ 
gië, Redactie van de Chronique d’Egypte, L. J. El- 
ferink, W. M. Staring, Prof. Dr B. van der Walle 
Boedapest: Fövarosi Nyilvanos Könyvtar, Dr 
Antal David 

Cambridge : Harvard University Library 
C h i c a g o : The University of Chicago Libraries 
Citta del Vaticano: Biblioteca Apostolica 
Vaticana 

C 1 a r e n s: Dr Th. G. van Vogelpoel 
D a v o s - P 1 a tz : Dr J. K. de Cock 
Debreczen : Prof. Dr Kallay Kalman 
F a c o u s: Pater Jacob Muyser 
Florence: Dr B. Jasink 

Frankfurt a. M. : Bibliothek der St. Georgen 
Freiburg i. d. Schw.: Prof. Dr. F. M. Braun 
O.P., Prof. Dr M. van den Oudenrijn O.P. 
Gent: Kunsthistorisch Instituut der Universiteit 
G i e s s e n : Orientalisches Seminar, Prof. Dr Wil¬ 
helm Rudolph 

Göttingen : Universitats-Bibliothek, Orientali¬ 
sches Seminar 

H a 11 e : Bibliothek der Deutschen Morgenlandi- 
schen Gesellschaft 

Heidelberg: Universitats-Bibliothek 
Istanbul : Türk Tarih Kurumu, Archaologisches 
Institut des Deutschen Reiches, Prof. Dr Helmuth 
Th. Bossert, Mr B. P. Baron van Harinxma thoe 
Slooten 

J e n a : Archaologisches Seminar der Universitat 
Jerusalem : Prof. Dr J. Simons S.J. (lid) 
Kaïn: Rév. Père Prof. A. G. Barrois 
K a ï r o : Association des Amis de 1 ’Art Copte 
Kopenhagen: Dr Otto Koefoed Petersen, Prof. 

Dr O. Neugebauer 
Laken : H. de Vis 
Lausanne : Prof. Dr A. Noordtzij 
L e i p z i g : Aegyptologisches Institut der Univer¬ 
sitat, Deutscher Palastina-Verein. 


Leuven : Bibliotheek van het Theologisch Colle¬ 
ge, Prof. Dr J. Coppens, Pater Dr C. van den 
Eynde O.P., Prof. Dr B. L. van Helmond O.P., 
Dr W. Peremans 

Londen : Prof. Dr H. Frankfort (donateur), Mr 
C. J. Gadd, Prof. Alan H. Gardiner, Prof. S. R. K. 
Glanville. 

Luik: Mej. Hélène Danthine, Prof. Dr G. Dossin, 
Institut Supérieur d’Histoire de Part et d’archéo- 
logie de PUniversité de Liège 
Manchester : Prof. T. Fish 
Marburg : Orientalisches Seminar, Prof. Dr 
Carl Frank, Vorderasiatisches Seminar 
Monaco: Dr A. Bredius (donateur) 

New York: The Brooklyn Museum Library 
Oberaudorf a. I.: Prof. Dr F. W. Freiherr 
von Bissing 

Oxford : Prof. G. R. Driver, Mrs N. Griffith 
(lid), Prof. Dr E. van der Meer O.P. (lid) 

P a r ij s : Dr S. van den Bergh (donateur), M. J. 
Dresden 

Potchefstroom: Prof. S. du Toit (lid-beg.) 
Praag : National- und Universitatsbibliothek, 
Orientalm Ustav v. Praze, Seminar für Semitische 
Philologie und Islamkunde der deutschen Univer¬ 
sitat 

Pretoria : Prof. Dr B. Gemser, Lector Dr A. 

van Selms (lid-beg.), Ds P. I. D. Weiss 
Rome: Prof. Dr F. Ceuppens O.P., Mrs E. Dou¬ 
glas—van Buren (lid), Prof. Dr G. Duncker O.P., 
Dr H. M. R. Leopold 

Stanford-le-Hope: Ir S. F. van Royen 
T ü b i n g e n: Prof. Dr E. Littmann 
U k k e 1 e : Dr J. W. Bierma 
U p p s a 1 a : Kungl. Universitetes Bibliothek 
Warschau: Prof. Dr Stefan Przeworski 
W e e n e n : Aegyptologisches Institut der Universi¬ 
tat, National-Bibliothek, Orientalisches Institut der 
Universitat, Dr F. W. König 
Z ü r i c h : Prof. Dr J. G. Lautner 

Begunstigers : 

Nederland 

Ach el : St. Benedictus Abdij der Paters Trappisten 
A c h 1 u m : Ds H. Bogers 
Achterveld: Dr A. van de Born 
Aerdenhout: A. de Bijll Nachenius, J. Göbel, 
Mevr. Dr M. Hudig—Frey 
Alkmaar: S. P. Groen, Dr J. C. Kamerbeek 
Almelo : Mr G. D. B. ter Braake 
Al men: Ir J. Th. Joosting 

Amersfoort : Ds K. J. van den Berg, Dr R. 
Miedema, Ds J. Pannebakker, Dr F. C. Unger, C. 
W ijker 

Amsterdam : Allard Pierson Stichting, Het Am- 
sterdamsch Lyceum, Bibliotheek der Universiteit, 
Bibliotheek der Vrije Universiteit, St. Ignatius- 
College, Bijbelsch Museum, Rijksacademie van 
Beeldende Kunsten, Koninklijk Oudheidkundig Ge¬ 
nootschap, R.K. Lyceum voor Meisjes, Vereeniging 
van Vrienden der Aziatische Kunst, Dr L. Alma, A. 
Andriesse, A. Ariëns Kappers, Prof. Dr C. U. 
Ariëns Kappers, Mej. T. Asser, P. Auerbach, Prof. 
Dr H. A. van Bakel, J. A. Bank, Mej. A. E. Bedet, 
A. M. Bent, E. Besse, Dr J. C. J. Bierens de Haan, 
Mej. B. Binger, Mr A. J. B. Blaisse, J. F. Blom, H. 
Boezeman, W. C. Bonebakker, T de Boone, H. M. 
Braaksma, P. Brandt, S. J. Bouma, Prof. Dr D, 
Cohen, J. Coops, Mr D. Crena de Jongh, Mej. S. M. 
Damen, Ds H. Dekker, N. Douwes, Dr J, D. Dozy, 
Mevr. W. L. de Dreu—van Lierop, Ds F. Dijkema, 
Ds H. Dijkstra, Dr A. H. Edelkoort, Mej. C. Eitje, 
Dr W. J. M. Engelberts, H. F. Eyhuisen, Ds T. 
Ferwerda, J. W. A. Geel, S. Breemer, Prof. Dr C. 





478 


STAAT VAN LEDEN 


STAAT VAN LEDEN 


479 


van Gelderen, A. C. van Geytenbeek, Mej. J. Grone- 
man, J. M. van Hardeveld, Mevr. J. Hartogh-Fuld, 

E. Heldring, C. Hillen Jr, Dr J. D. Hintzen, Prof. 
Mr H. R. Hoetink, D. A. Hoogendijk, Mevr. M. A. 
Höweler—de Bruyn, Mr H. J. Hülsman, Dr B. Is¬ 
raël Ricardo, Dr I. de Iongh, A. de Jong, Ds J. 
Kapteyn Dzn, B. M. Keezer, Mr R. E. Kielstra, F. 
S. Kloosterman, J. Knoef, C. W. Krings, Dr N. D. 
van Leeuwen, F. L. W. Maandag, J. Melkman, L. 
Mirandolle, Ds W. H. A. Nelck, L. B. van Nierop, 
Dr D. R. Nijk, Mej. J. Ooyman, Ir L. L. E Orn- 
stein, Mr P. Otten, Prof. Dr J. L. Palache, Dr S. P. 
Peppink, L. Polak, Meyer J. Premsela, J. Prins, J. 
D. D. Pruissen, W. Redelmeier, P. J. Reimer, Mevr. 
A. E. Roodenburg-Joosten, Mr A. E. von Saher, 
Mr G. J. Salm, A. Sarlouis, Dr J. C. Schippers, 
S. Seeligmann, Prof. Dr A. Sizoo, W. Spijer, Mr 
R. van Steeden, Prof. Dr P. Stegenga, Mej. H. van 
den Stempel, Ir A. de Stoubendorff, Mevr. Mr A. 
Swets-Tadema, G. Trouw, Dr W. J. Vetter, Prof.- 
Dr H. Th. van Vollenhoven, Ir G. C. van Wage- 
ningen, G. Warnink, Dr J. C. Went, Dr A. J. 
Westerman Holstijn, Dr B. Wielenga, Dr Alfred 
Wiener, Jhr Dr P. J. van Winter, Prof. Dr R. H. 
Woltjer, Dr. I. A. Wijsenbeek,' Ir E. J. Ijzerman. 
Amstelveen : W. Stern 

Apeldoorn: Bibliotheek van de Theologische 
School der Chr. Gereformeerde Kerken, Stedelijk 
Gymnasium, Dr C. J. Bleeker, Dr P. de Koning, 
Dr K. J. Popma 

Arnhem: Dr C. Albers, Dr H. C. Feenke, Dr J. 

H. Goedhart, F. W. van der Haagen, E. Menthen, 
Ds H. Snijder, J. Vredenburg, Dr P. J. Waarden¬ 
burg 

B a a r n : Baarns Lyceum, Mevr. E. Boas—Kogel, 
Ds I. Kievit, A. Pierson, Prof. Dr J. Wille 
Bennebroek: D. Lekkerkerker, H. Meyer 
Bentveld: DrS. Simons 
Bergen (N.-H.) : Dr J. Hemelrijk 
Bergen op Zoom: Ir A. J. L. Juten, Ds P. 
Prins van Wijngaarden 

Berkel-Enschot (N. B.) : A. Kerssemakers 
B e r 1 i c u m: Ds E. J. B. Janzen 
De Bilt: Dr H. G. Beijen, Dr H. E. G. van de 
Meene, M. J. Top 

B i 1 1 h o v e n: Prof. Dr J. G. van Appeldoorn 
Blaricum: Prof. Dr G. van Rijnberk 
Bloemendaal : Prof. Dr G. A. van den Bergh 
van Eijsinga, Ds J. C. van Dijk, Dr W. H., Chr. van 
Esveld, N. van Gelder, Dr C. A. Mees, E. A. 
Veltman 

Boskoop: DrD. Jacobs 
Boxtel : Pater Wijnhoven 

Breda: Dr Ph. G. Gunning, Mej. Dr P. W. Moens, 
Dr J. H. Waszink 
Buitenpost: Dr C. J. Goslinga 
Den Burg: Dr A. Vis 

Bussum: J. H. Jongkees, J. C. M. Krook, O. D. 
ter Meulen, Prof. Dr J. W. Pont, Mej. Dr Em. 
Schelts van Kloosterhuis, C. Wesseling Jr 
Castricum: Dr N. Westendorp Boerma 
Culemborg : Pater Dr A. J. Roos 
C u ij c k : Bibliotheek van het Klooster St Agatha 
der Kruisheeren 

Dedemsvaart: DsP. van der Sluys 
D e 1 d e n: Ds J. P. Enklaar 

Delft : Prof. Dr Ir J. Boeseken, Ds J. Fokkema, 
Dr W. Gaade, Dr W. H. Gispen, Ds L. J. Lamme- 
rink, Mevr. I. C. E. Peelen, L. A. Snijders, C 
Spoor, Prof. Dr Ir H. J. Waterman 
Doetinchem : Mevr H. van Gorkom—van Has¬ 
selt, J. A. van Velze 
D o k k u m : Dr J. H. Kroeze 


Dordrecht : W. den Boer, A. Heyboer, E. B. 
Kamperman, B. J. Katan, Dr J. Nat, Mej. P. A. L. 
Snouck Hurgronje, J. van Waalwijk van Doorn 
Driebergen : Prof. Dr B. Alfrink, M. v. Notten 
Driehuis : Missiehuis der Missionarissen van het 
H. Hart, G. H. van Leeuwen 
Egmond-Binnen: St. Adelberts Priorij 
Eindhoven : Gymnasium Augustinianum, Th. H. 
M. van den Donk, Dr J. C. B. Eijckman, Dr H. J. 
J. Höppener, Mevr. Ir E. Kann, Mevr. A. M. Mul¬ 
der—S wanenburg de Vlije 
E 11 e c o m : Mevr. E. Massink 
E 1 s p e e t : Ds J. H. van Paddenburgh 
Enschede : Openbare Leeszaal en Bibliotheek, 
Harry ter Kuile 
E r m e 1 o : J. van den Berg 
Eist: Dr G. Smit 
G a r ij p : Ds K. Minnema 

G e 1 e e n (L.) : Studiehuis der Paters Ongeschoeide 
Carmelieten 

G e m e r t: J. B. Meekers 
Gendringen: DrJ. van Dorp 
Gennep: C. de Wit 

Ginneken: H. J. Voskuil, Maj. d. Inf. O.I.L. b.d. 
Gorinchem: Dr L. Rank 
Gouda: Dr A. A. W. M. Lievegoed 
’s-Graveland: G. Leonhardt 
’s-Gravenhage : Bibliotheek der Nieuwe of 
Litteraire Sociëteit, St. Aloysius College, Eerw. 
Broeders der St. Vincentius School, Gemeente 
Museum, Vereeniging tot bevordering van de ken¬ 
nis der Antieke Beschaving, Vrijzinnig Christelijk 
Lyceum, C. Adriaanse, Mr Dr D. Albers, S. An- 
holt, Dr J. A. van Arkel, Dr A. A. Bake, H. A. 
Bakker, Dr W. van Bemmelen, Mr G. F. W van 
Berckel, Ds A. de Bondt, Ir G. J. van den Broek, 
Mevr. Mr L. J. Brugmans—Martens, Mej. Dr N. 
A. Bruining, Ir A. J. P. van den Burgh, J. Burgy, 
Mej. C. M. Cremers, Mej. C. van Diggelen, Mej. 
H. J. Dolk, Ir E. J. van Doorn, Mej. M. A. van 
Dijk, P. H. L. Eggermont, Th. van Erp, Luit. Kol. 
b.d., Mevr. A. van Essen—van Tienhoven van den 
Bogaard, Mej. D. H. M. Feber, Gesandschaftsrat 
Dr G. P. Feine, Dr M. H. H. Franssen, J. van 
Gelder, Mej. J. M. van Goor, Mr C. Greve, J. J. 
Grobben, Prof. Dr Ir H. F. Grondijs, Mr P. G. van 
Harpen Kuijper, Mr F. J. Heeris, Dr M. M. den 
Hertog, J. B. van Heutsz, K. Chr. Hoekstein, Dr 
J. Hofker, D. van Hoytema, A. J. Jansen, Dr K. 
H. E. de Jong, M. B. Keezer, IJ. Kooistra, Mej. 
A. Kooien, N. Koomans, Alfred Koppel, Dr Alb. 
C. Kruyt, Dr J. H. Kuijjer, W. Lans, F. Lugt, I. 
Maarsen, A. J. de Mare, Hans Martin, P. van der 
Meer, Dr C. J. A. Meerdink, Mevr. E. van der 
Mersch—Schuurman, Mej. A. Mesters, Mej. C. C. 
de Monchy, H. A. D. Nelemans, Dr Ir F. J. Nel- 
lesteyn, Ds Jac. van Nes Czn., F. L. van Nierop, 

H. Offerhaus, T. Offeringa, Mr F. D. E. van Os¬ 
senbruggen, Mej. F. H. A. van den Oudendijk Pie- 

terse, M. C. Perk, H. W. van Pesch, Dr A. Pit, 
A. C. van der Poel, Mej. Dr A. J. Portengen, Ds 
J. Ravesloot, Mevr H. Rueb—van Dorp, Mr C. J. 
M. Schaepman, Georg Schneider, A. Schoenlicht, 
Mej. E. L. Serton, Mr J. J. ten Siethoff, M. Speyer, 
Mr B. Spier, J. W. Teilers, Mr T. M. E. Baron 
Testa, Dr B. J. Q. van Tilburg, C. R. Tybout, C. 

F. Ph. D. van der Vecht, Maj. K.N.I.L. b.d., Mr 
J. D. Verbroek, Th. A. Verdenius, Mevr. C. Vis— 
Janssen van Raaij, Mr Dr L. E. Visser, A. W. 
Volz, N. D. G. van der Werff, Maj. der Art. b.d., 

I. M. van Wijhe, Dr W. J. de Wilde, Dr J. van 
Ijzeren, Dr F. W. Zeylmans van Emmichoven, Dr 
W. Zwier Wzn. 


I 


Groningen: Christelijke Hoogere Burger School, 
Kweekschool m. d. Bijbel, Prof. Dr L. H. K. 
Bleeker, G. J. Boissevain, Mr R. Bolt, D. Cohen, 
Mevr. Dr L. M. Coster—Wijsman, S. Dasberg, A. 
van Dokkum, T. J. Drent, Dr M. Engers, Dr A. E. 
van Giffen, D. H. Groen, H. W. Hielkema, Prof. 
Dr G. van der Leeuw, W. P. J. Osinga, Prof. Dr 
A. G. Roos, Dr J. C. Roose, A. Scholtens, Prof. 
Dr J. H. Semmelink, Dr S. Tromp de Ruiter, 
Prof. Dr J. Th. Ubbink, S. F. van Veenen, J. W. 
Verdenius, K. Weert, Dr A. A. Weinberg, Ds J. 
Schoneveld 

H a a r e n : Bibliotheek van het Groot Seminarie 
Haarlem : Stads Bibliotheek en Leeszaal, Stede¬ 
lijk Gymnasium, R.K. Lyceum, Ph. Beek, G. K. 
Beute, Dr Hermann Burg, Zr Dr Christina, Mr M. 
A. van Eek, Pastoor F. Filbry, A. de Fouw, H. J. 
Heule, Mej. C. H. Klinkenberg, Dr F. C. Kuipers, 
P. C. Loof, Dr K. H. Miskotte, H. Nijboer, E. E. 
van Offeren, Mevr. Wed. M. R. Robbers—ten 
Oever, S. Simons, Prof. Dr J. H. Thiel, S. Ph. de 
Vries Mzn, Ds G. J. Waardenburg, L. van Weezel 
Haastrecht : Bibliotheek der Paters Passio- 
nisten 

Halfweg: E. Estié 
Harderwijk: Dr J. W. van den Bosch 
H a 11 e m : J. Jaspers 
H e d e 1 (G) : D. J. Baarslag Dzn 
Heemstede : Bibliotheek van het Seminarie 
„Hageveld”, J. J. Granpré Molière, Ir H. C. Jan¬ 
sen, J. P. Lettinga, Ir L. W. Nijboer 
Heerlen : Openbare Leeszaal, R.K. Gymnasium 
„St. Bernardinus van Siena”, J. C. de Groot 
H e e s w ij k : Pater C. A. van Liemd C.O.P. 

H e i 1 o : Mr F. A. Josephus Jitta, G. J. H. von 
Meijenfeldt 

Hengelo (O.) : Mr Dr M. G. ten Cate, Mej. Dr 
M. A. Koops 

’s-Hertogenbosch : Pater Dr Anacletus, Dr J. 
Brinkhoff, S. Heertjes, Mej. A. Hoedemakers, Dr 
W. Theunissen 

Hillegersberg : Mej. M. Jansen, W. J. C. van 
Prooijen, J. J. Siezen, C. W. Streef, Dr M. H. A. 
L. H. van der Valk 
H e u m e n : Dr P. Smit 

Hilversum : Christelijke Openbare Leeszaal en 
Bibliotheek, Prof. Dr G. Chr. Aalders, Dr O. Dam- 
sté, Prof. Dr J. H. Gunning Wzn, Dr J. van der 
Hoeven Leonhard, W. F. Leemans, E. Loeber 
Dr F. W. C. L. Schulte, J. M. Smorenburg, R. J. A. 
van Velden 

Hoogczand: L. Alons 
Huizen (N.-H.): Ds G. Lans 
Hulst : Maristenklooster St. Jozeph 
Kampen: Bibliotheek der Theologische School, 
T. J. A. Delhaas, Prof. Dr S. Greydanus, Dr J. J. 
Itjeshorst, Prof. Dr J. Ridderbos 
K o 11 u m : Ds P. E. C. Boonstra 
Ko udekerke (W) : A. C. Heij 
Landsmeer : Mevr. E. C. J. Odinot—Prins 
Laren (G) : Dr O. Noordmans 
Leeuwarden: Buma Bibliotheek, Mej. A. 

Boerema, O. A. Bouma, G. Kaastra, A. S. Levis- 
son, Nanne Ottema, H. Plantinga, Prof. Dr C. G. 
Wagenaar 

Leiden : Instituut Kern, Handelswetenschappelijke 
Bibliotheek, Leidsch Historisch Dispuut „Robert 
Fruin”, Oostersch Genootschap in Nederland, Rijks¬ 
museum van Oudheden — Dr J. van Alphen, Mevr. 
Prof. Dr S. Antoniades, Dr C. van Arendonk, 
Prof. Dr J. N. Bakhuizen van den Brink, A. Ba- 
rendrecht, Prof. Dr C. C. Berg, R. Blaauw, Mej. 

J. S. B. Böhl, Mej. A. B. Bosscher, Dr D. E. Bosse- 


laar, A. C. Bouwman, Mej. Ch. van Braam Houck- 
geest, H Brander, Mej. H. Bruining, Mej. C. L. D. 
C. Bruins, T. Bruinsma, Dr H. E. Buiskool, C. H. 
Bürgermeister, Prof. Dr A. W. Bijvanck, Mevr. G. 
C. du Croix, A. H. Dalmeyer, Prof. Dr M. David, 
Mej. E. P. Dietz, Prof. Dr J. J. L. Duyvendak, 
J. van Dijk, Prof. Dr B. D. Eerdmans, Dr D. 
Friedmann, J. Ginsberg, Mej. W. A. V. de Haze 
Winkelman, Deken A. Homulle, J. H. C. Kern, 
R. A. Kern, J. C. Kist, Prof. Dr H. Kraemer, A. 
Krantz (dipl. ing.), Prof. Dr W. B. Kristensen, 
Prof. Dr N. J. Krom, Ds. D. Kuilman, P. A. Lè- 

feber, E. S. de Lint, Mej. C. E. te Lintum, Mej. 

M. J. van Lohuizen, H. M. Markusse, Ds C. de 
Meyere, Mej. A. Mohr, H. de Nie Jr, Prof. Dr A. 
W. Nieuwenhuis, J. A. van Nieuwenhuizen, E. D. 
Ninck Blok, Ir H. van Oerle, Prof. Mr J. C. van 

Oven, G. Quispel, Prof. Dr J. Rahder, Dr J. Rie- 

mens, Prof. Dr Ph. S. van Ronkel, Mej. H. J. 
Roosenburg, B. L. Sanson, Mej. C. J. M. Schuiten, 
A. A. C. Sier, Mej. V. R Spatkova, W. H. Stenfert 
Kroese, Prof. Dr G. J. Thierry, W. A. Versteeg, 
Mej. E. H. Verwey, A. Visser, Prof. Dr J. Ph. 
Vogel, Dr J. A. Vollgraff, C. J. J. G. Vosmaer, 
Prof. Dr J. de Vries, J. J. van de Wall, W. Th. 
van der Windt, Mej. T. G. Wybenga, Dr C. J. 
Wijnaendts Franken, J. Zandee 
L e i m u i d e n: Ds J. G. Aalders 
L e k k u m : DrS. Cuperus 
Leus den: Ds P. Hofstede 
Lonneker: J. H. van Heek 
Loosduinen: A. Endtz 
M a a r s s e n : Ds A. van der Kooij 
St. Maartensdijk (Z) : Ds Joh. de Bres 
Maassluis: D. J. Verboom 
Maastricht: Dr E. G. Courrech Staal, Dr J. J. 
de Jong, Dr A. Kessen, Ir F. B. J. M. Moubis, Mr 
F. M. J. H. van Oppen, Dr L. de Vreese 
Merkelbeek : Carmelietenklooster 
St. Michielsgestel (N.-B.) : Dr C. J. M. J. 
van Beek 

Middelburg : Dr L. A. J. Burgersdijks Jr 
M i d w o 1 d a : Ds S. J. Hoekstra 
Mierlo-Hout: A. H. J. Schouten 
M o o k : Bibliotheek van het Klooster der Paters 
Passionisten Mater Dolorosa, O. A. E. Baron van 
Verschuer 

N a a r d e n : C. P. H. Groenendaal, Dr R. N. J. 

Saai, Ir H. W. Slotboom 
Neuzen: Dr L. J. Cazemier 
N ij k e r k: Ds A. Hoeneveld 

N ij m e g e n: St. Alfonsusseminarie, Eerw. Broe¬ 
ders van de Onbevlekte Ontvangenis, Prof. Dr L. 
Bellon, Pater A. Brenninkmeyer, Dr H. Diepen, 
Pater J. Eyuckeler, Prof. Dr Desiderius Franses O. 

F. M., P. Gerrits, Jhr J. A. I. H. Graafland, Pater 
Dr A. van der Griendt, Prof. Dr Heinisch, Mej. 

G. Jansen, Prof. Dr R. L. Jansen O.P., Pater Dr 
P. van de Kooij S.C.J., Prof. Dr G. Kreling O.P., 
Mevr. M. L. J. Leeuwenburg—de Sonnaville, Pa¬ 
ter Dr Canisius van Lierde O.E.S.A., E. F. J. 
Lücker, Eerw. Zr Maria Jozefa, Prof. Dr Alph. 
Mulders, Huize Nieuwland, Dr C. Pauwels, Dr F. 
J. Peljak, Mevr. Dr F. J. Peljak, Ph. Rutgers, A. 
Salomons, Jac. Schiphorst, Pater A. Schooneman, 
Pastoor A. Suys, Mevr. C. Voss—Lampe, Prof. Dr 
F. J. de Waele, Pater St. Wevers 

N o o r d w ij k : Dr F. C. Wieder 
Noordwijkerhout: L. O. Wenckebach 
O d o o r n : Ds H. van Lunzen 
Oegst geest : Dr D. J. Blok, Prof. Dr H. P. 
Blok, H. D. Buurman, Luit.-Kol. der Inf., H. Th. 
Damsté, Dr F. J. Fokkema, Dr J. H. Holwerda, 



480 


STAAT VAN LEDEN 


Mevr. J. J. Irish Stephenson—Hagen, Ds T. J. 
Jansen Schoonhoven, Prof. Dr J. P. B. de Josselin 
de Jong, Dr J. H. Kramers, B. J. van Linden van 
den Hoevell, M. J. F. Robijns 
O i s t e r w ij k : Dr E. J. Dijksterhuis, D. A. M. G. 

Plancken, Maj. der Inf. b.d. 

Oldeholtpade: DsH. Hofstee 
Oosterbeek: Dr E. D. Baumann, Dr E. J. 

Jonkers, J. J. Talsma 
Oosterhout : St. Paulus Abdij 
O o s t e r 1 a n d : Dr W. H. Weeda 
Oostkapelle: DsF. Don 
O s s : J. Cunen, J. C. Leuring 
Oudenbosch: Ds G. C. Postma 
Ouderkerk a. d. IJ s s e 1 : Ds J. G. Woelde- 
rink 

Oud-Vossemeer : Ds H. van Eist 
Papendrecht: Ir A. Visser 
Pey-Echt : Cisterciënser-Abdij 
P o e 1 d ij k: J. J. Kerbert 
R h e d e n: Ds J. K. Buinink 
R h e n e n : W. J. Meister 
Rolduc : Mgr A. J. M. H. van de Venne 
Roosendaal : Father A. Bisschop 
Rotterdam : Bibliotheek en Leeszalen der Ge¬ 
meente, Gymnasium Erasmianum, Rotterdamsch 
Leeskabinet, Het Rotterdamsch Lyceum — W. L. 
A. C. M. Arts, Mej. A. J. Backer Dirks, H. Beeke, 
G. H. Blanken, Dr G. W. van Bleek, J. Bleeker, 
J. Blom, Prof. Mr M. H. Bregstein, Mej. F. Bre- 
mer, Mr F. J. Brevet, A. E. Cohen, G von Collani, 
A. B. N. Davids, W. P. J. Erkelens, A. van Es, 
G. E. de Groot, Ir M. Hannik, Mej. W. van Her¬ 
pen, Ds A. C. G. den Hertog, Ir W. F. van Hoog¬ 
straten, Dr R. Jacobsen, T. ten Kate, A. van Ker¬ 
sen, Pater Dr B. Kruitwagen O.F.M., Mr Martin 
Levie, Ir M. C. A. Meischke b.i., W. C. F. Metz, 
Dr H. D. E. Milders, Ds Joh. A. Raams, M. 
Schneider, L. Ph. Spildooren, Dr E. Stein, P. T. 
Stenstra, J. C. Trimp, L. J. Vorst, D. L. van Win¬ 
gerden, S. Wijnberg 
R u u r 1 o : Ds C. Ph. F. Abbing 
Rijnsburg: D. van Heyst 
R ij s w ij k: I. Snoek 

Santpoort: J. P. Buwalda, K. Oud Gzn 
Sassenheim: Mej. E. Pijpers 
S c h e e m d a : Dr P. Glas 

S c h i e d am : Openbare Leeszaal en Bibliotheek, 
Stedelijk Gymnasium, Ds J. W. Tonsbeek 
Schoonhoven : Ir A. N. Nolst Trenité 
S e r o o s k e r k e : Ds W. F. M. Lindeboom 
S i 11 a r d : R.K. Openbare Leeszaal en Bibliotheek 
Sluis: Ds M. J. Beukenhorst 

S n e e k : Ds H. Veldkamp, Dr H. de Vos, T. Wie- 
lenga Hzn 

Soestdijk: A. Jekel, arts 

Soesterberg: Missiehuis St. Jan der Paters 
van het Goddelijk Woord 
S p ij k e n i s s e: Ds C. J. Gall 
Stadskanaal: Dr K. Sonies 
Staphorst: Ds D. Th. Keek 
De Steeg: Dr G. Keizer 
S t e e n w ij k : Ds J. P. van Leusden 
Stein (L): Pater Dr Adr. Drubbel M.S.C. 
Stevensbeek : Hoogeerw. Pater Dr H. War¬ 
merdam 

N e d e r 1 a n 

Batavia : Bibliotheek van het Koninklijk Batavi- 
aasch Genootschap, Dr A. J. Bernet Kempers, J. F. 
L. Blankenberg ( lid-beg .), Th. A. Busink ( lid-beg .), 
Dr K. C. Crucq, P. Tromp 
Boven-Digoel: A. E. Salim 

Afgesloten 31 December 


S t e v e n sw e e r t (L) : E. Wintjens Pr. 

Te r munten : Ds E. A. A. Snijdelaar 
Terwinselen : Dr C. L. Tuinstra 
T i e 1 : Dr J. R. Buisman 

Tzummarum: DrJ. Schelhaas Hzn, Ds Joh. 
van Veen 

U d e n : College H. Kruis der Kruisheeren 
Udenhout : Pater Fidentius 
Uitgeest: Ds J. H. Hanneman 
Utrecht: Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Ds 
R. E. van Arkel, Prof. Dr H. Bolkestein, Ds H. C. 
Briët, Prof. Dr A. M. Brouwer, Mej. Dr J. M. 
van Gelder, Prof. Dr J. Gonda, Prof. Dr Joh. de 
Groot, Dr G. van Hoorn, Prof. Dr M. Th. Houts- 
ma, Prof. Mr Dr Th. W. Juynboll, Dr H. Kaajan, 
Dr W. J. Kernkamp, C. Th. Niemeyer, J. de Nooy 
J. Fzn., Dr H. W. Obbink, Dr Th. W. L. van Ra- 
vesteyn, Dr. J. A. Rust, Dr E. Slijper, W. L. A. 
Vermeulen, Prof. Dr W. Vogelsang, Prof. Dr C. 
W. Vollgraff, Prof. L. van Vuuren Sr, Prof. Dr 
H. Wagenvoort, Mevr. H. Waller—Pierson, Mej. 
C. de Witte, G. van Wijngaarden 
Valkenburg : Paters der H.H. Harten 
Veendam: Dr H. Schreuder 

V e 1 p : S. J. F. Bosch 

V e 1 s e n : Dr D. J. van Katwijk 
Vlaardingen: Ds G. Grootjans Thzn, Ir R. van 

Hoogstraten 

Voorburg: C. J. M. Collette, Gen. Maj. der Art. 
b.d., O. L. Helfrich, J. A. L. M. Knaapen, C. Pama, 
Mevr. L. Trienekens—van Meijere 
Vreeland: Dr Lic. J. Leunis Koole 
Waarde (Z) : Ds A. E. V. Hoogenraad 
Waddinxveen: DsL. Vröegindeweij 
Wageningen: Bibliotheek der Landbouw- 

hoogeschool, Prof. Dr C. H. Edelman m.i., Dr 
J. M. van der Hoogt, Ds J. H. van der Wal 
Warmond: H. Akersloot, Prof. Dr N. Th. 
Greitemann 

Wassenaar : Sodalicium Clio, M. G. Dozy, Ir P. 
L. Dubourcq, Mr A. Hij man, A. A. Kampman, 
Jhr Ir H. Loudon, Mevr. Mr Dr J. C. Overvoorde, 
Dr W. H. Rassers, D. Riezebos, Mej. C. Snouck 
Hurgronje, P. C. Veltman, Mej. H. M. Vroom, Mr 
A. Wurfbain, W. Roessingh 
Weert (L) : Klooster St. Hieronymus der Paters 
Franciscanen 

W i t m a r s u m: Ds C. J. van Roijen 
Winschoten: J. Cohen 
W i 11 e m (L) : Pater Boddeke 
Wormerveer : Ds T. J. de Boer 
W ij k aan Zee: M. Foeken 
IJ 1 s t : Dr N. J. Hommes 
IJ m u i d e n : Mr Dr A. van der Flier G.Jzn 
Zaamslag: DsG. W. Korevaar 
Zandvoort: Ds N. A. Waaning 
Zeist : Mevr. M. A. L. J. Cohen—Cuijpers, Mr N. 

C. Kist, Mevr. J. Schurink, Prof. Dr H. Visscher 
Zetten: Dr J. Lammerts van Bueren 
Zoeterwoude : Bibliotheek der Kruisheeren 
Z u t p h e n : Stedelijk Gymnasium, Dr J. van der 
Hoeven, Dr J. J. van Manen, Ds Corn. J. van 
Paassen 

Zwolle : Bibliotheek van het Dominicanenklooster, 
Dr J. Jansen, Dr A. van Lokhorst, Dr J. Thijs 

zh In dië 

Djokjakarta: Djawa-Instituut 
M a 1 a n g : J. Schneider 
P a 1 o p p o : Dr J. R. van Blom 
S o e r a b a j a : Ds H. A. E. Hildering 
Solo : Dr H. J. de Graaf 

1937. Totaal 990 contribuanten 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


PLAAT XXIX 



Km' 


l 


Egyptisch vrouwenbeeldje uit het Middenrijk 
Aangekocht door het Reuuensfonds voor het Rijksmuseum van Oudheden 

zie blz. 461 





JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


PLAAT XXX 



Grafwand uit Sakkara (Oude Rijk) 
Verzameling W. A . van Leer N° 8 * 
zie blz. 466 







JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX" N° 5 


PLAAT XXXI 



Reliëf uit het graf van Sai~em~petref 
Verzameling W. A . van Leer N° 8** zie blz. 467 



















JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


PLAAT XXXII 



De schrijver Ta in aanbidding voor den god Anoebis 
Verzameling W. A. van Leer N° 8*** 
zie blz. 469 













Abb. 1 

Statue des Senwesret~ c anch (S. 341) 
Aus Syria XV 


AARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


PLAAT XXXIII 


Abb. 2 

Stele mit Darstellung eines Vertragsschlusses (S. 342) 
Aus ILN 1936 


Abb. 3 

Zwei Marnier auf einem Wagen (S. 342) 
Aus ILN 1936 

















' * r| 

* ,r"V 












PLAAT XXXV 



b c 

Tempel van den maangod te Chafadje 

a Doorsnede van den puinhoop* b Binnenplaats naast c Kapel met dubbel altaar: d reconstructie van 

den tempel op hoogte van b 

Oviental Institute ... Chicago , Expeditie 1936/'37; zie blz. 420 
Photo’s platen XXXV en XXXVI beschikbaar gesteld door Prof. D r H. Frankfort 

























JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX" N° 5 


PLAAT XXXVI 


Opgravingen Oviental Institute . , * Chicago te Teil Agrab 1936/37 
b . Vierspan uit den vroegdynastischen tijd; c. Koperen beeldjes van twee mannen en een vrouw 
d. Een Djemdet-Nasr „scarlet ware" vaas uit de vroegdynastische periode 

zie blz. 420 






JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


PLAAT XXXVII 



Assyrisch reliëf uit het paleis van Koning Assurnasirpal 
Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 
zie blz. 462 






PLAAT XXXVIII 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX" NP 5 


Sumerische en r Babylonische amuletten 
Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 
zie blz. 462 








JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


PLAAT XXXIX 



Beeldhouwwerkjes uit terra cotta 
Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 


zie blz. 464 














pilpp 


PLAAT XL 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° 5 


Beeldhouwwerk uit terra cotta 
Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 
zie blz. 464 







PUBLICATIES VAN NEDERLANDSCHE UITGEVERS 


ALGEMEENE WERKEN 


Dr P. Hendrix, Russisch Chris¬ 
tendom. Persoonlijke herinnerin¬ 
gen, met 16 platen. Prijs ƒ 3.25, 
geb. ƒ3.90. H. J. Paris, Amsterdam. 

Het boek is een cri de croyance naar zijn inhoud en naar zijn 
vorm een stuk lyrisch proza van hoog litterair gehalte. Hier gaat 
een wereld voor ons open, zelfs voor den theoloog van professie. 

N. R. C. van xi-i-’38 

Studiën, Orientalistische, Enno Littmann 
zu seinem 60 Geburtstag ... überreicht . .. 
herausgegeben von R. Paret. 

1 935 - 1 pl- en Portret van Prof. Littmann. 
8vo. II, 160 pp. ƒ6.—. In buckram ƒ7.50. 
Leiden, E. J. Brill. 


Dr L. J. Cazemier, Oud-Egyptische voor¬ 
stellingen aangaande de ziel. Prijs ƒ 2.90. 
Uitgevers H. Veenman en Zonen, Wage- 
ningen. 

SYRIË EN PALESTINA 


Dr J. Simons S. J., Opgravingen in Palestina. 
411 pgg. en 113 platen en kaarten op kunst¬ 
druk. — Ingenaaid f 8.75, ingeb. ƒ 9.75. 
Verkrijgbaar bij E. J. Brill, Leiden. 

Eng lis h translation in preparation ! 

„Met dit boek treedt de lezer ‘het archeologische paradijs ’ binnen. 
Hij maakt kennis met de pioniers op dit gebied Hij wordt inge¬ 
leid in de geschiedenis der Palestijnsche opgravingen. Hij ontvangt 
een overzicht van drie duizend jaren stoffelijke cultuur ”. 

De Standaard 



Studiën zur Geschichte und Kultur des 
nahen und fernen Ostens. Paul Kahle 
zum 60 Geburtstag überreicht .... heraus¬ 
gegeben von W. Heffening und W. 
Kirfel. 1935. 3 tekstfiguren en portret van 
Prof. Kahle. VIII, 232 pp., ƒ 9.—, in buckram 
ƒ10.50. Leiden, E. J. Brill. 


Richard Hennig, Terrae incognitae, eine 
Zusammenstelling und kritische Bewertung 
der wichtigsten vorkolumbischen Ent- 
deckungsreisen an Hand der darüber vor- 
liegenden Originalberichte. I. Altertum bis 
Ptolemaus. 1936. XII, 384 pp. 7 platen 8vo. 
ƒ6.—, Deel II (200—1200 n. Chr.), Deel III 
(1200—1415). Prijs per deel in buckram 
ƒ7.50. E. J. Brill, Leiden. 


Prof. Dr G. van der Leeuw, Wegen en 
Grenzen. Over de verhouding van Religie 
en Kunst. Met ill. Prijs ƒ4.90. Geb. ƒ5.90. 
H. J. Paris, Amsterdam. 


Türkische Volksmarchen aus Stamhui, 
gesammelt, übersetzt und eingeleitet von 
Prof. Dr Ignaz KÜNOS. XXXII; 410 S. 8vo. 
Prijs verlaagd van ƒ4.25 tot ƒ 2.—. 

E. J. Brill, Leiden. 

EGYPTE 


J. Simons S.J., Handbook for the Study of 
Egyptian Topographical Lists relating to 
Western Asia. 

1937. XX, 224 pp., frontispiece, 6 figs., 23 
plans, 36 diagrams, 36 lists, index of names, 
bound ƒ 18.—. Leiden, E. J. Brill. 


Dr Th. C. Vriezen, Onderzoek naar de 
Paradijsvoorstelling bij de oude Semietische 
volken. Prijs ƒ3.90; geb. ƒ 4.90. Uitg. H. 
Veenman en Zonen, Wageningen. 


D'qiroi DWllM min Blblla Hebraica. 

Edidit Rud. Kittel. Textum Masoreticum 
curavit P. Kahle. Editonium tertiam denuo 
elaboratum ad finem perduxerunt A. Alt 
et O. Eissfeldt. 

1937. XL, 1460 S. aufBibeldruckpapier.gr. 
8vo. in Leinen. ƒ 7.50. Die grosse Masora 
wird nach Fertigstellung den Beziehen der 
Biblia Hebraica unentgeltlich nachgeliefert. 
Leiden, E. J. Brill. 


Tekst en Uitleg. Praktische Bij¬ 
belverklaring door Prof. Dr F. 
M. Th. Böhl en Prof. Dr A. van 
Veldhuizen f. I. Het oude 
Testament. 


Zoo juist verschenen : Leviticus 
door Dr W. J. de Wilde. Prijs geb. ƒ 2.90. 
Bij inteekening op de serie ƒ 2.75. Bij intee- 
kening op de serie voor inteekenaren N.T. 
ƒ2.50. 



Ter perse: Dr G. VAN der Leeuw, De 
Primitieve Mensch en de Religie. Antro¬ 
pologische studie. 

J. B. Wolters, Groningen, Batavia. 


Dr A. H. Edelkoort, Nahum-Habakuk- 
Zefanja. Drie Profeten voor onzen tijd. Prijs 
ƒ2.60, geb. ƒ 3.25. H. J. Paris, Amsterdam. 







MESOPOTAMIË 


J. G. Lautner, Altbabylonische 
gP Personenmiete und Erntearbeiter- 
^ vertr&ge. 

1936. XX, 264 pp. i plate. 8vo, geb./ 10.—. 
Studia et Documenta ad iura orientis antiqui 
pertinentia. E. J. Brill, Leiden. 

Th is book is important for students of the history of law and 
sociologists but just as well for assyriologists but just as wellfor 
assyriologists. 

Dr A. van Selms, De Babylonische Termini 
voor zonde en hun beteekenis voor onze 
kennis van het Babylonisch zondebesef. 
Prijs ƒ 2.40. Uitg. H. Veenman en Zonen, 
Wageningen. 


IRAN 


Dr F. W. König, Relief und Inschrift des 
Königs Dareios I am Felsen von Bagistan. 
1938, VIII, 94 S., mit 2 Tafeln, 5 Skizzen 
und i Karte, 8vo. Prijs circa ƒ 4.—. 
Leiden, E. J. Brill. 

HUDÜD al c Alam, The regions of the world, 
a Persian geography 372 A.H. = 982 A.D., 
translated and explained by V. MlNORSKY, 
with the preface by V. Barthol’d trans¬ 
lated from the Russian. 

1937. XXVIII, 524 pp. 12 maps. 8vo. in cloth. 
Price bound ƒ 12.50. Leiden, E. J. Brill. 

HocÉyne-Azad, La Roseraie du Savoir. 
Quatrains mystiques des meilleurs auteurs 
persans traduites et annotées. 2 m « éd. 1937. 
XXXVI, 360 pages in-8. Prijs verlaagd van 
ƒ4.— tot ƒ1.75. E. J. Brill, Leiden. 

Hocéyne-Azad, L’Aube de 1’Ëspérance. 
Choix de poésies des meuilleurs auteurs 
persans traduites et annotées. 2me éd. 1937. 
XLI, 286 pages in-8. Prijs verlaagd van 
ƒ 3-— tot ing. ƒ1.75, geb. ƒ2.—. 

E. J. Brill, Leiden. 

ARABIË 


Carl Brockelmann, Geschichte der ara- 
bischen Litteratur, Leipzig 1898—1901. 2 
vols. 8vo. XII, 518; XII, 714 pp. bound in 
cloth. ƒ 27.50. For subscribers to the „Sup¬ 
plement Bande”, ƒ 22.— in cloth. Leiden, 
E. J. Brill. 

Carl Brockelmann, Supplement-Bande 
zur Geschichte der Arabischen Litteratur. 
The supplements will be published in about 
37 parts. Now ready Volume I (17 parts). 
(Price in leather f 35.—) and 3 parts of 
Volume II. f 2.— per part for subscribers. 
The work will be ready in about two years. 
Leiden, E. J. Brill. 


C. Snouck Hurgronje, Mekka in 

the latter part of the i9th century. Söjli 
Daily life, customs and learning. 

The Moslims of the East-Indian-archipelago. 
Translated by J. H. Monahan.* 1931. VIII, 
312 pp. and i loose leaf with errata. 2 maps 
(one of which folded). 20 pis. 8vo. in cloth. 
Prijs ƒ 9.—. Leiden, E. J. Brill. 

Encyclopédie de 1 ’Islam, dictionnaire géo- 
graphique, ethnographique et biographique 
des peuples musulmans, publié avec le con¬ 
cours des principaux orientalistes par M. 
Th. Houtsma, T. W. Arnold, R. Basset, 
H. Bauer, H. A. R. Gibb, R. Hartmann, 
W. HEFFENING, E. LÉVI-PROVENgAL, A. 
Schaade, A. J. Wensinck. 4 volumes d’en- 
viron 1100 [texte frangais] pp. a 2 col. 
reliures demi veau avec coins. Prijs ƒ260.—. 

-Supplément, édité par M. Th. Houtsma, 

A. J. Wensinck, H. A. R. Gibb, W. Heffe- 
N1NG et E. LÉVI-PROVENgAL. 

1934— co. in-8. la livraison d’environ 65 pp. 
ƒ 3.—. E. J. Brill, Leiden. 

D. VAN DER Meulen and Dr H. VON 
WlSSMANN, Hadramaut, some of its myste¬ 
ries unveiled. Boeiend verhaal van een ont¬ 
dekkingsreis in Zuid-Arabië . 

1932. XXVI en 248 blz. 10 afb. tusschen 
den tekst, 1 kl. kaart, 1 groote kaart 
(78 X 104 cM.), 72 platen. Prijs ƒ 9.— geb. 

E. J. Brill, Leiden. 

HET VERRE OOSTEN 

Binala Churn Lane, Concepts of Bu- 
ddhism. XII and 104 pp. Prijs ƒ 2.50 
($ 1.50. $s6d). H. J. Paris, Amsterdam. 

Dr C. HoOYKAAS, Over Maleische Litera¬ 
tuur. 

1937, XII, 284 ppg. 8vo. Prijs ƒ 5. — , geb. 
f6 .—. E. J. Brill, Leiden. 

M. W. DE Visser, Ancient Buddhism in 
Japan, sütras and ceremonies in use in the 
seventh and eighth centuries A. D. and their 
history in later times. 

1935, 2 vols, 8vo. XII, VII, 768 pp. ƒ 22.—. 
in Japansche zijde geb. f 25.—. Leiden, 
E. J. Brill. 

G. F. Pijper, Fragmenta Islamica, studiën 
over het islamisme in Nederlandsch-Indië. 
1934. XII, 196 pp. in-8. ƒ3.25, geb. ƒ 5.—. 
E. J. Brill, Leiden. 

Ik vestig nog eens de aa7idacht op het belangrijke boek over de 
nieuwe stroomingen in den Islam en haar invloed oi> de Moham¬ 
medanen in Nederlandsch Indie. De Islam in Nederlandsch IndAe 
is niet dezelfde als die van 25 ja ar geleden. Wij staan midden 
in een overgangstijd, waarin nieuwe krachten zich losmaken en 
nieuwe problemen worden opgeworpen. Deze studiën zijn in de 
eerste plaats bedoeld als wetenschappelijke bijdragen tot de kennis 
van den Islam in Indie. Het boek is met groote helderheid en 
zakenkennis geschreven en bevat prachtig materiaal uit rijke 
ervaring van den laatsten tijd. 


KUNST- EN BOEKHANDEL ENZ. 


AMERICAN EXPRESS REISBUREAU 

ROTTERDAM ’S-GRAVENHAGE AMSTERDAM 

Coolsingel 111 Plaats 31 Rokin 88 — 90 

Door onze wereldorganisatie staan wij aan de spits voor het regelen van 
WETENSCHAPPELIJKE REIZEN NAAR 

VOOR AZIË - EGYPTE - GRIEKENLAND - ITALIË 

VRAAGT INLICHTINGEN! 

PAUL BRANDT 

MAKELAAR — TAXATEUR 

HANDEL IN 

Vroeg Chineesche — Japansche — Griek- 
sche — Egyptische — Perzische en 
andere belangrijke kunstvoorwerpen 
Oude Schilderijen — Teekeningen 

Ruysdaelkade 51 t/o Rijksmuseum 
AMSTERDAM — TELEFOON 23997 

LINGUAPHONE 

VOOR OOSTERSCHE TALEN 

Bible Readings Bengali 

Perzisch Hindustani 

Syrisch Maleisch 

Chineesch Nw. Hebreeuwsch 

Japansch Russisch 

VRAAGT UITVOERIGE PROSPECTUS! 
Mr. C. GREVE 

Lange Voorhout 23a ’s-GRAVENHAGE 

M. KEEZER & FILS 

FONDÊ 1875 

Objets d’art anciens et de haute curiosité — Extrême-Orient 

TELEPHOON 37573 — 1 WIJDE KAPELSTEEG (ROKIN) — AMSTERDAM 

SCHIPPER 

HILVERSUM oVkCJV 

J. GINSBERG - LEIDEN 

Universiteitsboekhandel en Antiquariaat 
KORT RAPENBURG 17 

Speciaal adres voor: 

Theologie en Oostersche Talen 

In- en verkoop voor alle landen der wereld 
Antiquariaatscatalogus in voorbereiding 

ORIENTAL BOOKSHOP 

NOORDEINDE 115A — DEN HAAG 

Tel. 112990 Postgiro 210780 

Boekwerken over: 

Oostersche Religies — Filosofie 
Talen en Kunst 


E. J. BRILL - ORIENTAL PRINTER 

Publisher 



New and Second-Hand 

Publications 

Periodicals 


- LEIDEN 


Oriental Books 


PURCHASE AND SALE OF ORIENTAL LIBRAIRIES IN ALL THE WORLD 

























































vervolg pg . 2 van den omslag . 

D. Inleidingen en Verslagen der lezingen o. a. in Rondschrijven: 

n° 10: Prof. Dr D. Cohen, Alexander in de Siwa~Oase, 2pgg., ƒ o.io. 
n° 11 : Dr A. DE BüCK, De prophetische litteratuur der Egyptenaren en haar 
verhouding tot de propheten van Israël , 2 pgg., ƒ o.io. 
n° 13 : Prof. Dr F. M. Th. BöHL, Babylonische Prae - en Protohistorie , 3 pgg., ƒ o. 15. 
n° 16: Prof. Dr B. Hrozny, Ueber die hethitischen Hieroglyphen, 2 pgg.,/o. 10. 
n° 18: Prof. Dr F. M. Th. Böhl, Schets der Mesopotamische Cultuurgeschiedenis, 
4 Pgg-, / 0.20. 

n°i9: Prof. Dr J. SiMONS S. J., Palestijnsche steden op Egyptische tempelmuren, 
2 Pgg- ƒ o. 10. 

n° 22. Dr J. H. Kramers, Iran in geschiedenis en sage, 3 pgg., ƒ 0.15. 
n°23: Ds J. M. GERRITSEN, Egyptisch tempelritueel , 1 pg., ƒ0.05. 
n° 25: Prof. Dr A. W. BljVANCK, Koptische kunst . 
n°2ó: Prof. Dr D. Cohen, Hellenistische Cultuur , 1 pg., ƒ 0.05. 
n°28: Ir R. J. Forbes, Metalen in de Amarnabrieven, 1 pg. ƒ 0.05. 
n°3o: Dr A. DE BüCK, Egyptische Praehistorie , 2 pgg. ƒ o. 10. 
n°3i: A. A. Kampman, Hethieten, Assyriërs en Egyptenaren , 2 pgg., ƒ o. 10. 
n° 33: Prof. S. R. K. Glanville, The Development of Building in Ancient 
Egypt , i pg., ƒ 0.05. 

n°34: Dr A. H. Edelkoort, De opgravingen in Palestina en de tijd der 
koningen van Israël, 1 pg., ƒ 0.05. 

n°3ó: Prof. Dr F. M. Th. Böhl, Opgravingen in Mesopotamië, 2 pgg., ƒ0.10. 
n° 37: Ir R. J. Forbes, Antieke geologie en aardolieindustrie , 2 pgg., ƒ 0.10. 
n°4o: Dr A. DE BüCK, Het Egyptische Doodenboek , 1 pg., ƒ 0.05. 
n° 42: Prof. Dr C. U. AriËns Kappers, De anthropologie van het Nabije 
Oosten in den ouden tijd en in verband met de tegenwoordige bevolking , 
2de druk, 2 pgg., ƒ o. 10. 

Voor toezending tusschen cartonnen ƒ o. 10 extra 
In bewerking: 

E. Uitgave n° 1: F. Thureau-Dangin, Textes Mathêmatiques Babyloniens. (ter perse). 

Uitgave n° 2: J. Friedrich und P. Koschaker, Hethitische Gesetze mit philo- 
logischem und juridischem Kommentar. 

Uitgave n° 3: A. DE Buck, Texts of the Egyptian Wisdom Literature. 

Uitgave n° 4: K. Bittel, Corpus der Hethitischen Monumental-Denkmaler . 



Copyright 1938 by „Ex Oriente Lux'\ Leiden - Holland; All rights reserved , including 
the rigJn to translate or to reproduce this review or parts thereof in any form 


Printed in the Netherlands by E. J. BRILL